het beeld: mimesis herbekeken
deel III: de classificatie van de mimetische media

hoofdstuk 11: hogere en lagere mimetische media



INLEIDING

Zoals al aangegeven in II, 9 komt het er in de discussie omtrent de 'hogere' en de 'lagere' kunsten op aan duidelijk onderscheid te maken tussen de 'hoge en lage' eigenschappen van de nagebootste originelen, die van de (waarneembare of voorgestelde) verschijningen, en die van de (onmiddellijke en middellijke) mimetische media.

In deel twee onderzochten we hoge en lage verschijningen in de werkelijkheid. We zagen dat verschijningen voor elk zintuig in principe toegang kunnen verschaffen tot alle zintuiglijke domeinen en de noumenale werkelijkheid, al gaat dat makkelijker bij waarnemingen of voorstellingen voor de hogere zintuigen dan bij die voor de lagere zintuigen. Nadat we hebben aangetoond dat er ook mimetische media zijn voor de lagere zintuigen, komt het er in dit derde deel op aan te onderzoeken of alle mimetische media evenwaardig zijn, dan wel of er een onderscheid moet gemaakt tussen hogere en lagere mimetische media. In het vierde deel onderzoeken we dan in hoeverre het beeld als autonome verschijning hoger of lager kan zijn naar gelang van in welk zintuig het verschijnt.


DIFFERENTIEEL VERMOGEN OM DE VERSCHIJNING ZELF TE PRODUCEREN

Bij lagere zintuigen is het de verschijning zelf die tot beeld wordt doordat ze wordt geÔsoleerd van het origineel - exemplarisch in de geur van de lavendel die wordt losgekoppeld van de lavendel. Vergelijkbare methodes worden ook gebruikt voor het dupliceren van verschijningen voor hogere zintuigen. Zo kan men kan de oorspronkelijke lichtstralen of luchtgolven doen weerkaatsen, zoals bij de spiegel of de echo. Anders ligt het al bij het maken van afgietsels of bij fotograferen, maar vooral bij tekenen, schilderen of boetseren: daar zijn het andere lichtstralen die eenzelfde verschijning produceren. Ook bij het dupliceren van mimiek, gebaren, en houdingen wordt een ander lichaam gebruikt om de visuele verschijning van het originele lichaam te dupliceren, en bij het dupliceren van monologen of dialogen andere stemmen. Ook bij het maken van opnames of van muzikale beelden zijn het luidsprekers of andere muziekinstrumenten die de auditieve verschijning van het origineel dupliceren. En bij het produceren van voorstellingen via voorstellingopwekkende tekens wordt evenzeer een nieuwe verschijning geschapen door degene die zich de beelden voorstelt.

De mimetische media voor hogere zintuigen zijn dus in de regel hoger in de zin van zelfgemaakt versus gevonden. Dat ze zelfgemaakt zijn, laat immers toe om de originelen die verschijnen niet langer aan de natuur te ontlenen zoals bij het spiegelbeeld of de echo: pas als de kunstenaar zelf het medium creŽert, komen de deuren voor voltooide mimesis wijd open te staan.


DIFFERENTIEEL VERMOGEN OM VERZADIGDE VERSCHIJNINGEN TE PRODUCEREN

Hoe meer een mimetisch medium beroep doet op (intrazintuiglijke, interzintuiglijke of amplificerende) suggestie, hoe groter de bijdrage van de waarnemer wordt, en hoe onnauwkeuriger de overdracht van wat de kunstenaar beoogde. Bij middellijke mimesis is het aandeel van degene die de voorstellingopwekkende tekens moet interpreteren het grootst, en wel des te meer naarmate er geen gebruik wordt gemaakt van verbale tekens.

Vanuit het standpunt van de intersubjectieve overdracht zijn niet-suggestieve media de hogere. Vanuit het standpunt van het mobiliseren van de eigen creativiteit van de toeschouwer daarentegen zijn de suggestieve de hogere.


DIFFERENTIEEL VERMOGEN TOT OPTELLEN IN EEN MEERVOUDIGE VERSCHIJNING

Onmiddellijke mimetische media voor lagere zintuigen zijn moeilijk op te tellen tot discrete samengestelde verschijningen.

Dat geldt in de eerste plaats voor tastindrukken. Net zoals stilstaande driedimensionale visuele mimetische media zijn die makkelijker neven te schikken in de ruimte dan na elkaar te presenteren in de tijd. Voor optelling van onveranderlijke enkelvoudige tastobjecten zouden we een traject moeten uitstippelen dat de volgorde van betasten vastlegt. Terwijl visuele optelling bliksemsnel gebeurt, neemt hier de duur van het aftasten toe naarmate de omvang groter wordt. Hier is dus optelling mogelijk, maar beperkt wat snelheid en nauwkeurigheid betreft. Gaat het om bewegende objecten, dan is er niet eens tijd genoeg om de volle omvang van de verandering af te tasten. Alleen bij een enkelvoudig beeld kan dus de nodige tijd worden uitgetrokken om een enigszins uitgebreid beeld volledig in zich op te nemen.

Ook geuren zijn moeilijk op te tellen, tenzij dan met geurmaskers of door het gebruik van lokale geuren met zeer beperkte reikwijdte die achtereenvolgens worden besnuffeld. In beide gevallen is het tempo van opvolgen veel trager dan bij visuele en auditieve media. Wat voor geuren geldt, geldt nog meer voor smaken - gesteld dat het mogelijk zou zijn om smaakbeelden te maken.

Visuele en auditieve mimetische media (en combinaties daarvan) kunnen daarentegen moeiteloos tot samengestelde beelden worden opgeteld, en zijn wat dat betreft dus de hogere mimetische media.


DIFFERENTIEEL VERMOGEN VAN VOORSTELLINGOPWEKKENDE TEKENS OM KETENS TE VORMEN

Woorden volgen elkaar moeiteloos op in een keten van voorstellingopwekkende tekens. Dat wordt heel wat moeilijker bij het gebruik van objecten en beelden als voorstellingopwekkende tekens. Omdat ze tegelijk ook letterlijk kunnen worden gelezen, en daardoor minder geschikt zijn als teken, is dat een belangrijke verklaring voor de voorkeur voor het gebruik van verbale voorstellingopwekkende tekens.We zullen in VII, 5 mogelijke redenen aanhalen voor de hernieuwde belangstelling daarvoor.




 
 
ontdek
mijn nieuwe e-boek:


zelfomslag

het zelfbeeld
tussen spiegel en dagboek