omtrent 'bye bye art'

discussie rond mijn bespreking van:



Robrecht Vanderbeeken: 'Buy buy art: de vermarkting van kunst en cultuur'
Uitgeverij Epo, Antwerpen 2015.


oorspronkelijke tekst
repliek van de auteur
repliek op de repliek van de auteur
facebookantwoord van de auteur

 



REPLIEK ROBRECHT VANDERBEEKEN (Ook te lezen in 'De wereldmorgen')

Hierbij een weerwoord. Graag wil ik kunstcriticus Stefan Beyst bedanken voor Bye Bye Art, een kritische repliek op mijn boek. De repliek metselt scherp omlijnde frames, maar dan wel naast de boompjes die ik wil opzetten. Stefan Beyst roept klassieke spookbeelden op van ‘de staat’ en wil mij in die hoek parkeren. Een kwaadwillige lezing, maar toch vooral een mooie aanleiding om een en ander te verduidelijken.

Ik vrees die spookbeelden namelijk ook – ik dacht dat de lezer dat uit mijn boek kon opmaken – maar ik wil daarentegen waarschuwen voor de vermarkting, gevaren die zich vandaag volop voltrekken.

Uit de repliek van Beyst blijkt nog maar eens hoe weinig bewust we ons daarvan zijn. Het klopt evenmin dat ik alleen kunst wil die een linkse politieke statement uitdraagt: basisstelling van Buy Buy Art is net de oproep voor een bescherming van de diversiteit van de kunst, want die staat door de vermarkting onder druk.

Beyst is van mening dat we de oplossing kunnen vinden in méér marktwerking. In hoofdstuk 5 bespreek ik zo’n marktfundamentalisme (cf. ‘de dwepers’) en ik wijs er daar ook op dat dit net de interessantste discussies zijn. Stefan Beyst is een verstandig man, zijn keuze voor meer marktwering is niet onlogisch mits de aanname van bepaalde vooronderstellingen.

Na enkele rechtzettingen en toelichtingen, wil ik in deze bijdrage daarom ingaan op het problematische karakter van die vooronderstellingen, met name (1) de dichotomie van staat versus markt en (2) de reductie van alles wat economie is tot ‘marktwerking’, en (3) een 19de eeuwse opvatting over ‘herverdeling’. Dat zijn zaken die ik explicieter in het boek had kunnen bespreken, maar het staat al behoorlijk bol.

Maar vooraf toch dit: na de Tweede Wereldoorlog startte de VS een prestigieus steunprogramma voor de kunsten (the NEA) precies vanuit de bezorgdheid dat de Amerikaanse burger het anders alleen zal moeten doen met McDonalds en Walt Disney. Het ging om reguliere staatssteun, samen met de ontwikkeling van fiscale instrumenten voor donateurs (zo is filantropie niet alleen snel terugverdiend, je verdient er ook flink mee bij).

Ik denk dat we deze economische realiteit als vertrekpunt moeten nemen, niet een of ander romantische beeld van de middeleeuwse mecenas die overloopt van de goede bedoelingen. In de VS is die NEA al afgebouwd. In Europa zijn we vandaag volop bezig dezelfde fout te maken. Ik wil daarvoor waarschuwen.

Overigens, ook Adam Smith – de Vader van het liberalisme zeg maar, en de bedenker van de metafoor ‘de onzichtbare hand’ – benadrukte dat het de plicht is van de overheid om in cultuur en educatie te voorzien, willen we vermijden dat de burger verstoken blijft van elke vorm van emancipatie (in order to prevent the almost entire corruption and degeneracy of the great body of people.).[1] Hoewel ik in volgt literaire dramatiek enigszins achterwege wil laten, is de uitdaging dus: hoe vermijden de overheersing van een kassa kassa K3-cultus van ‘10.000 luchtballonen’?

Uit de repliek van Beyst maak ik op dat ook hij die bezorgdheid deelt. Hoe hij die uitdaging wil aangaan, lezen we niet. Een aanzet zoals die in mijn boek, wordt neergesabeld uit angst voor het ‘spook van het communisme’, in de versie van het clichématige doembeeld van nationalisten en liberalen. Geraken we voorbij de comfortzone van die ideologische stellingenoorlog zodat we ons kunnen riskeren aan een grondig debat?



RECHTZETTINGEN

Eén - Volgens Beyst heeft filantropie of schenken niets te maken met vermarkting. Ik illustreer nochtans met voorbeelden dat het dan meestal om de uitwisseling van symbolisch kapitaal gaat – Beyst noemt het ‘prestige’ – en dat het dikwijls een dekmantel is voor verdienmodellen. Het gaat ook om de eigendomsverhoudingen: rijken die hun kunst naar voren schuiven, of kunst die hen op een sokkel zetten. Ik verwijs ook naar ‘goede’ verzamelaars die ons waarschuwen: het ‘bedrijfsmecenaat’ maakt de kunst(markt) kapot. Die evolutie is natuurlijk ook onderdeel van het fenomeen vermarkting. Ook kunstminnende filantropen vrezen dus de vermarkting.

Twee – Ik spreek inderdaad soms over ‘vermarkting’ en dan weer over ‘kapitalisme’, en dat is niet om het laatste niet bij naam te moeten noemen. Het eerste gaat om een reeks fenomenen die zich binnen het kapitalisme voltrekken, het tweede gaat over een door mensen gemaakt systeem waarbij kapitaal wordt opgebouwd door ongelijke productieverhoudingen (uitbuiting...) met een reeks nefaste, zelfdestructieve gevolgen (zie hoofdstuk 7, dat daar integraal over gaat).

Drie – Blijf ik ‘Siberisch stil’ over staatsgeleide economieën in het Oostblok? In hoofdstuk 9 bespreek ik waarom zowel sociaaldemocratie als staatsocialisme faalden. De oorzaak is o.a. te vinden in de loskoppeling met de basis (top-down). Ik leg ook uit dat we in de 21ste eeuw een progressieve sociaaleconomische huishouding (noem het socialisme…) moeten heruitvinden, bottom-up, en dat het klein verzet daar een cruciale katalysator voor is. Dat ik deze argwaan over mij heen krijg, nadat ik letterlijk schrijf dat wat er in de Sovjet gebeurde, neerkomt op een ‘monsterlijk moreel failliet’, doet mij vermoeden dat Beyst graag had gehad dat ik dat punt een tiental keer herhaal. Maar zou dat mijn mening over dit onderwerp dan veranderen?

Vier – Beyst weet dat ik in het verleden heel wat kunstrecensies schreef waarin in artistieke strategieën analyseer en waardeer. Ik schreef deze zomer nog een tekst in de catalogus van Nicolas Provost die bij Lannoo verscheen voor een tentoonstelling die loopt in Turnhout, als ik mij niet vergis enigszins de regio waar Beyst woont. Momenteel werk ik ook aan een enkele kunstrecensies. In het boek verwijs ik bijvoorbeeld naar beeldende kunstenaars Michel François, Miet Warlop, Honoré d’O, Gabriël Orozco of Giusseppe Penone en grootmeesters van het witte doek zoals Hitchcock, Antonioni of Béla Tarr, maar desondanks komt Beyst toch tot de conclusie dat ik alleen geïnteresseerd zou zijn in kunst die politiek is.

Het klopt weliswaar dat ik geen artistieke besprekingen in het boek heb ingevoegd die dergelijk wantrouwen hadden kunnen wegnemen. Het leek mij niet nodig, omdat ik vooral wou wijzen op de ideologische implicaties die doorgaans worden vergeten. Dàt lijkt mij bijzonder interessant en dat is dus het punt dat ik wou maken. In die optiek bespreek ik de maatschappelijke rol van de kunstenaars, waaruit Beyst ten onrechte afleidt dat ik alleen in die rol geïnteresseerd zou zijn.

Nochtans schrijf ik: “kunstenaars moeten als maker hun artistieke vrijheid kunnen beleven zonder zich daar schuldig over te moeten voelen. Want laten we dat alvast in bescherming nemen: het creatieproces zelf heeft geen rechtvaardiging nodig. Het is zoals het vrije spreken in een therapeutische sessie.” Ik geef ook felle kritiek op de ‘galopperende avant-garde’ van begin vorige eeuw. Ik had eerlijk gezegd verwacht dat kunstcritici mij daarop zouden aanpakken.

Zowel David Graeber, de pleinfilosoof van Occupy Wall Street, als Slavoj Žižek, het Lacaniaanse geweten van links zeg maar, eindigen hun recentste boek met een ideologische analyse van de laatste Batman-film. Ik bedoel maar, kunst en cultuur kunnen ons zoveel leren over onszelf, het is aan de kunstliefhebber om daar ook oog voor te hebben.

Vijf – ik zou fundamenteel ongelijk hebben als ik beweer ‘dat veel van wat de markt voortbrengt, in kwalitatief en emanciperend opzicht problematisch is’. Dat vind ik een heel moedige stelling van Beyst die ik graag wat gemotiveerd zou zien. Hij geeft in zijn eigen tekst alvast zelf heel wat voorbeelden van problematische marktconforme cultuurproductie.

Is iemand al meteen ‘een gevaarlijke communist’ als je voorbehoud maakt bij een commerciële hoogmis als 10.000 luchtballonnen? Dan zitten we in het kamp van Arne Quinze, die meteen waarschuwt voor het gevaar van ‘het communisme’ zodra burgers zijn opzichtelijke Rock Strangers in Oostende contesteren.


TOELICHTINGEN

Kunst en cultuur

Het klopt dat ik kunst en cultuur niet netjes van elkaar aflijn. Dat is niet vanuit nalatigheid: die loskoppeling en afbakening wil ik vermijden. Kunst wordt al teveel als een archipel gezien, los van de maatschappij en cultuur in brede zin. Minder die afbakening maken komt kunst alleen maar ten goede.

De ‘staat’

Het klopt dat ik zelden spreek in termen van ‘de staat’ als het over de publieke organisatie van onze samenleving gaat. Het staatsbegrip heeft doorheen de vorige twee eeuwen een sterke nationalistische connotatie, en die conceptie in natiestaten doet in tijden van globalisering onrecht aan de sociaaleconomische samenwerkingen waarvan de assen dikwijls dwars over de landsgrenzen lopen. Voor de oude Marx is onze openbare huishouding een collectieve aangelegenheid, zonder dat daar een staat voor nodig is. Een staat is in het Westen ook steeds een klassenstaat en dus een instrument van het establishment.

Vandaar dat ik eerder over de openbare organisatie van onze samenleving praat. Hoe we die kunnen heruitvinden, dat is vandaag één van de grote uitdagingen. Tenzij we terug willen naar een premoderne samenleving, zullen we onze sociaaleconomische houding toch structureel moeten aanpakken. Zoals gezegd, deel ik de vrees van Beyst voor de autoritaire staat.

Dat Beyst een kunstenaar als Jonas Staal de artistieke vrijheid ontzegt om daar hands-on mee te experimenteren, is jammer. Deze kunstenaar zijn projecten over de Stateless state, bijvoorbeeld in Rojava, zijn bijzonder leerrijk. Niet in het minst voor een iemand als Beyst die zich duidelijk zorgen maakt over dit thema. Waarom de kunstenaar zijn kunstenaarschap ontzeggen als die iets maatschappelijk relevant wil en kan doen? Mag een kunstenaar alleen ironisch zijn? Is het geen kunst meer zodra een kunstenaar zich brandt aan de realiteit? Is het trouwens aan de kunstcriticus om van de zijlijn te bepalen wat wel en geen kunst is?

Het ‘monopolie van de staat’?

Volgens Beyst is vermarkting een goeie zaak want het komt neer op: ‘de overheid die zijn monopolie opgeeft’. Heeft de overheid vandaag dan een monopolie? Dat doet de werkelijkheid geweld aan: de huidige situatie is er een van ‘en-en’. Naast de gesubsidieerde organisaties is er de kunstmarkt, de muziekindustrie, de amusementsindustrie, er zijn private initiatieven.

In zijn misleidende retoriek laat minister Gatz het uitschijnen dat zijn vermarktingspolitiek alleen maar een ‘en-en’ situatie beoogt, geen totale uitverkoop. ‘Kunst is te belangrijk om een exclusieve bevoegdheid van de overheid alleen te zijn. Kunst is van en voor ons allemaal.’, zo klinkt het in de visienota (en ook uit de mond van Jo Libeer (voka) in de commerciële media). Maar dat is dus beschamend volksbedrog: Gatz wil de huidige toestand van ‘en-en’ net ontmantelen en de private belangen méér armslag geven.

Hij wil de openbare cultuursector die doorheen de jaren met veel zorg en gemeenschapsgeld is opgebouwd als een wingewest open verklaren. Ik voer dus geen pleidooi voor ‘het monopolie van de staat’ maar wil de ontmanteling bestrijden van wat de laatste decennia is opgebouwd.

Veelzijdige vermarkting

Het klopt dat de vermarkting een veelzijdig fenomeen is, ook in het geval van kunst en cultuur. Het gaat om de amusementsindustrie, de kunstmarkt, de oprukkende creatieve industrie die steeds meer verwacht van de kunstwereld. Het gaat om een toenemende commerciële ingesteldheid van kunsthuizen en kunstenaars, het kopiëren van een bedrijfslogica inclusief de klassieke marketingmodellen.

Daarnaast gaat het om de privatisering (‘de uitverkoop’). Beyst ziet in dit alles een problematische semantische verknoping, maar het is nu eenmaal een veelzijdig fenomeen. Privatiseren zou ik bijvoorbeeld niet ‘vermarkting’ mogen noemen want privaat initiatief kan evengoed niét vanuit marktmotieven vertrekken. Dat klopt, maar ik heb het dus over die privatisering die wél neerkomt op vermarkting, met name als de niet-artistieke zakelijkheid die het overneemt.

Uit zijn semantische analyse blijkt dus dat Beyst het probleem onderschat. Ik zou de vermarkting van publieke instellingen ook geen ‘vermarkting’ mogen noemen, want de ‘overheid is nooit winstgericht, het gaat hooguit om meer middelen voor bijvoorbeeld de collecties’. Op die manier mag je bijvoorbeeld een universiteit die naar de beurs trekt, geen marktconform bestuur verwijten. Cultuurhuizen die zich als bedrijven gaan gedragen – koppelverkoop, product placement, intensieve reclamecampagne inzake de merknaam – mag geen vermarkting heten want daarmee willen die huizen alleen maar aan ‘rendementscriteria’ voldoen? Het zou slechts om ‘manager’s speak’ gaan, alsof het maar een kwestie van de gehanteerde taal is? Dat klinkt sterk naar ontkenning.

En geen winstoogmerk? Hoeveel spin-offs en obscure ondernemingsstructuren worden er niet rond grote instellingen opgericht waar het wel degelijk draait om winst? Hoeveel van zo’n satellieten – om het woord parasieten dan maar te vermijden – hangen er niet rond instellingen als Tate in Londen en Moma New York? Waartoe dienen dan die organisaties die bijvoorbeeld Jo Libeer en zijn vrienden zo vlijtig oprichten bijvoorbeeld rond Festival van Vlaanderen of vzw Brussels Philharmonic? Al die fiscale instrumenten – taxshelters en wetgeving rond crowdfunding – zijn verdienmodellen op kap van de maatschappelijke dienstverlening. De staat als melkkoe.


INTERPRETATIEVERSCHILLEN

Markt en staat

In het discours van kunstcriticus Beyst vinden we een radicaal liberale interpretatie terug van onze maatschappelijke huishouding. Die interpretatie berust op drie foute vooronderstellingen. Ten eerste, de simplistische tweedeling tussen markt en staat. Alsof er alleen die dichotomie is, niets ertussen. Waar is de civiele samenleving dan naartoe? Niet ik, maar Beyst rekt het begrip markt uit voorbij elke denkbare grens.

Waarom is elke intermenselijke ruil of samenwerking meteen ‘markt’? Zo’n voorstelling van zaken is een klassiek eufemisme waarmee liberalen de marktwerking van een onschuldig en gedienstig imago willen voorzien. Bovendien zijn er vele vormen van ‘markt’. De economische organisatie inzake levensmiddelen voor de industrialisatie – denk aan de markt op het Middeleeuwse dorpsplein – is wel van een heel andere orde dan de huidige kapitalistische constructie met multinationals die samen met hun politiek personeel oorlog voeren met het oog op monopolies en beleggersfondsen die als aasgieren de reële economie de grond in gokken.

Liberalen grijpen natuurlijk graag terug naar die naïeve voorstelling van de pre-industriële markt om hun wereldbeeld te legitimeren in een tijd die er helemaal anders uitziet. Ze keren daarmee terug naar de 18de eeuw van Adam Smith.

Maar ook deze filosoof houdt er wel een heel geïdealiseerde en gedateerde versie van de markt op na, die alleen mogelijk is binnen een uitgesproken sociaal en moreel kader. Hij stelt zich de markt voor als een marktplein waarop verschillende producenten naar best vermogen dingen om de gunst van de klant. Kopers en verkopers zouden vrije toegang tot de markt hebben en ook vrijwillig tot onderhandelen overgaan.

Dat betekent dat iedereen binnen deze markt vrij zou zijn van noodzaak, waardoor we enigszins gevrijwaard blijven van uitbuiting. Dat betekent ook dat we allemaal effectief over de nodige middelen beschikken en dus in staat zijn vrij te onderhandelen. ‘Wie hard en eerlijk werkt, wordt rijk’, is dan de aanname.

Uit The Theory of Moral Sentiments (1759), het boek dat Smith voorafgaand aan The Wealth of Nations (1776) schreef, blijkt tevens dat Smith er vanuit gaat dat elke mens zich laat leiden door gevoelens van medelijden, sympathie en wederkerig begrip. Het functioneren van de markt, zoals Smith die ziet, vereist dus een sociale en rechtvaardige ingesteldheid van ‘morele wezens’. Ethiek wordt dus voorondersteld, en zo kan je de marktwerking natuurlijk in alle onschuld idealiseren.

Niettegenstaande is de naïeve metafoor van de wekelijkse, o zo sympathieke dorpsmarkt helaas lichtjaren verwijderd van onze neoliberale wereld waarin multinationals en hun lobbyapparaat regeren. Neem de zaak Victor in Big Pharmaland: Alexion Pharma Belgium kwam in de zomer van 2013 in een mediastorm terecht toen bleek dat het farmaceutisch bedrijf het doodzieke jongetje Viktor misbruikte om terugbetaling voor haar geneesmiddel Soliris af te dwingen. Dat geneesmiddel is met voorsprong het duurste ter wereld en terugbetaling via de ziekteverzekering kost de maatschappij handenvol geld. En wie kreeg de zwarte piet? Juist, de overheid, omdat ze het zover had laten komen.

Deze chantage is slechts één van de vele excessen die tonen dat multinationals (dewelke ontsnappen aan staatscontrole, staten tegen elkaar uitspelen als dienaars, etc.) zich boven wet en moraal wanen, zich door de moordende concurrentie zelfs als psychopaten gedragen. Maar, let wel, voor Smith zou een strenge wetgevende overheid vandaag niet snel genoeg van kracht kunnen zijn. In dit geval: ‘de staat’, niet als spook maar als garantie op rechtvaardigheid.

Ook de wurggreep op de reële economie door de woeker aan financiële luchtkastelen zou niet op zijn genade kunnen rekenen. Smith koesterde reeds een natuurlijk wantrouwen tegenover wat hij ‘de derde klasse’ noemde: zij die in tegenstelling tot de handelaar en de producent door en voor de winst leven. U denkt er de professionele kunstmarkt maar zelf even bij.

Hij waarschuwde ons er zelfs eeuwen geleden al voor dat de leden van deze klasse, de financiële elite dus, samen een machtsblok kunnen vormen dat hen in staat stelt staten te manipuleren in hun voordeel. Smith zou bijgevolg vrijwel zeker fel gekant zijn tegen de internationale vrijhandelsakkoorden (zoals CETA en TTIP) die vandaag in stelling worden gebracht om de wetgeving van ‘natiestaten’ (om het woord dan nu wel veel te gebruiken…), die moet dienen om onze burgerlijke vrijheden te beschermen, buiten spel te zetten in het belang van winstbejag.

Kortom, vergeleken met de Vader van het liberalisme is het hedendaagse neoliberale establishment bijzonder radicaal. Het gaat hier dan ook niet langer om een geloofskwestie maar om cynisme: het marktfundamentalisme kantelt in een machtsabsolutisme. Het draait slechts nog om het verdedigen van de verworven privileges, andere mensen mogen doodvallen in vluchtelingenkampen, het klimaat mag ontploffen, kerncentrales mogen scheuren.

Als Beyst zich in de lijn van het klassieke liberalisme wil inschrijven, hoe gaat hij dit radicalisme dan vermijden? Is het dan niet aangewezen dat hij ook mee de strijd vervoegt tegen de afbraakpolitiek van wat we samen in de vorige decennia collectief hebben opgebouwd?

Beyst hanteert daarentegen argumenten pro markt waarvan ik in het boek al besprak waarom die niet opgaan, die hoef ik hier dus niet te herhalen (Hoofdstuk 5). Ik bespreek ook een aantal structurele problemen in Hoofdstuk 6 (neoliberale bureaucratie, afvlakkingseffect van de markt, monopolievorming, de bemiddelde klasse als bemiddelende klasse van wat als kunst aan bod kan komen, de nefaste meritocratie voor cultuurwerkers die in sociaaleconomisch opzicht letterlijk ziekmakend is…). Het zou mij interesseren wat zijn mening hierover is.


Economie is niet alleen markt

Mijn pleidooi om kunst en cultuur op de vermarkting te heroveren, betekent geenszins dat we ze dan maar moeten onderbrengen bij een autoritaire staat. Laat duizend bloemen bloeien, in de eerste plaats in de brede civiele samenleving. Een tweede foute vooronderstelling in dit verband is de zoiets als economie eigenlijk per definitie neerkomt op ‘de vrije markt’. Is de overheid slechts een apparaat dat daar wat boven zweeft (en erop teert)? N-VA en Open VLD willen ons dat graag doen geloven.

Maar er zijn natuurlijk verschillende vormen van economie en ‘de overheid’ in al zijn concrete vormen is zelf evenzeer economie. Vandaag is de overheid zelfs de grootste werkgever, de belangrijkste producent van innovatie, onderzoek en ontwikkeling, de grootste dienstverlener in de zorg, onderwijs, ruimtelijke ordening, recht, cultuur… In tegenstelling tot wat Beyst beweert, is niet de markt maar de overheid de grote innovator. Ook wat ‘de staat’ heet – we wezen er al op – is in wezen een veelheid van mogelijke organisatievormen van onze sociaaleconomische huishouding. Op dat punt moeten we vandaag creatief aan de slag gaan, met het oog op vermaatschappelijking.

Volgens Beyst is er maar een echte betekenis van vermarkting, namelijk als het gaat om kopen en verkopen van ‘koopwaar’. Elk onderscheid tussen ruilwaarde en gebruikswaarde – toch een onderscheid waar ik in mijn boek regelmatig op terugkom – is compleet afwezig. En laat dat nu net het probleem zijn van de vermarkting: ruilwaarde neemt het over van gebruikswaarde.

Daar heb je natuurlijk weinig oog voor als je zoals Beyst denkt dat de ‘opkomst van wals, flamenco, tango en fado, het Franse chanson, Jazz, rock en pop’ als diversiteit een verdienste is van de markt. Als je bovendien uit een handboek Westerse kunstgeschiedenis meent te kunnen afleiden dat er in de feodale tijd alleen religieuze kunst was – geen volkskunst, géén diversiteit aan artistieke uitingen –en dat het brede scala van kunstontwikkelingen een gevolg zijn van de opkomst van de markt, dan zou je voor minder de markt te vriend willen houden. Kan je dan bijvoorbeeld de vermeende monocultuur van religieuze kunst op conto van ‘de staat’ afschrijven in een periode dat een modern staatsbegrip nog niet aan de orde was?

Een tweede probleem: als je elke ruil als ‘markt’ opvat, reduceer je de overheid al meteen tot één speler op die markt, en ontzeg je haar dus haar economische identiteit. Als ik via inschrijvingsgeld bijdraag aan een opleiding, is het dan wel correct dat zonder meer als een ‘aankoop’ op te vatten? Is een toegangsticket voor een publiek museum dan meteen hetzelfde als een drankje uit een automaat draaien in datzelfde museum? Is een uitwisseling tussen overheidsinstellingen ook ‘markt’? Meer nuance is aangewezen.

Smith verdedigde een moderne economische organisatie – arbeidsverdeling, meer toegang voor particuliere spelers – in een tijd waarin het ancien regime op terugweg was. De oude adellijke privilegestructuur maakte een ‘vrije’ economie inderdaad onmogelijk. Latere liberale denkers, zoals Hayek en Friedman, recycleren die argwaan tegen ‘het regime’ en ‘het staatsapparaat’ om een herverdelende sociale overheid klein te krijgen of te houden en de vrije markt het monopolie te geven als organisator van het maatschappelijke leven.

Maar afgezien van het feit dat zoiets als een vrije markt een illusie is – want volop gestuurd en doordrongen van uitsluitingsmechanismen – schept die vrije markt meer onvrijheid dan vrijheid. Vrijheid als privilege. Het is de ondertitel van het boek De paradox van Hayek (2014) waarin socioloog Jan Blommaert en de filosoof Karim Zahidi in detail uitleggen dat de economische vrijheid die het neoliberalisme vooropstelt bovenal ongelijkheid vereist. Het paradoxale aan het vrijheidsbegrip van de hogepriesters van het neoliberalisme, zoals Hayek en Friedman, is dat het in een vliegende vaart op de onvrijheid van de meeste mensen aanstuurt.

Laten we die analyse zelf even toelichten, want het is in dat vaarwater dat Beyst terecht komt. Toen in 1919 adellijke titels in Oostenrijk verboden werden, zag de filosoof Friedrich von Hayek op twintigjarige leeftijd zijn achternaam plots bij wet veranderd in kortweg ‘Hayek’. Prettig zal hij dat niet gevonden hebben. Zijn klassieker The Road to Serfdom verscheen in 1944.

Het is dus niet zo verwonderlijk dat wanneer hij tijdens de Tweede Wereldoorlog de afweging maakte tussen het liberale vrijheidsprincipe (vrijheid van dwang) en het socialistische (vrijheid van noodzaak, om zo vrijheid mogelijk te maken voor iedereen) voor het eerste kiest, ook al impliceert deze ieder-voor-zich dus onvermijdelijk ongelijkheid. Hayek gaat er immers vanuit dat een maatschappij die zich richt op een collectief doel sowieso afglijdt naar een totalitair regime, naar ‘slavernij’. Openbare dienstverlening? Het zou meteen een hellend vlak richting dictatuur zijn. Tabula rasa van elke publieke orde onder democratische controle dan maar?

De markt biedt aldus Hayek de zaligmakende oplossing omdat ook hij die opvat als een louter formeel uitwisselingsmechanisme dat individuen in staat stelt te leven volgens hun eigen waarden en doelen. Hij heeft het daarbij vooral over de vrijheid om bezit te vergaren, wat meteen ook de voorwaarde tot uitbuiting is en winst garandeert. Het is de vrijheid om niet te moeten delen of te mogen afnemen van wat anderen toekomt. De overheid mag daarom slechts een hulpverlener van de markt zijn, want alleen economische vrijheid zou zogezegd individuele en politieke vrijheid garanderen.

De tirannie van het marktdenken en de oligarchie van ‘het grootbedrijf’, zoals ze het establishment in Nederland soms noemen, Hayek piept er niet over. Neoliberalisme laat mensen natuurlijk helemaal niet vrij in het bepalen van hun waarden en doelen, want winst maken is het allesbepalende doel. De weldaad zal daarna wel vanzelf neerdwarrelen.

De markt is natuurlijk helemaal geen puur formeel mechanisme, wel een dwingend moreel systeem dat op individualisme en competitie aanstuurt en uiteindelijk slechts één criterium van maatschappelijk geluk hanteert: financieel succes. Dat is de bekende doel-middel omkering. In een poging te ontkomen aan het schrikbeeld van de staatsterreur die hij tijdens de Tweede Wereldoorlog zo vreesde, kiest Hayek dus voor de oorlog van allen tegen allen, die van de markt, waarin rationeel zijn zoveel betekent als de ander wantrouwen en manipulatiestrategieën ontwikkelen. Egoïsme onderdrukken zou gewoon dom zijn, want wederkerigheid is binnen de winstgerichte markt slechts interessant voor zover het kan worden misbruikt. Maar is dat dan geen barbarij?

Samengevat, de Hayekiaan die het eerste gebod van zijn geloof wil volgen ­– vrijheid van dwang – zal de leer derhalve afvallig moeten zijn en daarentegen socialer moeten leren denken. Ofte: hoe he socialisme onvermijdelijk is om de idealen van het liberalisme mogelijk te maken. Hoe gaat Beyst met die inconsistentie om?

19de eeuwse opvatting over herverdeling

De laatste foutieve vooronderstelling brengt ons naar het hart van de ideologische strijd die vandaag loopt. Het wereldbeeld van Open VLD en N-VA: de markt is een rechtvaardige en bewonderingswaardige bedrijvigheid die iedereen vooruit brengt, als je maar hard genoeg wil. Het is slechts een kwestie van ‘verantwoordelijkheid’ nemen, alsof de krachtsverhoudingen van het kapitalisme niet bestaan. De stoute socialisten willen natuurlijk alleen maar geld afpakken van ‘de productieven’ en dat aan de ‘onproductieven’ geven. De staat: dat komt voor hen neer op schulden maken op de kap van ‘de werkende mensen’. ‘We kunnen ze niet blijven uitgeven, dat weet elke huisvader wel.’

De grote leugen in dit 19de eeuwse denken over herverdeling is dat de markt natuurlijk zelf een gigantische herverdeling organiseert van arm naar rijk, van de werkende klasse naar de klasse die leeft van eigendom en beleggingen. Daar hoor je N-VA en Open VLD vanzelfsprekend nooit over. Zoiets als uitbuiting lijkt voor rechts niet te bestaan, het is iets van het verleden, in tegenstelling tot de sociale fraude.

Nee, het is volgens hen andersom: ‘de productieven’ offeren zich op en zij doen ook nog eens aan naastenliefde, zoals emir Huts ook met zijn kunstcollecties ‘ook wat wil terugdoen voor de maatschappij’ … niet de werknemer maar de bedrijfsleiders en aandeelhouders betalen volgens hen de heffingen op werk en productie, alsof alleen CEO’s een onderneming doen draaien. Het zijn de waanbeelden waarmee de anti-communiste Ayn Rand in de VS carrière maakte: ‘Greed is Good’!

De sociale herverdeling door een ‘verzorgingsstaat’ functioneert als een correctie op die uitbuitende markt, en die kwam er in tijden van Koude Oorlog, door de dreiging van ‘het rode gevaar’. Verzorgingsstaat: dat is dus een democratische herverdeling van een hoogst ongelijke private verdeling. Neoliberalen zetten daarentegen hard in op wat we een ‘contrareformatie’ kunnen noemen: de sociaal verdelende overheid die een hele traditie van brede dienstverlening heeft uitgebouwd moet nu gebruikt worden om opnieuw een herverdeling mogelijk te maken van een derde orde: een herverdeling van de gemeenschap naar de kapitaalkrachtigen, via belastingvrijstellingen, fiscale hefbomen, transfers van steun voor zorg en cultuur naar steun voor bedrijven, etc. Van Overtveldt is pas boos als de EU zegt dat multinationals ten onrechte belastingen hebben ontdoken in België, dan gaat N-VA zich met de Vlaamse borst vooruit flink verzetten… kracht van verandering.

Naar het voorbeeld van Hayek schreef de econoom Milton Friedman twee decennia later zijn klassieker Capitalism and Freedom (1962). Volgens dit pleidooi voor economische vrijheid zou de markt altijd werken en alleen de markt zou werken. (Opnieuw: de primaire herverdeling van de markt van arm naar rijk bestaat niet in dit wereldbeeld.) De concentratie van politieke macht, dat is volgens Friedman het grote gevaar. Alleen als de markt vrij is, vermijden we dat een regering in een Frankenstein verandert.

Zelfs de democratie moet maar even een stapje opzij als de belangen van de markt op het spel staan. Herkenbaar, als we terugblikken op 2015 waar de hold-up op Griekenland toch het belangrijkste politieke evenement was? Maar door economische vrijheid als de garantie voor politieke vrijheid voor te stellen, lijkt het plots alsof economische machtsconcentraties onproblematisch, zelfs uitgesloten zijn.

Wie dat gelooft, leeft wel in een platte wereld, eentje waarbij de zon rond de aarde draait. Meer nog: het maakt net de weg vrij voor een oncontroleerbare, onbeperkte opbouw aan economische macht op conto van het openbare leven.

Friedman creëerde dus vooral een handige ideologische dekmantel voor kapitaalaccumulatie door multinationals en funds. We weten ondertussen tot wat dat leidt. Is het niet ontstellend dat er na de bankencrisis niemand in de gevangenis vloog? Maar o wee de steuntrekker die wat bijklust in het zwart zodat zijn gezin kan rondkomen. Los van deze dubbele moraal, wezen we al op het gevaar van monopolies, vervreemding, uitbuiting, verspilling, vervuiling, instabiliteit en roofbouw op de natuur.

Voeg daar inzake innovatie de nijpende rem bij op vrij verkeer van informatie en kennis, vanwege patentrecht, fabrieksgeheimen en andere commerciële belangen. Of het feit dat alleen marktgericht onderzoek op financiering kan rekenen. Het legt zo treffend de pathologie van onze tijd bloot: er gaat zoveel meer studiewerk naar de smaak van tandpasta dan naar een levensbedreigende tropische ziekte, want daar is geen lucratieve markt voor. Toen de regering van Zuid-Afrika besliste om zelf aidsremmers aan te maken om ze goedkoop te kunnen aanbieden, trok Big Pharma naar de rechtbank. De eerste aanval van het ebolavirus dateert van 1976. Pas na veertig jaar, nu het virus een bedreiging voor het Westen vormt en er dus een massamarkt voor is, wordt er geïnvesteerd om een vaccin te ontwikkelen.

Mijn vraag: hoe kan Beyst ervoor zorgen dat zijn pleidooi voor méér markt ons niet bij Friedman doet eindigen? Het is natuurlijk wel handig, die neoliberale logica. Ze schept duidelijkheid in postmoderne tijden: eigenlijk was er geen probleem of Friedman gaf de overheid er de schuld van. En steeds zag hij de markt als oplossing. Werkloosheid? Schaf het minimumloon af. Natuurramp? Laat private organisaties de hulp organiseren. Slechte scholen? Privatiseer het onderwijs. Dure zorg? Privatiseer en schaf inspectie af. Drugsmisbruik? Legaliseren maar. Beyst hanteert helaas hetzelfde schema: crisis van de kunst? Schuld van de staat en de overheidssubsidies. Een ideologische analyse van de tijdsgeest is de grote olifant in zijn salon. Beyst zit aan tafel bij TINA: het kapitalisme is een deugd (alle verdiensten van wetenschap en technologie worden al meteen als verdiensten van het kapitalisme opgevat) en 'het is maar de vraag of er wel remedies zijn voor de kwalen van dat kapitalisme'.

Als een poppetje dat werd opgedraaid met dezelfde veer, publiceerde Van Overtveldt voor hij minister was de ene column na de andere volgens hetzelfde schema: Vadertje staat is de boeman. (En de vakbonden natuurlijk, dat is de dada van die andere hoofdredacteur, Bart Sturtewagen. Wanneer stapt die over naar N-VA?)

Maar Van Overtveldt zijn idool Friedman maakt zoals Hayek eigenhandig de weg vrij voor wat ze alvast op papier het meeste vrezen: economische terugval en de ontwikkeling van machtsconcentraties, die weliswaar via hun economische macht de politiek als een paardenmolen naar hun hand zetten. Machtsconcentraties die geen bal inzitten met de artistieke waarde van kunst en cultuur, met de kwetsbaarheid van cultuuremancipatie en kunsttradities die we samen doorheen de jaren met zoveel zorg hebben opgebouwd. Nee, zolang het maar om hun kunst gaat, kunst die hen op een sokkel zet. Zolang ze er maar op verdienen en hun waarden kunnen promoten. Desondanks denkt Beyst dat het in het geval van privaat mecenaat om de brede bevolking gaat, niet om een elite die eenzijdig haar belangen opdringt.

Niet onbelangrijk: deze blinde vlek voor de gevaren van de markt bij Friedman komt omdat ook hij vertrekt vanuit een geïdealiseerde versie van de markt. Hij was zich daar overigens wel bewust van, ten minste, hij sprak erover om het imago te wekken dat hij toch geen dogmaticus was. Die geïdealiseerde versie kwamen we ook bij Smith al tegen: het zou om ruilhandel gaan waar iedereen vrijwillig aan kan deelnemen, vrij van noodzaak.[2]

Welnu, opmerkelijk is wel dat de romantiek van zijn wereldbeeld gestoeld is op een communistisch fantasma van vrije en gelijke mensen onder elkaar. Daarmee geven de profeten van de marktlogica eigenlijk onbewust zelf aan dat socialisme noodzakelijk is: ze veronderstellen het om hun verhaal rond te krijgen! In de echte wereld verloopt het weliswaar anders en zo komt het dat marktfundamentalisten zelf hun gedroomde progressieve toekomst van een rechtvaardige en voortvarende maatschappij op slot draaien.

Dwangmatig optimisme is dan de enige houvast. Want het belangrijkste voordeel aan de artificiële extase van positivo’s is dat twijfel of kritiek geen kans krijgen. De ander is een zwartkijker, hanteert misleidende stemmingmakerij, weigert te erkennen dat er toch ook zoveel goed gaat vandaag. Het komt neer op de droefgeestigheid van de cliniclown, genre Gwendolyn Rutten.

‘Maar het klopt toch dat we vandaag minder elkaars kop inslaan?’, hoor je dan. Dat goedkope optimisme – denk aan de pathos uit de reclame – vinden we tot mijn verbazing ook terug bij een doorwinterde scepticus als Beyst. Even serieus nu: met de enorme toename van technologie en wetenschap zou het er nog aan mankeren dat we inzake gezondheid en direct fysisch geweld niet een paar zaken beter doen dan in de middeleeuwen. Maar is het niet pijnlijk om te merken dat we door winstbejag en egoïsme – greed is good – vandaag met een economisch systeem zitten waarmee we zoveel mensen onrecht aandoen, zoveel wat opgebouwd is, vernietigen? Dat we het voortbestaan van onze planeet en onszelf gewoon mee laten opnemen in het risicomanagement van enkele grote vermogens? ‘We gaan toch niet protesteren zeker, zolang wij in ruil maar wat comfort krijgen op korte termijn?’, dat lijkt een beetje de baseline van zoveel Vlaamse burgerlijke apathie te zijn.

Wie de moeite neemt om die discussie te openen, zoals ik dat probeer in mijn boek, komt onvermijdelijk mensen tegen op zijn pad die dit willen ‘ontmaskeren’ als een ideologische charge, zoals Beyst. Hij wil de kunst angstvallig binnen de comfortzone houden waar we ze los van de maatschappij in haar schoonheid kunnen genieten, waar we kunnen contempleren over haar verheffende sacrale karakter, zo subliem alweer, waar we ons dan in een ontkerstende wereld aan kunnen vastklampen als aan een zinkende boei. Schoonheid en troost, weet je wel. Gelukkig hebben we de kunst nog…

Ook dat is op zich geen probleem natuurlijk, ik heb die troost ook nodig, zolang kunst ook iets anders mag zijn. En zolang we dat via cultuurpolitieke betogen mogen verdedigen, zolang we de uitverkoop mogen bestrijden, en zolang kunstkritiek ook de maatschappij waar kunst toch deel vanuit maakt, mee in overweging mag nemen. Daar is het mij dus om te doen.

Ik hoop in een verdienstelijke criticus en groot kunstliefhebber als Stefan Beyst ooit een medestander te vinden, want we delen au fond wel dezelfde bezorgdheden.

Robrecht Vanderbeeken

[1] Adam Smith (1723-1790) benadrukte in zijn klassieker The Wealth of Nations (1776) hoe belangrijk het is dat de overheid een aantal diensten onder haar bevoegdheid neemt. Zoals justitie, het leger en cultuureducatie. Smith wist als grondlegger van de theorie van arbeidsverdeling immers zeer goed hoe vervreemdend bijvoorbeeld werk aan de lopende band kan zijn: In the progress of division of labour, the employment […] of the great body of people, comes to be confined to a few very simple operations […] The man who’s whole life is spent in performing a few simple operations, of which the effects too are, perhaps, always the same, or very nearly the same, has no occasion to exert his understanding, or to exercise his invention in finding out expedients for removing difficulties which never occur. He […] becomes as stupid and ignorant as it is possible for a human being to become. His […] dexterity at his own trade seems, in this manner, to be acquired at the expense of his intellectual, social, and martial virtues. But […] this is the state into which the labouring poor, that is the great body of the people, must necessarily fall, unless government takes some pains to prevent it. […] necessary in order to prevent the almost entire corruption and degeneracy of the great body of people. – Boek V, The Wealth of Nations,- p. 429.

[2] Een ‘free enterprise exchange economy’ ziet er aldus Friedman in zijn simpelste vorm als volgt uit: “such a society consists of a number of households – a collection of Robinson Crusoes as it were. Each household uses the resources it controls to produce goods and services that it exchanges for goods and services by other households, on terms mutually acceptable to the two parties to the bargain. It is thereby enabled to satisfy its wants indirectly by producing goods and services for others, rather than directly producing goods and services for its own immediate use. […] Since the household always has the alternative of producing directly for itself, it need not enter into any exchange unless it benefits from it. Co-operation is thereby achieved without coercion.” – Capitalism and Freedom, p. 13.

 




REPLIEK OP DE REPLIEK VAN DE AUTEUR DOOR STEFAN BEYST

Eerst wil ik Robrecht Vanderbeeken bedanken voor zijn bereidheid om een repliek te schrijven op mijn bespreking. Ik heb mijnerzijds weer de nodige tijd genomen om op zijn kritiek in te gaan op een manier die - naar ik mag hopen - verdere discussie niet in de weg zal staan.

Misschien eerst even kort de gedachtegang van mijn bespreking samenvatten en nummeren - om doorheen de bomen het bos te kunnen blijven zien:

Na enkele clarificaties inzake termen (0), probeerde ik aan te tonen

(1) dat de markt diversiteit voortbrengt,
(2) dat de staat die inperkt,
(3) dat ook privémecenaat inperkt, maar op telkens andere domeinen, zodat een bredere waaier overeind blijft,
(4) dat de markt ook de noodzaak om te subsideren opheft,
(5) dat het niet opgaat om kunst uitsluitend te beoordelen op haar politieke strekking, laat staan haar te herleiden tot politieke actie,
(6) dat een begrip van de wereld in economische termen eenzijdig is, en dat het, als men dat al doet, onterecht is om van 'het kapitalisme' alleen maar de kwalen in het daglicht te stellen en niet de onmiskenbare prestaties.
(7) dat het om deze beide redenen onterecht is om zowel de kunst uit de klauwen van het kapitalisme te willen redden, als haar te willen inschakelen in de strijd tegen het kapitalisme,
(8) dat je geen duidelijk alternatief aanbiedt voor de kwalen die je toeschrijft aan 'het kapitalisme' en 'het neoliberalisme',
(9) dat je blind blijft voor de nefaste invloed op de kunst van een dolgedraaide socialistisch-utopische ideologie, die de kunst tot schouwtoneel maakte van wat ik de 'plaatsvervangende permanente revolutie' heb genoemd.

Welaan dan:

(Ad 0: terminologie)

Al luidt de titel van je boek - 'Buy buy Art' - je blijf het thema kunst ontwijken door almaar over te schakelen naar het brede domein van de cultuur, en vandaar naar de maatschappij in haar geheel. Typisch is je verwijzing naar Adam Smith die voorstander is van staatsonderwijs, terwijl we het zouden moeten hebben over subsidiëren van kunst. Alleen al de verhouding van de tekstgedeelten die aan beide onderwerpen zijn gewijd, toont dat je een analyse van het wedervaren van de maatschappij veel belangrijker vindt dan een van de cultuur, en deze weer veel belangrijker dan een van de kunst.

Ook blijf je volharden in het 'metaforisch' gebruik van de term 'kapitalisme': 'symbolisch kapitaal' is inderdaad alleen maar symbolisch 'kapitaal'. De term 'prestige' zegt ondubbelzinnig waar het op staat.

Terecht merk je daarentegen op dat ik door botweg de 'staat' tegenover de 'markt' te stellen, het probleem herleid tot een puur polaire tegenstelling. Daar wil ik op antwoorden door de de registers wat open te gooien.

Men kan concurrenten uitschakelen door ze uit te roeien, zoals gebruikelijk was tussen stammen (en in zekere mate tussen staten die later het geweld monopoliseerden). Maar naast deze puur 'politieke' manier om de strijd te beslechten, vonden de mensen weldra een veel vruchtbaarder methode uit, zodra ze de ruil binnen het kader van de geslachtelijke arbeidsdeling binnen het huwelijk (en dus de stam) veralgemeenden tot ruil met derden door maatschappelijke arbeidsdeling met bijbehorende productie voor de markt. Want op de markt wordt de concurrentiestrijd in eerste instantie beslecht door verleiden door betere en/of goedkopere producten, of door zo mogelijk een monopoliepositie in te nemen - met puur economische middelen dus. In tweede instantie kunnen economische concurrenten elkaar natuurlijk altijd nog uitschakelen met niet-economische, politieke middelen. Dat kan doordat de privéspelers hun toevlucht nemen tot geweld: blokkeren van de vrije economische concurrentie door puur fysiek uitschakelen van de concurrent of vernietigen van zijn producten, door hem de toegang tot grondstoffen of werkplaatsen of de markt te ontzeggen, door prijsafspraken te maken, door te proberen het aantal concurrenten te beperken door het invoeren van discirminerende criteria zoals verwantschap, nationaliteit, geslacht, leeftijd, diploma's, godsdienst, taal, politieke kleur, enz. Vooral dat laatste is het meest efficiënt als men de staat kan inschakelen om wetten op te leggen waarvan de toepassing kan worden afgedwongen: de staat beschikt immers over het geweldmonopolie, terwijl de spelers op de markt zich juist tot economische concurrentie moeten beperken omdat ze slechts in beperkte mate toegang hebben tot dat geweld of daaraan hebben verzaakt. Zo'n alliantie met het geweld van de staat is bijzonder lucratief als het leger kan worden ingezet om concurrenten in het buitenland uit te schakelen en/of de eigen belangen aldaar veilig te stellen. Daar staat tegenover dat de staat ook kan worden ingeroepen om te verhinderen dat andere dan puur economische criteria in de concurrentiestrijd worden ingezet. Daaruit volgt dat er minstens twee soorten tegenspelers van de vrije markt zijn: de spelers zelf die hun toevlucht nemen tot andere dan puur economisch middelen (puur verleiden van de consument), én de staat die de privéspelers daarin kan steunen of tegenwerken, precies omdat hij beschikt over het geweldmonopolie.

Daarnaast er is nog een tweede manier waarop de staat tot tegenspeler van de markt wordt: vanuit de veronderstelling dat 'de gemeenschap' beter dan de burgers weet wat moet worden geproduceerd en geconsumeerd. Dat is de grondgedachte van Marx, maar ook de gedachte die ten grondslag ligt aan alle 'verstaatsingen': van de ziekteverzekering, de sociale zekerheid, het onderwijs, het mecenaat, de pers, de omroepen, het openbaar vervoer en luchtverkeer, het kunstleven, en ga zo maar door. Hier probeert de staat (althans op zijn territorium) eigenmachtig en op zijn eentje te bepalen wat er wordt geproduceerd en geconsumeerd en door wie. Hij schakelt daarbij elke concurrentie met andere producenten uit, en zet de keuzes buiten spel van andere spelers dan degene die zich meester wisten te maken van de organen van de staat. De staat kan zich daarbij beperken tot puur legale middelen (verbod om iets te produceren of te kopen - denk aan de 'Westerse decadente kunst' in de communistische staten); hij kan overgaan tot subsidiëren van producenten of kopers waarvan hij vindt dat ze de goede keuzes maken; of hij kan, ten slotte, zelf de productie organiseren en zodoende tot monopolistische producent worden. Bij subsidiëren onttrekt hij middelen aan de markt om de markt te ontregelen, en bij zelf organiseren kan hij zo nodig middelen aan de markt onttrekken om zijn inefficiëntie of zijn non-profitinstelling te compenseren. Hier wordt de staat niet alleen tot tegenspeler, maar ook in toenemende mate tot usurpator van de economische activiteit op markt.

Ten slotte is het denkbaar dat er taken zijn die beter niet aan de vrije markt worden overgelaten, maar bij voorkeur worden toevertrouwd aan instellingen zoals de staat - al was het alleen maar het al vermelde uitoefenen van geweld, het klassieke uitgeven van munten, onderwijs, of, wat dichter bij huis, het bewaren van territoriumgebonden erfgoed. En, al is dat niet het onderwerp van een boek over 'Buy buy art', ik vermoed dat ik nogal wat opgaven zou kunnen opsommen die daarvoor in aanmerking komen, al gaan er ook hier stemmen op om de staat ook op deze terreinen verder te ontmantelen - denk slechts aan anarchokapitalisten, of aan de reëel bestaande ontmantelaars van traditionele staatsfuncties zoals de producenten van bitcoins. Dat belet niet dat tot de taken die beter door een staat worden uitgeoefend geenszins het organiseren van de kunstproductie behoort (zie Ad 2). Het is dus geenszins zo dat ik principieel voor de markt en tegen de staat ben, en het zou, omgekeerd, niet zo mogen zijn dat men principieel tegen de vrije markt is, omdat men tegen het kapitalisme is.

En zoals er taken denkbaar zijn die beter door de staat worden verricht, zo zijn er ook verstoringen van de markt die beter aan individuen worden overgelaten - van mecenassen die kunstenaars van de plicht ontslaan om verkoopbare kunstwerken te maken, tot non-profitorganisaties die goederen of diensten produceren op terreinen waar de markt het laat afweten. We gaven inzake mecenaat in onze tekst uitvoerig aan waarom privé-initatieven hier superieur zijn interventies van de staat. Vermelden we in dat verband iets waar we in onze bespreking al te vluchtig over heen zijn gegaan; dat er, bij uitstek onder kunstenaars, ook producenten zijn die produceren zonder aan verkoop te denken - puur omwille van de gebruikswaarde, ofwel omdat ze onverkoopbare producten maken, ofwel omdat ze verkopen te min vinden (aristocraten), ofwel omdat ze gewoonweg niet weten hoe zich op de markt te verkopen. Ze voorzien dan in hun levensonderhoud door een gewone job uit te oefenen (Vivian Meier, Franz Kafka), door naast hun 'onverkoopbare' productie ook 'commerciële' producten te maken (Kurt Schwitters), of door gewoonweg op een erfenis te teren (Giacinto Scelsi). Net zo min als tegen een privémecenas kan iemand daar bezwaar tegen hebben: als de persoon in kwestie zich vergist over het belang van zijn werk, dan is dat jammer voor hem. Vergist hij zich niet, dan kan zijn werk achteraf ten gelde worden gemaakt door iemand die meer oog voor verkopen heeft, of door mecenaat aan de openbaarheid worden geschonken.

De vrije markt heeft dus naast de staat ook vele andere soorten spelers als tegenpool. Afhankelijk van wat je ermee bedoelt, zal het overigens niet moeilijk zijn om ook de 'civil society' in (of buiten) het bovenstaande te situeren. In plaats van over de 'vrije markt' zouden we het dus inderdaad over de 'reëel existerende markt' moeten hebben, al geldt natuurlijk dat, behalve in contexten waar de vrijheid van de markt als zodanig ter discussie staat, met 'vrije markt' de 'reëel existerende markt' wordt bedoeld.

IIk mag hopen dat het bovenstaande niet alleen mijn nogal ruwe tegenstelling staat-markt verfijnt, maar dat het ook een antwoord is op je beschouwingen over Hayek en Friedman in 'Markt en Staat', 'Economie is ruimer dan markt', en 'Een 19e eeuwse opvatting over herverdeling'. Ook zal duidelijk zijn dat we het er dus over eens zijn dat economie meer is dan markt.

Vergeet wel niet op te merken dat beweren dat de reëel existerende markt een grote diversiteit en grote kwaliteit voortbrengt niet inhoudt dat alleen de vrije markt dat doet: denk slechts aan de in mijn tekst vermelde mecenassen die kunstenaars steunen - alleen omwille van het prestige en niet omwille van de belastingvoordelen zoals de kruideniers van brouwer Sven Gatz die zich voordoen als mecenassen - en, last but not least - de kunstenaars die zelf hun kunstwerken 'aan de mensheid' schonken (op eigen kosten of op kosten van hun voorouders), ook al gaan anderen achteraf met de centen lopen.

(Ad 1: dat de markt diversiteit voortbrengt)

IIn mijn paragraaf 'Vermarkting en laagbijdegrondse eenheidsworst' geef ik uitvoerig tal van voorbeelden waruit blijkt dat de markt - waarmee in de tekst duidelijk de 'reëel existerende markt' wordt bedoeld vermits die nog nooit vrij is geweest - een ongekende diversiteit voortbrengt, van de meest gore pornografie tot de oververfijnde kunst van Proust. Toch blijf je bij je stelling dat de markt eenheidsworst en laagbijdegrondsheid voortbrengt. Je begint je repliek immers met '"Buy Buy Art is net de oproep voor een bescherming van de diversiteit van de kunst, want die staat door de vermarkting onder druk." Afgezien van je verwijzing naar een 'commerciële hoogmis als 10.000 luchtballonnen' - , naar K3 dus, die je overigens niet moet vergelijken met Pierre Boulez of Luigi Nono, maar met liedjes voor lagere schoolkindern uit betovergrootmoeders tijd - vind ik daar noch in je boek, noch in je repliek argumenten voor. Ook al probeer je een nieuwe omschrijving van vermarkting als 'ruilwaarde' die het overneemt van 'gebruikswaarde', dat zet alleen maar des te scherper in het daglicht dat die ruilwaarde een hele brede waaier van gebruikswaarde heeft ontplooid: de beschreven opkomst van 'wals, flamenco, tango en fado, het Franse chanson, Jazz, rock en pop’ is wel degelijk tot stand gekomen door muzikanten die hun diensten aanboden in danszalen, cafés, bars en bordelen, evenals in concertzalen en in de opnamestudios van platenfirmas en radiostations - nog wat anders dan de 'middeleeuwse idylle van de wekelijkse groentenmarkt', die volgens jou mijn voorstelling van de markt zou belichamen. Geen spoor van staat te bekennen hier, en zo ja, dan alleen maar als censor. Overigens beweerde ik geenszins dat er een monocultuur van religieuze kunst bestond voor het opkomen van de markt, en nog minder dat de religieuze - en feodale kunst die je vergeet - staatskunst zouden zijn geweest. Ik vermeld ze in het overzicht van de ontwikkeling van de kunst op de markt, en beschrijf in de paragraaf over staatskunst hoe die van veel latere datum is.

(Ad 2: dat de staat diversiteit inperkt)

Omgekeerd stel je boudweg dat de staat een innovator is, zonder daar ook maar - steeds inzake kunst - één voorbeeld van te geven, louter op grond van het argument dat de staat een grote speler is in de economie. Kun je me één voorbeeld geven - liefst inzake kunst - waar de staat als vernieuwer is opgetreden (wat nog iets anders is dan vernieuwingen voor zijn kar spannen zoals de CIA)? Ongetwijfeld kon de staat op niet-artistieke terreinen tot voor kort op allerlei terreinen omvangrijke middelen mobiliseren waar we tanks, straalmotoren, raketten en ruimtevaart aan hebben te danken, maar ook hier steekt de privé de staat voorbij omdat ze heden ten dage middelen kan mobiliseren waar zelfs de machtigste staten alleen maar van kunnen dromen.

Het is waar dat ik overdrijf als ik het heb over je 'Siberische stilte' inzake de nefaste kunstpolitiek van communistische staten: er staan inderdaad een dozijn regels daarover in je boek, maar die spreken - net zoals je gebruik van terminologie zoals 'klassenstaat' - boekdelen over de gebrekkige manier waarop je dat verleden hebt verwerkt: boodsdoeners zijn blijkbaar alleen een sprong van 'feodaal boerenmaatschappij naar een moderne sociale samenleving (sic!)' en die 'vijandige omgeving'. Overigens gebruik je het communistisch spookbeeld zelf om niet te moeten ingaan op de 'dictatuur' van het modernisme (of beter de dolgedraaide utopisch-socialistische ideologie die leidt tot de al vermelde 'permanente plaatsvervangende revolutie' in de kunst) in de democratische staten van het Vrije Westen na de Tweede Wereldoorlog, en op het groeiende protest daartegen dat je afdoet als agitatie van volksmenners als Reagen, Wilders, en Bart De Wever.

Waar je daarentegen wel Siberisch stil over blijft, is omtrent wat, anders dan de staat, die 'overheid' zou moeten zijn 'die we moeten heroveren'. Veeleer dan je weg te zetten in de hoek van Stalin, vraag ik je op het einde van mijn tekst welke overheid je wil heroveren. In je boek heb je het overigens alleen over de verworvenheden die we in de (Belgische) staat hebben opgebouwd, en over de aantasting van die verworvenheden van de staat door  Sven Gatz - die bij Chantal Pattyn (!) een snelcursus (!) klassieke muziek moest gaan volgen. Mijn vraag is dus: als het niet de staat is, wat is de 'up' in jouw 'bottom-up' overheid? En vooral: zie je die overheid ook regulerend of usurperend optreden ten opzichte van de reëel existerende (kunst)markt?

Los daarvan lijkt het voor jou buiten kijf te staan dat die overheid, wat ze ook moge zijn, socialistisch zal zijn. Mag ik je vragen wat dat is 'socialistisch'? Dat de mensheid bij monde van een nader te omschrijven overheid zelf bepaalt wat door wie zal worden geproduceerd en geconsumeerd? Dat mensen om een of andere mysterieuze reden plots één grote gemeenschap van broeders zouden zijn geworden, en ermee zouden ophouden om binnen hun economische samenwerking hun eigenbelang na te streven en daar de nodige coalities voor te vormen op allerlei (ecconomische zowel als politieke) niveaus? Dat de mensen er om één of andere mysterieuze reden plots mee zouden ophouden de 'primaire herverdeling' - de uitbuiting door het kapitalisme - door te voeren, zodat de tweede niet meer nodig zou zijn? Of is socialisme gewoon maar wat je zelf het 'communistisch fantasma van vrije en gelijke mensen onder elkaar' noemt, waar Hayeks en Friedmans utopieën op zijn gebaseerd? En, als je erin zou slagen om het begrip socialisme te omschrijven, ben je er wel zo zeker van dat de mensheid - denk slechts aan IS of de 'Ware Finnen' - voor jouw ideaal zou kiezen?br />
(Ad 3: dat ook privémecenaat inperkt, maar op telkens andere domeinen, zodat een bredere waaier overeind blijft)

Je vraagt me wat mijn mening is over de wantoestanden die je aanklaagt in hoofdstuk 5 en 6 van je boek. In mijn tekst gaf ik nochtans duidelijk aan dat je gelijk hebt inzake die nefaste vermenging van privémecenaat en staat - de formule Gatz waar ik vierkant tegenstander van ben. Maar je gaat niet in op mijn voorstel omdat dat schandaal aan te pakken door te pleiten, niet voor het toekennen van het alleenrecht op willekeur aan de staat, maar voor een verdere 'vermarkting' in de zin van een echte privatisering: 'voor een herwaarderen van de 'schenkende deugd' - van het feodaal-burgerlijke mecenaat tot het volkse 'trakteren', evenals voor een afbouw (of herdenken, zie Sloterdijk) van de fiscale voordelen, het sluiten van alle musea voor eigentijdse kunst, en een radicaal verbod op tentoonstellen van hedendaagse kunst in musea voor oude kunst - formule 'Fabre in dialoog met de oude meesters in het Louvre'' (om mezelf even te citeren). Ik zou daar aan toe willen voegen dat je onder de kwalen van de subsidiëring vergeet te vermelden dat er zich een heel parisitair volkje van museumdirecteuren, curatoren, en comissieleden heeft ontwikkeld dat zich vorstelijk laat betalen, terwijl de kunstenaars er vaak maar voor spek en bonen bijlopen. En je bent wel erg onheus als je het privémecenaat afdoet als het 'romantische beeld van de middeleeuwse mecenas die overloopt van de goede bedoelingen'. Om te beginnen waren de bedoelingen van kanselier Rolin helemaal niet koosjer, vervolgens doe je alle respectabele mecenassen uit de twintigste eeuw die ik in mijn tekst vermeldde af met de verwijzing naar banausen zoals Fernand Huts, en ten slotte ben je alweer Siberisch stil over wel erg exemplarische vormen van hedendaags privémecenaat zoals dat van het Google Cultural Insitute en zijn toch wel erg prijzenswaardige Art Project.

(Ad 4: dat de markt ook de noodzaak om te subsideren opheft)

Evenzeer Siberisch stil blijf je over de paragraaf waarin ik aantoon dat de markt ook de noodzaak om te subsidiëren tendentieel opheft. Die ontwikkeling blijkt je volledig te ontgaan.

(Ad 5: dat het niet opgaat om kunst uitsluitend te beoordelen op haar politieke strekking, laat staan haar te herleiden tot politieke actie)

Je ontkent dat kunst je alleen interesseert in zoverre ze politiek is. Ik wil grif aannemen dat zoiets niet het geval is. Niettemin wijzen alle voorbeelden uit je boek in die richting, en in je repliek bevestig je mijn stelling, niet alleen doordat je het nauwelijks over kunst hebt, maar vooral door te herhalen dat een politiek activist zoals Jonas Staal een kunstenaar is. Je blijkt daarbij onderworpen aan de hegemonie van de utopisch-socialistische ideologie van de 'permanente plaatsvervangende revolutie', en ontneemt mij het recht om 'als kunsstcriticus' 'vanaf de zijlijn te bepalen wat wel en geen kunst is'.'. Graag zou ik vernemen waarom een politiek congres van Jonas Staal kunst is. Als niet alleen de politiek, maar ook de kunst je dierbaar is, moet je toch minstens weten wat kunst van politiek onderscheidt?

(Ad 6: dat een begrip van de wereld in economische termen eenzijdig is, en dat het, als men dat al doet, onterecht is om van 'het kapitalisme' alleen maar de kwalen in het daglicht te stellen en niet de onmiskenbare prestaties)

Het rampenscenario dat je van 'het kapitalisme' schildert in het laatste deel van je tekst - wellicht in een poging om het succes van de vrije markt inzake de kunst te doen vergeten - moet in niets onderdoen voor het rampenscenario over het socialisme die we bij liberale, anarchistische, conservatieve, of religieuze auteurs lezen - of dat je bij mij zou kunnen lezen mocht ik gaan cherry-picken in de realisaties van jouw 'kleine verzet'. Demagogie is voor zover ik weet nog iets anders dan een serene benadering van de feiten. Bovendien zal het je niet ontgaan dat alle kwalen die je beschrijft zich situeren in hetzelfde gebied als waar de 'publiek-private samenwerking' opereert: daar waar privéspelers zoals in (0) beschreven misbruik maken van de staat - en het zal je evenmin zijn ontgaan dat neoliberalen (althans in de theorie) zo'n vermenging niet lusten. Ten slotte is het een sofisme van jewelste om de weldaden van het kapitalisme - denk slechts aan de laptop waarop je je beschouwingen schrijft of het internet waarop je ze kunt slijten - geen verdiensten zouden zijn van het kapitalisme, maar van ... wetenschap en techniek.

(Ad 7: dat het om deze beide redenen onterecht is om zowel de kunst uit de klauwen van het kapitalisme te willen redden, als haar te willen inschakelen in de strijd tegen het kapitalisme) r />
Hier heb ik niets aan toe te voegen.

(Ad 8: dat je geen duidelijk alternatief aanbiedt voor de kwalen die je toeschrijft aan'het kapitalisme')

Hier wacht ik op antwoord op mijn boven gestelde vragen: 'Over welke overheid heb je het', en 'Wat is dat socialisme dat de hele mensheid zal omarmen?'

(Ad 9: dat je blind blijft voor de nefaste invloed op de kunst van een dolgedraaide socialistisch utopisme, die de kunst tot schouwtoneel maakte van wat ik de 'plaatsvervangde permanente revolutie heb genoemd')

Hier kan ik alleen maar herhalen dat het maar de vraag of kunst wel moet gered. Buiten de eerder onbelangrijke sector waar velen zich blind op staren is ze levendiger en diverser dan ooit, en binnen die sector zijn de échte problemen onder meer toe te schrijven aan de hegemonie van een dolgedraaid utpisch-socialistische utopie, die de kunst tot schouwtoneel wil maken van wat ik de 'plaatsvervangde permanente revolutie' heb genoemd - getuige precies het fenomeen Jonas Staal.

Overigens wil ik Jonas Staal niet beletten zijn ding te doen, zoals je schrijft. Net zo min als ik wil dat graaiers als mecenassen poseren, wil ik dat politiekers als kunstenaar poseren om subsidies te kunnen opstrijken die niet hen, maar kunstenaars toekomen, en die ze in geen geval zouden krijgen van degenen die ze beweren te vertegenwoordigen.

Ik hoop dat je hebt gemerkt dat we heel wat bekommernissen delen, en dat we alleen verschillen in de analyse ervan. Het moet toch mogelijk zijn om op te schieten wat dat laatste betreft?

Stefan Beyst, 21 januari 2016.

 



ANTWOORD VAN ROBRECHT VANDERBEEKEN OP MIJN FACEBOEKTIJDLIJN (21 JANUARI 2016)

Met alle sympathie, Stefan, maar we geraken steeds verder weg van de discussie van mijn boek. Hierbij alvast per stelling een repliekje, de eerste vier zijn fout, de andere naast de kwestie…

1_ dat de markt diversiteit voortbrengt
Er zijn voldoende studies die convergerende (afvlakkende) effecten van de markt aantonen. Kijk naar de auto-industrie. Bovendien heb je de neiging heel veel effecten toe te schrijven aan de markt als oorzaak, ten onrechte.

2_dat de staat die inperkt
Dat is een veel te algemene stelling. Natuurlijk zijn er voorbeelden van een beklemmende en sturende staat, maar dat hoeft niet structureel zo te zijn. Een democratisch beleid kan perfect inzetten op diversiteit en vrijheid. Het cultuurbeleid van de vorige decennia toont dat ook, afgezien van alle kritiek die je er op kan geven.

3_ dat ook privémecenaat inperkt, maar op telkens andere domeinen, zodat een bredere waaier overeind blijft
Deze ‘flexibiliteit’ voorkomt de problemen niet per domein, mecenassen waarschuwen er zelf voor, zoals ik in mijn boek besprak.

4_dat de markt ook de noodzaak om te subsidiëren opheft
Zonder steun geen theater, dans, muziek met grote ensembles. Tenzij je die als koopwaar wil doen renderen, en dan maak je een heel grote selectie van wat rendabel is, voor een beperkte groep bemiddelden.

5_ dat het niet opgaat om kunst uitsluitend te beoordelen op haar politieke strekking, laat staan haar te herleiden tot politieke actie.
Je moet kunst inderdaad niet ‘uitsluitend’ beoordelen in politiek opzicht, zoals je ook openheid mag hebben voor de ideologische kant. Kunst herleiden is nooit ok.

6_dat een begrip van de wereld in economische termen eenzijdig is, en dat het, als men dat al doet, onterecht is om van 'het kapitalisme' alleen maar de kwalen in het daglicht te stellen en niet de onmiskenbare prestaties.
Die kwalen zijn er nu eenmaal, en ze zijn nefast. Wat jij de prestaties noemt, is tegensprekelijk. Ook Marx had veel bewondering voor de ontwikkelingskracht van het kapitalisme trouwens, hoe het er bijvoorbeeld in geslaagd is het ancien regime omver te halen. Maar het blijft wel een zelfdestructief systeem.

7_dat het om deze beide redenen onterecht is om zowel de kunst uit de klauwen van het kapitalisme te willen redden, als haar te willen inschakelen in de strijd tegen het kapitalisme
Het gaat er niet om de kunst uit de klauwen van het kapitalisme te redden, maar wel het nefaste effect van de vermarkting enerzijds, en bredere context van de verbeeldingscrisis anderzijds, kritisch te analyseren. Kunst moet vrij kunnen zijn, dat wil zeggen dat we ze ook niet het recht mogen ontzeggen om politiek te zijn.

8_dat je geen duidelijk alternatief aanbiedt voor de kwalen die je toeschrijft aan 'het kapitalisme' en 'het neoliberalisme'
Ik beperk mij tot een aantal stellingen voor een progressieve cultuurpolitiek, dat klopt. Ik denk dat ik in het laatste hoofdstuk al heel veel zeg. Ik heb inderdaad geen uitwerkt plan klaar voor ‘het alternatief’. Ik zie de cultuurstrijd o.a. als een zoektocht om daar samen aan te werken, verbeelding is daarbij cruciaal.

9_ dat je blind blijft voor de nefaste invloed op de kunst van een dolgedraaide socialistisch-utopische ideologie, die de kunst tot schouwonteel maakte van wat ik de 'plaatsvervangende permanente revolutie' heb genoemd.
Ik waarschuw zelf voor een ‘galopperende avant-garde’, dus hier voel ik me niet aangesproken. Maar ik begrijp heus wel waar je voor wil waarschuwen en dat je in mijn verhaal een ‘hellend vlak’ ontwaart begrijp ik ook wel. Maar we moeten vooruit, daar is moed voor nodig, en moed is besmettelijk, dat wisten ze bij wikileaks al je krijgt wel wind tegen natuurlijk...
Like · Reply · 2 · 13 hrs · Edited

Nog een reeks commentaren…

“je blijf het thema kunst ontwijken door almaar over te schakelen naar het brede domein van de cultuur, en vandaar naar de maatschappij in haar geheel.”
Ik probeer uit te leggen waarom je als kunstkenner inzake denkwerk over economie met betwistbare vooronderstellingen zit.

“Typisch is je verwijzing naar Adam Smith die voorstander is van staatsonderwijs, terwijl we het zouden moeten hebben over subsidiëren van kunst.” Smith is voorstander van steun voor culturele emancipatie.

“Ook blijf je volharden in het 'metaforisch' gebruik van de term 'kapitalisme': 'symbolisch kapitaal' is inderdaad alleen maar symbolisch 'kapitaal'.” In de markt gaat het om branding, de symbolische waarde. Een frisdrank wil de connotatie met ‘avontuur’, roomijs met seks… zo werkt de markt nu eenmaal.

Ruil is niet hetzelfde als ‘markt.’

“Omgekeerd stel je boudweg dat de staat een innovator is, zonder daar ook maar - steeds inzake kunst - één voorbeeld van te geven, louter op grond van het argument dat de staat een grote speler is in de economie.” Ik verwees naar het boek de ‘Ondernemende staat’. Inzake kunst: zonder de staatssteun van de voorbije decennia (via dop, docentschap, musea, subsidies…) zouden vele hedendaagse kunstenaars en collectieven simpelweg niet bestaan.

“vervolgens doe je alle respectabele mecenassen uit de twintigste eeuw die ik in mijn tekst vermeldde af met de verwijzing naar banausen zoals Fernand Huts”
Huts respectabel? Ik raad je aan ‘dokter in overall’ te lezen, dan merk je op wat voor een schandalige manier deze meneer rijk werd. Wat koopt hij er mee? Werk van een Cubaanse kunstenaar in Florida, die mijmert over zijn terugkeer… etc. Duidelijk een ideologische keuze. Wat zegt zijn madam, ‘we willen zo iets terug doen voor de maatschappij’. In welke zin? Dat we eens naar de schatkamer van deze piraat mogen komen kijken?
.
Ik beweer niet dat er geen goeie mecenassen zijn – ik verwijs naar Daled bijvoorbeeld – maar wil de illusie doorprikken dat we op basis van die uitzonderingen een degelijk modern cultuurbeleid kunnen voeren.

‘ontneemt mij het recht om 'als kunsstcriticus' 'vanaf de zijlijn te bepalen wat wel en geen kunst is'. Graag zou ik vernemen waarom een politiek congres van Jonas Staal kunst is.’ Mijn punt: je kan het slecht/oninteressant/onrechtvaardig/etc. vinden maar stellen dat het GEEN kunst is, vind ik te veel politieman willen spelen. Inzake Staal: er is een wereld van verschil tussen bijvoorbeeld een betoging van de vakbonden en de opzet van de New World summit.

“Ten slotte is het een sofisme van jewelste om de weldaden van het kapitalisme - denk slechts aan de laptop waarop je je beschouwingen schrijft of het internet waarop je ze kunt slijten - geen verdiensten zouden zijn van het kapitalisme, maar van ... wetenschap en techniek.” Mijn laptop een weldaad van het kapitalisme? Lees dan de Ondernemende staat. Apple heeft zijn hele bestaan te danken aan de overheid.

“Overigens wil ik Jonas Staal niet beletten zijn ding te doen, zoals je schrijft. Ik wil alleen niet dat hij als kunstenaar poseert om subsidies te kunnen opstrijken die niet hem, maar kunstenaars toekomen, en die hij wel niet zou krijgen van degenen die hij beweert te vertegenwoordigen.” Dat komt de facto neer op hem beletten zijn werk te maken…


ANTWOORD VAN STEFAN BEYST

Zou het dan toch waar zijn dat internet het concentratievermogen aantast? Het duidelijkst bij je reactie op Huts.


 facebook fbvolg    twitter
 
ontdek
mijn nieuwe e-boek:


zelfomslag


het zelfbeeld
tussen spiegel en dagboek