het beeld: mimesis herbekeken
deel I, hoofdstuk 8

de ontologische status van het beeld



INLEIDING

Nu we onderscheid hebben gemaakt tussen mediumdrager, onmiddellijk en middellijk mimetisch medium, verschijning en origineel, zijn we goed gewapend om het probleem aan te pakken van de ontologische status van het beeld - in strikte zin: als verschijning zonder origineel.

De vraag is immers of het wel opgaat om het beeld als verschijning zomaar als het 'onwerkelijke' tegenover het werkelijke te stellen.


HET WERKELIJKE AAN HET BEELD

Uit het voorgaande blijkt immers dat bij alle vormen van onmiddellijke mimesis het beeld als verschijning wel degelijk werkelijk is: het oppervlak van een driedimensionaal visueel beeld, de kleur- en toonverdeling van een tweedimensionaal visueel beeld, het geluid van een auditief beeld, het tastbare oppervlak bij een tactiel beeld, de geur bij een olfactief beeld zijn wel degelijk werkelijk. Voorstellingen zijn niet werkelijk, maar bij middellijke mimesis en mediumloze mimesis kan het beeld niet zonder een werkelijk voorstellend subject, en bij middellijke mimesis niet zonder voorstellingopwekkende tekens.

Niettemin ervaren we wat werkelijk is aan het beeld als 'beeld', als 'onwerkelijk', en wel om een dubbele reden.

In de eerste plaats is de reŽle verschijning bij suggestieve beelden wel de verschijning van een mimetisch medium, maar niet die van een origineel. Dat is het duidelijkst bij tweedimensionale beelden, die zich eerst aandienen als beschilderd of bedrukt oppervlak, en pas tot verschijning van een origineel worden als de derde dimensie en andere suggestieve elementen zoals arceringen worden ingevuld. Gemeten aan het mimetisch medium lijkt de verschijning die eruit opdoemt dan niet 'echt'.

In de tweede plaats is de reŽle verschijning ook bij niet-suggestieve beelden slechts een zintuiglijke gereduceerde verschijning van het origineel. Vooral daarom ervaren we het beeld als verschijning niet 'echt': Narcissus is niet aanraakbaar, en daarom slechts een beeld.

Wel is waar dat, gemeten aan het werkelijkheidsgehalte van het origineel, het werkelijkheidsgehalte van het beeld als verschijning variabel is. MultisensoriŽle beelden hebben meer dimensies met het origineel gemeen dan unsensioreŽle, en waarneembare beelden hebben Łberhaupt meer dimensies gemeen met het origineel dan puur voorgestelde.

Evenzeer waar is dat een intrazintuiglijk suggestief beeld, gemeten aan het werkelijkheidsgehalte van de verschijning van het origineel, minder werkelijk is dan een niet-suggestief beeld: de derde dimensie of continue schaduw zijn alleen maar voorgesteld.


WEERSTANDEN TEGEN DE VOORSTELLING DAT HET BEELD ALS VERSCHIJNING WERKELIJK IS

We weten intussen dat de neiging onuitroeibaar is om het beeld te denken in termen van het tweedimensionale beeld. In dat tweedimensionale beeld is de derde dimensie slechts gesuggereerd: ze is er niet echt. Het ligt dan voor de hand om van het beeld als zodanig te denken dat het niet echt is, wat des te meer voor de hand lijkt te liggen omdat er ook voorstellingen zijn die al helemaal niet echt zijn. Daarbij wordt verdonkeremaand dat bij onmiddellijke mimesis de waarneming van de derde dimensie onverbrekelijk is verbonden met de werkelijke onderdelen van de verschijning, en daarmee dat er sprake is van een scala tussen de volledig waarneembare verschijning bij een niet-intrasuggestief beeld en volledige onwaarneembaarheid bij de voorstelling - van wat we zintuiglijke reductie noemden: het ontbreken van minstens ťťn tot alle zintuiglijke dimensies van het origineel - wat in houdt dat alle andere dimensies werkelijk aanwezig zijn.

Wie het beeld vereenzelvigt met de onwaarneembare voorstelling, komt licht in de verleiding om het waarneembare beelden ervan te vereenzelvigen met de mediumdrager (de 'Bildtršger' van Husserl) en daarmee het variabele werkelijkheidsgehalte van het beeld onder de mat te vegen. De verleiding is al groot bij opvoeringen van mimetische muziek, omdat de geluiden die daar te horen zijn worden geproduceerd door muzikanten die evident niet de wezens zijn wier verschijning we in de muziek horen - al kan ze gewoon gepareerd door de ogen te sluiten zodat we alleen de klank horen en niet langer de mediumdragers zien. Bij driedimensionale visuele verschijningen is het onmogelijk om de mediumdrager aan de waarneming te onttrekken - het is onmogelijk om de visuele verschijning te zien zonder de bijbehorende mediumdrager (het marmer dat geen vlees is). De verleiding is dan groot om te stellen dat het de mediumdrager is die werkelijk is aan het beeld, en niet de visuele verschijning van de David van Michelangelo. Bij tweedimensionale visuele beelden is de derde dimensie slechts gesuggereerd, zodat de Mona Lisa zich niet kan bevinden in een ruimte achter het kader. De verleiding is dan onweerstaanbaar om hier, zoals bij het marmeren beeld, te beweren dat alleen de mediumdrager aan de Mona Lisa werkelijk is, maar niet haar verschijning, laat staan het origineel (Boehm, Wiesing), al zijn wezenlijke aspecten van de visuele verschijning daar concreet aanwezig op het paneel; de kleuren hun distributie in de tweedimensionale ruimte.

Pas wie het werkelijkheidsgehalte van het (onmiddellijke) beeld als verschijning erkent, kan begrijpen dat beelden zich wel degelijk op concrete plaatsen bevinden in de ruimte. Het minst weerstand roept dit inzicht op bij oflactieve verschijningen: er is weinig twijfel aan dat de geur zich in de reŽle tijdruimte bevindt, ook als we de bijbehorende visuele verschijning - bv. de bloem waar de geur van uitgaat - niet waarnemen, gewoonweg omdat de geur zich ook de werkelijkheid vaak losmaakt van de visuele verschijning. Iets moeilijker ligt het met auditieve verschijningen. Als we een stem uit de radio horen, valt het ons niet moeilijk om aan te nemen dat de spreker zich op de plaats bevindt waar het reŽle geluid is te horen. Hier beginnen zich, zoals gezien, alleen problemen te stellen bij de uitvoering van mimetische muziek, zij het slechts als we de ogen niet sluiten. Maar bij de gedachte dat het niet alleen de mediumdrager is die zich in de Academia in Firenze bevindt, maar ook de visuele verschijning van de David van Michelangelo, verliezen velen de pedalen (Boehm, Wiesing). En dat geldt nog meer voor de gedachte dat het niet alleen een paneel is dat zich in het Louvre bevindt, maar ook de visuele verschijning van Mona Lisa: als het schilderij voor restauratie wordt verwijderd, is ze niet meer daar. (Wel kunnen we ons het schilderij voorstellen - pas die voorstelling is dan, zoals alle voorstellingen nergens).

Maar de weerstand is het grootst bij voorgestelde verschijningen: het volstaat om de ogen te openen - om tot waarnemen van die reŽle tijdruimte over te gaan - om te kunnen zeggen 'het was maar een nachtmerrie'. Maar al zijn mediumloze en middellijke voorstellingen nergens, toch blijven we erbij dat de farao zijn droom had in het paleis, en wel op het moment dat Jacob daar in de gevangenis zat. En dat komt omdat de droom wordt waargenomen door een werkelijk subject - al is dat in belangrijke mate van zijn lichaam geamputeerd, zoals we zullen zien in volgend hoofdstuk. In die zin bevindt de innerlijk verschijning zich voor zijn ogen, op dezelfde manier als ons bewustzijn zich 'binnen in ons' bevindt (tenzij bij 'uittredingservaring)'. Daarom kan de dromer er niet van worden overtuigd dat wat hij ervoer slechts een nachtmerrie was door zomaar om het even wat waar te nemen: als de dromer zich in zijn droom niet in zijn slaapkamer bevond, voltstaat de waarneming van de slaapkamer, maar als hij droomde dat er een inbreker in de slaapkamer was, volstaat alleen de waarneming dat de inbreker daar niet achter de deur loert. Hozeer zelfs voorstellingen zich in de werkelijkheid bevinden is bijzonder duidelijk bij de 'verschijningen' uit lichtgeloviger tijden: Maria is niet zomaar ergens verschenen op een onbepaald tijdstip, maar wel degelijk in Lourdes en in Fatima, in welbepaalde grotten (met name de plaats waar de hersenen als voorstellingsproducerende organen zich bevonden). Al is er hier dus geen mimetisch medium, het werkelijke subject is reŽel. Dat geldt nog meer voor de lectuur van een boek: al speelt het verhaal van Faustus zich in een imaginair Duitsland af, ik heb get gelezen in Toscane.

Het inzicht dat de verschijning van het origineel in het beeld zich bij onmiddellijke mimesis altijd op een welbepaalde plaats in de tijdruimte bevindt, wordt bijkomend bemoeilijkt als het een duplicaat is van een origineel dat op een andere plaats en in een andere tijd in de werkelijkheid waarneembaar was. Zo zijn we niet geneigd te geloven dat Julius Caesar aanwezig is in The Globe, omdat hij is gemaakt naar het model van iemand die zoveel eeuwen vroeger in Rome leefde - al is zijn verschijning op het toneel daar concreet aanwezig in het hier en nu.


CONCLUSIE

Al is het beeld onwerkelijk in de zin dat het niet 'het gehele ding' is, werkelijk eraan is bij voorgestelde beelden het subject dat zich voorstelt evenals de voorstellingopwekkende tekens, en bij waargenomen beelden de waargenomen verschijning.

 
 
ontdek
mijn nieuwe e-boek:


zelfomslag

het zelfbeeld
tussen spiegel en dagboek