dawkins dangerous idea


analyse van een grandioze misvoltreffer

bespreking van
DAWKINS, Richard: The selfish Gene, Oxford University Press, Oxford 1976



Van Samuel Butler stamt de boutade dat een kip niet meer is dan de manier waarop een ei een ander ei maakt. Dawkins maakte ze wat puntiger door te beweren dat een organisme niet meer is dan de manier waarop DNA meer DNA maakt. De boutade zet een alledaagse intuÔtie op haar kop: dat DNA de informatie is die een lichaam nodig heeft om een nieuw lichaam te maken. De omkering leert ons dat het organisme slechts het middel is - het ‘vehicle’ - dat het DNA gebruikt om nieuw DNA te maken.

De uitspraak kadert in de discussie omtrent het niveau van de selectie: soort, groep, organisme of gen. Kiest men daarbij voor het ‘zelfzuchtige’ individu, dan krijgt men problemen met de verklaring van altruÔsme: waarom zou een moeder haar eigen belang opofferen aan dat van haar kinderen – of nog krasser: waarom zou een wijfje er de voorkeur aan geven te zorgen voor de jongen van haar zus (de koningin bij mieren en bijen) in plaats van zelf eieren te leggen? Als niet het individu, maar het gen de eenheid van selectie is, krijgen we een mogelijke verklaring: de moeder zorgt in haar kind voor haar eigen genen, en dat doet ook de zus van de koningin bij mieren en bijen.

Tot zover geen enkel probleem. Aan de biologen om de waarde van deze hypothese te testen en alle problemen op te lossen die de invoering ervan met zich brengt. We kijken met spanning toe…

In het enthousiasme over zijn ontdekking holt Dawkins echter zijn eigen schaduw voorbij. Voor hem zijn genen slechts ťťn voorbeeld van een meer algemeen verschijnsel: replicatoren. Andere voorbeelden zijn de kwartskristallen van Cairns-Smith, die ouder zijn dan DNA. En in het elfde hoofdstuk van zijn boek introduceert Dawkins de nieuwkomers in de kosmische evolutie - ‘the new replicators’: memen. Dawkins omschrijft ze als ‘een eenheid van culturele overdracht, een eenheid van nabootsing’. Dawkins denkt daarbij aan ‘tunes, ideas, catch-phrases, clothes, fashions, ways of making pots or of building arches’. Net zoals genen zichzelf voortplanten in de genenpool door van lichaam naar lichaam te springen via sperma en eicellen, zo planten memen zich voort in de memenpool door van hersenen naar hersenen te springen via nabootsing. Zo heeft de biologische evolutie in onze hersenen een nieuwe ‘oersoep’ geschapen, waarin de memen een nieuw soort memetische evolutie zullen ontketenen.

Net zoals organismen dus alleen maar voertuigen van genen zijn, zijn hersenen alleen maar voertuigen van memen. Om het alweer in een boutade samen te vatten: een schrijver is alleen maar de manier waarop een bibliotheek een andere bibliotheek maakt. Toegegeven, als ik mezelf hier zo voor mijn bibliotheek en achter mijn computer zie zitten, kan ik een smakelijke lach niet onderdrukken.

Dat belet niet dat de gehele constructie een miskleun is. Dat blijkt al dadelijk als we ‘ideeŽn’ vervangen door een andere afscheiding van het organisme: Dawkins geliefde spinnenwebben. Wat belet ons om te beweren dat een spin niets anders is dan het middel waarmee een spinnenweb een ander spinnenweb maakt? We kunnen de formule nog verder invullen met honingraten en bijen, beverdammen en bevers, slakken en slakkenhuizen… En waarom zouden we ons beperken tot de producten van organismen? Ook de onderdelen ervan komen in aanmerking. Wat zou er – zolang dat van de bibliotheek en de geleerde klopt - fout zijn aan de bewering dat een organisme alleen maar de manier is waarop een skelet een ander skelet maakt? Dit ‘mem’ zal waarschijnlijk in de geest van menig paleontoloog zijn opgedoken bij de aanschouwing van wat er van miljoenen jaren gecopuleer in de aardlagen overblijft. Wie zei overigens alweer dat het doel van het leven de dood is? Een stap verder en we zijn via sperma en eicellen weer aanbeland bij de kip en het ei van Samuel Butler – of bij de genen van Dawkins. Zouden genen dan toch alleen maar de manier zijn waarop een organisme een ander organisme maakt - en het organisme niet langer de manier waarop een gen een ander gen maakt?

En dan merken we plots wat er is misgelopen: door zijn eigen omkering nog eens op zijn kop te zetten, heeft Dawkins meteen de pijl van de causaliteit omgedraaid. Skeletten zijn, net zoals spinnenwebben en ideeŽn, middelen die het organisme gebruikt om te overleven en zich voort te planten. Stellen dat het organisme een middel is om zijn onderdelen of instrumenten te repliceren, komt dus neer op een omkering tussen middel en doel: de wereld op zijn kop. Dat geldt niet voor de relatie tussen genen en organisme: organismen kunnen inderdaad worden beschreven als middelen om genen te repliceren. Onder meer de mierennesten van E.O. Wilson leveren tot nader order het sluitende bewijs dat hier de alledaagse intuÔtie terecht op haar kop moet gezet, niet anders dan de intuÔtie van de zon die rond de aarde draait.

Deze gedachtegang zou moeten volstaan om Dawkins memen naar de prullenmand van de ideeŽngeschiedenis te verwijzen. Zeker, we zouden nog een hele boom kunnen opzetten over fouten in de analogie tussen genen en memen, evenals over de problemen die rijzen als cultuur in termen van ‘memen’ wordt begrepen. Maar vermits de wortels van onze boom al niet pakken, kunnen we ons deze moeite grif besparen. Ons desbetreffende kruit verschieten we elders op deze website (…..). Merken we wel op dat er een probleem is met de status van de hersenen: enerzijds beschrijft Dawkins ze als ‘vehicle’, anderzijds als de ‘oersoep’ waarin de nieuwe replicatoren beginnen te gedijen. Zijn ze ‘vehicle’, dan gebruiken zowel de genen als de memen hetzelfde voertuig. Zijn ze oersoep, hoe moeten we ons het nog te evolueren voertuig voorstellen dat de ‘memetische evolutie’ weldra zal produceren? We komen daar verder op terug.

Rijst eerst de vraag wat Dawkins wel tot deze omkering van de omkering mag hebben verleid? We hielden ons wat op de vlakte als we beweerden dat hij zichzelf voorbij holde in het enthousiasme over het succes van zijn eerste omkering. In werkelijkheid wou Dawkins zich eens en voor altijd afzetten tegen de veel gewraakte gewoonte van zijn collega’s biologen om de mens tot dier te reduceren. Voor de gelegenheid vergetend dat de voorbeelden van leren door nabootsen steeds talrijker op de lagere takken van de boom van de evolutie blijken te groeien, schrijft Dawkins het meteen bij de aanvang van zijn hoofdstuk over memen: ‘Are there any good reasons for supposing our own species to be unique? I believe the answer is…. yes.’ (puntjes van ons). Biologen en menswetenschappers, elk zijn eigen jachtterrein! Maar Dawkins kan het stropen niet laten: er moet op alle jachtterreinen worden gejaagd volgens zijn regels: ‘Cultural transmission is analog to genetic transmission’ en dat leidt tot ‘a form of evolution’ die weldra de aloude biologische zal overnemen en overvleugelen.

Nu kan ik kan me goed voorstellen dat Dawkins ervoor terugdeinsde om het lot te ondergaan dat Wilson een jaar tevoren was beschoren bij het verschijnen van ‘Sociobiology: The New Synthesis’. Verscholen achter zwaar geschut, had deze onverlaat het jachtterrein van de menswetenschappers voor biologen opgeŽist. Hij kreeg daarbij zowat de gehele geletterde wereld op zijn dak, om nog maar te zwijgen van oververhitte feministen die hem letterlijk de mond snoerden. Dawkins pakt het in zijn – te oordelen naar de slordigheid van deze elders glasheldere geest: inderhaast toegevoegde? - hoofdstukje over memen diplomatischer aan: ‘I am an enthusiastic Darwinian, but I think Darwinism is too big a theory to be confined to the narrow context of the gene… What, after all, is so special about genes? The answer is that they are replicators.’ Meteen begrijpen we waarom ‘genen’ zonodig moesten gesubsumeerd onder de meer algemene categorie van ‘replicatoren’. Het broederlijke samengaan van genetica en ‘memetica’ onder het banier van wat we (voor de gelegenheid) een ‘replicatorica’ zouden kunnen noemen: geef toe, dat is een sierlijker manoeuvre om ‘The New Synthesis’ tot stand te brengen dan het brute kannibalisme van E.O. Wilson. Als we maar wat redelijk zijn en de biologen geven wat hen toekomt, mogen we weer op beide oren slapen: het EI – de biosfeer – is zoals vanouds weer een middel om een nieuwe KIP te maken, de ‘memosfeer’ (sic: in Blackmore!). De filosoof Dennet herhaalde het manoeuvre door het evolutiemechanisme zelf tot algoritme te veralgemenen en dat vervolgens toe te passen op zowaar de gehele werkelijkheid – van oerknal tot geest. (Zie ‘Dennet’ elders op deze website).

Maar onze kous is nog niet af. Lichamen als ‘voertuigen’ van de genen, hersenen als ‘voertuigen’ van memen… Waar doet de term ‘vehicle’, die Dawkins gebruikt om het organisme aan te duiden, ons al de hele tijd aan denken? Juist: aan het stoffelijk lichaam als kerker waarin de eeuwige ideeŽn van Plato huizen. En dat is geen toeval. Lezen we dat merkwaardige hoofdstukje elf eens opnieuw. Nadat Dawkins ons eerst een aantal onbenullige voorbeelden van memen heeft gegeven, zoals ‘tunes, ideas, catch-phrases, clothes, fashions, ways of making pots or of building arches’, doemt plots het GROTE MEM op uit het niets: ‘the Idea of God’ (hoofdletters van ons). Wat verder duikt een ‘meme for celibacy’ op – wees gerust: er is geen GEN voor celibaat! En dit mem voor celibaat wordt door priesters overgebracht op jonge knapen ’who have not yet decided what they want to do with their lives.’ En over dat laatste moet wel even worden nagedacht. Wie dacht zich voor te kunnen planten in den vleze, moet bedenken dat hij in zijn nageslacht alleen maar ondergaat: zijn kinderen hebben slechts de helft van zijn genen, zijn kleinkinderen een kwart, en zo verder tot hij helemaal in het niets verdwijnt. De ‘memen-complexen’ van Socrates daarentegen! Die ‘are still going strong.’ Dawkins aarzelt om te schrijven: ‘die zijn onsterfelijk’, zoals hij (ten onrechte) van de genen beweert. En zo hebben we alles bij elkaar: God, geslachtsloze zielen, duiven en eeuwige ideeŽn hoog verheven boven copulerende dieren die druk doende zijn de onsterfelijkheid van hun genen te bewerkstelligen. Is dan niet meteen de vraag beantwoord wat dan wel de ‘voertuigen’ mogen wezen die de memetische evolutie zal voortbrengen? Als de genen zich lichamen als voertuigen scheppen, zouden memen zich dan geen zielen als voertuig wensen? Pas in deze constructie is de analogie van Dawkins doorgedacht. Ditmaal zoals het zou horen: zonder omkering van de pijl van de causaliteit! Wij die dachten rond te ploeteren in de genenpool, liggen plots tussen jonge knapen aan op ‘Het gastmaal’ van Plato om er te aanhoren hoe Diotima ons leert doorheen de lichamen zielen lief te hebben. Van genen tot memen. Of: hoe Darwin Plato baart. Waarlijk, als dat geen Nieuwe Synthese is! Jammer dat Nietzsche dit niet meer mag meemaken: hij zou er – tussen twee vlagen van koppijn door - gewis een giftig aforisme over hebben gebrouwen.

Alleen jammer dat in de dialectische beweging erheen Darwin werd ‘aufgehoben’ –opgeheven en opgegeven. In ‘The Descent of Man’ laat Darwin er geen twijfel over bestaan hoe hij de mens in de evolutie wilde inpassen. Heette het overigens in diens book M niet: ‘Plato says that our ideas arise from the preexistence of the soul…. – read monkeys for preexistence.’? Met permissie: dat klinkt beter!

De memen doen het intussen niet slecht. Dawkins en Dennet doen er niet druk meer over – hebben ze onraad geroken? Maar de kip uit Oxford heeft intussen een ei gelegd in Bristol, alwaar het wordt uitgebroed door Susan Blackmore. En op een geŽigende memenwebsite zijn de nieuwe replicatoren druk doende met het inluiden van het nieuwe tijdperk in de kosmologische evolutie …

Duimen maar dat snel de memel in de memen komt!

© Stefan Beyst, mei 2001.

 fndeel fbvolg    twitter
 
beeld van de week

zelfomslag