|
 |
| |
|
JAMES TURRELL
|
beeldhouwen met licht |
| |
INLEIDING
Al van in zijn kinderjaren was James Turrell (° 1943, Los Angeles)
gebiologeerd door licht. Een en ander heeft te maken met
wat zijn moeder zei om hem duidelijk maakte wat te doen op een bijeenkomst van
Quakers: "Ga naar binnen en groet het licht." Maar ook zijn vader, een
luchtvaartingenieur, gaf hem een duwtje: al vanaf zijn zestiende
vliegt zijn zoon James hoog boven het aardoppervlak door het luchtruim, alwaar je
naast zonsondergangen de meest wonderbaarlijke lichtshows kan
aanschouwen - inclusief UFO's die Turrell ook later nog blijven
fascineren. Beslissend
voor zijn verdere carrière zijn zijn studies waarnemingspsychologie en zijn opleiding als kunstenaar, gedurende dewelke hij
ontdekte dat dia's van schilderijen - inzonderheid die van Barnet Newman
en Mark Rothko -
mooier zijn dan de originelen. Al snel gaat Turrell zelf aan de slag
tezamen met kunstenaars als Robert Irwin en Maria Nordman in de informele groep 'Light and Space
artists'.
LICHTOBJECTEN
Kunst maken met licht, het hing in de lucht. Al in de vijftiger jaren
ging Yves Klein aan de slag met vuur, en vanaf de zestiger jaren werkt de Op-Art met optische illusies, maar weldra ook met echt licht zoals dat
uit de neonbuizen van Dan Flavin in de Verenigde Staten.
Om echt transparante Rothko's te maken, wilde James Turrell
aanvankelijk, naar het voorbeeld van Yves Klein, vuur of gas
gebruiken, maar hij geeft snel de voorkeur aan lampen.
Anders dan Dan Flavin, die aan de Westkust vanaf 1963 gekleurde
neonbuizen tezamen met hun reflectie op de muur laat zien, projecteert
James Turrell aan de Oostkust gekleurd licht vanuit een onzichtbare
lichtbron op de muur, en wel zodanig dat de indruk ontstaat van een
driedimensionale lichtende vorm die in de hoek van de ruimte lijkt te
zweven - de zogenaamde 'Projection series' met werken
als Afrum-proto (1966) en Decker (1967). In andere werken gaat de
illusie in de andere richting: driedimensionale werkelijkheid wordt
ervaren als tweedimensionaal vlak zoals in de
'Shallow Space Constructions' (1968-1970)
en werken als Danae (1983), waar wat een vlak
lijkt in werkelijkheid een doorkijk is op een met ultraviolet
licht verlichte ruimte. Een gelijkaardig effect wordt verkregen met
natuurlijk licht in 'Meeting' (1986)
in P.S.1 New York, waar een opening
in de zoldering van het museum uitgeeft op de hemel.
Dergelijke omkering werd hem ongetwijfeld ingefluisterd door
zijn 'Roden Crater' (zie verder). In de negentiger jaren vervangt
Turrell het geprojecteerde licht door computergestuurde gehelen van
neonbuizen en LED lampen, zoals in de 'Tall Glass series' of in zijn
'Motel Art' (1997) voor het luxueuze 'Mondrian Hotel' in Los Angeles,
waar ook Philippe Starck aan meewerkte.
In een late echo op de tv-scapes Nam June Paik ('Fisch Flies from
sky', 1975, en Tv-garden, 1978) toont hij er op elk verdiep van het
hotel een rechthoek van licht, met de zijden lichtjes gebogen zoals die
van een televisie, waarvan de kleur verandert naargelang van het
televisiestation waarop hij is afgestemd.
Omdat de illusie vaak pas te zien is vanuit een bepaalde invalshoek en na aanpassing van het oog aan het
duister - en ook om de toeschouwer in de gewenste
stemming te brengen - betrekt
Turrell al snel de architecturale omgeving in zijn ontwerpen. In
werken als 'Pleiades' (1983) l en 'Danae' (1983) moet je eerst door een
duistere gang vooraleer de ruimte te betreden waarin het licht wordt
geprojecteerd.
LICHTRUIMTES
Die aandacht voor de omgevende architectuur bespoedigde alleen maar de overigens voor de hand liggende
overstap van lichtende objecten naar lichtende ruimtes, die ook Dan
Flavin zette - denk aan diens Richmond Hall (1996).
In een eerste variant (de zogenaamde 'Perceptual
cells'), omgeeft Turrell het hoofd ('Alien exam', 1991, en Soft Cell',
1992), of het gehele lichaam ('Gasworks', 1993) van de toeschouwer met
een bol die van binnenuit wordt belicht en zo tot visueel 'Ganzfeld' wordt. In
een tweede variant introduceert Turrell de reële ruimte zoals in de 'Ganzfeld
Series' en 'Wedgework Series'. In
'Frontal Passage' (1994) komt de toeschouwer via een donkere gang in
een kamer die diagonaal is verdeeld door een muur van rood licht.
In 'Rise' (2005) hult een in de ruimte hangend lichtblok, waarvaan de
kleur geleidelijk verandert, de gehele ruimte in een onwerelds licht. In
'City of Anhirit' (1976) volgen vier ruimtes met verschillende kleuren elkaar
op. Het nabeeld van de kleur in de vorige ruimte bepaalt de waarneming
van de kleur in de volgende.
Een en ander culmineert in zijn veelgeprezen en
succesvolle 'Ganzfeld: Tight End' (2006) voor het Yorkshire Sculpture
Park: een ruimte volledig gehuld in blauw licht.
SKYSPACES
Intussen gaat Turrell nog een derde richting uit.
Bij het maken van zijn lichtobjecten werd Turrell mede gedragen door het antikapitalistische pathos van de zestiger jaren. Onstoffelijke
objecten zijn immers niet verkoopbaar - net zo min als happenings. En
net zo min als de land-art, die in 1968 van start ging in de Dwan Gallery
met figuren als Walter De Maria, Michael Heizer, Richard Long, Robert Morris, Robert Smithson en weldra ook Andy
Goldsworthy. Dicht in de buurt groef Michael Heizer in 1969
zijn 'Double Negative' in de Nevada woestijn en construeerde Robert
Smithson in 1970 zijn 'Spiral Jetty' in het Great
Salt Lake in Utah.
Dat bracht Turrell ongetwijfeld op het idee om vanaf 1972 de
krater van een uitgedoofde vulkaan om te bouwen tot een soort
observatorium om naar de hemel te kijken: zijn befaamde 'Roden Crater project' in Flagstaff, Arizona.
400.000 kubieke meter as werd verplaatst om de rand van de krater,
waarvan de rand die van een perfecte cirkel benadert, op
gelijke hoogte te brengen. Door een donkere
gang kom je in een ruimte die de hemel omvormt tot een koepel.
Er zijn ook tunnels die zodanig zijn uitgegraven dat je er op de geschikte
tijdstippen de winterzonnewende en gelijkaardige kosmische
gebeurtenissen kunt aanschouwen, zoals in Stonehenge of de Egyptische
piramides. In een andere ruimte is er een
warm bad dat werkt als een apochromatische lens: 'The pool will be a
sensing place and will hold the light.' Door een vernuftig systeem
worden radiogolven uit de ruimte omgezet in geluiden die je te horen
krijgt met je hoofd in het water gedompeld.
Van eenwording met het licht tot eenwording
met de kosmos en de kosmische straling zeg maar.
'Roden Crater' is een project van lange adem. In afwachting werkte
James Turrell intussen al zo'n 36 meer bescheiden 'sky-spaces' af. Vermelden we 'Blue Blood' (1988)
in Santa Fe, New Mexico: een piramidale structuur die doet denken aan de
bouwwerken van Egyptenaren, de Maya's en de Kelten.
'Space that Sees' (1992) is een vierkante kamer, uitgegraven in een kleine
heuvel in het Israel Museum te Jeruzalem. Kielder Skyspace (1996) in het
Kielder Forest Park in Northumberland is een ingegraven cilindervormige
kamer, te betreden door een tunnel en afgedekt foor een dak met een
opening in het midden. Voor de zonsverduistering op 11 augustus 1999 ontwierp Turrell de 'The Elliptic Ecliptic'
op de helling van St. Michael's Mount (England, UK). 'House of Light' (2000) in Naoshima
(Japan) is opgevat als een meditatiecentrum met voorzieningen om te overnachten als
voorbereiding voor het aanschouwen van de zonsopgang.
In 2003 onthult Turrell een elliptische ruimte 'Light Reign' in de 'Henry Art Gallery'
waarvan de buitenkant 's nachts is verlicht in langzaam
veranderende kleuren door duizenden computergestuurde
LED lampjes in glazen panelen. 'Three Gems' (2005) is een ondergrondse installatie in de vorm van
een stupa waarvan de binnenruimte is verlicht door LED effecten die
aangepast zijn aan de wisselende taferelen die door een opening in de
zoldering zijn te zien.
Een van de meest recente skyspaces is 'Deer Shelter' (2005?),
uitgegraven in het Yorkshire Sculpture Park: een gang die uitgeeft op
een witte kubusvormige ruimte waarboven de hemel is te zien en de
geluiden uit het park zijn te horen.
Naast Roden Crater in Arizona, bouwde Turrell nog een
tweede omvangrijker project, ditmaal in een Keltische omgeving:
'Irish Sky Garden'
(1992)
bestaande uit een krater, een ronde heuvel en een piramide.
Een verwante versie is 'Hemels
Gewelf en Panorama' in de duinen in Kijkduin bij Den Haag (1996,
gerestaureerd in 2008). Hij was ook verantwoordelijk voor het licht in de
Chill-Out-Zone
Millennium-Dome,
en voor het onvoltooide Thames Light Project,
voorzien voor een 'Light Square' aan beide zijden van de Thames.
En James Turrell droomt van projecten die nog ambitieuzer
zijn dan Roden Crater: een skyspace op
Mars.
VISUELE MUZIEK
Laten we na dit overzicht de registers wat opengooien om de eigenaard van Turrells werk
beter te begrijpen. Lichtkunst is immers geenszins
een uitvinding van Turrell of Dan Flavin.
Er zijn om te beginnen de vele kleurenorgels die in het voetspoor van Louis-Bertrand Castel
sedert 1725 werden ontwikkeld, de al meer gesofisticeerde apparaten die
ontworpen werden aan de Wchutemas en het Bauhaus, de abstracte films sedert de twintiger jaren,
en projecten als de 'Tempel van het licht' van Ivan Vyshnegradsky, de 'Prometheus' van
Skriabin (1911), Kandinsky's 'Gele Klank', Schönberg's Glückliche Hand
(1913), Phillips pavillion (1958) met Varèse en Xenakis en Luigi Nono's
aanvankelijke concept voor de Prometeo (1984, evenals de veel drukkere
'spectaculars' met gloeilampen uit de dertiger jaren, de
neon-architectuur in het vroegere Las Vegas, om nog maar te
zwijgen van de lightshows in
danstempels van tegenwoordig, inzonderheid de gesofisticeerde creaties
van figuren als Carsten Nicolai, waar de idee van een 'visuele muziek'
al veel reëler is geworden.
Bovenstaande voorbeelden maken meteen duidelijk dat Turrell - in
tegenstelling tot vergelijkbare installaties als 'Colour Organ'
(2005) van Adams of de veel drukkere creaties van Carsten Nicolai - niet zozeer denkt aan de
integratie van de muziek en licht in een totaalkunstwerk. Eerder, denkt
hij - met de reeds besproken nauwelijks evoluerende en monochrome
beperkingen - in de richting van een puur
visuele muziek. Hij vergelijkt de
geleidelijke evolutie van zijn kleuren vaak met de muzikale idee van
thema met variaties: een late echo van de idee die sedert het einde van
de negentiende eeuw aan de basis lag van de ontwikkeling van de abstracte (of algemeen:
niet-literaire) schilderkunst. Kandinsky indachtig klinkt een uitspraak
als Turrell 'We're doing much better with sound and with music than with light'
enisgzins achterhaald. (Whittaker).
Merken we ook - met enige verbazing - op dat Turrell niet flirt met
synesthesie. Als er al sprake van is, dan niet van de hoorbaarheid
maar van de tastbaarheid van licht: 'De ogen voelen, zoals de tastzin,
zoals wanneer in de ogen van je lief kijkt en de intensiteit van de
aanraking voelt met je ogen (Vicky
Lindner*)'.
MYSTIEK VAN HET LICHT
Aanvankelijk stelt Turrell zijn transparante licht in puur
artistieke termen - in termen van medium - tegenover het reflecterende licht van traditionele
schilderkunst, beeldhouwkunst en architectuur. Maar hoe langer hoe meer
legt hij de nadruk op de mystieke eenwording met het licht, zoniet met
de kosmos. In het begin heeft hij het vooral over de neurologische en
psychologische aspecten van het zien. Steeds talrijker worden de
verwijzingen naar de fascinerende eigenschappen van transparant licht,
zoals dat van vuur, diepe wateren en blauwe hemels, zonsopgangen en
zonsondergangen. Die ontlenen hun aantrekkingskracht aan het feit dat ze
ons lijken te onttrekken aan de gewone zichtbare wereld waarin we
omgeven zijn door begrensde, tastbare en stoffelijke objecten die ons genadeloos opsluiten in het evenzeer begrensde,
tastbare en stoffelijke lichaam waarin we zo ongaarne nederdaalden (zie:
'De zuigeling in de spiegel'). Onze laatste toevlucht is dan de
constructie van een innerlijke wereld achter het oppervlak van onze
huid, waarin we ons als ziel of geest menen te kunnen verschansen. Bij
de aanblik van transparante werelden lijkt dat stoffelijk omhulsel van
ons zich evenzeer op te lossen zodat ons onstoffelijk lichaam lijkt op
te gaan in een buitenwereldse ether waar we verlost zijn niet alleen van
ziekte, verval en dood, maar vooral van de rol die ons geïndividueerde lichaam temidden
van talloze kwaadwillige of onverschillige, maar schaarse welwillende
medespelers in het ondermaanse moet spelen.
Zoals de meeste stervelingen geeft turrellde voorkeur aan een andere
interpretatie. Hoe langer hoe meer legt hij de nadruk op de andere
zijnstoestand waarin we overgaan bij de opgang in transparant licht. Hij
verwijst vaak naar het transparante licht in (lucide) dromen, of aan de
lichtervaringen bij bijnadoodervaringen. Katy Beinart verwijst
zelfs naar Shamsoddin Lahiji, een Soefi uit de vijfitende eeuw. En
uiteindelijke belanden we bij een unio mystica
met het licht: Turrell heeft het over 'gevoelens van transcendentie en
het goddelijke'
en wil met zijn kunst de spirituele dimensie van het bestaan openen. En
en ander wordt bezegeld in de
tentoonstelling in Berlijn 2001:
"On the Sublime: Mark Rothko, Yves Klein, James
Turrell" in Berlijn 200. De toenemende religieuze interpretatie heeft ook gevolgen voor de
opstelling van de werken: met de bankjes ervoor of errond doen ze vaak
denken aan altaren in kerken.
Wijzen we erop dat Turrells 'spiritual awakening' op het
eerste gezicht helemaal in de lijn licht van het 'Go inside and greet
the Light' van de Quakers. Wars van elke
gevestigde geloofsovertuiging, houden de Quakers zich aan hun
individueel geloof gebaseerd op innerlijke openbaringen.
Het hoeft ons dan ook niet te verbazen dat
Turrell voor de Quaker 'Society of Friend' het Live Oaks Meeting House
ontwierp, met een opening in de zoldering die uitgeeft op de hemel. Maar
het is maar de vraag in hoeverre de 'Turrell
experience' niet eerder één van de vele drankjes is in de veel
oppervlakkiger
idiosyncratische cocktails
van exotische godsdiensten en astrologie
die velen zich brouwen voor eigen gebruik sedert
het leeglopen van de kerken in het Westen.
Ook Roden Crater zelf is wat dat betreft alleen maar een afglans van
Stonehenge en de piramides in de Oude en de Nieuwe Wereld. De vergelijking dringt zich op met de - zij het inhoudelijk totaal
tegengestelde - private religie die Hermann Nitsch
zich uitbouwde met zijn 'Orgien Mysterien Theater' in het Oostenrijkse
Prinzendorf. Van kunstenaar tot hogepriester is maar een stap....
DESIGN
We zijn via de wereld van het totaalkunstwerk in de wereld van de
religie en de mystiek terechtgekomen. Tijd dus om ons even de vraag te stellen in
hoeverre de creaties van Turrell nog wel iets met kunst van doen hebben.
Voor Turrell liggen de zaken duidelijk. Hij begrijpt zichzelf als
kunstenaar en is tot zijn creaties gekomen door enkele tendensen uit op
art en land art door te denken.
Maar Turrell laat de wortels van zijn kunst nog verder terug reiken in
de geschiedenis van de kunst. In een interview met Vicki Lindner*.vergelijkt hij zijn
werken met de hooischelven van Monet waarin de hooischelven zouden zijn
weggelaten: 'Je zou dan kijken naar je eigen zien. Dit is directe
ervaringen, in tegenstelling tot geïnterpreteerde ervaring.'
Naar aanleiding van de Kielder skyspace, verwijst Turrell naar de luchten
van Constable en Turner. Merkwaardig is hoe hij zich daarbij inschrijft in de geschiedenis van de
schilderkunst, en niet in de geschiedenis van de lichtkunst zelf die we
hierboven summier beschreven.
Pas door deze kunstgreep toe te passen kan Turrell schrijven: 'Wij
zijn een primitieve cultuur als het om licht gaat. We staan nog maar aan
het begin. Ik moet de instrumenten maken net zo goed als de symfonie.' (Whittaker*)
Niet alleen Turrell zelf situeert zich in de traditie van de (schilder)kunst, ook
de kunstmarkt en zijn acolieten laten zich niet onbetuigd. Dat blijkt om te beginnen uit omschrijvingen
in de trant van: 'Turrell gebruikt de hemel als zijn doek' en 'schilderen
met licht' of 'beeldhouwen met licht'
die ook worden toegepast op kunstenaars als Dan Flavin. Maar ook de titels van
tentoonstellingen spreken boekdelen. In
"On the Sublime: Mark Rothko, Yves Klein,
James Turrell" Berlijn 2001
worden Yves Klein en James Turrell met nadruk op gelijke voet gesteld
met de
schilder Rothko.
Deze gelijkstelling ziet over het hoofd dat de stap van Rothko (of
Constable en Turner) naar
Turrell de stap is van op een
tweedimensionaal vlak opgeroepen lichtruimtes naar
driedimensionale creaties met werkelijk transparant licht. Die
stap bezegelt meteen ook de stap van opgeroepen wereld (kunst) naar een werkelijke
wereld,
al is die dan ook door de mens geschapen en daarom 'design' (zie: 'Kunst
en mimesis'). Zeker,
aanvankelijk is er nog een rest van mimesis in de werken waar tweedimensionale
lichtvlekken op de muur worden gelezen als driedimensionale lichtobjecten.
Maar het gaat hier om een vorm van mimesis die grenst aan het
echte 'trompe-l'oeil' - mimesis die zichzelf opheft door bedrog te
worden (zie 'Mimesis en bedrog'): getuige het
incident in het Whitney museum waar mensen hun pols braken omdat ze
dachten te kunnen leunen op Turrells imaginaire muur. In latere werken
valt deze laatste rest van mimesis helemaal weg: het zijn voluit
driedimensionale lichtende vormen die - dank zij
het verwijden van de pupil in donker ruimtes - het licht zelf bijna tastbaar
waarneembaar maken. Turrell zelf verzet zich overigens tegen een
mimetisch benadering van zijn werk: 'Ik verzet met ten stelligste
tegen de gedachte dat mijn werk een illusie zou zijn. Deze werken
alluderen op wat ze werkelijk zijn: een ruimte gevuld met een ander
soort licht.'
(Vickie Lindner*). Wat dat betreft is Turrell dus geen kunstenaars,
maar, net zozeer als Yves
Klein en Dan Flavin een designer.
Dat geldt ook voor de lichtruimtes van Turrell. Zeker, het speciale
licht van Turrell verleent de ruimte een soms haast stoffelijk karakter,
maar dat doet ook de wierrook in Gotische kathedralen, waar het door de glasramen
gekleurde licht een gelijkaardige
mystieke atmosfeer creëert, die evenzeer echt is. En dat heeft Turrell dan weer gemeen met kunstenaars als
Pieter Vermeersch die in de echte zin van het woord de ruimte beschildert met
(al is het dan reflecterend) licht en zich zo van schilder tot ruimtelijk designer ontplooit.
De skyspaces zijn - met dezelfde behorende reserves inzake 'trompe-l'oeil' als hierboven - mimetisch in zoverre bijvoorbeeld Roden Crater de indruk
wekt alsof de
hemel inderdaad een koepel is, en geen oneindig diepe ruimte. Voor zover
ze functioneren als doorblik op natuurfenomenen zoals zonsop- en
ondergangen en zonsverduisteringen,
hebben we te maken de architecturale 'sokkels' voor
tentoongestelde werkelijkheid,
vergelijkbaar met Stonehenge of de Egyptische tempels en piramides. Het
bad in Roden Crater waarin de kosmische straling is te horen, is
daarentegen pure design, nauwelijks verschillend van
de vergelijkbare 'commerciële installaties' die in de tegenwoordige wellnesscentra worden opgezet,
inclusief het religieus-mystieke kleedje waarin ze zijn gehuld.
James Turrell is dus een zoveelste voorbeeld van een kunstenaar die
onder het mom van een verder ontwikkeling van de kunst alleen maar de
grenzen van de kunst overschrijdt en overgaat tot het tentoonstellen van
werkelijkheid of het scheppen van echte objecten en echte ruimtes
(design). Het anti-mimetische pathos dat daaraan ten grondslag ligt,
blijkt overduidelijk uit het feit dat James Turrell graag benadrukt dat
zijn werken 'abstract' zijn: ' Ik gebruik licht niet als drager
van een inhoud, zoals de film.'... Of: 'Mijn
kunst gaat ov er het licht zelf. Licht is niet de drager van een
openbaring, het is de openbaring zelf'.
DE HEMEL OP AARDE
'James Turrell's work is perhaps the nearest some of us will ever
get to heaven'.
Susan Young
Wellicht daarom is het werk van James
Turrells zo ongelooflijk populair, net zoals dat van
Donald Judd. Of dat van Andreas Gursky, al
is dat laatste op het eerste gezicht totaal tegengesteld aan dat van
Turrell. Maar beiden doen niet
veel meer dan de mensen te verlossen van de verschrikkingen van het
bestaan: de ene door
ze zich blind te laten staren op een overvloed aan details, de andere door ze
zich te laten verliezen in het eigen innerlijk licht, helemaal in de
lijn van de geleidelijke ombouw van musea tot pretparken: denk aan de
evenzeer enorm populaire glijbanen van
Carsten Höller in de Tate...
Geef toe dat men zich de nodige vragen kan stellen bij de door James
Turrell beoogde 'spiritual awakening' als men leest hoe de miljardair
James F. Goldstein
tweemaal per dag een pelgrimstocht pleegt naar zijn Turrellkapel, een
private skyspace in
zijn
bescheiden optrekje te Hollywood.
©
Stefan
Beyst, April 2007
* Zie: 'Enkele referenties' hieronder:
ENKELE REFERENTIES:
BEINART, Katy: 'Power
of Light', Resurgence, 2006, Issue 237.
CRAIG, Adcock: The Other Horizon. An
overview of Turrell's development from 1967 to 2001'. (ISBN
3-7757-9062-4)
CRAIG ADCOCK: 'James Turrell : the art of light and space by Craig
Adcock'. (ISBN 0-520-06728-2)
GEHRING, Ulrike: 'Bilder Aus Licht: James Turrell Im Kontext der
Amerikanischen Kunst Nach 1945, Powell, 2007.
GONZALES, Valérie: 'The
Comares Hall in the Alhambra; Space that Sees by James Turrell'
LAAKSONEN, Esa: 'Interview
with James Turrell', Reprinted from ARK The Finnish Architectural
Review.
LINDNER, Vicki: 'James Turrell - artist - Interview', Omni, Winter 1995.
MEURIS, Jacques: 'James Turrell. La perception est le
medium', La Lettre Volée, Bruxelles 1995.
SHTERENBERG, Marina: 'Unnlimited-Continuous-Finite-Faraway and
Contiguous' http://www.marinashterenberg.com/essays/
WHITTAKER, Richard: 'Greeting
the Light. an Interview with James Turrell'
Reacties: beyst.stefan@gmail.com
Zie ook:
stefan beyst
kunsttheorie
en hedendaagse kunstenaars
Op
de hoogte blijven van nieuwe teksten: mailinglist.
Niewe creaties van James Turrell:
Pomona college in Claremont California (2007): een ruimte met een
vierkante opening in de zoldering boven een wateroppervlak en
lichtelementen die veranderen in intensiteit en kleur.
|