WIESING, Lambert::
Artifizielle Präsenz. Studien zur Philosophie des Bildes,
Suhrkamp 2005.
INLEIDING
In 2005 publiceerde Lambert Wiesing een aantal studies,
waarin hij vanuit de fenomenologische traditie duidelijk stelling neemt
tegenover de semiotische benadering van het beeld. Centraal staat
daarbij het concept 'artifizielle Präsenz' van het beeld(object) dat
niet is onderworpen aan de wetten van de fysica. We gaan niet in detail
in op de concrete stellingen van de afzonderlijke opstellen, maar
onderzoeken in hoeverre het model dat wordt gehanteerd een geloofwaardig
alternatief kan zijn voor een adequaat begrip van het beeld.
WIESINGS BEELD
Een niet te onderschatten
pluspunt van Wiesings filosofie is dat bij zijn bepaling
wat een beeld is (p. 14) blijkt dat hij het wel degelijk heeft over
beelden die beelden zijn, en niet over beelden in metaforische zin (wereldbeelden,
metaforen zoals bij Nelson Goodman of
W.J.T. Mitchell),
over pseudobeelden zoals de grafieken en landkaarten van
Gottfried Boehm, of over 'kunstwerken' die beelden worden genoemd zonder
het te zijn (bv. monochrome kunstwerken, p. 15) .
De keerzijde is echter dat Wiesing het beeld veel te eng opvat.
Om te
beginnen is het opvallend dat hij het (bijna) uitsluitend heeft over het
visuele en tweedimensionale beeld. Driedimensionale beelden,
laat staan bewegende driedimensionale beelden, lijken niet te
bestaan. Dat wreekt zich als Wiesing bij zijn
beschrijving van
de ontwikkeling van het beeld (p.122) het bewegende beeld pas met de film ziet
verschijnen, terwijl er al sinds de oertijden driedimensionale bewegende
beelden te zien zijn in de (mimetische) dans en het theater, en
tweedimensionale in het schimmentheater en schaduwspelen. Wiesing heeft het evenmin over
auditieve beelden (geluidsopnames, mimetische muziek,
lyrische poëzie), laat staan over beelden voor andere zintuigen (tastzin
en geur). Ook beelden voor meerdere zintuigen ontbreken (audiovisuele
zoals film en theater, tactilovisuele zoals knuffeldieren enz.).
Geen van deze beelden kunnen opgevat als 'reine Sichtbarkeit', als iets ''unkörperliches'
(p. 32).
Vervolgens is er voor Wiesing alleen sprake van beelden als er een
'beelddrager' is. Het beeld in de
verbeelding (herinneringsbeeld, fantasiebeeld, droombeeld, hallucinatie) wordt wel
vermeld, maar als 'mentales Bild' of als 'geistiges Bild' dat 'geen
materieel bestaan heeft' (p. 15) en als 'Phantasieobjekt'
tegenover 'Bildobjekt' wordt gesteld (bv.p. 119).
De 'Imagination' wordt pas tot beeld als ze 'geëxterioseerd' wordt in de nieuwe media
(p. 120).
Geen wonder dat er bij Wiesing niets te vernemen valt over (narratieve) literatuur. Het ontgaat hem dat 'exteriorisering' niet
alleen kan worden gerealiseerd door het invoeren van een 'beelddrager',
maar ook door het gebruik van
beeldopwekkende tekens: alle lezers van Gulliver's Travels vormen zich een grotendeels gelijke
voorstelling van dat verhaal.
Merkwaardig is, ten slotte, dat Wiesing de status van beeld
ontzegt aan hét paradigma van het beeld - de spiegel. We komen daarop
terug op het einde van deze bespreking.
Omdat Wiesing het - afgezien van deze beperkingen - niettemin wel
degelijk over echte beelden heeft, kan hij wel een aangepaste
terminologie ontwikkelen om over het beeld te spreken. Hij gebruikt op
verhelderende manier de
terminologie van Husserl - Bildträger (het schilderij), Bildobjekt (wat
op dat schilderij is te zien), Bildsujet (wat in de werkelijke wereld
daarvoor model stond), en minder vaak
die van Jonas (Darstellendes, Darstellung en Dargestelltes) (p. 33). Dat
neemt niet weg dat Wiesing daarbij geen onderscheid maakt tussen
het doek of het paneel waarop de verf is aangebracht of het scherm waarop
de filmbeelden verschijnen enerzijds, en anderzijds het lichtende oppervlak dat door deze dragers
wordt gedragen - wat wij het eigenlijke mimetische medium noemen. We zullen zien dat hem dat vaak parten speelt.
HET SEMIOTISCH PARADIGMA
Wiesing stelt de 'fenomenologische' trias Bildträger, Bildobjekt, Bildsujet tegenover
zijn semiotische tegenhanger: Zeichenträger, Token,
Signifikant/ Inhalt, Sinn, Designat, Intension/ Referenz, Bedeutung,
Extension (p.29). Nergens is duidelijker hoezeer het semiotische
paradigma het denken over het beeld beheerst. Maar dit meedenken in het semiotische paradigma dient
alleen maar om het finaal buiten spel te zetten: in 'Wenn Bilder Zeichen sind' stelt hij terecht dat beelden net zoals
alle andere objecten ook als teken kunnen worden gebruikt. De
vraag is dan 'ob ein Bild immer eine Representation und damit eine
Bezugsname sein muss' (p. 35). En het antwoord van Wiesing is uiteraard
neen. Want het beeld - net zoals de overige dingen die als teken kunnen
worden gebruikt - kan ook gewoon 'substantieel' in plaats van
'functioneel' worden benaderd: niet langer als teken, maar gewoonweg als
beeld als zodanig. Waarmee Wiesing de semiotische benadering van het
beeld meteen afdoet als 'niet-substantieel', en dus slechts als
bijzondere, niet-wezenlijke benadering van het beeld.
Daarom zullen semiotici zich niet laten
afschepen als 'functionalistische'
tegenhangers van 'substantialistische' beeldtheorieën. Dat de semiotische
benadering überhaupt ingang kon vinden, kan immers alleen maar verklaard
worden doordat ze berust op een juiste intuïtie. En die is dat tekens - gradiënten zoals schaduw, perspectief, maar ook
expressies als teken voor innerlijk enz. - wel degelijk een constituerende rol spelen bij het tot stand komen van
het beeld(object). Wat op het doek is te zien bestaan immers voor het
overgrote deel uit wat wij beeldconstituerende tekens
hebben genoemd (zie: 'Mimesis
en semiosis'). Dat belet niet dat het slechts gaat om een intuïtie.
Want de semiotische relatie waarvan hier sprake is een relatie tussen
beelddrager (correcter: mimetisch medium) en beeldobject, een dyadische
relatie waarbij van 'beeldsubject' geen sprake is.
Dat neemt niet weg dat Wiesing Husserl terecht verwijt
schatplichtig te zijn aan het semiotische paradigma door het invoeren van de
term 'beeldsubject' als hetgeen waar de afbeelding naar 'verwijst' (p.
70-71). Toch schrapt hij het begrip beeldsubject niet, al behoort het, in tegenstelling tot wat Jonas beweert, niét tot de
'ontologische Struktur des Bildes' (p. 27). Een beeldtheorie moet wel
vermelden dat het beeld als teken kan worden gebruikt, maar hoeft zelf geen termen als 'Denotat'
te bevatten: die horen alleen thuis in een theorie over het teken. Een
beeldtheorie moet ook vermelden dat bij het scheppen van beeldobjecten
echte objecten model kunnen staan (het beeldsubject als de
persoon die model staat voor het portret). Maar na de productie van het
beeld doen die niet meer ter zake: het beeld is voortaan 'Präsenz' sui
generis.
Het mag ons echter niet ontgaan dat het afdoen van de semiotische relatie tussen beeldobject en
beeldsubject als niet-constitutief voor het beeld, Wiesing ook
toelaat het probleem van de gelijkenis als fundament van het beeld af te
voeren naar het domein van de semiosis. Gelijkenis wordt daardoor
gelijkgesteld met de gelijkenis tussen beeldobject en beeldsubject. Om er extra de nadruk op te leggen dat gelijkenis dus niets met het
beeld als zodanig heeft te maken, voegt hij eraan toe dat ook echte
objecten die op elkaar gelijken teken kunnen zijn voor elkaar (bv.
schroeven, p. 57). En om de reikwijdte van de factor gelijkenis nog
verder in te dijken, wijst hij erop dat zowel beeldobjecten als echte
objecten ook teken kunnen zijn voor
iets waar ze niet op gelijken. Hij geeft daarbij het voorbeeld van het gebruik van het
beeld als diagnostisch teken (p.56): al kan een kindertekening een teken
zijn voor mishandeling, het is er niettemin geen beeld van
(p. 56). Daarbij verdonkeremaant Wiesing dat gelijkenis inzake het beeld
niet te maken heeft met de verhouding tot de 'referent' of het model,
maar wel met die tussen de beelddrager en het beeldobject: hoe komt het
bv. dat we een tweedimensionaal vlak zien als een driedimensionaal
beeldobject, al hebben ze alleen de in het tweedimensionale
geprojecteerde verdeling van lichtpunten gemeen? En hoe komt het dat we
bij het zien van een portret de indruk hebben voor een tastbare lichaam
met een ziel te staan, terwijl ons alleen lichtindrukken worden gegeven?
Het semiotisch paradigma van het beeld wordt dus wel als geldig
beschouwd, maar tegelijk afgevoerd als niet wezenlijk voor het beeld én
niet exclusief, want van toepassing op de gehele werkelijkheid. En het
mimetisch paradigma wordt op zijn beurt op dit zijspoor gezet als
toepasselijk op een bijzonder soort semiotische relatie (motivatie door
gelijkenis) die ook van toepassing is op reële objecten die op elkaar
gelijken. Zoals gezien wordt daarbij het semiotische alternatief alleen
buiten spel gezet in zoverre het de relatie beschrijft tussen
beeldobject en beeldsubject, terwijl het onweerlegd blijft waar het de relatie tussen
beelddrager en beeldobject beschrijft. En ook met het mimetisch paradigma neemt Wiesing een
loopje: het wordt hier afgevoerd als een mogelijke manier om tekens te
motiveren. Onderzoeken we of de fenomenologische benadering de leemte
kan vullen die daardoor ontstaat op de plaats van de relatie
tussen beelddrager en beeldobject..
HET FENOMENOLOGISCHE PARADIGMA
Centraal in de fenomenologische benadering staat het begrip 'artifizielle Präsenz' van het
beeldobject,
de ontologische tegenhanger
van de 'reale Präsenz' van de werkelijkheid. Wiesing omschrijf 'reale Präsenz' als volgt: 'Ein
Gegenstand in der Welt mit realer Präsenz ist Notwendigerweise ein
Gegenstand, welcher sich nach den Gesetzen der Physik verhält, was
wiederum bedeutet, dass er physisch auf den menschlichen Körper
einwirken kann' (p. 31). Daartegenover staat het beeld als een object
dat - in de omschrijving van Jonas - is 'herausgehoben
aus dem Kausalverkehr der Dinge' (p.28). En om te benadrukken hoezeer
het begrip 'Artifizielle Präsenz' bedoeld is als tegenhanger van het
mimetische begrip van het beeld, schrijft Wiesing: 'Bilder werden nicht durch ähnlichkeit zu Bildern, sondern durch das
Zeigen von Dingen die nicht den Gesetzen der Physik unterlegen' (59)
Daarbij blijft Wiesing ons het antwoord schuldig op de vraag hoe zo'n
'Artifizielle Präsenz' dan wel tot stand komt. Hij verwijst naar Husserls onderscheid tussen 'Geltung'
(het scheppen van iets dat niet 'fysisch' is) versus
'Genesis' (p. 155), en beschrijft hoe het verschijnsel typisch is voor media (p.157): een teken dat betekenis heeft, een
beelddrager die een beeldobject toont. Gombrich heeft het ter zake over een 'ungelöstes psychologisches Rätsel'
(p 52). Wiesing legt zich dan maar neer bij de vaststelling dat de 'Beziehung zwischen einem physikalischen und einem
intentionalen Objekt' (52) niet kan worden verklaard: een beschrijving
moet voldoen (p. 52).
In afwachting is het niet moeilijk om aan te tonen dat het alternatief
voor een semiotische of mimetisch benadering niet alleen niet te verklaren
valt, maar ook nog niet deugt.
Om te beginnen geldt dat op grond van dit criterium een
spiegelbeeld wel degelijk tot de beelden zou moeten worden gerekend: al Narcissus
leerde dat hij zijn
spiegelbeeld wel kon zien, maar niet aanraken.
Vervolgens, en deze kritiek gaat al dieper, produceert Wiesing een
sofisme van jewelste als hij beweert dat het beeld van een huis niet
veroudert en een echt huis wel: 'Diese Darstellung eines Hauses wird
insofern nicht älter, als das gezeigte Haus nicht älter wird, auch wenn
der Bildtträger sehr wohl wie jeder andere physikalische Gegenstand im
Raum und Zeit älter wird' (p. 28). Uiteraard veroudert de David van
Michelangelo niet, maar dat doet ook het marmer niet waarin hij is
gebeeldhouwd. En verweert dat mermer in de tijd, dan verweert ook de
schoonheid van de David die erin verschijnt. En dat laatste toont eerder
het omgekeerde aan van wat Wiesing op het oog had: dat ook het het beeld
(zoals we dadelijk zullen zien: wat werkelijkheid is aan het beeld) is
onderworpen aan fysische wetten.
In dezelfde lijn ligt het argument dat het beeld niet verandert als men
het van opzij bekijkt (p.28). Daarmee is wel aangetoond dat
er een verschil is tussen beelddrager en beeldobject: het beeldobject
verandert niet als onze positie ten opzichte van de beelddrager
verandert. En vermits het beeldobject alleen bestaat bij gratie van
de beelddrager, bestaat (bij een tweedimensionaal beeld) alleen een vooraanzicht ervan. Dat betekent niet
dat het niet gehoorzaamt aan de wetten van de fysica, wel integendeel: beeldobjecten die er niet zijn
- zijaanzichten van een tweedimensionaal beeld - kan men niet waarnemen om
dezelfde reden als waarom men geen echte dingen kan waarnemen: gewoonweg
omdat ze er niet zijn. Zijn ze er wel, dan kunnen ze wel degelijk worden waargenomen: een driedimensionaal beeld(object) kan men
naar believen van alle kanten bekijken. En dan blijkt het wel degelijk
onderworpen aan de 'wetten van de fysica' - met name die van de optica: de David van Michelangelo
verandert wel degelijk als we erom heen draaien. Wiesing schrijft nochtans zelf dat, in
tegenstelling tot het beeld op een filmscherm, dat voor alle
toeschouwers hetzelfde is, het gebeuren op de scène niet door alle
toeschouwers op dezelfde manier wordt gezien (p.161). Maar hij heeft
niet door dat dit voorbeeld - al gaat het om een bewegend en
niet om een stilstaand driedimensionaal beeld - een
falsificatie is van zijn stelling: de opmerking staat
tussen haakjes zonder verdere commentaar.
En dat voorbeeld maakt ons attent op de centrale tekortkoming
van Wiesings opvatting dat het beeld zich aan de wetten van de fysieke
werkelijkheid onttrekt.
Kijken we immers aandachtig toe. Op een visueel beeld is ons de visuele verschijning van een beeldobject
gegeven. Maar, dat we van dat object alleen de visuele verschijning
zien, betekent niet dat het uit licht bestaat (reine Sichtbarkeit is
geworden, entkörpert): we zien de visuele verschijning als de
verschijning van een lichaam dat ook verschijningen heeft voor andere
zintuigen (tactiele, enz.). We lezen de visuele verschijning dus als
teken voor een meer omvattend 'beeldobject'. Dat betekent dat het
beeldobject als visuele verschijning reëel aanwezig is, maar als
integraal object slechts 'virtueel' (concreet: als 'betekenis', als
'weten'). Als we, zoals Wiesing zelf, voor het gemak even voorstellingen
in de geest buiten beschouwing laten, heeft het
beeldobject dus een dubbele ontologische
status: het is half reëel, half imaginair (half 'real', half
'artifiziell)'. Het beeld -
nauwkeuriger: het beeldobject - is als een centaur: een
ontologische hybride, geen 'entkörperte', maar slechts partieel
geïncarneerde realiteit, en wel des te meer naarmate het beeld meer
zintuigen bestrijkt. Het is
dus fout om te stellen dat beelden niet tot de fysieke wereld behoren. Die misvatting
wordt in de hand gewerkt door de eigenaard van
tweedimensionale visuele beelden. Die visuele verschijning wordt daar
immers geprojecteerd op een plat vlak. Alleen de distributie in de hoogte en de
breedte is hier reëel, terwijl die in de diepte is alleen maar 'artificeel'
is. En
met de projectie in de diepte, lijkt ook het beeldobject te zijn
losgekomen van de tweedimensionale beelddrager in een imaginaire ruimte
achter het 'doorzichtige' tweedimensionale venster waar het zich lijkt
te ontpoppen tot een immaterieel wezen van 'reine Sichtbarkeit' (Konrad
Fiedler), "ein
stoffloses Gebilde', 'entkörperlichte Sichtbarkeit' (p.32). Wiesing
lijkt dit overtuigend te kunnen bewijzen door erop te wijzen dat een
beeld niet kan worden belicht. 'Obwohl Licht auf ein Bild fällt, wird nicht der im Bild
gezeigte Gegenstand beleuchtet' (p.28). Dat is alleen maar waar bij
tweedimensionale beelden, waar inderdaad alleen maar de beelddrager
wordt belicht, terwijl de schaduwen en de lichtinval zijn vastgelegd, al
geldt het zelfs daar niet voor kleuren: want wie een schilderij belicht met rood
licht of met blacklight, verandert het beeldobject wel degelijk (al
voert de toeschouwer, net zoals bij de waarneming, binnen zekere grenzen een correctie
uit naar 'lokaalkleur'). Dat een beeldobject wel degelijk kan
worden belicht - en dus onderworpen is aan de fysische wetten -
blijkt pas goed als we overschakelen naar het driedimensionale beeld. Daar hebben we geen
vastgelegde schaduw nodig als teken voor volume. Normaal
gesproken kijken we dan over de natuurlijkeschaduwen heen, zoals bij het bekijken
van een lichaam in de werkelijkheid. Dat neemt niet weg dat de
kunstenaar doelbewust de belichting kan manipuleren om bijzondere
effecten te verkrijgen - denk aan de manier waarop Rodin zijn beelden 's
nachts bij kaarslicht bekeek en ze op bijzondere manier liet
fotograferen door Edward Steichen. Dat Rodin zijn beeldobjecten wel
degelijk kon veranderen door ze te belichten, komt omdat het beeldobject
zich hier qua visuele verschijning in de echte
driedimensionale wereld bevindt en dus een volume en een oppervlak heeft
(zij het alleen optisch, en niet ook tactiel zoals de Andrea). Het is
dus ten dele 'reale' en ten dele 'artifizielle Präsenz'. Het
aandeel realiteit kan nog toenemen, zoals bij de beelden van
John de Andrea die ook nog tactiele
eigenschappen gemeen hebben met de werkelijkheid, waarmee we overigens
kunnen interageren door ze te strelen. Algemeen geldt dus dat alle
aspecten van het beeldobject die reëel zijn, zij onderworpen aan de wetten van de
fysica.
De stelling dat Aktuelle Präsenz onttrokken is aan de wetten van de
fysica is ook onhoudbaar in de versie dat de Artifizielle Präsenz niet
'physisch auf den menschlichen Körper
einwirken kann' (p. 31). Op het
eerste gezicht lijken foto's en schilderijen ons inderdaad niet
'fysisch' te kunnen beïnvloeden (al kan een filmbeeld ons wel verblinden
bv.). Anders liggen de zaken bij
driedimensionale beelden die al meer 'reale Präsenz' hebben. Zeker, een
hologram heeft alleen het ruimtelijk gespreide lichtoppervlak met het beeldobject
gemeen - maar, al zouden we er niet kunnen tegen botsen omdat het alleen
maar uit licht bestaat, we zouden de neiging hebben om er omheen te
wandelen, omdat het een volume suggereert. Bij een marmeren beeld daarentegen
is de
ondoordringbaarheid van de huid niet alleen een visueel, maar ook een
tastbaar gegeven: we kunnen ons niet bevinden op de plaats waar het
beeld is. En, al
zou het anders aanvoelen dan bij een echt lichaam, tegen een
driedimensionaal beeldobject kun je wel degelijk botsen. Bij een beeld van John de Andrea gaat de
inwerking nog verder: daar wordt de voelende hand niet langer
ontnuchterd door het koud en hard marmer, maar voelt ze zachte en warme
huid. Bij
bewegende beelden (van acteurs tot robotten) gaat de fysieke inwerking nog veel verder:
Sinterklaas kan de kleintjes wel degelijk in de wangen knijpen en Zwarte
Piet kan ze wel degelijk bewerken met de roe. En de lieverds moeten maar
beter niet hun handjes tussen de dichtklappende kaken van een dinorobot
steken. Met terugwerkende kracht wordt duidelijk dat ook beelden voor de
afstandzintuigen (oog en oor) 'fysieke' invloed op ons uitoefenen, al is
die dan afstandelijk en 'entkörpert': een gefotografeerd naakt werkt
puur visueel gezien niet veel anders op ons dan een echt naakt. Maar, hoezeer
fysieke inwerking op het beeld wel degelijk mogelijk is, blijkt in alle
volheid pas
uit het feit dat we het kunnen maken door het scheppen van een
beelddrager (nauwkeuriger: van een mimetisch
medium). (Voor een meer subtiele
benadering van dit probleem, waar ook rekening wordt gehouden met het
onderscheid tussen werkelijk ik en beeld-ik, verwijzen we naar 'Het
beeld en zijn ik').
Hoe meer beeldobjecten dus worden geïncarneerd in het mimetisch medium -
hoe meer parameters van een zintuiglijk dimensie ze bestrijken, en hoe
meer zintuigen ze aanspreken -
hoe meer ze worden onderworpen aan de wetten van de fysica, hoe meer
de toeschouwers er fysisch op kunnen inwerken en hoe meer ze zelf ook op
hun omgeving kunnen inwerken.
Niet onderworpen zijn aan de wetten van de fysica is dus geen constituans voor het beeld, zoals de stelling van Wiesing (en
Jonas/Husserl) ons voorhoudt. Als men het beeld dan toch in die termen wil
omschrijven, dan geldt eerder dat (althans het mediumale beeld) een
ontologische dubbelstatus heeft - waarbij het echter niet gaat om
onderworpen aan de fysica of niet, maar wel om bestaand of niet bestaand
(en als niet-bestaand ook niet onderworpen aan de wetten van de fysica).
Dat wil niet zeggen dat beeld worden behandeld als andere objecten:
niets is minder waar. Al zijn ze slechts ten dele onbestaand, we
beschouwen ze als integraal onbestaand.
Afgezien van het feit dat het niet waar is dat beeldobjecten onttrokken
zouden zijn aan de wetten van de fysica, geldt ook nog een een principieel bezwaar
tegen deze stelling: ik ben tot nader order niet
bereid te geloven in een creatio ex nihilo of in een of andere
'Geltung' (p. 155). Temeer daar de 'Geltung' van betekenis
uit een tekendrager, of van een beeldobject uit een 'beelddrager verklaarbaar op
is 'fysische' gronden - met name hersenen die zintuiglijke configuraties
als tekens lezen. Dat geldt inzonderheid voor beelden: pas een semiotische theorie
over de relatie tussen mimetisch medium en het beeldobject laat toe te begrijpen
hoezo wat manifest niet in de beelddrager is gegeven, niettemin aan het
beeldobject wordt toegeschreven - en daarmee de 'emergentie' van iets
'niet-fysisch' uit iets fysisch te begrijpen.
Waarmee de ongegrondheid is aangetoond van Wiesings
uitspraak 'Eine bildliche Darstellung ist nicht eine
Form von symbolisertem Sinn, sondern eine Form artifizieller Präsenz'
(p.31).
HET MIMETISCH PARADIGMA
De diepere oorzaak van het onvermogen om de ware aard van het
beeld(object) te begrijpen en van de poging om het (in principe juiste) begrip
'mimesis ' te vervangen door het ontoereikende begrip van 'artifizielle
Präsenz', is de afwijzing van het
mimetische paradigma. Het wordt niet eens vermeld
in het hoofdstuk 'Hoofdstromingen van de hedendaagse filosofie
van het beeld': al is het in al die theorieën maar al te aanwezig als de
door allen eendrachtig vermaledijde 'bête
noire'. Net zoals de semiotici, verwerpen ook de
fenomenologen de mimesistheorie - zij het elk op andere, maar evenzeer
onterechte gronden. Zo citeert Wiesing Husserl: 'die Ähnlichkeit zwischen zwei
Gegenständen, und sei sie auch noch so gross, macht den einen noch nicht
zum Bild des Andern' (p. 35) en stelt resoluut: 'Keine ähnlichkeit is hinreichend für Bildlichkeit'
(p. 59), en zelfs : 'Dass Ähnlichkeit
hinreichend für Bildlichkeit wäre, wurde warscheinlich niemals von
jemanden behauptet' (tp. 35)
Wiesing ontkent niet dat beelden kunnen gelijken op echte objecten - dat
is immers één van de voorwaarden waardoor ze als teken
kunnen fungeren. Hij ontkent alleen dat die gelijkenis ze tot beelden zou maken.
'Bilder werden nicht durch 'Ahnlichkeit zu Bilder, sondern nur durch das
Zeigen von Dingen die nicht den Gesetzen der Physik unterlegen '(p, 59).
We hebben hierboven beschreven hoe een beeld ten dele reëel is, en ten
dele 'artificieeel'. Het deel van het
beeld(object) dat reëel aanwezig is in de beelddrager
is per definitie 100 % gelijk aan het betreffende deel van het
beeldobject. Het ziet er dus naar uit dat het beeld wel degelijk wordt
geconstitueerd door gelijkenis.
Het is hier niet onze taak om ter zake alle puntjes op de i te zetten.
Wel moeten we erop wijzen dat de gelijkenis waarvan hier sprake niet
de gelijkenis is van het beeldobject met het
beeldsubject,
maar de gelijkenis van de beelddrager (preciezer: het onderdeel ervan
dat wij mimetisch medium noemen) met (de visuele verschijning van) het beeldobject. De pijp van
Magritte is een beeld, niet omdat ze op een of andere echte pijp
gelijkt, maar wel omdat een distributie van kleuren op een
tweedimensionaal vlak - die inderdaad geen pijp is - niettemin een
'echte' pijp lijkt te zijn - op een echte pijp ljjkt: Ceci n'est pas une pipe, mais c'est
- plutôt: ça
ressemble à - une pipe quand-même. Het beeldobject dat daarbij
verschijnt, noemen we een beeld
omdat de derde dimensie er alleen voor het oog lijkt te zijn: zoals Narcissus zijn beeld niet kan kussen, kunnen wij de
beeldpijp niet aanraken.
En dat geldt ook als de derde dimensie er wel is, zoals in een
driedimensionaal marmeren beeld: daar voelt de hand dat we van het
lichaam alleen de visuele gelijkenis kregen, niet de tactiele. Het beeldobject is dus maar een 'gelijkenis', een 'semblance'
- en dat houdt in dat er een verschil is (dat nader moet omschreven als
een welbepaald 'mimetisch veschil'). De
semiotici en de fenomenologen verschoten dus hun pijlen op het verkeerde wild.
Met het oog op de hardnekkigheid van de verwarring tussen de gelijkenis
tussen beelddrager en beeldobject enerzijds, en beeldobject en
beeldsubject anderzijds, loont
het de moeite te onderzoeken hoe die verwarring ontstaat. Drie factoren
werken elkaar daarbij in de hand.
In de eerste plaats kunnen we het object dat Magritte tevoorschijn
tovert alleen maar 'pijp' noemen omdat het gelijkt op
andere objecten uit de klasse der pijpen. Maar de gelijkenis waarvan
hier sprake is geen mimetische gelijkenis ('eruit zien als', 'lijken te
zijn'), maar een conceptuele gelijkenis: het object in kwestie bezit de
distinctieve kenmerken (of familieverwantschappen) van het begrip
'pijp' en is er dus een instantie van. Op basis van dezelfde conceptuele
gelijkenis zeg ik ook van een echte pijp 'dat is een pijp' - en bedoel daar
dan mee dat ze een instantie is van het concept pijp, niet dat ze de
nabootsing van een andere pijp zou zijn of van het Platonische idee
'pijp'. Ook van de geschilderde pijp
zegt men meestal 'dat is een pijp' ('Dat is de hertog van Marlborough'). Maar in plaats daarvan
is het beter om te zeggen: dat is het beeld van een pijp - om er de nadruk op te leggen
dat het geen echte pijp is. En hier spant de taal ons een valstrik: al
betekent de uitdrukking 'dit is beeld van een pijp' dat de pijp
alleen maar een beeld van een pijp is en geen echte pijp, we kunnen net
zo goed begrijpen dat we te maken hebben met de afbeelding of nabootsing
van een echte pijp. Want - en dat is de tweede
factor die de verwarring in de hand werkt - heel wat mimesis is
onvoltooide mimesis: mimesis die er alleen maar op uit is om beelden te maken van
dingen die ook als echt object bestaan - exemplarisch in het
spiegelbeeld van Narcissus of de fotografie. Het is dan uiteraard de bedoeling dat het beeldobject op het
echte object gelijkt - en die bedoeling kan al dan niet worden
gerealiseerd (wat al een eerste bron is van problemen op dat vlak). Maar
stellen we even dat er 'fotografische' gelijkenis is, dat de gelijkenis
is gerealiseerd, dan is er volledige
gelijkenis tussen het 'model' en het 'origineel' dat op de beelddrager
is te zien: want zowel het model als het
beeldobject hebben niet alleen de visuele verschijning gemeen, maar ze
hebben allebei een driedimensionaal lichaam van vlees en bloed en daarbovenop
ook nog een ziel. Het model en het beeldobject zijn dan duplicaten, die,
net zoals klonen of eeneiige tweelingen
geen beelden van elkaar zijn. Maar één van de duplicaten bestaat alleen
als beeld. Dat maakt pas goed duidelijk dat
wat het beeld tot beeld maakt niet de relatie is tot het eventuele
model, maar wel de relatie van het beeldobject tot de beelddrager. We
schreven 'het eventuele model', want er bestaat ook zoiets als
voltooide mimesis, waarbij de kunstenaar via een mimetisch medium imaginaire
wezens tevoorschijn tovert. Ook zij zijn van vlees en bloed, en bezield,
maar ze gelijken niet op iets buiten henzelf: er bestaat geen duplicaat van die
beeldobjecten in de
werkelijke wereld, al zou men goedgelovige zielen er door het aandragen
van een beeld wel van kunnen overtuigen dat echte duplicaten model
stonden. De neiging om de uitdrukking 'dat is (het beeld van)
een pijp' te lezen als 'dat is de nabootsing van een echte pijp' wordt
alleen maar versterkt door het feit dat bij onvoltooide mimesis
inderdaad een echte pijp model staat voor het maken van 'een beeld van' het duplicaat ervan
(correcter: van het duplicaat als beeld). En die neiging wordt op haar
beurt alleen maar versterkt door
het feit dat - en dat is de derde factor - beelden ook worden gebruikt
om naar echte objecten te verwijzen, zoals wanneer men beelden van Ufo's
maakt om goedgelovigen ervan te overtuigen dat ze bestaan.
Geen wonder dat de verwarring zo taai is, niet alleen bij fenomenologen
en semiotici, maar in de eerste plaats bij de oudere theoretici van de
mimesis, wier theorieën precies daarom zo gemakkelijk van kaart konden worden
geveegd. Bij Wiesing is de verwarring overduidelijk. Als hij
het heeft over gelijkenis, heeft hij
duidelijk niet de relatie tussen beelddrager en
beeldobject op het oog: 'Offensichtlich hat nicht der materielle
Bildträger mit dem Dargestellten Gegenstand Ähnlichkeit' (p.131). Hij
heeft het wel degelijk over de relatie tussen beeldobject en
beeldsubject: 'Das Bildobjekt ist ein Objekt,
welches - wie jedes andere Objekt auch - partiell und graduiert die
gleichen sichtbare Eigenschaften und Gestalten wie andere Objekte haben
kann' (voetnoot 40 p. 57). Daarom ontkent ook hij, zoals gezien, dat
enige vorm van gelijkenis constitutief zou kunnen zijn voor het beeld.
Daar de eigenaard van van de mimetische gelijkenis te miskennen, raakt Wiesing verstrikt in onoplosbare problemen. Want ook hij
kan er niet onderuit om aan te nemen dat een beeld hoe dan ook iets met
gelijkenis van doen heeft - al was het alleen maar om het object dat bij artifizielle Präsenz wordt getoond 'een pijp' te kunnen noemen,
want
dat kan men niet doen als er een aap op is te zien. Schatplichtig als hij is aan de verwarring dat 'beeld zijn van' een relatie moet inhouden,
kan hij niet anders dan zich de relatie - die overigens voor hem alleen
een relatie
tussen beeldobject en beeldsubject kan zijn - in termen van gelijkenis te denken.
Maar vermits hij tegelijk stelt dat gelijkenis geen beeld kan
constitueren, moet hij wel stellen dat gelijkenis alleen maar een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde is:
er moet ook sprake zijn van intentionaliteit. De gelijkenis moet
doelbewust worden nagestreefd: nabootsing zijn - de mimesis van Plato
(p. 131).
Vermits er twee soorten Präsenz zijn, zijn er ook twee soorten
nabootsing: 'Nachahmung durch Darstellung' (een foto van een Rolex) en 'Nachahmung durch
Imitation' - een namaak-Rolex (p. 131). Zodat ook nabootsing - Plato's
mimesis - niet
constitutief is voor het beeld: 'Der Begriff der
Nachahmung umfasst sowohl bildliche Darstellungen wie auch Imitationen,
welche keine Bilder sind' (p. 60, voetnoot 42). Daarbovenop zorgt de verschuiving van
gelijkenis naar nabootsing - door toevoeging van 'intentie' - voor een nieuw probleem. Want
er is ook volgende mogelijkheid: 'Die Herstellung einer artifiziellen Präsenz von etwas ist eine Leistung
eines Bildes, welche per Zufall von Tiere erbracht werden' (p. 60). Wiesing geeft het voorbeeld van Putnam die het
heeft over een beeld van Churchil dat toevallig is gemaakt door mierensporen in
het zand (p. 59), en beweert daarvan dat ook dieren dingen kunnen scheppen 'die für Menschen die Eigenschaften von Bildern haben - doch Tiere können
weder Darstellungen noch Nachahmungen schaffen. Denn sowohl die
Darstellung wie auch die Nachahmung stellen eine Intention voraus' (p.
60). De stelling 'Er zijn nabootsingen die beelden zijn, maar niet
alle nabootsingen zijn beelden' moet dus aangevuld met de stelling. 'Es gibt Bilder die Nachahmungen sind, aber nicht alle Bilder sind
Nachahmungen' (p. 60) - vele ervan zijn namelijk alleen maar
gelijkenissen. Zodat de zopas
ingevoerde intentie wel noodzakelijk is om 'intentionele beelden' (Darstellungen)
te maken, maar niet om beelden als zodanig te maken: daarvoor is
gelijkenis ook voldoende voorwaarde...
Overigens zal het de lezer niet ontgaan zijn dat er iets schort met de
tegenstelling tussen 'Nachahmung durch Darstellung' en de 'Nachahmung
durch Imitation'. Er is immers een verschil tussen het maken van
een nabootsing - een beeld - en het maken van een of meer exemplaren van
een echt ding. Duplicaten zijn wel gelijk, maar geen nabootsingen in de zin
dat men ze voor elkaar houdt. Dat geldt ook voor de 'productie' door de
natuur, zoals een eeneiige tweeling. Al zijn duplicaten geen
nabootsingen, ze zijn voorbestemd om als
nabootsing te worden gebruikt: zoals wanneer de ene tweeling zich voor de andere laat doorgaan. Wiesing haalt
dus een sofistische truc uit door het produceren van duplicaten meteen
met 'nachahmen' gelijk te stellen. Het realiseren van 'physikalische
ähnlichkeit' (p. 131) of ''Ein Gegenstand in sein Dasein
duplizieren' (p. 132) is niet 'nabootsen' (in mimetische zin), maar 'produceren van een
duplicaat'. Nabootsen in
mimetische zin kan men door een beelddrager (mimetisch medium) te maken
die alleen maar een visueel duplicaat is. Zowel de foto van een Rolex als een echte Rolex kunnen dus
functioneren als de 'Darstellung' van een Rolex. Ook hier is
Wiesing slachtoffer van zijn vereenzelviging van het beeld met het
tweedimensionale visuele beeld. Dat verleidt hem ertoe om alleen alleen 'entkörperlichte'
beelden als nabootsingen te beschouwen.
De term 'Imitation' die Wiesing gebruikt om de tot 'namaak'
gedegradeerde gelijkenis van beelddrager en beeldobject aan
te duiden, verraadt hoezeer het opgeven van de mimesistheorie in de
hand werd gewerkt door de uitvinding van de fotografie - of breder: voor
de wijdverbreide afkeer van moderne kunstenaars voor onvoltooide mimesis.
Dat blijkt overduidelijk uit de manier waarop Wiesing het spiegelbeeld
behandelt - het oudste en meest
overtuigende paradigma van het beeld, dat tevens ook hét paradigma is
van de onvoltooide mimesis, die zoals gezien een belangrijke rol speelt
bij de verschuiving van
gelijkenis tussen beelddrager en beeldobject naar de gelijkenis tussen
beeldobject en beeldsubject. Wiesing stelt namelijk onomwonden dat het
spiegelbeeld geen beeld is: 'In einem Spiegel lassen sich
ausschliesslich Dinge sehen, die den Gesetzen der Physik unterlegen'
(p.28) 'Man sieht in einem Spiegel optisch vermittelte reale Dinge, aber
kein Bild einer Sache' (p 28). De vraag of er sprake is van een causale relatie
tussen het model en het beeldobject (dan wel of het beeld in de spiegel
vatbaar is voor belichting of niet) is irrelevant
voor de vraag of we te maken hebben met een beeld. Wat in de spiegel is
te zien, is ongetwijfeld een beeld: we krijgen alleen de visuele
verschijning te zien, niet ook de tactiele enz. Precies daarom is het
geen 'optisch vermitteltes reales Ding', maar wel degelijk 'artifiziëlle Präsenz'
in de 'fysikfreie' betekenis van Wiesing: ik kan wel het wateroppervlak
of het spiegelglas aanraken, maar
niet mijn spiegelbeeld. Meteen wordt
duidelijk dat Wiesing ook nog beeldobject en beelddrager verwart (of
beter: dat er in de beelddrager onderscheid moet gemaakt tussen wat wij
het mimetisch medium noemen en de mediumdrager). De fysica van de
weerkaatsing van lichtstralen op een spiegeloppervlak is alleen verantwoordelijk voor de
productie van de reale
Präsenz van de 'beelddrager' (het mimetisch medium): het
driedimensionale, puur visuele virtuele beeld in de virtuele ruimte
achter de spiegel. Pas in die 'reine Sichtbarkeit' verschijnt het
beeldobject: het bezield lichaam van vlees en bloed dat voor de spiegel
staat. Ook in film en
fotografie is er sprake van een dergelijke 'causale relatie' tussen
beeldsubject
en beelddrager (mimetisch medium). We vragen
ons dan ook af waarom Wiesing, anders dan Roger Scruton,
niettemin film en fotografie niet uit de wereld der beelden bant. Merken we overigens op dat spiegelbeelden niet alleen als beelden sui generis
kunnen worden bewonderd, zoals Narcissus deed, maar, net
zoals foto's, uitermate geschikt zijn om als teken te dienen: ze zijn
bv. zeer handig bij het scheren of het schminken. Maar dat ze 'functioneel' als teken
kunnen worden gebruikt maakt ze daarom nog niet tot werkelijkheid:
'substantieel' gezien blijven het in Wiesings eigen logica beelden. Bij
de minachting voor de 'slaafse nabootsing' voegt zich de minachting voor
het puur instrumentele - semiotische - gebruik van het beeld.
CONCLUSIE
Wiesing verwerpt terecht de semiotische theorie van het beeld. Het
beeld kan als teken worden gebruikt, maar is daarnaast ook een fenomeen
sui generis. Het ontgaat Wiesing echter dat de semiotische theorie in
eerste instantie wel een theorie is over de relatie tussen beelddrager-beeldobject en
beeldsubject, maar dat ze in tweede instantie erg geschikt is om de relatie tussen beelddrager en
beeldobject te beschrijven. Omdat hij de mimetische theorie verwerpt, kan hij niet
begrijpen hoezo het leveren van de visuele verschijning volstaat om een
volledig beeldobject te tonen.
De fenomenologische theorie beweert ten onrechte dat het beeldobject niet
is onderworpen aan de wetten van de fysica en dat het beeldobject
'zuivere zichtbaarheid' is. Ze ziet over het hoofd dat een beeldobject
een dubbele ontologische status heeft: het is ten dele reëel, ten dele
onbestaand - te weten: semiotisch geïmpliceerd. Pas op basis van deze
dubbelheid kan de 'emergentie' van het beeld als 'Artifizielle Präsenz'
worden begrepen, en die emergentie kan perfect worden verklaard op
semiotische basis: er is geen sprake van een of andere mysterieuze
'Geltung'.
Zowel fenomenologen als semiotici ontkennen dat enige vorm van
gelijkheid het beeld zou constitueren. Ze denken daarbij aan de gelijkenis tussen beeldobject en
beeldsubject
(model of denotatum).
Maar, al gelijken sommige beelden min of meer op een model, dat is niet
de gelijkenis die een beeldobject constitueert - al was het alleen maar
omdat niet alle beelden een model en/of een denotatum hebben. Maar dat
is geen argument om gelijkenis af te wijzen als constituerend voor het
beeld. Het beeld wordt wel degelijk geconstitueerd door de gelijkenissen
op een ander niveau: die tussen beelddrager (mimetisch medium) en
beeldobject. Maar die gelijkenis springt alleen in het oog omdat er een
evenzeer constitutief verschil bestaat: een afwezigheid van identiteit,
die echter (semiotisch) wordt opgeheven door de aanwezige gelijkenis.
© Stefan Beyst, aangezet juni 2011, afgewerkt mei 2015.