het beeld: mimesis herbekeken
deel II: domeinen van het aanschouwelijke

hoofdstuk 9: hoge en lage verschijningen naar zintuiglijk domein



INLEIDING

Van oudsher, maar bij uitstek sedert de invoering van de 'esthetica', maakt men onderscheid tussen hogere en lagere zintuigen, vaak in één adem met het onderscheid tussen de hogere of lagere fenomenen die in die hogere en lagere zintuiglijke domeinen verschijnen. Dat is een probleem. Want al streelt lekkere wijn het verhemelte, men kan er ook een visueel beeld van maken. In de discussie omtrent de 'hogere en de lagere kunsten' komt het erop aan duidelijk aan te geven of we het hebben over de rang van originelen, die van zintuiglijke verschijningen van werkelijke originelen, die van beelden als autonome mimetische media, en die van mimetische media. De rang van originelen - de vraag naar wat belangrijk is in de werkelijkheid - doet in een boek over het beeld niet ter zake. De rangorde van mimetische media komt in volgend deel aan bod (III, 9), en die van de beelden als autonome verschijningen in IV, 6). In dit hoofdstuk beperken we ons tot de rang van de verschijningen naar gelang van het zintuiglijke domeinen waartoe ze behoren.

De rang verschilt uiteraard naar gelang van het criterium dat bij de waardering wordt gebruikt. We onderscheiden achtereenvolgens het vermogen om een wereld te ontsluiten en het vermogen om lust op te wekken.


DIFFERENTIEEL VERMOGEN OM EEN WERELD TE ONTSLUITEN

Alleen oog en oor verschaffen rechtstreeks toegang tot een tijdruimtelijke heterogene wereld - een wereld waarin talloze objecten voorkomen die aan alle mogelijke soorten verandering zijn onderworpen. De tastzin geeft toegang tot een tijdruimtelijke veel beperktere wereld, en het ontsluiten ervan neemt veel meer tijd in beslag omdat we die wereld stap vor stap moeten aftasten. De geurzin en de smaakzin geven slechts toegang tot tijdruimtelijk homogene werelden, al kunnen die werelden onderling zeer heterogeen zijn. Hetzelfde geldt voor de interoceptieve waarneming vam het lichamelijk functioneren en van de processen die gevoelens begeleiden. De interoceptieve waarneming van gedachten en herinneringen daarentegen ontsluit werelden die tijdruimtelijk zo mogelijk nog meer heterogeen zijn dan de werelden die worden ontsloten door oog en oor, maar dat zijn geen waarnemingen van werkelijkheid, maar van natuurlijke beelden, waar we moeten op terugkomen in deel IV. Wat de eigenlijke waarneming betreft zijn oog en oor dus superieur que complexiteit van de rechtstreeks ontsloten wereld.

Vervolgens is alleen de visuele wereld permanent gegeven. In alle andere zintuiglijke domeinen verschijnen fenomenen die slechts tijdelijk - intermittent - waarneembaar zijn. Geen wonder dat de visuele wereld het basisweefsel is - de matrix - waarop de gegevens van alle anderzintuigen worden geënt.

Daar komt bij dat het vermogen om interzintuiglijk of contextueel te worden opgeladen varieert. Het is zinniger om afstandszintuigen op te laden met meer informatie, terwijl contactzintuigen eerder vragen om effectieve bijkomende waarneming door de afstandzintuigen. De al rijke wereld die wordt ontsloten door oog en oor wordt daardoor nog eens extra verzadigd.

Ten slotte is er inzake geuren het bijkomende probleem van de meerduidigheid: de geuren blijven kleven aan wie ze heeft aangeraakt, zodat de geur niet altijd wijst op het aanwezigheid van het object waar ze oorspronkelijk van uitgingen. Zo kan lavendelgeur eerder wijzen op de aanwezigheid van zeep dan op die van de lavendelplant.


DIFFERENTIEEL VERMOGEN OM PUUR ZINTUIGLIJKE LUST OP TE WEKKEN

Het is duidelijk dat het vermogen om puur zintuiglijke lust op te wekken omgekeerd evenredig is aan het vermogen om een wereld op te roepen. Niemand zal er wel aan twijfelen dat die lust het meest intens is bij erotische tastzin (huid, lippen en tepels, genitale tastzin), en bij de smaak. Veel minder sterk is de lust bij het ruiken, en nog minder sterk de rechtstreekse lust aan licht en kleur of aan pure klank.

Het omgekeerde geldt voor het vermogen om meer 'geestelijke' lust op te wekken. Geestelijke lust is de morele lust die het goede wil waarnemen: de lust bij het bestraffen van de moordenaar, bij het vergelden van onrecht, bij het aanschouwen van rechtvaardigheid, van trouw, of, omgekeerd, de lust aan het kwade - het overtreden van de regels, de transgressie. Geestelijk is ook de politieke lust aan de triomf over de vijand. Geestelijk is ook de intellectuele lust aan het doorschouwen van de compositie. Deze vormen van lust nemen alleen maar toe naarmate de zintuigen in staat zijn een wereld te ontsluiten, maar ze overstijgen dan weer de aanschouwelijkheid omdat ze niet langer ontvlammen aan pure aanschouwelijkheid, maar eerder aan de interzintuiglijke en amplificerende opgelading daarvan. Bovendien geldt dat deze vormen van esthetische lust ook kunnen opgewekt door pure mededelingen; dat onrecht wordt vergolden of de pure vermelding van trouw. Intellectuele lust aan de waarheid daarentegen is al helemaal niet meer aanschouwelijk, maar puur noumenaal.

Op de relatie tussen puur zintuiglijke en meer geestelijke - esthetische - lust komen we uitvoerig terug in VII, 4.



CONCLUSIE

Visuele verschijningen een tijdruimtelijk meer omvattende wereld dan de lagere zintuigen. Daar staat tegenover dat qua pure zintuiglijke lust de laagste zintuigen uiteraard de hoogste. Hogere vormen van esthetische lust worden daarentegen pas mogelijk naarmete de pure aanschouwelijkheid wordt opgeladen door interzintuiglijke (erotische tastindrukken opgeladen door waarneming van innerlijke gesteldheid) en bij uitstek door contextuele oplading.

 
 
ontdek
mijn nieuwe e-boek:


zelfomslag

het zelfbeeld
tussen spiegel en dagboek