het beeld: mimesis herbekeken
deel III: de classificatie van de mimetische media

hoofdstuk 3: olfactieve onmiddellijke mimesis



ALGEMENE INLEIDING

Traditioneel houdt men alleen rekening met visuele en auditieve mimetische media. Voor zover men al oog heeft voor mimetische media voor andere zintuigen, rekent men ze meteen tot de 'lagere kunsten'. Op de gegrondheid van die waardering komen we terug in III, 11.

Nadat we er in hoofdstuk 1 moesten op wijzen dat er vele soorten visuele mimetische media zijn, en in hoofdstuk twee dat het begrip 'auditief beeld' veel ruimer is dan normaal wordt aangenomen, en grote, maar niet alle domeinen omvat van wat muziek wordt genoemd, komt het er hier op aan te onderzoeken of er Łberhaupt beelden bestaan voor de lagere zintuigen. Want de meeste voorbeelden die in de literatuur worden gegeven, behoren niet tot het domein van de beeld, maar tot dat van het design. Pas als blijkt dat er wel degelijk beelden zijn voor de lagere zintuigen, kunnen we overgaan tot de studie van de bijbehorende mimetische media.


INLEIDING

Anders dan de in volgend hoofdstuk te bespreken wereld van de tastzin, die wel wordt ontgonnen als tactiele design of als tactiel beeld, maar nauwelijks als een autonome wereld wordt ervaren, wordt geurproductie wel degelijk als een afzonderlijke tak van de menselijke productie ervaren, al gaat het hier niet om geurbeelden, maar om 'geurkunst' in de zin van 'geurdesign'. De reden is dat geur zoals gezien een eerder autonoom domein van de waarneming is, terwijl tastzin zozeer is verweven met het zien, dat het een hele kunst is om het als zintuiglijk domein sui generis te isoleren.


OLFACTIEVE BEELDEN

Om beeld te zijn, moet de geur uitgaan van een andere drager dan de oorspronkelijke en niettemin de indruk wekken dat hij wordt afgescheiden door de oorspronkelijke geurdrager - het origineel achter de geurende verschijning.

En dat is meteen de achillespees van het olfactieve beeld. Want, in zoverre de geur als geurwolk een object sui generis is, kan hij van niets anders uitgaan dan van zichzelf: hij vertoont dan wel mimetische gelijkenis, maar geen mimetisch verschil, en is dan gewoonweg geen beeld, want het ding zelf. In zoverre hij als de geur van een geurend object wordt ervaren, bevindt het geurend object zich niet noodzakelijk binnen waarnemingsbereik: er is een vaak verregaande dissociatie tussen verschijning en origineel. En dat schept een dubbel probleem. Om te weten of lavendelgeur van een lavendelveld uitgaat dan wel van een lavendolie, moet ik desnoods naar buiten kunnen gaan of achter de heuveltop gaan kijken, terwijl omgekeerd niet meteen opvalt dat het origineel is vervangen door een mediumdrager. Daar komt bij dat het verband tussen de geurwolk en de geurbron niet altijd ondubbelzinnig is: lavendel kan verwijzen naar de Provence, naar mijn grootmoeder die vaak lavendelgeuren gebruikt, of naar de zeep die naar lavendel ruikt. Het paradoxale daarbij is dat als we het flesje met lavendelolie zien dat de geur van de lavandelvelden wil dupliceren, we niet langer de geur van het lavendelveld ruiken, maar de geur van ... lavendelolie (zoals bij het plakje vaginageur van De Cupere uit smeltend mariabeeldje). Het is alsof we bij het zien van de Mona Lisa de indruk zouden krijgen dat het paneel lacht. Ten slotte is de band tussen geur en geurobject zelden gespecificeerd: rottende mensenlijken doen niet noodzakelijk aan Ausschwitz denken. Daarom worden monosensoriŽle olfactieve mimetische media gecombineerd met visuele mimetische media, die de ambiguÔteit wegnemen (visueel beeld van lavendel gecombineerd met lavendelgeur) of met een verbale 'titel' (zoals wanneer Sissel Tolaas de 'geur van de stad' oproept door de geur van asbakken en slaughterhouses te combineren).

Merken we wel op dat we het hier niet hebben over geur als voorstellingopwekkend teken (Madeleine van Proust). Het gaat dus wel degelijk over een geur die de indruk geeft alsof het lief dat hem afscheidt hier en nu aanwezig is, niet om het oproepen van de voorstelling van dat lief. Evenmin hebben we het hier over olfactieve design is: de hele parfumindustrie. Die maakt immers echte geuren, geen beelden ervan of van geurende objecten of ruimtes.


ALGEMENE INDELINGEN

Een indeling in tweedimensionaal of driedimensionaal lijkt hier op het eerste gezicht niet van toepassing. Wel is er een verschil tussen het vullen van een volledige ruimte met brandgeur en het toedienen van brandgeur via een geurmasker. In dat laatste geval ontstaat de indruk dat de hele ruimte met die geur is gevuld. In die zin zijn er dus tweedimensionale en driedimensionale mimetische geurmedia.

Ook een indeling in veranderlijk en onveranderlijk lijkt niet van toepassing omdat, zoals gezien, geuren zich in een homogene tijdruimte bevinden, waarin noch de tijd, noch de ruimte variŽren. Maar we hebben hier niet te maken met de waarneming van natuurlijke geuren, maar met mimetische media. Door meerdere lokale geuren aan te brengen (scent layering op het lichaam) of door gebruik van geurmaskers op de neus kan men echter relatief snelle opeenvolgingen van geuren produceren. Zeker in combinatie met het visuele beeld (scent layering op een visueel beeld van het lichaam) of met geluiden (geur en geluiden van koffiebar overgaand in geur en geluiden van vrouw) zou een veranderlijk olfactief beeld mogelijk zijn. Er zijn dus stilstaande en bewegende geurbeelden.


BIJZONDERE INDELINGEN

We kunnen een technische indeling maken naar drager: olie, zeep, verspreiding door ventilatie, geurmaskers

Geur heeft geen kleinste elementen: we kunnen niet simultaan meerdere geuren waarnemen, hoogstens als opeenvolging bij ventilatie in geurmasker na elkaar. Geur heeft geen parameters, en dus a fortiori geen neutraliseerbare parameters.


HISTORISCH

Isolatie van de oorspronkelijke geurbron is een conditio sine qua non om beeld te zijn. Van oudsher beschikken we wel over vele mogelijkheden om geuren op te slaan: in solventen zoals alcohol, ethanol, of neutraruikende oliŽn. Die dragers kunnen dan worden aangebracht op een vervangdrager (al is het maar een vinger, de kaartjes van De Cupere, of het dopje van het parfumflesje), of gewoon via de luchtstroom of in een geurmasker worden verspreid.

Het grote probleem bij het maken van olfactieve beelden is het scheppen van een mediumaal veld: geuren breiden zich uit zowel in de tijd als in de ruimte. Zonder bijkomende technische ingrepen moeten afzonderlijke mediumale velden van een 'smellscape' door muren worden gescheiden en dan achtereenvolgens betreden, ofwel moet de lucht in ťťnzelfde ruimte voortdurend worden vervangen. Een voor de hand liggend alternatief is lokale geuren met beperkte reikwijdte elkaar te laten opvolgen: achtereenvolgens ruiken aan objecten met een beperkte spreiding (zoals bij bladeren in een geurboek), of het laten voorbijschuiven van mediumdragers met geuren met beperkte reikwijdte. De spreidingstijd kan daarbij worden ingekort door inkapselen in dozen, of door het krabben van Sissel Tolaas gebruikt ďscratch & sniffĒ panels.

Bij geuren als verschijning van objecten komt het erop aan een ruimtelijk gelokaliseerde drager te leveren waar een geur van uitgaat: fetisjen zoals geurig ondergoed (al worden die visueel-tactiel ontkracht doordat er geen lichaam in zit).

Bij zowel geuren met beperkte reikwijdte, als dito objectgeuren is het denkbaar dat de intersubjectiviteit, die bij geuren die zich vrij in de ruimte kunnen verspreiden is gegarandeerd doordat vele ruikers in dezelfde ruimte aanwezig kunnen zijn, zou kunnen worden gerealiseerd door een soort partituur te schrijven voor wat wanneer en hoelang moet beroken worden, of door ze in vast volgorde per toeschouwer te presenteren - denk aan de genummerde kaarten om op te krabben en op te snuiven voor Polyester (1982) van John Waters.

Bij geuren als verschijning van zichzelf komt het er daarentegen op aan er de lucht mee te verzadigen. Men maakt meestal de fout in grote ruimte te werken voor een collectief benaderd publiek, zoals bij concert (Smell Opera van Stewart Matthew en fragrance designer Christophe Laudamiel).

Beide aspecten, maar vooral het laatste, bleven grandioos onderontwikkeld - niettegenstaande de talloze pogingen om 'geurkunst' te maken, die meestal niet meer zijn dan geurdesign. Terwijl de muziek langzamerhand haar soundscapes krijgt, blijven in de geurkunst de 'smellscapes' of de geurverhalen'' uit. Dat is te wijten aan het gebrek aan theoretisch inzicht. Typisch is hoe Neil Yule, European Sales Director, Flškt Woods Systems het inzake 'Scent Opera' heeft over 'a new art form based only on smell and sound'.


 
 
ontdek
mijn nieuwe e-boek:


zelfomslag

het zelfbeeld
tussen spiegel en dagboek