danto en het beeld 

bespreking van:

Arthur Danto, ‘The transfiguration of the commonplace. A Philosophy of Art’.
Harvard University Press, Cambridge Massachusetts, London England, 1981




Danto denkt over het beeld in termen van het teken: ‘a representation is something that stands in the place of something else’(19). Deze benadering is fout. Beelden doen immers precies het tegenovergestelde van tekens. Als iemand zegt: ‘daar is een auto’ horen we over het woord auto heen om uit te kijken naar de echte auto, waarnaar het woord verwijst. Niemand gedraagt zich tegenover het woord zoals tegenover hetgeen waarnaar het verwijst: wie denkt er aan het woord te ontwijken in plaats van de auto? Als de schilder ons daarentegen een portret laat zien, dan doet hij dat niet om ons te doen uitkijken naar de geportretteerde. Integendeel, hij levert ons het portret in plaats van het afwezige, ontoereikende of onbestaande origineel. Een beeld is dus geen middel om te verwijzen naar een werkelijkheid, integendeel, het stelt zich in de plaats van de werkelijkheid (zie 'Semiosis en mimesis'.

Allen die (vooral sedert de zeventiende eeuw) beelden in termen van tekens begrijpen, worden vroeg of laat geconfronteerd met het probleem wat dan wel het verschil is tussen beeld en teken. Sedert Pierce komt men met telkens nieuwe oplossingen aandraven, die telkens met één armslag van tafel kunnen worden geveegd (zie: Goodman). Ook Danto stelt zich vraag: ‘what differentiates artworks form other vehicles of representation?’. Voor Danto ligt hem het verschil in het feit dat kunstwerken niet alleen ‘representeren’, maar ook een houding tegenover het voorgestelde weergeven: ‘Artworks, in addition to representing, express something about their subjects’ (165) In deze context heeft Danto het over begrippen als ‘stijl’, ‘expressie’, ‘metafoor’. Zijn opvattingen daarover zijn voor ons van geen verder belang. Ook hier volstaat immers een duwtje om het hele bouwwerk bij voorbaat te doen instorten: het is niet omdat de weerman ons met een stralend gezicht komt vertellen dat het een prachtige zomerdag is geweest dat hij kunstenaar is geworden. (Zie: 'Zijn Rubens en Beuys collega’s?').

2. Misleid als hij is door de aanwezigheid van het urinoir van Duchamp en de Brillo boxen van Warhol in artistieke instellingen, is Danto gebiologeerd door de vraag wat een gewoon urinoir onderscheidt van het urinoir van Duchamp. Of om het wat geleerder uit te drukken: hoe is het mogelijk dat ‘perceptueel identieke’ dingen (twee urinoirs) toch ‘ontologisch verschillend’ kunnen zijn (het ene een ‘commonplace’ urinoir, het andere een kunstwerk. Of - om te verwijzen naar de titel van Danto’s werk - hoe kan het alledaagse getransformeerd worden in kunst?

Het antwoord op de vraag is eenvoudig, zolang men maar rekening houdt met het feit dat er meerdere transformaties zijn waardoor perceptueel identieke dingen tot meerdere - onderling verschillende - ontologische domeinen kunnen gaan behoren. Als ik mijn lege pint aan de garçon toon, transformeer ik een ‘commonplace’ glas in een teken voor een pint. Een geheel andere transformatie is die van marmer in de sensuele huid van een naakt, de transformatie van olieverf in een landschap, of de transformatie van een mand en een paar kruiken in een geit door Picasso: allemaal voorbeelden van de transformatie van ‘commonplace’ materialen in een voorstelling, een beeld.

Als Duchamp een urinoir signeert met de naam ‘R.Mutt’ is er ongetwijfeld sprake van een transformatie. Mijns inziens is het een transformatie in een teken (vul zelf de bijbehorende diepzinnige uitspraak - of grap - over kunst in). Maar in geen geval wordt het urinoir getransformeerd in de voorstelling van iets anders, een beeld - en dat was ook geenszins de bedoeling van de bij uitstek anti-mimetische Duchamp.

Het is dus niet al kunst wat het alledaagse transformeert.

Omdat Danto vanwege zijn semiotische paradigma geen onderscheid kan maken tussen de transformatie tot beeld en de transformatie tot teken, moet hij zich zijn toevlucht moet nemen tot een theorie over het constitutionele belang van ‘interpretatie’ die het ‘commonplace’ ding tot kunstwerk maakt. Deze theorie is overigens in hetzelfde bedje ziek als de constitutionele theorie (Wittgenstein, Dickie en konsoorten) aan de valstrikken waarvan hij wil ontsnappen.

3. Het semiotische paradigma van kunst moet natuurlijk leiden tot het onvermogen om de grenzen tussen filosofie (of wetenschap) en kunst te trekken. Een plukje citaten om te staven dat ook Danto in deze ondiepe wateren terecht komt. ‘Art evolved in such a way that the philosophical question of its status has almost become the very essence of art itself, so that the philosophy of art, instead of standing outside the subject and addressing it from an alien and external perspective, became instead the articulation of the internal energies of the subject (p.56). ‘Art virtually exemplifies Hegel’s teaching about history, according to which spirit is destined to become conscious of itself’ (p. 56). Danto past dit toe op Lichtenstein, wiens werk hij beschouwt als ‘deeply theoretic works’...’ so self-conscious that they almost exemplify a Hegelian ideal in which matter is transfigured into spirit (p. 111).

En als kunst tot filosofie wordt, waarom zouden filosofen dan ook geen kunstenaars zijn?: ‘And this then raises the question of what distinguishes the present book, an exercise in the philosophy of art, from being an artwork in its own right, inasmuch as artworks have been transfigured into exercises in the philosophy of art’ (p. 56) Over deze misvatting handelt eveneens mijn artikel ‘Zijn Rubens en Beuys collega’s?’.

Danto is ‘Johnsonian Professor of Philosophy’ aan de Columbia University.

© Stefan Beyst, december 2000.

 fndeel fbvolg    twitter
 
beeld van de week

zelfomslag