DE ZUIGELING IN DE SPIEGEL
Of: Hoe de ziel in haar lichaam neerdaalt
Sedert Betje kan zitten, ook in het bad, ziet ze haar beentjes in het
water verdwijnen. De spiegelingen in het water ontnemen haar blijkbaar
het zicht, zeker als er wat badolie op het water drijft. Uiteraard heeft
ze weet van haar beentjes en voeten – al was het alleen maar omdat het
warme water ze behaaglijk omhelst. Maar ze heeft enige moeite met te
begrijpen waarom ze ze niet ziet. Mama vraagt dan: ‘Waar is Betje voet?’
En dan tilt ze prompt een voetje uit het water, zichtbaar gerustgesteld.
Dit spelletje was niet voldoende om haar probleempjes omtrent
verdwijnende lichaamsdelen op te heffen. Zo stond ze ingespannen naar
beneden te staren toen mama haar liet rechtstaan in bad. Op mama’s vraag
‘Waar is Betje voet?’ tastte ze naar haar knieën en raakte toen ineens
in paniek: waar waren die voeten nu weer? Tot mama haar uit het water
tilde en ze gerustgesteld haar vertrouwde voetjes kon vastpakken.
Uit dit voorbeeld blijkt dat het kind enige moeite heeft om vertrouwd te
raken met zijn visuele verschijning. Pas na de geboorte begint het
geleidelijk de zichtbare wereld te verkennen. Deze wereld wordt in de
eerste plaats door het oog verkend. Maar weldra krijgt het oog
gezelschap van de tastende hand: wat het oog ziet wil de hand voelen.
Geleidelijk ontdekt het kind in deze buitenwereld ook de eigen visuele
verschijning. Maar het heeft heel wat voeten in de aarde vooraleer deze
zichtbare verschijning wordt verbonden met het reeds bestaande
zelfbeeld, dat het kind reeds in de baarmoeder begon op te bouwen aan de
hand van innerlijke gewaarwordingen en vooral van de tastzin (huid,
voelende hand en bewegende beentjes).
In een eerste fase neemt het kind de onderdelen van zijn eigen lichaam
waar alsof ze deel uitmaken van de overige visuele wereld - een wereld
die in de eerste plaats een buitenwereld is, georganiseerd rond de ogen
in het gelaat van de moeder. Het eerst merkt het zijn handjes op, wat
later zijn voetjes. Maar niets wijst erop dat het deze herkent als
behorende tot het eigen zelf. Het beeld van de eigen hand is gewoon een
verschijningen die, net als de handen van de moeder, behoort tot de
objecten die gedurende de borstvoeding vaak in de omgeving van het
vertrouwde gelaat van de moeder blijken op te duiken.
In een tweede fase koppelt het kind de visuele verschijning van de hand
aan de innerlijke waarneming ervan: ze lijkt te bewegen op een manier
die samenhangt met de innerlijke ervaring van de bewegende hand. Je ziet
hier voor je eigen ogen hoe de Schopenhaueriaanse ‘wil’ zich voegt bij
zijn ‘voorstelling’. En dat intrigeert de zuigeling mateloos. Dat hij
met de lippen zijn eigen duim, vinger of hand voelde als hij die in de
mond stak, vond hij vanzelfsprekend. Maar elke ouder herinnert zich wel
de verbazing waarmee de zuigeling ontdekt hoe hij van binnenuit de
zichtbare beweging van zijn hand lijkt te besturen. Toen Betje dat
doorhad, kon ze maar niet genoeg krijgen van de aanschouwing van dat
wonder. Bij het inslapen zat ze onophoudelijk te staren naar het handje
dat ze zachtjes voor haar ogen heen en weer bewoog. De verbazing stijgt
ten top als de twee zichtbare handen die je daar voor je ogen doet
bewegen ook nog elkaar blijken te voelen als ze elkaar aanraken! Een
nieuwe fase in de constructie van het zelfbeeld is ingetreden. Het
innerlijke zelfbeeld en de uiterlijke verschijning beginnen zich
langzamerhand te overdekken: het is alsof ons onstoffelijke zelf – onze
onzichtbare ziel – in een stoffelijk omhulsel wordt gewikkeld. Of
nauwkeuriger: alsof onze ziel zich in een handschoen hult. Want onze
nederdaling in het stoffelijke lichaam wordt bezegeld in de herkenning
van onze hand: het eerste orgaan dat echt aan onze wil gehoorzaamt, is
ook de eerste gedaante waarin wij voor onszelf als zichtbaar wezen
verschijnen. Op deze geprivilegieerde rol van de hand als verschijning
van de ziel berust de welsprekendheid van het gebaar waarmee
Michelangelo’s God de lemen Adam tot leven wekt: de hand verheft zich
ter bezieling nog eer het lichaam ontwaakt.
Het van binnen uit vertrouwde lichaam - de onzichtbare ziel - wordt dus
niet in één klap gehuld in haar zichtbare omhulsel. Het kind trekt zijn
zichtbare huid slechts aan bij stukjes en beetjes, alsof ons lichaam was
opgedeeld in een reeks kledingstukken. Eerst trekken we de handschoenen
aan. Dan zijn de sokjes aan de beurt. Als de beweeglijkheid van het
hoofd vergroot, komen de mouwen en de broek, tot we tenslotte bij de
aanblik van onze buik een voorschoot aantrekken. Het pak bedekt niet het
hele lichaam. Vele delen blijven naakt: het gezicht – met mond, neus,
ogen en oren - om nog maar te zwijgen van de achterkant van het lichaam:
van de haren op het hoofd, over de schouders en de rug, tot de billen en
de anus – en bij meisjes ook het kutje. Het visuele lichaam is een
onvolledig lichaam: het heeft alleen een voorkant, geen achterkant en
geen onderkant. En het is ook nog in losse onderdelen opgedeeld:
beentjes en voetjes en een buik die vanuit het niets lijken op te
duiken. Het visuele lichaam is dus niet alleen ‘morcelé’ maar vooral ‘partiel’.
Het innerlijke zelfbeeld daarentegen – de ziel gehuld in haar
onzichtbare huid – lijkt wel uit één blok gesneden. Zij is één en
ongedeeld – al duurt het wel even voor ze al de instrumenten beheerst
die haar ten dienste staan.
De echte kleren bemoeilijken de intrede in het zichtbare lichaam.
Afgezien van de handjes, die altijd onbedekt blijven, worden de
lichaamsdelen in telkens andere – ditmaal echte - kleren gehuld. Dat
heeft niet alleen gevolgen voor de herkenning door het oog, maar ook
voor de herkenning door de voelende hand. Het bedekte lichaam wordt al
voortdurend ‘aangeraakt’ door de kleren. De aanraking door de eigen hand
of door het eigen been is slechts voelbaar doorheen de kleren. Alleen al
daarom zijn de handen voorbestemd om de bevoorrechte plaats te zijn waar
het uiterlijke over het innerlijke schuift: als de ene hand de andere
betast, komen geen kleren de pret bederven. Zeker, de handen raken ook
het naakte gezicht aan, maar dat gebeuren onttrekt zich dan weer aan het
zicht.
Dé aangewezen plaats om het kind vertrouwd te maken met zijn visuele
verschijning is dan ook het bad. Al moet je er op bedacht zijn dat ook
hier het badwater een en ander aan het zicht onttrekt – zoals het
voorbeeld aantoont waarmee we dit verhaaltje begonnen. De visuele
verschijning is niet alleen verbrokkeld en onvolledig, maar ook nog eens
wispelturig: ze verschijnt en verdwijnt. Kiekeboespelletjes met de
handjes en de voetjes helpen om het kind vertrouwd te maken met deze
vluchtige verschijning: spelletjes zoals voetje uit de sok, voetje in de
sok of: handje in de mouw, handje uit de mouw of: handje voor het
gezicht, handje uit het blikveld opzij. Afgezien van problemen met het
wateroppervlak, is in het bad de gehele voorkant van het lichaam te
zien. Het kind bekijkt enthousiast de delen die het van binnenuit
beweegt en al dadelijk volgt de hand het oog op zijn ontdekkingstocht.
Bij elke aanraking van wat zichtbaar is en van binnenuit wordt bewogen,
verstevigt zich het nieuwe zelfbeeld. De indrukken verschaft door het
zien, het voelen met huid en hand en de innerlijke gewaarwordingen
(ademhaling, spijsvertering en bloedsomloop), beginnen zich tot één
geheel te sluiten rond de ‘wil’
Maar de constructie kan niet volledig worden afgewerkt. Bij kleine
meisjes blijft het kutje verborgen achter de buik. Zo zit Betje vaak met
haar vingertjes in de opening te woelen - daarbij ondeugend naar mama
kijkend - maar haar pogingen om ook te zien wat ze daar voelt, stuiten
op de omvang van haar nochtans bescheiden buikje. Ook als de kinderen
later wat beweeglijker worden, blijft het moeilijk om deze zone visueel
te verkennen. De problemen worden pas onoverkomelijk met de achterkant
van het lichaam: het zal nog lang duren vooraleer het kind zijn armen zo
kan bewegen dat het met de hand zijn rug kan betasten. Maar het bekijken
van de achterkant is helemaal uitgesloten. Het gelaat neemt een
tussenpositie in: als geen andere plaats van het lichaam is het van
binnenuit bezield en als geen andere plaats van het lichaam wordt het
voortdurend aangeraakt: door de eigen handen, die van de moeder, om nog
maar te zwijgen van de behaaglijke warmte van de moederborst.
Zonder tussenkomst van een – liefst manshoge spiegel – blijft de
‘optische’ huid van de zuigeling dan ook slechts een soort voorschoot.
Het is alsof je alleen met mouwen, broekspijpen en voorschoot voor een
gezelschap moet verschijnen: zonder gezicht – zoals sommige figuren van
Magritte - en met een blote rug. Daarom is de spiegel – minstens onder
de vorm van het wateroppervlak waarin Narcissus zichzelf bewonderde -
een wellicht oudere metgezel van de mens dan het warmende vuur.
Een spiegel te hulp geroepen dus! Maar het duurt wel even voor de
zuigeling het beeld in de spiegel onderscheidt van de gewone zichtbare
werkelijkheid. Pas het verschijnen van het gelaat van de ouder dwingt om
het onderscheid te maken. De baby herkent de ouder in de spiegel meteen:
vader of moeder zijn in de eerste plaats een sprekend gezicht, dat al
snel een eenheid gaat vormen met de borst of de dragende armen of schoot
(zie ‘Het beeld op de andere’): in de verschijning van de ouder zijn de
visuele, auditieve en tactiele indrukken (gezicht, stem en aanraking)
verbonden tot één geheel. Daarom herkent de baby het spiegelbeeld als
spiegelbeeld: als hij je gezicht in de spiegel ziet, klopt dat niet met
de waarneming dat je stem naast zijn oor spreekt en dat je handen hem
voor de spiegel vasthouden. Hij lacht wel degelijk naar je gezicht in de
spiegel. Maar af en toe kijkt hij naar het echte gezicht of pakt je wat
steviger vast, als om zichzelf er van te verzekeren dat het echte
gezicht wel degelijk is waar hij het hoort en het echte lichaam waar hij
het voelt. Mij heeft het telkens opnieuw verwonderd dat het kind
blijkbaar geen moeite heeft met de interpretatie van een spiegelbeeld:
het ervaart het gelaat in de spiegel wel degelijk als een ‘virtueel
beeld’ en niet als een dubbelganger van de ouder.*
Eenmaal het kind vertrouwd is met het verschijnsel van een spiegelbeeld,
loont het om telkens opnieuw met je kind op de armen voor een manshoge
spiegel te gaan staan en vooruit en achteruit te bewegen. Het duurt
immers een tijdje vooraleer het kind doorheeft dat ook de handen en de
voeten, de armen en de benen bij het ouderlijke gezicht horen en samen
één lichaam vormen. Voor de spiegel kun je heel goed laten zien hoe de
handen via de armen aan het lichaam zijn verbonden en de voeten via de
benen. Als de zuigeling op je schoot zit, kan hij het geheel niet
overzien, en als hij de ouder op afstand ziet, is hij er in de regel
alleen maar op uit om te worden gepakt, zodat hij alleen maar aandacht
heeft voor je ogen of je gezicht. Voor de spiegel daarentegen, voelt de
baby zich veilig geborgen in ouderlijke armen. Hij kan dan rustig de
ouderlijke verschijning bestuderen van op alle afstanden en in alle
posities.
Het is met de visuele verschijning van de ouders dus net omgekeerd als
met de eigen verschijning: die van de ouders vertrekt van het gelaat,
terwijl die van de kinderen lange tijd op die plaats alleen een blinde
vlek vertoont. Dat heeft zo zijn gevolgen voor de reactie van het kind
op zijn eigen gelaat in de spiegel. Zeker, de baby heeft het meteen in
de gaten. Gezichten zijn immers het eerste wat zijn aandacht trekt in de
visuele wereld - de moederlijke ogen zijn het oerbeeld van de zichtbare
werkelijkheid. Maar vermits hij nog geen weet heeft van de visuele
verschijning van zijn gelaat, lijkt het gezicht in de spiegel hem gewoon
één van de vele gezichten te zijn die hem toelachen vanuit de zichtbare
werkelijkheid. Als hij het een paar keer gezien heeft, raakt hij er
vertrouwd aan. Hij reageert er dan op zoals op het gezicht van de
vertrouwde moeder. Zo zag ik een baby van twee maanden gelukzalig kijken
naar zijn gezicht in de spiegel, als was het dat van zijn moeder, en dan
beginnen te frazelen, zoals hij anders alleen met de moeder deed.
Sommigen trekken daar de verkeerde conclusie uit dat kinderen geen
spiegelbeeld kunnen interpreteren. Dat wordt gelogenstraft door wat we
hierboven beschreven. Anders dan het spiegelbeeld van de ouder, waarvan
ze voelen dat het hen voor de spiegel aanraakt en naast hun oren tot hun
spreekt, geeft het eigen spiegelbeeld echter geen enkele aanleiding om
het als een spiegelbeeld te lezen. Het is voor het kind – wiens gezicht
nog geen plaats inneemt in de visuele ruimte – gewoon een van de vele
verschijningen die in de spiegel zijn te zien.
Maar dan komt plots de aap uit de mouw: de wil herkent zijn
verschijning! Het eerst herkent het kind de bewegingen van zijn hand in
de spiegel. Dat ligt voor de hand, omdat het zijn handje al van uit de
werkelijke wereld kent. Het is gefascineerd door de verdubbeling ervan
in het spiegelbeeld, en veert verrast op als het handje in de spiegel
botst op het echte handje daarbuiten. Het kind aanvaardt meteen dat het
beeld in de spiegel slechts virtueel is, net zoals dat van de ouder. Het
heeft niet echt problemen met het feit dat zijn armpje verbonden is met
het onbekende gezicht in de spiegel: de zichtbare arm die het kent
vanuit de werkelijkheid komt immers ergens vanuit het onzichtbare
opgedoken.
Maar vroeg of laat volgt de herkenning van het eigen gelaat. Tot zijn
ontzetting merkt de zuigeling dat ook het gezicht de bewegingen uitvoert
die hijzelf van binnenuit stuurt. Hij schrikt er aanvankelijk danig van,
en duikt angstig met zijn hoofdje tegen de borst van de moeder. Maar na
de eerste schrik steekt de nieuwsgierigheid weer de kop op. Telkens
opnieuw stelt het kind met ongeloof vast dat het gezicht doet wat het
voor de spiegel zelf doet. Het duurt even vooraleer het de juiste
conclusie uit deze gegevens trekt. Je kunt het aanvaardingsproces
versnellen door het kind – net zoals in het bad – voor de spiegel zijn
gelaat en zijn hoofd te laten aanraken: de neus, de oogjes, de oren, de
schedel, de mond. Maar het ultieme bewijs wordt pas geleverd als je de
zuigeling letterlijk met de neus op de feiten duwt: als je hem zachtjes
naar zijn eigens spiegelbeeld toe beweegt en hem met de tong en lippen
de koude spiegel laat aanraken, terwijl hij met zijn ogen zich eigen
gelaat aanschouwt. Je ziet dan letterlijk hoe alle schema’s in zijn
hoofd op hun plaats vallen.
Deze ontdekking is sensationeel. Betjes belangstelling voor het gebeuren
in de spiegel was dan ook niet te stuiten. Om het te voltooien gingen we
met zijn tweeën voor de spiegel staan met Betje op de armen. Op mijn
armen gezeten keek ze eerst naar mij in de spiegel en in het echt, dan
naar mama in de spiegel en in het echt. Dan wou ze op mama’s armen gaan
zitten om het geheel nog eens te overschouwen vanuit een ander
perspectief – intussen telkens weer met genoegen vaststellend dat het
wel degelijk zijzelf was, die daar zo in de spiegel op telkens andere
armen werd gedragen. Betje heeft haar plaats als zichtbaar wezen tussen
de zichtbare wezens ingenomen – een ware tweede geboorte!
We vervolgen dit verhaal in ‘De peuter en de kleuter voor de spiegel’.
© Stefan Beyst, maart 2002
*Het mag toch verbazing wekken hoe snel het kind erin slaagt een zo
moeilijke opgave onder de knie te krijgen als het herkennen van een
spiegelbeeld. Narcissus ontdekt zijn spiegelbeeld als hij op het punt
staat te drinken. Als dieren willen drinken, zijn ze door het buigen van
hun hoofd erg kwetsbaar voor vijanden. Ze zijn dan extra waakzaam, en
juist op dat moment zien ze hun spiegelbeeld in het water verschijnen.
Als ze dat niet op een of andere manier zouden herkennen als
spiegelbeeld, zouden ze wel nooit aan drinken toe komen…
Reacties:
beyst.stefan@gmail.com
zie ook:
stefan beyst
over liefde: 'De extasen van eros'
Op
de hoogte blijven van nieuwe teksten: mailinglist

|
| |
| |
|