het beeld: mimesis herbekeken
deel III: de classificatie van de mimetische media

hoofdstuk 1: visuele onmiddellijke mimesis



INLEIDING

Van oudsher hét paradigma van visuele mimesis is het nabootsen van een origineel in een enkelvoudig, stilstaand en tweedimensionaal mimetisch medium: het schilderij, de tekening, de foto. Terwijl we van mimetische media voor andere zintuigen eerder zullen moeten aantonen dat (of in hoeverre) het mimetische media zijn, komt het er hier op aan erop te wijzen dat er naast het paradigmatische ook vele andere soorten visuele mimetische media zijn: onder meer ook bewegende en driedimensionale. Vele theorieën over het beeld zijn immers gesneden op maat van het enkelvoudige, stilstaande, tweedimensionale visuele mimetische medium, zodat ze het vaak al laten afweten als ze moeten toegepast op bewegende tweedimensionale mimetische media (film), en al helemaal op bewegende driediemensionale mimetische media (een pantomimespeler).


HET VISUELE MIMETISCHE MEDIUM

De mens kan visuele verschijningen dupliceren door het weerkaatsende of transparante oppervlak dat normaal bij het origineel hoort (onvoltooide mimesis) of zou horen (voltooide mimesis) te vervangen door een ander: pigment op een of andere mediumdrager (papier, glas, hout, ...).


CLASSIFICATIE NAAR TECHNIEKEN


In de praktijk is het handig de visuele mimetisch media in te delen naar gelang van (aspecten van) de manier waarop ze worden geproduceerd. We kunnen daarbij uitgaan van het materiaal (olieverf versus tempera of fresco, potlood, houtskool, inkt ... ), van de gebruikte instrumenten (schilderen versus tekenen, graveren, etsen, houtsnijden, fotograferen, boetseren, of beeldhouwen), of van combinaties daarvan (grafiek heeft als materiaal inkt, kan worden gemaakt met de hulp van verschillende soorten instrumenten, maar is ook bepaald door drukken). Deze indeling is grotendeels ad hoc, en niet-systematisch: qua productiewijze kunnen we het immers hebben over het instrument dat het pigment aanbrengt, maar dan is bij grafiek niet duidelijk of we het moeten hebben over graveren of over drukken. Sommige indelingen zijn in principe systematisch, maar de systematiek wordt bedreigd door de naamgeving. Zo verwijst een term als beeldhouwkunst eigenlijk naar driedimensionale stilstaande mimetische media, onafhankelijk van de vraag of ze in was worden geboetseerd, in brons worden gegoten, in marmer of hout gekapt, of uit bestaande objecten geassembleerd, terwijl de naam suggereert dat we alleen te maken hebben met mimetische media die in steen of hout worden gekapt. We hebben hier dus een Wittgensteiniaanse indeling. Merken we op dat deze indeling leemtes vertoont: zo is er geen naam voor mimetische media die worden gerealiseerd door tussenkomst van lenzen (telescopen, microscopen en camera obscura) of spiegels.

Het belangrijkste probleem met deze manier van classificieren is dat de wijze waarop iets wordt geproduceerd niet noodzakelijk iets zegt over de aard van het mimetisch medium dat daaruit resulteert (zie inleiding tot deel VI). Alleen in sommige gevallen is de impact dwingend: zo kan men met de burijn alleen maar lineaire media maken, en geen andere dan gesuggereerde overgangen. Met andere technische media kunnen daarentegen diverse soorten mimetische media worden geproduceerd: zo kan men met olieverf mimetische media met zowel beperkt als onbeperkt combineerbare elementen produceren.

Laat ons daarom overgaan tot een meer systematische manier van classificeren.


ALGEMENE VARIABELEN TER CLASSIFICATIE VAN ONMIDDELLIJKE VISUELE MEDIA

Visuele mimetische media kunnen worden geclassificeerd volgens twee variabelen die ook gelden voor andere mimetische media.

Visuele onmiddellijke mimetische media kunnen zowel veranderlijk als onveranderlijk zijn.

Visuele onmiddellijke mimetische media kunnen zowel driedimensionaal als tweedimensionaal zijn. Ze zijn driedimensionaal als de drie dimensies van de ruimte reëel aanwezig zijn, en tweedimensionaal als de diepte alleen maar is gesuggereerd. Merken we op dat de objecten in de driedimensionale ruimte ook tweedimensionaal kunnen zijn (oppervlaktes, letters), zonder dat er daarom sprake is van een tweedimensionaal medium dat een derde dimensie suggereert.

Dat levert dan volgende basismogelijkheden op:

     
 
tweedimensionaal

driedimensionaal
onveranderlijk
mozaïek, fresco, schilderij, prent, foto
hologram, stereofoto, panorama

beeldhouwwerk, tableau vivant

veranderlijk
spiegelbeeld, bewegende schaduw
(stomme) film, stereofilm,
en 'immersive room'
bewegende poppen, automaten, robots,
lichamen (pantomime, ballet)
3D projectie in ruimte


Merken we op dat spiegel, hologram, stereoscopisch beeld, en stereoscopische film tweedimensionale mimetische media zijn met suggestie van de derde dimensie; men kan er niet rond draaien of in wandelen, zoals dieren en baby's ontdekken als ze gaan kijken wat er achter de spiegel is te zien. Ook panorama en immersive room zijn tweedimensionale media: het tweedimensionale vlak is gebogen in de vorm van een cirkel (panorama) of gevouwen tot een kubus. Een tussenvorm is het reliëf, in het bijzonder onder de vorm van een panoramareliëf zoals Location 6 van Hans Op de Beeck: de derde dimensie is half reëel, half suggestief.

Merken we ook op dat het veranderlijke visuele mimetische medium meestal meervoudig is (zie III, 8). Maar er zijn er ook enkelvoudige: one-shotfims zoals 'Sleep' van Warhol of 'Russian Ark' van Alexander Sokurov. Er zijn ook kortere varianten, die meestal als 'loop' worden gepresenteerd (Michaël Borremans). Er bestaan ook enkelvoudige bewegende driedimensionale mimetische media (bewegende godenbeelden): Stäbetanz van Schlemmer, Acts without words II Samuel Beckett (1959) en automata (zoals zingende vogels of de koekoek in een koekoeksklok). Pantomime is gemengd met niet-verbale tekens en meestal meervoudig (zie III, 10).


BIJZONDERE VARIABELEN (1): SOORTEN VISUELE MIMETISCHE MEDIA naar gelang van DE COMPOSITIE VAN DE KLEINSTE ELEMENTEN


Een zeer populaire bijkomende classificatie van visuele media is die in termen van zwart-wit of kleur. Bij nader toezien lijkt die indeling slechts een bijzonder geval te zijn van een meer systematische. Daarbij gaan we ervan uit dat een onmiddellijk mimetische medium is samengesteld uit een combinatie van kleinste elementen. Die kleinste elementen hebben uiteenlopende eigenschappen, en kunnen op uiteenlopende wijze tot grotere gehelen worden gecomponeerd. We onderzoeken achtereenvolgens van welke aard de kleinste elementen zijn, op de trappen van welke scala de kleinste elementen zijn geordend, en hoe de kleinste elementen met elkaar kunnen worden gecombineerd.

Deze classificatie gaat ook op voor onmiddellijke mimetische media voor andere zintuigen, en is wat dat betreft 'regionaal' (want alleen van toepassing op onmiddellijke mimetische media), maar verschilt uiteraard voor elk zintuiglijk domein omdat de gecomponeerde elementen verschillen.

Herinneren we eraan deze classificatie een classificatie is van mimetische media, niet van verschijningen. We gaan dus uit van wat er letterlijk is te zien, niet met wat wordt gesuggereerd. We classificeren dus de arceringen, niet de continue overgang van licht naar donker die erdoor wordt gesuggereerd. Merken we evenzeer op dat we evenmin de vormen classificeren die het medium aanneemt tijdens de productie, maar alleen het eindresultaat: bij nat-in-natschilderen gaat het niet om de samenstellende kleuren, maar om het gemengde eindresultaat. Om dezelfde reden classificeren we niet naar de mogelijkheden van de techniek, maar naar de manier waarop hij effectief wordt gebruikt. Zo laat schilderen met olieverf het weergeven toe van talloze gradaties, maar evengoed het schilderen van monotonale en monochrome vlakken zoals die van Mondriaan en Picabia's silhouetten (zie deel VI over compositie van de technisch media en die van het origineel).


(1) DE KLEINSTE ELEMENTEN EN HUN PARAMETERS

Een visueel mimetisch medium kan worden benaderd als een combinatie van kleinste elementen ('pixels'), die bij onveranderlijke media worden opgeteld in het vlak, en bij veranderlijke in het vlak én in de tijd (dat laatste wordt uitgewerkt in onze laatste paragraaf).

Die kleinste visuele elementen worden omschreven door drie parameters: kleur, toon, en materialiteit. Wat kleur en toon zijn, hoeven we niet uit te leggen. Maar het loont de moeite om toe te lichten wat materialiteit is. De kleinste elementen van een medium kunnen glad zijn of korrelig, glanzend of mat, 'vettig' of 'droog', doorschijnend/lichtend (glasraam, dia, filmscherm, belichte foto's van Jeff Wall) of reflecterend (schilderij, prent, foto). Het verschijnsel ontsnapt gemakkelijk aan de aandacht omdat het onmiddellijk mimetisch medium in de regel wordt opgebouwd uit elementen van éénzelfde materialiteit, zodat het monomaterieel is. Maar, zoals we zullen zien, is dat geenszins altijd het geval.

Elk van deze parameters komt in principe voor in een onbegrensd aantal varianten: er zijn talloze kleuren, talloze tonen, en talloze materialiteiten. Maar niet in alle mimetische media zijn alle parameters variabel. Vermits geen van de parameters kan ontbreken, is dat alleen mogelijk als één of meer parameters worden geneutraliseerd door één enkele vaste waarde aan te nemen. Dat kan bij kleur en materialiteit, maar niet bij toon (tenzij dan in theorie): een driedimensionaal mimetisch medium bevindt zich in de reële ruimte waar het door belichting ook schaduwen vertoont; en in een tweedimensionale mimetisch medium heeft elke kleur een eigen toon, zodat we ons zouden moeten beperken tot kleuren met dezelfde toon, en onderscheid in materialiteit is alleen waar te nemen door verschillen in toon (bv. de schittering op glans of de afwezigheid daarvan bij mat). Houden we rekening met deze beperking, dan zijn er volgende soorten mimetische media naar variabiliteit van de parameters van de kleinste elementen:

In het meest extreme geval zijn twee van de drie parameters geneutraliseerd. Twee combinaties zijn daarbij mogelijk, maar erg onwaarschijnlijk: het kleurmedium waarbij alleen de kleur zou variëren, terwijl toon en materialiteit zouden zijn geneutraliseerd, en het materialiteitsmedium, waarbij materialiteit zou variëren, terwijl toon en kleur zouden zijn geneutraliseerd. De enige mogelijkheid die overblijft is dus het toonmedium, waarbij alleen de toon varieert terwijl kleur en materialiteit zijn geneutraliseerd. De geneutraliseerde kleur kan om het even welke kleur zijn (blauw bij Ming porselein, Delfts blauw, azulejos, maar evengoed rood, bister, sanguine, of oker). Maar meest populair is het gebruik van de 'niet-kleuren': zwart-wit zoals bij vele tekeningen, prenten en de zwart-witfotografie.

Toonmedia zijn zeer populair in de (klassieke) beeldhouwkunst (waar toon niet kan worden geneutraliseerd omdat driedimensionale mimetische media zich in de reële ruimte bevinden en dan altijd zijn belicht door natuurlijk licht). Klassiek voorbeeld zijn marmeren of bronzen mimetische media, maar ook onderstaande Oldenburg:

In een volgende reeks gevallen wordt slechts één van de drie parameters geneutraliseerd. Er zijn dan drie mogelijkheden:

- kleur-toonmedia waarbij én toon én kleur variëren terwijl materialiteit is geneutraliseerd: dit is een zeer populaire variant, zowel in polychrome beeldhouwkunst als in polychrome schilderkunst en kleurenfotografie.

- materialiteit-toonmedia waarbij materialiteit en toon variëren en kleur is geneutraliseerd, Dit soort medium vinden we in tweedimensionale mimetische media zoals bij de Masereel hieronder waar de beschaduwde oppervlakten de materialiteit hebben van de inkt en de belichte die van het papier. Vooral in de beeldhouwkunst vinden we veel materialiteit-toonmedia. Bij vele mimetische media van Rodin wordt de huid nagebootst door gepolijste marmerkorrels en de rots door ruwe marmerkorrels.

Ten slotte zijn er mimetische media waar toon, én de materialiteit variëren: kleur-toon-materialiteitsmedia. We vinden dit soort medium vaak in tweedimensionale mimetische media. In beschilderde glasramen varieert niet alleen de toon en de kleur, maar ook de materialiteit: de transparantie van het glas wordt gecombineerd met de ondoorzichtigheid van de beschildering. Ook bij schilders zoals Tapies:

We vinden we toon-kleur-materialiteitmedia ook in de beeldhouwkunst. Beelden in marmer zijn vaak gemaakt uit verschillende soorten marmer of combinaties van andere materialen zoals het chryselefantijn (goud en ivoor op houten kern) beeld van Athena in het Parthenon, of ze kunnen worden voorzien van haren, glazen ogen, kledij, en bronzen wapens (substituten). De naakten van de Andrea (ook Duane Hanson) bestaan uit beschilderd polyester of brons enerzijds en haren anderzijds (al is ook hier het haar een substituut).

Merken we op dat er een verschil is tussen materialiteit en textuur. Verschillende texturen (huid en stof of haren) kunnen worden weergegeven door kleinste elementen met dezelfde materialiteit. Dat is de regel in fotografie, maar ook in de schilderkunst, waar met dezelfde olieverf zeer uiteenlopende texturen kunnen worden weergegeven, zoals bij Bonnard (alwaar voor weergave van textuur wordt overgegaan tot derde dimensie). Een ander geval is Acqua Mossa waar er binnen zelfde materialiteit van gladde olieverf een verschillende textuur wordt weergegeven. Textuur is dus een eigenschap van (de compositie van) het origineel, niet van het mimetisch medium. Het is dus uitkijken geblazen: bij de Rodin hierboven geven twee materialiteiten twee texturen weer (glad marmer tegenover ruw marmer, bij de schilderijen hieronder worden verschillende texturen weergegeven door dezelfde smeuïge olieverf.

Er zijn dus naar variabliteit van de parameters van de kleinste elementen vier soorten media: toonmedia, kleur-toonmedia, toon-materialiteitmedia, en kleur-toon-materialiteitmedia


(2) DE COMPOSITIE VAN DE SCALA WAARIN DE VARIABELE PARAMETERS VAN DE KLEINSTE ELEMENTEN ZIJN GEORDEND

In inleiding tot deel V zullen we nader ingaan op het begrip scala. Vermelden we hier al dat elementen die van elkaar verschillen kunnen worden geordend in een scala: bv. kleuren in de kleurencirkel of de gradaties van licht naar donker. Scala's kunnen continu zijn, onderverdeeld in trappen, of ongeordend. Bij mimetische media met meerdere variabelen kan elke variabele eenzelfde of een ander soort scala vertonen. In combinatie met de diverse soorten mimetische media naar aard van de kleinste elementen, levert dat volgende soorten media op:

Bij toonmedia zijn er twee mogelijkheden:

- toonmedia met continue en toonmedia met getrapte scala:

Merken we op dat er ook bij da Vinci er een getrapte scala is; qua kleur is er ofwel wit, ofwel rood. De overgangen zijn het effect van suggestie, en behoren dus tot de (in deel VI te bespreken compositie van de) verschijning, niet tot het mimetisch medium.

De scala's hoeven niet altijd volledig te zijn: bij foto's in 'high key' wordt alleen de bovenste helft van het spectrum bespeeld, en bij 'low key alleen de onderste:

Bij kleur-toonmedia zijn er in principe vier, maar in de praktijk slechts twee mogelijkheden:

- kleur-toonmedia met continue kleurscala en continue toonscala: vele schilderijen en kleurfoto's, of geschilderde foto's zoals die van Helnwein:

- kleur-toonmedia met getrapte kleurscala en getrapte toonscala:

Bij de Piet Mondriaan is de scala volledig (van zwart, over blauw, rood en geel, naar wit), maar bij de Matisse is ze onvolledig (er is zwart, blauw, rood en geel, maar geen wit).

- kleur-toonmedia met continue kleurscala en getrapte toonscala, en kleur-toonmedia met getrapte kleurscala en continue toonscala zijn wel denkbaar, maar zeer onwaarschijnlijk.

Ook inzake de toon-materialiteitsmedia zijn er theoretisch vier mogelijkheden, maar in afwachting van twee- of driedimensionale printers die materialaiteit pixelsgewijs kunnen laten variëren, zijn er slechts twee (als we substituten buiten beschouwing laten):

- Toon-materialiteitsmedia met continue toonscala en getrapte materialiteitscala:

- Toon-materialiteitsmedia met getrapte toonscala en getrapte materialiteitscala:

Inzake kleur/toon/materialiteitmedia zijn er in principe acht combinaties mogelijk, maar in afwachting van de mogelijkheid om continue materialiteitsscala's te produceren, zoals bij 3D printers die per pixel een ander materiaal zouden kunnen spuiten.zijn er (als we afzien van substituten) zijn er slechts drie (omdat de combinatie van continue kleurscala met getrapte toonscala onmogelijk is).

Kleur-toon-materialiteitsmedium met continue kleurscala, continue toonscala, en getrapte materialiteitsscala: Duane Hanson en Sam Jinks

Kleur-toon-materialiteitsmedium met getrapte kleurscala, continue toonscala, en getrapte materialiteitsscala

Kleur-toon-materialiteitsmedium met getrapte kleurscala, getrapte toonscala en getrapte materialiteitsscala: die is alleen tweedimensionaal denkbaar, omdat een driedimensionaal beeld altijd een continue toonscala heeft.


(3) DE COMBINEERBAARHEID VAN DE KLEINSTE ELEMENTEN

Naargelang de combineerbaarheid van de elementen in de (twee- of driedimensionale) ruimte kunnen we onderscheid maken tussen vijf soorten (dimensies van) mimetische media:


met onbeperkte combineerbaarheid
met beperkte combineerbaarheid
media met onbeperkte
combineerbaarheid
van de elementen

media met voorgevormde elementen


media met monochrome of monotonale of
monomateriële vlakken

lineaire media

media met
scala's van
voorgevormde
elementen



Bij een eerste reeks media - we zullen ze 'media met onbeperkte combineerbaarheid (van de elementen)' noemen - kan naast elk subliminaal klein element een element worden geplaatst met een andere toon en/of kleur en/of materialiteit (afhankelijk van welke variabelen al dan niet zijn geneutraliseerd). De meest subtiele gradaties van licht-donker, kleur, en materialiteit kunnen dus worden weergegeven, evengoed als de meest bruuske overgangen, met alle mogelijke tussentrappen. In elk van deze gevallen hoeft niet het gehele spectrum van al deze variabelen te worden doorlopen. Voor welke concrete combinaties er wordt gekozen, wordt hier uitsluitend bepaald door de compositie van het origineel. In de Titiaan hieronder wordt in het schilderij als geheel het gehele spectrum van tonen bestreken, en een breed spectrum aan kleuren, al varieert de ontplooiing van de spectra naar gelang van de onderdelen (vergelijk die van het laken met die van het gordijn). Op de foto van Philippe Pache hieronder, waarbij alleen gradaties van zwart naar wit zijn gebruikt, lijkt het wel alsof er maar drie tonen zijn gebruikt, maar de overgang van de ene toon naar de andere is in alle gevallen continu.

Ook bij vele polychrome beeldhouwwerken (zoals die van Carl de Andrea, Duane Hanson, Sam Jinks, en Ron Mueck) ontplooien subliminaal kleine oppervlaktes in alle tonen en kleuren zich ongehinderd in alle richtingen. De lokaalkleur van de oppervlaktes wordt verkregen door beschilderen, het echte licht zorgt voor de gradaties tussen licht en donker:


de andrea

Bij een tweede reeks media - we zullen ze 'media met voorgevormde elementen' noemen - kunnen de kleinste elementen niet naar believen worden gecomponeerd: ze komen alleen voor in grotere gehelen met een vooraf bepaalde vorm en/of kleur en/of textuur. Voorbeelden daarvan zijn de steken van borduurwerk, de knopen van een tapijt, de steentjes van de mozaïek, arceringen, stippels, rasters in prenten en tekeningen, korrel in fotografie, de toetsen van de schilder. Die elementen kunnen naar vorm identiek zijn (de steken van een borduurwerk of de knopen van een tapijt), of voorkomen in een min of meer groot aantal varianten (bv. ronde, vierkante, driehoekige steentjes in een mozaïek of de vele soorten toetsen bij Van Gogh). Naar toon en kleur zijn ze in de regel monochroom en monotonaal (mozaïeksteentjes, borduursteken), maar ze kunnen ook veelkeurig en dus ook polytonaal zijn (nat-in-nattoetsen).

Voorbeelden in de beeldhouwkunst zijn de staafjes, bollen, blokjes enz. van Antony Gormley.

Andere voorbeelden zijn de grovere elementen die in de natuur of in de menselijke omgeving worden aangetroffen: denk aan de bloemen van een bloementapijt, of inzake driedimensionale mimetische media, aan de duimspijkers, de kevers of de schijfjes been van Jan Fabre, de schoenen van Brian Jungen, het wrakhout van Heather Jaensch, de legoconstructies van Eliasson, of de 'flower dogs' van Jeff Koons (op het vlak van design= de herfstbladeren en bloemen van een Andy Goldsworthy).


bloementapijt (detail)

In bovenstaande voorbeelden zijn de elementen eerder eenvoudig, maar er kunnen ook complexere scala's van voorgevormde elementen zijn: bv. van donkere vlek op lichte achtergrond naar lichte vlek op donkere achtergrond, of van wazige overgangen naar lineaire scheiding, waarbij meerdere scala's vaak met elkaar zijn gecombineerd. Een analyse daarvan vind je op Schoofs.

Bij een derde reeks media - we zullen ze 'media met monochrome, monotonale, of monomateriële vlakken' noemen - kunnen tonen en/of kleuren pas puntsgewijze veranderen nadat ze zich eerst alzijdig hebben uitgebreid: ze komen alleen voor in min of meer grote oppervlakken. In tegenstelling tot de media met voorgevormde elementen is de omtrek van die oppervlakken, waar dan wel plots naar een andere kleur wordt overgegaan, niet vooraf vastgelegd: hij wordt vrijelijk bepaald door het origineel:





Terwijl er bij media met voorgevormde elementen een tendens bestaat om de elementen klein te houden, bestaat hier de tendens om de elementen groter te maken: ze te laten samenvallen met grotere delen van het origineel.

Inzake driedimensionale mimetische media gaat het om 'vlakken' tout court: zij kunnen zich in alle richtingen slechts vlaksgewijs uitbreiden (en dus niet tot lijn of volume worden). Een goed voorbeeld is het tors van Gabo (de suggestie van volume behoort tot verschijning, niet tot mimetisch medium):

Bij een vierde reeks media - we zullen ze 'lineaire media' noemen - kunnen (tonen en/of kleuren) zich alleen uitbreiden in één richting: lijnen. Dat is het geval met een bijzonder soort tekeningen: de lijntekening, zoals die van Henri Matisse hieronder, evenals bij figuratieve draadsculpturen (Oliveira):

Het onmiddellijk mimetisch medium is hier samengesteld uit monochrome lijnen (meestal zwart, omdat ze in de regel op een witte achtergrond worden aangebracht en meestal monochroom, omdat de kunstenaar onderweg niet van instrument verandert). De aard van de bewerking (bv. tekenen) schrijft hier voor dat de kleinste elementen slechts in één richting bij elkaar mogen gevoegd. De richting daarentegen is volledig bepaald door de omtrekken in het origineel.

Merken we op dat het onderscheid tussen onbeperkte combineerbaarheid en beperkte combineerbaarheid samenvalt met het onderscheid tussen continue en getrapte scala's. Mimetische media kunnen pas media met onbeperkt combineerbare elementen zijn als die elementen deel uitmaken van continue scala's. En media met monochrome of monotonale vlakken, evenals media met voorgevormde elementen zijn noodzakelijkerwijze getrapt, omdat het aantal kleuren of tonen gelijk is aan het aantal oppervlaktes waarin het mediumale vlak wordt verdeeld, met aftrek van het aantal herhalingen. Lineaire media zijn qua toon en/of kleur evenzeer noodzakelijkerwijze getrapt: het spectrum van kleuren en tonen wordt herleid tot de tegenstelling tussen de kleur van het vlak en de kleur van de lijn. Er zijn dus media met continue scala's waarvan de elementen onbeperkt combineerbaar zijn, en media met getrapte scala's waarvan de elementen voorkomen in voorgevormde elementen, in monochrome vlakken of in (gekleurde) lijnen.

Er zijn ten slotte ook media met scala's van voorgevormde elementen: bv. media met monochrome vlakken gecombineerd met lineair medium (tekening).

Naast de combineerbaarheid in de ruimte is er ook die in de tijd. Afgezien van mechanisch aangedreven robotten die in schokjes bewegen (en vertraagd afgespeelde film) zijn alle media hier onbeperkt combineerbaar in de tijd.


HOMOGENE EN HETEROGENE MEDIA

Het zal de lezer zijn opgevallen dat het op elk van de besproken niveaus (algemene variabelen: veranderlijk, en twee- of driedimensionaal) en van de specifieke variabelen (aard van de kleinste elementen, aard van de scala, en aard van de combineerbaarheid) zelden mogelijk is om een medium onder één enkele noemer te vatten.

Zo zijn er naast veranderlijke of onveranderlijke mimetische media ook combinaties (zoals veranderlijke acteurs met onveranderlijke objecten in het decor, of Claerbout), en zo zijn er naast tweedimensionale of driedimensionale ook combinaties van beide (Wesselman). Zo zijn op het niveau van de kleinste elementen alleen in het kleur-toon-materialiteitsmedium alle variabelen variabel. Bij alle andere soorten mimetische media is variabiliteit in de ene parameter(s) gecombineerd met invariabiliteit in de andere. Zo maken op het niveau van de aard van de scala's alle variabelen vaak deel uit van continue scala's, maar er zijn ook mimetische media waarbij de ene variabele deel uitmaakt van een continue scala en die van andere van getrapte scala's. Dat is zelfs de regel bij alle media waarbij de materialiteit variabel is - in de regel slechts volgens een getrapte scala (minimaal: naakt/gekleed). Zo bestaan de meeste mimetische media op het niveau van de combineerbaarheid uit hetzelfde soort combineerbaarheid, maar er zijn er ook waar meerdere soorten beperkte combineerbaarheid zijn gecombineerd. Dat is zelfs principieel het geval bij de lijntekening. Want door het trekken van een omtrekslijn op een wit vlak wordt tegelijk én een oppervlak omschreven, én een figuur tegen een achtergrond afgezet. De lijn is exclusief opgebouwd uit kleinste zwarte elementen die zich alleen in één richting mogen uitbreiden. Het vlak is daarentegen exclusief uitgebouwd uit een monotonaal vlak (met andere materialiteit) waarvan de omtrek is bepaald door de zwarte lijn/ Klaarblijkelijk zijn hier twee soorten media met elkaar gemengd.

Het loont dus om onderscheid te maken tussen media naargelang ze homogeen of heterogeen zijn qua aard van de kleinste elementen, qua aard van de scala's, en qua aard van de combineerbaarheid.

Onderzoeken we dergelijke heterogene combinaties van media op al deze niveaus. We beperken ons daarbij tot combinaties in éénzelfde enkelvoudig beeld (al zijn er ook combinaties in meervoudige mimetische media, zoals retabels waarin schilderkunst en beeldhouwkunst zijn gecombineerd).


COMBINATIE VAN DE DIVERSE SOORTEN MIMETISCHE MEDIA IN EENZELFDE ENKELVOUDIGE BEELD (1)
HETEROGENE MEDIA NAAR ALGEMENE VARIABELEN


Combinatie van veranderlijk en onveranderlijk: Claerbout: Ruurlo, Borculoscheweg, 1910 (1997) waar boom beweegt op oude foto of de beelden van Borremans die onbeweeglijk lijken tot er plots iets beweegt.

Combinatie van tweedimensionaal en driedimensionaal: tweedimensionale achtergrond met figuur in reliëf. Rauschenberg: geit op schilderij. Ook de spectaculaire voorbeelden van de illusionistische plafondschilderkunst zoals in de Gésu in Rome. Wesselman Bathtub.


COMBINATIE VAN DE DIVERSE SOORTEN MIMETISCHE MEDIA IN EENZELFDE ENKELVOUDIGE BEELD (2):
HETEROGENE MEDIA NAAR SPECIFIEK VISUELE VARIABELEN


We kunnen de heterogeniteit meten op drie niveaus:

- op het niveau van de aard van de kleinste elementen:
- op het niveau van de soort scala van kleinste elementen
- op het niveau van combineerbaarheid van de elementen.


(1): NAAR AARD VAN KLEINSTE ELEMENTEN

1. Binnen één van de vier soorten media naar aard van de kleinste elementen (toonmedia, kleur-toonmedia, toon-materialiteitmedia, en kleur-toon-materialiteitmedia) kan de aard van de geneutraliseerde variabele verschillen:

- toonmedia: met telkens ander soort geneutraliseerde materialiteit of kleur. Vele fotocollages combineren vaak diverse materialiteit: bv. matte foto gecombineerd met glanzende, of met matte grisailleverf zoals de Hausmann hieronder, en/of diverse geneutraliseerde kleur (een bisterfoto met okerfoto.

- toon-materialiteitmedia: met telkens andere geneutraliseerde kleur (een beeld van een lichaam in wit marmer gecombineerd met brons).

- kleur-toonmedia: hier kan er verschil zijn in materialiteit, zoals bij een kleurfoto waarin mat en glanzend zijn gecombineerd.

- kleur-toon-materialiteitmedia: hier is niets te neutraliseren, dus onmogelijk


2. Ook media met verschillende graden van neutralisering kunnen worden gecombineerd:

Vermits er vier soorten media zijn (toonmedia, kleur-toonmedia,-toon-materialiteitmedia, en kleur-toon-materialiteitmedia zijn er theoretisch zestien mogelijkheden van menging.

Geven we enkele voorbeelden.

Kleurfoto en zwart-wit bij Hausmann (met daarbinnen ook nog combinatie van onbeperkte combineerbaarheid en lineaire medium van grafiek) (of marmeren beeld met gekleurde ogen). Een geliefd procedé is zwart-wit-achtergrond en kleurige (of monochrome) figuur daarin. Kleur met zwart-wit bij Müller (met bijkomend verschil tussen onbeperkt componeerbaar zwart-wit en beperkt componeerbare kleur)

We vinden deze combinaties ook in bewegende mimetisch media. In Schindler's List (1993) verschijnt een meisje met rode jas in een zwart-wit beeld. In Pleasantville (Ross, 1998, US) worden monochrome en polychrome objecten gecombineerd in hetzelfde frame (ook tussen verschillende enkelvoudige mimetische media.


(2): NAAR SOORT SCALA VAN KLEINSTE ELEMENTEN

- toonmedium met continue scala gemengd met kleur-toonmedium met getrapte scala: Zwart-witfoto met gekleurde zeefdruk


mueller

-toon-materialiteitsmedium met continue scala naar toon, maar getrapte scala naar materialiteit

- kleur-toonmedium met continue kleurscala en continue toonscala gemengd met kleur-toonmedium met getrapte kleurscala en getrapte toonscala: voorbeeld?


(3): NAAR COMBINEERBAARHEID

Het kan hier gaan om combinatie van onbeperkte combineerbaarheid met een van de vormen van beperkte combineerbaarheid, maar ook om combinaties van diverse soorten beperkte combineerbaarheid zoals bij lijntekening die tegelijk witte vlakken constitueert.

De heterogeniteit kan drie oorzaken hebben: ze kan structureel zijn, zoals bij tekenen; ze kan ook het gevolg zijn van de combinatie van twee technieken: zoals wanneer een lijntekening wordt aangevuld met aquarel; ze kan het gevolg zijn van het differentieel bespelen van een techniek: bij digitale fotografie is het niet moeilijk om zwart-wit en kleur te combineren. Een schilder kan in éne deel van schilderij onbeperkt combineren (mengen) en in ander niet. Een tekenaar kan in éne deel gewone lijntekening gebruiken en in ander deel drukke arcering. Een schilder kan nu eens lijnen trekken, dan weer toetsen aan elkaar rijgen, dan weer egale vlakken schilderen, dan weer nat-in-nat mengen.

In de praktijk zijn de mogelijkheden om de meest diverse soorten media met elkaar te combineren onbeperkt. Maar het is leerrijk om een aantal standaardcombinaties te onderzoeken.

Inzake combineerbaarheid krijgen we volgende mogelijkheden:

onbeperkt voorgevormd vlak lineair
onbeperkt
voorgevormd 1
vlak 2 4
lineair 3 5 6



Bespreken we achtereenvolgens deze zes mogelijkheden

1. onbeperkte combineerbaarheid gecombineerd met voorgevormde elementen:

Bij tweedimensionale mimetisch media vinden we die combinatie bij portretten waar het gezicht 'fini' is en de buste errond met ruwe toetsen, zoals het mode werd vanaf de 18" eeuw). Bij de Hausmann hieronder is onbeperkt componeerbaar (in toon- en kleur-toonmedium) gecombineerd met voorgevormde elementen (lijn van de tekening).

2.onbeperkte combineerbaarheid gecombineerd met monochrome of monotonale vlakken:

Een versie in kleur is 'Autumn in Paris' van Kitaj of Baldessari ), en een in zwart-wit die van El Lissiztky:

3. onbeperkte combineerbaarheid gecombineerd met lineair mimetisch medium:

schilderij of foto gecombineerd met tekening
gewassen tekening (als het vlak niet effen is: bij Lorrain meerdere getrapte effen tonen).
(Hier combinatie van bv. gewassen tekening met lijnen met pen: toonmedium met twee soorten combinatie van elementen).

4. mimetisch medium met voorgevormde elementen gecombineerd met mimetisch medium met monochrome of monotonale vlakken:

Foto's met korrel versus en zonder korrel; schilderij met monochrome vlakken gecombineerd met toetsen

5. onmiddellijk mimetisch medium met voorgevormde elementen gecombineerd met lineair onmiddellijk mimetisch medium: (lijn + toets)

Een goed voorbeeld van dit soort heterogeniteit vinden we in tweedimensionale mimetische media is de Gele Christus van Paul Gauguin, of de Kandinsky

De combinatie van lineaire media en media met voorgevormde elementen (arceringen) is de regel in tekeningen of grafiek: waar lijnen worden gebruikt voor omtrekken en arceringen voor schaduwen.

6. onmiddellijk mimetisch medium met monochrome vlakken gecombineerd met lineair onmiddellijk mimetisch medium.

De combinatie is obligaat in de lijntekening, zoals die van Henri Matisse hieronder: eenzelfde vlees wordt nu eens als lijn, dan als vlak weergegeven. De combinatie van twee soorten media gaat hier gepaard met de combinatie van twee soorten materialiteit (wat op zich kan worden gelezen als een scala van materialiteiten, maar dan per medium)

Het omsloten oppervlak kan ook worden ingekleurd. We hebben dan een heterogeen onmiddellijk mimetisch medium waarin voor de vlakken meerdere kleuren kunnen worden gebruikt (zoals in Japanse houtsneden en stripverhalen). (Ook hier gaat de combinatie van twee soorten media gepaard met de combinatie van twee soorten materialiteit, wat op zich kan worden gelezen als een scala van materialiteiten, maar dan per medium)

Lijn en vlak kunnen zich ook autonoom verhouden zoals bij Leger:

Hier ook combinatie van omlijnde en niet-omlijnde plaatsen.

Een bijzonder geval is de 'Gitaarspeler' van Pablo Picasso hieronder. Hier zijn twee soorten media met voorgevormde elementen gecombineerd: in stroken geschilderde vlakjes enerzijds, en korte lijnstukken anderzijds. Beide komen afzonderlijk voor, maar gaan meerstal zeer uiteenlopende verbindingen aan. Beide media hebben hier dezelfde materialiteit.

In het bovenstaande gaven we een systematisch overzicht van de mogelijke combinaties per twee. Maar niets belet dat ook meer dan twee media met verschillende combineerbaarheid met elkaar worden gecomponeerd.

Dat is de regel in vele tekeningen of gravures waar witte of zwarte partijen een grote rol spelen. De witte of zwarte partijen zijn dan media met monotonale vlakken die worden gecomponeerd met arceringen (voorgevormd) en omtrekslijnen (lineair):

Merken we op dat we deze gevallen niet kunnen analyseren als scala's van voorgecomponeerde elementen, want het witte vlak en de omtrekslijnen hebben de eindvorm. Wel kunnen we de heterogene media zelf onderbrengen in een scala van vlak, tegenover omtrekslijnen, tegenover opvullende lijnen die een tussentrap vormen tussen lijn en vlak.

Vele collages van Pablo Picasso zijn combinaties van lijntekening (lineair onmiddellijk mimetisch medium), achtergrond en silhouet (onmiddellijk mimetisch medium met monochrome of monotonale vlakken), illusionistisch nagebootste werkelijkheid (onmiddellijk mimetisch medium met onbeperkte combineerbaarheid) en soms de werkelijkheid zelf (die we hier als substituut kunnen beschouwen).

In gevallen zoals de Kandinsky hieronder valt de combinatie van verschillende mimetische media samen met de compositie van het origineel, dat ook bestaat uit monochrome vlakken, monochrome vlakken met toonverglijdingen naar witte uiteinde toe, en lijnen (vergelijkbaar met een foto van een warboel van lijnen).

Bij bezegend beeld hebben we ook de combinatie van gewone film met tekenfilm.

Merken we op dat er twee manieren zijn waarop media met elkaar kunnen worden gecombineerd. In een eerste reeks gevallen is de combinatie 'exclusief'': een gegeven plaats van het oppervlak wordt ingenomen ofwel door het ene, ofwel door het andere onmiddellijk mimetisch medium. In andere gevallen overlappen de media elkaar: denk aan het voorbeeld van Warhol. Ook deze twee soorten combinatie kunnen worden gecombineerd: soms is er overlapping en soms niet. In sommige prenten van Francisco Goya is er een combinatie van een lineair onmiddellijk mimetisch medium (omtrekstekening), en twee soorten media met voorgevormde elementen: korrel en arceringen. De omtrekstekening is nu eens ingevuld met korrel, dan weer met arceringen, maar op sommige plaatsen worden korrel en arcering gecomponeerd zodat er een subtiele 'polyfonie' ontstaat tussen de drie soorten media:

Dit overzicht maakt meteen duidelijk dat niet alle combinaties even populair zijn. Het meest populair is de combinatie van lineaire en vlakke media (gepaard met een scala van materialiteit op het niveau van de media). En dat komt uiteraard omdat de heterogeniteit hier onontkoombaar is. Ook de combinatie van lineaire media met media met voorgevormde elementen ligt voor de hand: in het geval van de combinatie met arcering, omdat het vlak kan worden gemodelleerd in een techniek die verwant is aan die van de omtrekslijn. Ten slotte is ook de combinatie van lineaire media, media met voorgevormde elementen en media met monotonale vlakken voor de hand liggend, omdat het toevoegen van zwarte of witte vlakken toelaat de scala van grijswaarden geschapen door de arceringen te sluiten. Alle andere combinaties zijn arbitrair, willekeurig, en worden dus alleen gekozen als er bijzonder effecten aan kunnen worden ontleend.


BIJZONDERE VARIABELEN (2): SOORTEN VISUELE MIMETISCHE MEDIA naar gelang van DE MATE VAN SUGGESTIE


Strikt gesproken zouden binnen een nog meer beperkt classificatie van visuele mimetische media onderscheid kunnen maken tussen graden van suggestie van de derde dimensie: ruimtelijke suggestie op basis van stereoscopie, op basis van onderscheid tussen een figuur en achtergrond (omtrek), op basis van de lectuur van gradiënten als ronding (toon) en perspectief (verschillen in grootte en toelopende perspectieflijnen), en ten slotte op basis van vervaging en verblauwing (kleurenperspectief) en op alle mogelijke combinaties daarvan.


HISTORISCH

Inzake tweedimensionale visuele mimetisch media gebruikt men al vanouds wanden, huiden, maar weldra verschijnen geprivilegieerde dragers zoals houten panelen of doek, glas in lood, papier, of glazuren inzake keramiek. Qua omvang kan het gaan om een vlak in een kader, maar vaak ontstaan grote surroundgehelen zoals de kathedralen en de Sixtijnse kapel. Illusionistische koepels zoals die van Tiepolo en in de 19e eeuw panorama's. Vele van die dragers waren onveranderlijk, behalve dan het schimmenspel (tweedimensionaal). Ze kunnen qua kader worden uitgewerkt tot echte immersieve bewegende wereld (matrix)

Steeds nieuwe soorten pigmenten worden gebruikt (olieverf, acryl), maar vooral chemische stoffen op fotografische papier (en printers). De verfstoffen worden aangebracht met de hand, of met meer verfijnde penselen. Pas met de fotografie ontstaan echte media met onbeperkte combineerbaarheid. Eerst zwart-wit, en dan geleidelijk kleur, ook in bewegend beeld. Er is blijkbaar een tendens naar onbeperkte combineerbaarheid (en daartegenin naar 'mediumaliteit'). Naarmate dat ideaal wordt gerealiseerd, verschuift de opdracht van compositie van medium naar origineel (zie deel VI).

Al is het stadium van de onbeperkte combineerbaarheid aangebroken, alle mimetisch media zijn nog monomaterieel.

Sedert het gebruik van lenzen kennen we vergrote of verkleinde beelden.

Vanaf de ontwikkeling van de televisie ook distributie in real time (Fernsehen).

Dupliceren van (de mimetische media van) visuele beelden gebeurde vroeger door letterlijk kopiëren of gereduceerd kopiëren in gravures van schilderijen en zwart-witfoto's. Vanaf de dertiger jaren wordt kleurenreproductie mogelijk met steeds meer verfijnde technieken (straks ook met 3D-printing). Qua tweedimensionale bewegende mimetische media hebben we eerst de spiegel en het schimmenspel, maar pas vanaf het einde van de 19e eeuw ook filmopnames; snelle opeenvolging van stilstaande mimetisch media) of door inzetten van pixelgwijze verandering op TV en digitale schermen. Geleidelijk ontwikkelt zich ook de tekenfilm, en via computeranimatie de wereld van zelfgeschapen wezens in zelfgeschapen werelden. Vanaf 1995 is ere mocap (motion capture) voor animeren van computergegenereerde mimetische media vanaf 1995 (ook in Lord of the Rings).

Inzake onveranderlijke driedimensionale visuele mimetisch media gebruikt men al vanouds klei, stenen, ivoor, maar weldra verschijnen andere geprivilegieerde dragers zoals hout, brons en marmer, en tegenwoordig ook plastic, epoxy (vaak eerst monochroom, maar hoe langer hoe meer in steeds meer kleuren).

Dupliceren van veranderlijke verschijningen in driedimensionale mimetisch media is van oudsher mogelijk door het inzetten van het menselijk lichaam als geheel (acteur, drager in reuzenpoppen, maskers, mimetische dansers), maar ook door delen van lichaam (hand bij handpoppen) of door bewegen via touwtjes (marionetten) of stokken (schaduwspel). Vanaf 18e eeuw ook door opwindmechanismen van klokken en vanaf elektriciteit ook motoren (in bewegende poppen en treintjes). Nieuwe mogelijkheden worden geschapen door computergestuurde robots.

Anders dan bij tweedimensionale mimetisch media zijn materialiteitsmedia van oudsher gebruikelijk (ook door gebruik van substituten zoals bij Tussaud en de Andrea).

Meestal maken deze visuele mimetisch media integraal deel uit van audiovisuele media (zie aldaar).

Vooral vroeger was de belangrijkste concurrent voor het enkelvoudige, stilstaande tweedimensionale mimetisch medium het driedimensionale stilstaande mimetisch medium en het driedimensionaal bewegende in theater. Vanwege de devaluatie van de openbare ruimte en de opkomst van film, alwaar het tweedimensionale mimetisch medium kan worden gecombineerd met geluid, geraakte het op de achtergrond. Vandaag is het bewegende tweedimensionale audiovisuele mimetisch medium niet zozeer hét paradigma, dan wel de meest populaire vorm van het mimetisch medium.


CLASSIFICATIE VAN VERANDERLIJKE MIMETISCHE MEDIA

Inzake veranderlijke mimetisch medium is er beperkte of onbeperkte combineerbaarheid in de tijd. Film en theater zijn onbeperkt combineerbaar. Alleen bij doelbewust tekortschietende montage van bv. tekeningen of foto'sen bij gebruik van robotten die in schokjes bewegen is er beperkte combineerbaarheid.

 
 
ontdek
mijn nieuwe e-boek:


zelfomslag

het zelfbeeld
tussen spiegel en dagboek