het beeld: mimesis herbekeken
deel VIII: oneigenlijk begrip van het beeld (2)
begrip van het beeld in termen van verwante domeinen
 

hoofdstuk 3

beeld, idool, en hogere werkelijkheid


INLEIDING

Nadat in de vorige hoofdstukken onze aandacht uitging naar het (gevonden en gemaakte) werkelijke als tegenstellingen van het beeld, moeten we er in een derde hoofdstuk op wijzen dat beelden vaak voor werkelijk worden gehouden - zodat er van tegenstelling en de bijbehorende verglijdingen geen sprake meer is.

Men kan het beeld voor werkelijk houden in een sterke of een zwakke betekenis. In een zwakkere betekenis gelooft men dat er naast het origineel in het beeld een origineel in de werkelijkheid bestaat (of bestond of zal bestaan) waarvan het origineel in het beeld een duplicaat is. Dat geloof is gegrond bij onvoltooide mimesis (een portret of een biografie van een bestaande persoon), maar ongegrond bij voltooide mimesis: in allle gevallen waarbij het origineel zijn bestaan heeft te danken aan het beeld, zoals bij kabouters, trollen, sfinxen, engelen en duivels, goden en demonen, heiligen en (anti)helden. In deze zwakkere betekenis houdt men vol dat de door het beeld gesuggereerde originelen bestaan in een parallelle werkelijkheid, die meestal als 'hoger' wordt ervaren. In een sterkere betekenis gelooft men niet alleen dat het origineel in het beeld werkelijk bestaat, maar ook nog dat het hier en nu aanwezig is in het beeld zelf: het beeld wordt dan idool.

Al is er eigenlijk alleen sprake van 'het beeld voor werkelijk houden' in de sterke betekenis van de uitdrukking, het is niet onzinnig om ook 'het voor werkelijkheid houden' in de zwakke betekenis in ogenschouw te nemen. Want de originelen maken zich vaak los van de afzonderlijke beelden waaraan ze hun ontstaan hebben te danken en ontwikkelen zich dan tot imaginaire wezens in een imaginaire wereld op zich: denk aan de voorstelling van cyclopen of van godsdienststichter allerhande. Vermits die nooit hebben bestaan, konden ze nooit worden waargenomen, maar moeten ze telkens weer worden afgebeeld in waarneembare beelden of voorgesteld (veelal als herinnering aan - als beeld van - waarneembare beelden): ook hun onafhankelijk voortbestaan staat of valt met hun incarnatie in het beeld.

In dit hoofdstuk onderzoeken we wat het verschil is tussen beeld en idool, en tussen imaginaire en 'hogere' werkelijkheid. We beschrijven hoe het beeld ťn het origineel dat erin verschijnt er enerzijds toe neigen om de status van werkelijkheid te verwerven - vooral na de dood van God - en hoe het beeld zich anderzijds in toenemende mate emancipeert uit zijn status als idool en het imaginaire origineel uit zijn status van hogere werkelijkheid, al is die ontwikkeling nog lang niet voltooid.

Merken we op dat we het hier niet hebben over de groepsbindende functie van een idool - die werd besproken in VII, 2. Evenmin hebben we het over objecten of beelden die als symbool functioneren (al dan niet in een ritus) - dat aspect wordt besproken in VIII, 5 en 6. En we hebben het nog minder over de 'aura' van Benjamin. Niet alleen beelden hebben een aura: ook objecten verkrijgen ze door hun exotisch of historisch karakter (afstand in tijd en ruimte), doordat de eigenschappen van de maker of de bezitter erop afstralen (relieken), of door hun 'waarde' (mede bepaald door de uniciteit). De intrinsieke kwaliteit wordt daarbij geleidelijk vervangen door eigenschappen als originaliteit, nieuwheid, creativiteit, transgressiviteit, en wat dies meer zij (denk aan urinoir van Duchamp). We hebben het ook niet over de status van 'idool' die de kunstenaar hoe langer hoe meer wordt toegemeten. Dat begon al met de cultus van de kunstenaar als hogepriester of genie, en eindigt in het waanbeeld van de kunstenaar als revolutionair in het museum. Daarmee voltooit zich de ontbeelding van het beeld tot puur symbool in het ritueel van de permanente plaatsvervangende revolutie (VII, 5) - vergelijkbaar met brood en wijn (zie VIII, 5 en 6)


IDOOL EN HOGERE WERKELIJKHEID

We stelden in I, 1 nogal ongenuanceerd dat een beeld voor echt wordt gehouden bij de gepaste perceptieve instelling, en pas 'bij nader toezien' als beeld wordt ervaren. Het ogenblik is gekomen om erop te wijzen dat het vermogen om een beeld van de werkelijkheid te onderscheiden een vermogen is dat de mensen in de loop van de geschiedenis hebben verworven - exemplarisch in het verhaal van Pygmalion - en dat ze dat in de loop van hun individuele leven telkens opnieuw moeten doen - exemplarisch in het ophouden te geloven in Sinterklaas of de paasklokken. Het is maar de vraag in hoeverre die ontwikkeling in zowel de historische als de individuele dimensie bij allen en ten allen tijde is voltooid.

Inzake het geloof aan de werkelijkheid van de originelen in het beeld - het geloof in de werkelijkheid van het beeld in de zwakke zin - is het voor seculiere westerlingen niet overbodig eraan te herinneren dat de originelen van visuele beelden en (genoteerde) auditieve verschijningen - denk slechts aan verschijningen of aan goddellijke openbaringen - door velen worden ervaren als originelen die werkelijk bestaan. Ongetwijfeld is het zo dat er - van oudsher, maar zeker in seculiere tijden een groeiend besef is van het verschil tussen 'fictie' (al was het maar als jagerslatijn) en 'werkelijkheid'. Het valt velen niet meer moeilijk om mythen, legenden, en sprookjes allerhande naar het land der fabelen te verwijzen. Al moeilijker liggen de zaken inzake religieuze voorstellingen: gelovigen hebben er weinig moeite mee om de voorstellingen van andersgelovigen naar het rijk der fabelen te verwijzen, maar maken inzake hun eigen voorstellingen meer voorbehoud: god is wel geen man met een baard, maar wel ... Zelfs seculiere geesten die duidelijk onderscheid maken tussen de wereld van de kunst en de werkelijkheid, hebben het, zoals gezien in I, 12, des te meer over de 'waarheid' van het beeld naarmate het meer tot de voltooide mimesis behoort. En, als neemt het besef toe dat mimesis overwegend voltooide mimesis is en geen onvoltooide, het is maar de vraag in hoeverre (afgezien van de principiŽle tijdruimtelijke afwijkingen die we bespraken in I, 6) de beelden die we als 'natuurgetrouw' beschouwen wel degelijk behoren tot het domein van de onvoltooide mimesis. Nog de meest meest seculiere geesten zullen er moeite mee hebben te moeten toegeven dat de beelden die zij als herinnering in hun geest koesteren in belangrijke mate eigen creaties zijn - voltooide mimesis - en geen getrouwe weerspiegeling van wat ze ooit hebben waargenomen. Bovendien realiseren ze zich nauwelijks dat het merendeel van die beelden niet eens teruggaat op eigen waarneming van de werkelijkheid, maar op beelden die anderen daarvan hebben gemaakt - en waarvan ze dus niet kunnen weten in hoeverre ze getrouw zijn. Zelfs als het gaat om grotendeels getrouwe herinneringen aan eigen waarnemingen, zagen we al in I, 9 hoezeer die waarnemingen veelal fundamenteel zijn voorgevormd door de herinnering aan beelden - hoezeer de fundamentele tendens van mimesis er niet zozeer in bestaat om het afwezige tegenwoordig te stellen, dan wel om het waarneembare te verdrijven door het te verdrinken in een cocon van imaginaire originelen. Het is dus maar de vraag in hoeverre ook seculiere geesten bereid zijn te aanvaarden hoezeer de beelden die zij beschouwen als getrouwe weergave van de werkelijkheid in belangrijke mate kunnen afwijken van wat zich werkelijk heeft voorgedaan - zodat de originelen die zij achten werkelijk te bestaan, in feite alleen maar beelden zijn van een imaaginaire wereld, al verschilt die niet zo veel van de werkelijke als de manifest mythische, religieuze, en legendarische. Dat blijkt het duidelijkst uit ons onvermogen om in te zien dat de werkelijkheid slechts in het hier en nu voor ons individuele zelf waarneembaar is, en dat alle elders, alle verleden, en alle toekomst voor ons slechts als beeld (of weten) bestaat dat grotendeels tot het domein van de voltooide mimesis behoort en dus een grotendeels imaginaire wereld constitueert.

Inzake het geloof aan de werkelijkheid van de beelden in de sterke zin - de overtuiging dat het beeld niet alleen een verschijning is, maar tevens ook het origineel belichaamt - geldt dat het gemak waarmee ze worden geproduceerd, gereproduceerd en gedistribueerd ons daar heel wat minder vatbaar voor maakt: we geloven niet langer dat de nieuwslezer ons daar in het televisietoestel voor ons in levenden lijve aanspreekt, noch dat het persoon zelf is die ons daar toelacht op zijn selfie on onze smartphone toelacht Maar ook dat vermogen om de werkelijkheidsaanspraken van het beeld te doorzien is geen vaste verworvenheid. Het is waar dat we in de regel geheugenbeelden meteen als beelden ervaren: de stortvloed van waarnemingen om ons heen belet dat we er zozeer in opgaan dat we ze voor echt houden. Maar dat is al moeilijker als we ons overgeven aan dagdromen waarin we actief zijn als handelende wezens. Het is nog moeilijker bij waarneembare beelden (onmiddellijke mimesis): al weten we dat de foto niet de persoon zelf is, het valt niet mee om te vrijen met een nieuwe partner als het portret van de oude in de kamer staat, of om de foto van een geliefde te verscheuren, terwijl dat bij het portret van een vijand een bron is van extra genoegen. De ijver waarmee we de nachtmerrie proberen te verdrijven door ons krampachtig vast te klampen aan de waarneming, leert ons alleen maar hoe de mimetische proef eerder iets heeft van een paraat afweermechanisme dan van een vanzelfsprekende ontwaarding. De hallucinatie toont aan hoe gemakkelijk het onderscheid tussen waarneming en voorstelling kan vervagen. En het fenomeen van de (intrazintuiglijke en interzintuiglijke) illusies leert hoe elke waarneming op zich eigenlijk een 'gevonden' beeld is, zoals we aantoonden in I, 3. In het algemeen moet er aan herinnerd dat de mogelijkheid om beelden te maken juist berust op onze goedgelovigheid - op onze bereidheid om minstens tijdelijk het uitvoeren van de mimetische proef op te schorten.

De onverenigbaarheid van de wereld van het beeld met die van de werkelijkheid leidt tot het opsplitsen van de werkelijkheid in een 'diesseits' - de gewone werkelijkheid die waarneembaar (en manipuleerbaar) is in alle zintuiglijke dimensies - en een 'jenseits' dat zich in mindere of meerder mate aan de waarneming (of het manipuleren) onttrekt. Afhankelijk van de mate van het geloof in de werkelijkheid van beelden, wordt dat 'jenseits' ofwel ervaren als een imaginaire - niet bestaande - wereld, ofwel als een 'hogere' werkelijkheid. In dat laatste geval stelt zich de vraag naar de verhouding van die parallelle wereld tot de oorspronkelijke. De manier waarop men zich die relatie voorstelt, verandert in de loop der tijden. Het probleem stelt zich het dringendst in de ruimtelijke dimensie omdat de waarneming ons in een onontkoombare diesseitige ruimte situeert. Al van de revenants en de geesten van voorouders op tribaal niveau was het niet altijd duidelijk of ze leefden op de plaats waar hun beelden stonden opgesteld of werden opgevoerd, dan wel in een elders te situeren jenseitig 'wereld van de voorouders'. Pas de goden, met hun bijbehorend hiernamaals - van de onderwereld waar Pluto heerst tot de hemel en de hel van het christendom - schijnen zich terug te trekken in een echt 'jenseits', een wereld die voor de normale waarneming niet langer toegankelijk is, en waar we dus beelden voor moeten maken om ze in het diesseits te kunnen waarnemen. Vanuit die jenseitige wereld komen de voor echt gehouden originelen dan als verschijningen - 'epifanieŽn' - tot ons, en naar die jenseitige wereld verhuizen we tijdens of na het leven tijdelijk of voor eeuwig, voor zover we er al niet bij onze geboorte uit zijn neergedaald. In de tijdelijke dimensie is het probleem minder dringend, vermits verleden en toekomst zich aan de waarneming onttrekken - alleen als beeld bestaan. Daarom blijven de schepping en het einde der tijden (apocalyps, Laatste Oordeel) tot de komst van de geschiedschrijving en de evolutieleer het fantastische begin- en eindpunt waartussen het waarneembare nu zich van moment tot moment voorthaast. Naarmate de wereld seculariseert, neemt het geloof in het bestaan van zo'n hogere werkelijkheid af: het jenseits vervluchtigt tot de imaginaire 'wereld van de kunst'. Omdat er geen hogere werkelijkheid meer is, moet de imaginaire wereld ingepast in de tijdruimte van de bestaande wereld. In de dimensie van de ruimte kunnen de utopia's en distopia's nog een tijdlang worden verwezen naar verre plaatsen waar romanhelden - maar ook avonturiers zoals Gaugin - naartoe reizen of van terugkeren (zoals de wereld van Gulliver of The lord of de ring). Naarmate getrouwe beelden (onvoltooide mimesis) van de hele wereld over de hele wereld beschikbaar worden, wordt het tot diesseits geworden jenseits almaar meer verwezen naar de uithoeken van het heelal, zoals in de science fiction met zijn imaginaire werelden op andere planeten. In de tijdelijke dimensie blijft de splitsing nog nazinderen in voorstellingen over een atlantisch verleden of een utopische toekomst. Naarmate onze kennis ook doordringt tot het verleden, en almaar meer - getrouwe beelden van - resten van verleden tijden - ruÔnes, werktuigen, fossielen - worden verspreid, trekt de verbeelding zich hoe langer meer terug in de nog ongekende toekomst. - waar geen (beelden van) waarnemingen de voltooide mimesis kunnen ontkrachten. De voormalige voorstellingen over jenseitige eindtijden maken plaats voor de talloze vanuit de hedendaagse feitelijkheid geŽxtrapoleerde doemscenario's.

De constructie van een jenseits in een parallelle wereld bracht met zich dat het beeld - een in het diesseits waarneembare verschijning - onontbeerlijk werd om zich van die wereld een voorstelling te kunnen maken. Dat verleidde velen ertoe om de opkomst van het beeld te verbinden met de opkomst van een geloof in een jenseits - van Lukacs tot Scruton. Terwijl Lukacs in de emancipatie van de opdracht om het onwaarneembaar transcendentale waarneembaar te maken de voorwaarde onderkent voor een volle ontplooiing van het beeld, ziet Scruton in de godsdienst eerder de natuurlijke voedingsbodem ervan. Dat laatste zou impliceren dat met dood van de goden - die overigens levendiger zijn dan ooit - ook de kunst zou sterven - een negatieve variant van de versie Renan/Guyau en de in vorig hoofdstuk beschreven pleitbezorgers van de omvorming van de werkelijke wereld door wetenschap, techniek, en revolutie die het einde zouden inluiden van het 'rijk van de kunst'. Het volstaat om eraan te herinneren dat niet alle jenseitige werelden religieus zijn (van fictie als zodanig - Gulliver, Tolkien, science fiction - tot socialistische, kapitalistische, of gewoonweg esthetische utopieŽn zoals die van Mondriaan). Maar vooral moet eraan herinnerd dat in eerste instantie het verlangen om aardse esthetische ervaringen te intensifieren aanleiding is tot het maken van beelden. Eerder dan de godsdienst (en het ontkennen van geboorte en dood) is daarom de erotiek de echte voedingsbodem van het beeld: het beeld heeft altijd gefloreerd op een brede erotische onderstroom - en dat geldt niet alleen voor de visuele beelden, maar ook voor de auditieve: 80 % van liedjesproductie gaat over de liefde. De paradox van het geloof in een echte - niet waarneembare, onstoffelijke - transcendente wereld is dat hij zijn toevlucht moet nemen tot de betovering van het diesseits: exemplarisch in het dodenmasker en de mummie die ondubbelzinnig getuigen van het onvermogen en de onwil om het diesseitige in te wisselen tegen het jenseitige. Geen wonder dat de houding van de godsdiensten tegenover de kunst zeer dubbelzinnig is. Precies omdat het beeld de jenseitige wereld verankert in het diesseits, zijn er vanaf Boeddha, Mozes en Plato ook hevige weerstanden tegen de idolatrie, die zich uitbreidt tot een iconoclastische trend die werd hernieuwd door Mohammed (en beeldenstormers van de iconoclasten ikn de 8e eeuw, over Savonarola en de protestanten, tot Dworkin en de salafisten). De woede waarmee de iconoclasten tekeer gaan, leert alleen maar hoezeer het icoon voor idool wordt gehouden. Hoezeer de godsdienst niettemin staat of valt met het beeld, blijkt uit het feit dat het mimetische taboe zeer differentieel is: het treft alleen het paradigma van het beeld - het visuele beeld - niet het auditieve beeld van gods openbaring, en al helemaal niet het middellijke beeld - het verhaal, zonder dewelke geen godsdienst zou kunnen overleven.


BEELD VERSUS IDOOL, IMAGINAIRE VERSUS HOGERE WERKELIJKHEID

Wij definieerden het beeld als een verschijning zonder origineel, als een verschijning die haar belofte niet inlost. Allen die geloven dat met de verschijning ook het origineel is gegeven, geloven dus dat het beeld werkelijk is, en beroven het daarmee van zijn status als beeld. Voor deze 'harde' gelovigen wordt het beeld tot idool: de verschijningen in Lourdes en Fatima zijn voor hen geen collectieve hallucinaties.

Ook maakten we onderscheid tussen onvoltooide en voltooide mimesis. Bij voltooide mimesis wordt het origineel in het beeld geschapen door de kunstenaar, en het bestaat dus alleen als suggestie - in een imaginaire wereld. Dan is duidelijk dat er voor allen die geloven in het bestaan van het origineel in het beeld geen sprake is van voltooide, maar van onvoltooide mimesis. Deze 'zwakke' gelovigen erkennen wel het beeld als beeld, maar ze zijn niettemin van mening dat het origineel in het beeld het duplicaat is van een origineel in een of andere 'hogere' werkelijkheid (of 'Hinterwelt'). De notie 'voltooide mimesis' is dus, net zoals de notie 'beeld', blijkbaar een historische categorie.

Opdat een (origineel in het) beeld voor werkelijkheid wordt gehouden, moet het mimetisch verschil geneutraliseerd. Alleen al de sterkte van het verlangen om het origineel waar te nemen kan volstaan om ons elk mimetisch verschil te doen vergeten - of te verdringen: denk niet zozeer aan de omgang met erotische beelden, dan wel vooral aan het verlangen om de dode weer levend te weten, dat menig sterveling ervan overtuigde dat zijn hallucinaties of dromen echte verschijningen van hun overleden geliefden waren. Maar het helpt als ook tijdens de gepaste perceptieve instelling ( I, 1) niets erop wijst dat we met een beeld hebben te maken: als er geen oneigenlijke mimetische proef mogelijk is (I, 11). Dat kan door alles wat het beeldkarakter van het beeld in het daglicht stelt te neutraliseren: het verdonkeremanen van de aanwezigheid van een mediumaal veld (de verschijning in een grot, van Lascaux tot Lourdes, vermomt het mediumaal veld als doorkijk, net zoals het virtueel oplossen ervan bij de vele vormen van 'immersion'), het uitvoeren van de echte mimetische proef onmogelijk maken (bv. door het beeld op een sokkel te plaatsen of hoog in de gewelven zoals bij de Jesu in Rome) het gebruik van een zo heteronoom mogelijk mimetisch medium (geen suggestie, zeker niet van een derde dimensie), het waarneembaar maken van de verschijning (vermijden van middellijke mimesis). Om de ervaring van echtheid kracht bij te zetten, heeft de intussen afgezaagde trope 'Dit is echt gebeurd' nog niets van haar overtuigingskracht verloren, exemplarisch in de verschijning van de herrezen Christus die de ongelovige Thomas ertoe overhaalde om zijn vinger in de wonde te leggen, om zich ervan te vergewissen dat de herrijzenis - en bij uitbreiding: het collectieve geloof in geesten en wonderen - geen inbeelding was. Ook een duizelingwekkende high-definition helpt: bij uitstek fantastische originelen vragen om een verzadigde, niet-suggestieve weergave: juist omdat ze ons niet vertrouwd zijn, kunnen we niet rekenen op voorafbestaande mentale schema's of herinneringen om ze in te vullen. En uiteraard helpt het ook als de toeschouwer er - mede door talloze andere beelden - van kleins af aan van werd doordrongen dat de transcendente wereld echt bestaat, vooral als dat geloof wordt bevestigd door velen, bij voorkeur door een aanwezige massa, zoals bij de verschijningen in Lourdes en Fatima. Dat geldt niet alleen voor traditionele godsdiensten, maar ook voor de pseudoreligieuze werelden van schilders zoals Mondriaan en Kandinsky. Omgekeerd is het geseculariseerde beeld - het eigenlijke beeld - een beeld dat zijn beeldkarakter benadrukt door zowel de eigenlijke proef mogelijk te maken als de oneigenlijke te benadrukken, zoals we beschreven in I, 11.


OPRITTEN NAAR DE WERELD VAN HET BEELD (1): VAN IDOOL NAAR BEELD

Nadat we dus duidelijk hebben aangegeven wat het verschil is tussen beeld en idool, tussen imaginaire en hogere werkelijkheid, komt het erop aan te tonen hoe beide tegenstellingen met elkaar kunnen worden verward. Omdat beeld en imaginaire werkelijkheid historisch gezien de recentere fenomenen zijn, behandelen we hier eerst de opritten naar het beeld - in casu: de emancipatie van het beeld - en pas daarna de afritten - de re-idolisering van het beeld.

Stellen we eerst dat al van in de oertijden de mens in staat was een beeld als beeld te onderscheiden: daarvan getuigt ondubbelzinnig het bestaan van spiegels. Afgezien daarvan geldt wel dat bij uitstek voorouderbeelden en godenbeelden heel vaak als idool werden benaderd - tenminste door de nakomelingen of gelovigen, want alle anderen hebben er de hele geschiedenis door nooit graten in gezien om die 'afgodsbeelden' aan diggelen te slaan. Wat dat betreft zijn de buitenstaanders altijd 'seculier' geweest, en wie niet gelooft in het bestaan van de originelen, gelooft al helemaal niet dat ze aanwezig zijn in het beeld ervan. Naarmate de bijbehorende cultussen verdwenen door het afstervan van de bijbehorende gemeenschappen of door overbrengen van de cultusbeelden naar andere gemeenschappen voor wie ze slechts afgoden waren, maar bij uitstek sedert de ook interne secularisering van de wereld, werden vele idolen gewoonweg gereduceerd tot de status van beeld: slechts de verschijning van onbestaande originelen. In het Westen kregen vele beelden een nieuwe functie: als historische documenten (mummies, dodenbeelden) of als kunstvoorwerpen: beelden van voortaan slechts imaginaire werkelijkheden.


OPRITTEN NAAR DE WERELD VAN HET BEELD (2): VAN HOGERE WERKELIJKHEID TOT IMAGINAIRE WERELD

Dat de idolen tot beelden worden ontwaard, houdt in dat de originelen die ze oproepen tot de status van 'afgoden' of 'mythen' - tot imaginaire wereld - worden herleid. De lotgevallen van goden worden tot lotgevallen van imaginaire wezens in mythen en sprookjes, en die van helden (van Gilgamesj tot Odysseus) tot legenden. Het is maar de vraag in hoeverre ook de seculiere opvolgers van de religieuze wereldbeelden als imaginair worden ervaren: hoe weinig dat het geval is, valt gemakkelijk te toetsen aan socialistische en fascistische wereldbeelden die voor velen nog als hogere werkelijkheid worden ervaren.


AFRITTEN UIT DE WERELD VAN HET BEELD (1): VAN BEELD TOT IDOOL

Die historische trend houdt de mogelijkheid in tot regressie of fixatie.

Algemeen geldt dat er geen (volwassen) mensen meer zijn die - voor en na het innemen van de gepaste perceptieve houding tijdens de omgang met het beeld - geloven dat het beeld naast de verschijning ook het origineel belichaamt, ook niet bij randgevallen zoals het trompe l'oeil. Alleen bij klaarblijkelijk pathologische toestanden als de hallucinatie is dat nog het geval. Maar ook hier ervaart alleen degene die hallucineert zijn beeld als werkelijkheid, niet de omstaanders: die hebben precies de term '(collectieve) hallucinatie' bedacht om aan te duiden dat we maar met een beeld hebben te maken.


AFRITTEN UIT DE WERELD VAN HET BEELD (2): VAN IMAGINAIRE NAAR HOGERE WERKELIJKHEID

Heel anders liggen de zaken inzake de regressie naar of fixatie in het stadium waarbij het origineel in het beeld als werkelijk wordt ervaren. Om te beginnen is de secularisering geenszins een wereldomvattend fenomeen, en ook in haar traditionele thuisland in het Westen is ze geenszins doorgedrongen tot alle lagen van de bevolking: velen geloven nog in goden en heiligen, een hiernamaals, en het voortbestaan van de ziel. Ongetwijfeld is de monopoliepostie van het christendom aangetast sedert de Renaissance en vooral sedert de Verlichting, maar dat betekent geenszins dat wetenschappelijke wereldbeelden in de plaats komen. Als ze dat al doen, dan is het op vlak van politiek (alle varianten van liberalisme en socialisme, evenals darwinisme en nationalisme). In de wereld van de kunst vinden we slechts sporadische echo's daarvan (nationalistische kunst, erfelijkheidsleer bij naturalisme, socialistische en fascistische kunst), en ze nemen dan vaak de gedaante aan van 'hogere werkelijkheden' die niet meer in vraag kunnen worden gesteld. De kunst reageert eerder op de 'onttovering van de wereld'. Ze wordt daardoor een bastion voor allerlei ersatzgodsdiensten. In de Renaissance ging het vooral om de antieke mythologie, maar de waaier van vergane of exotische religieuze voorstellingen wordt almaar wijder opengevouwen: denk aan de lokale (Keltische, Germaanse) en exotische mythologieŽn en godsdiensten (de theosofie en antroposofie bij Kandinsky en Mondriaan), en uiteindelijk ook de animistische voorstellingen van 'primitieve culturen', voor zover de kunstenaars al geen eigen cocktails beginnen te brouwen (Blake, HŲlderlin, Wagner) en zich gaan gedragen als nieuwe godsdiensstichters (Joseph Beuys, Hermann Nitsch, en Wim Delvoye). Hoe langer hoe meer worden de kunstenaars ook woordvoerders van antiwetenschappelijke 'filosofische' stromingen: Nietzsche, Bergson, existantialisme, structuralisme, Lacan, postmodernisme enz.). En hoe langer hoe meer ontwikkelt zich een eigen artistieke ideologie: de cultus van de creativiteit en de transgressie, uitmondend in de permanente plaatsvervangende revoloutie, zoals we zagen in VII, 5.

Heel deze ontwikkeling weerspiegelt zich in het denken over kunst. Naar het voorbeeld van haar dienstbaarheid in het religieuze wereldbeeld werd kunst lange tijd beschouwd als ondergeschikt aan de wetenschappelijk-filosofische weerspiegeling (nog bij Hegel en Croce). Maar hoe langer hoe luider worden de stemmen die beweren dat het beeld - de kunst - een hogere vorm van kennis is: van Schopenhauer tot Freud en Jung.

Al zijn er velen die geloven in de waarheid van achterhaalde mythen of van wetenschappelijke theorieŽn die als mythen gaan functioneren veeleer dan als te falsifiŽren voorlopige leidraden, het gaat - alle theorieŽn over 'collectief onbewuste' en 'oersymboliek' ten spijt - niet langer om collectief aanvaarde wereldbeelden, maar om min of meer regionale of particuliere wereldbeelden, zo niet om louter 'private mythologieŽn', die door de kunstliefhebbers even weinig ernstig worden genomen als dag- of nachtdromen, bij uitstek als het gaat om 'transcendente werelden' waarvan de kunstenaars niet langer de illustrators, maar de instigators zijn. Met de proliferatie van profeten, neemt ook de levensduur en de alomtegenwoordigheid van hun creaties af: Urizen komt alleen voor in de wereld van William Blake. Zo worden de transcendentale werelden ontwaard doordat er telkens nieuwe worden geschapen. Hun aantal neemt almaar toe om uiteindelijk samen te vallen met het aantal kunstenaars. Naarmate hun aantal toeneemt, daalt hun geloofwaardigheid: terwijl Jezus lange tijd voor velen een autoriteit was, nemen weinigen Wotan nog voor een echte god, en tegen de stier van Nitsch kunnen alleen maar dierenbeschermers gemobiliseerd.

Daarom is een echte afrit uit de wereld van het beeld nauwelijks nog geloofwaardig: de mimetische waan bestaat hoogstens tijdelijk als een voorbijgaande droom van een paar uur, zoals bij Nietzsche en Wagner, voor zover de hele onderneming niet al van meet af aan als farce wordt ervaren, zoals bij Nitsch in Friedrichshof. Alleen bij antiwetenschappelijke geesten figureren kunstenaars nog graag als begenadigden die toegang hebben tot kennis die wetenschappers ontgaat.


MENGING VAN BEELD EN IDOOL

Menging is onmogelijk: ofwel ervaart men het beeld als een idool of als toegangspoort tot hogere werkelijkheid, ofwel als beeld en als verschijning van een niet-bestaande wereld. Mogelijk is alleen een overgang van de ene benadering naar de andere in beide richtingen.


CONCLUSIE

Na het 'verwerkelijken' en het 'verdesignen' van de kunst (van het maken van beelden) is er een derde manier om de uitdaging van het maken van beelden uit de weg te gaan - een derde uiting van het mimetisch taboe: de 'veridolisering' van de kunst (van het maken van beelden) en de kunstenaar.


SAMENVATTING

Het beeld kan voor werkelijk worden gehouden in een sterke betekenis (het origineel in het beeld is aanwezig in het beeld: idool) en in een zwakkere betekenis (het origineel in het beeld bestaat werkelijk in een hogere werkelijkheid). Het vermogen om het beeld van de werkelijkheid te onderscheiden moet door de mensheid en door individuen worden verworven, en dat is niet bij allen, niet op alle terreinen, en niet altijd het geval. In al die gevallen wordt de eigenaard van het beeld miskend. Vele idolen die de belichaming waren van een hogere werkelijkheid, worden in toenemende mate tot gewone beelden van een voortaan als imaginair ervaren werkelijkheid. Dat neemt niet weg dat velen beelden als idolen blijven beschouwen of als de verschijningen van een hogere werkelijkheid. Pas door tegen beide trends in te werken kan het beeld zich ten volle ontplooien en de hele waarier van imaginaire werkelijkheden - van pure waan tot 'dieper inzicht' - ontvouwen.


 
 
ontdek
mijn nieuwe e-boek:

zelfomslag

het zelfbeeld
tussen spiegel en dagboek