INLEIDING
Van oudsher, maar bij uitstek sedert de invoering van de
'esthetica', maakt men onderscheid tussen hogere en lagere zintuigen,
vaak in één adem met het onderscheid tussen de hogere of lagere fenomenen die in die hogere en
lagere zintuiglijke domeinen verschijnen. Dat is een probleem. Want al
streelt lekkere wijn het verhemelte, men kan er ook een visueel beeld
van maken. In de discussie omtrent de 'hogere en de lagere kunsten' komt het erop
aan duidelijk aan te geven of we het hebben over de rang van originelen, die van zintuiglijke verschijningen
van werkelijke originelen,
die van beelden als autonome mimetische media, en die van mimetische media. De
rang van originelen - de vraag naar wat belangrijk is in de
werkelijkheid - doet in een boek over het beeld niet ter
zake. De rangorde van mimetische media komt in volgend deel aan bod
(III, 9), en die van de beelden als autonome verschijningen in IV, 6). In dit hoofdstuk beperken we ons tot de rang van de verschijningen
naar gelang van het zintuiglijke domeinen waartoe ze behoren.
De rang verschilt uiteraard naar gelang van het criterium dat bij de
waardering wordt gebruikt. We onderscheiden achtereenvolgens het
vermogen om een wereld te ontsluiten en het vermogen om lust op te
wekken.
DIFFERENTIEEL VERMOGEN OM
EEN WERELD TE ONTSLUITEN
Alleen oog en oor verschaffen rechtstreeks toegang tot een tijdruimtelijke heterogene wereld - een wereld waarin talloze objecten voorkomen die aan alle
mogelijke soorten verandering zijn onderworpen. De tastzin geeft
toegang tot een tijdruimtelijke veel beperktere wereld, en het ontsluiten
ervan neemt veel meer tijd in beslag omdat
we die wereld stap vor stap moeten aftasten. De geurzin en de smaakzin geven slechts toegang
tot tijdruimtelijk homogene werelden, al kunnen die werelden onderling zeer
heterogeen zijn. Hetzelfde geldt voor de interoceptieve waarneming vam
het lichamelijk functioneren en van de processen die gevoelens
begeleiden. De interoceptieve waarneming van gedachten en herinneringen
daarentegen ontsluit werelden die tijdruimtelijk zo mogelijk nog meer
heterogeen zijn dan de werelden die worden ontsloten door oog en oor,
maar dat zijn geen waarnemingen
van werkelijkheid, maar van natuurlijke beelden, waar we moeten op terugkomen in deel IV. Wat de
eigenlijke waarneming betreft zijn oog en oor dus superieur que
complexiteit van de rechtstreeks ontsloten wereld.
Vervolgens is alleen de visuele wereld permanent gegeven. In alle andere
zintuiglijke domeinen verschijnen fenomenen die slechts tijdelijk -
intermittent - waarneembaar zijn. Geen wonder dat de visuele wereld het
basisweefsel is - de matrix - waarop de gegevens van alle anderzintuigen
worden geënt.
Daar komt bij dat het vermogen om interzintuiglijk of contextueel te
worden opgeladen varieert. Het is zinniger om afstandszintuigen op te
laden met meer informatie, terwijl contactzintuigen eerder vragen om
effectieve bijkomende waarneming door de afstandzintuigen. De al rijke wereld die
wordt ontsloten door oog en oor wordt daardoor nog eens extra verzadigd.
Ten slotte is er inzake geuren het bijkomende probleem van de
meerduidigheid: de geuren blijven kleven aan wie ze heeft aangeraakt,
zodat de geur niet altijd wijst op het aanwezigheid van het object waar
ze oorspronkelijk van uitgingen. Zo kan lavendelgeur eerder wijzen op de
aanwezigheid van zeep dan op die van de lavendelplant.
DIFFERENTIEEL VERMOGEN OM
PUUR ZINTUIGLIJKE LUST OP TE WEKKEN
Het is duidelijk dat het vermogen om puur zintuiglijke lust op te wekken
omgekeerd evenredig is aan het vermogen om een wereld op te roepen.
Niemand zal er wel aan twijfelen dat die lust het meest intens is bij
erotische tastzin (huid, lippen en tepels, genitale tastzin), en bij de
smaak. Veel minder sterk is de lust bij het ruiken, en nog minder sterk
de rechtstreekse lust aan licht en kleur of aan pure klank.
Het omgekeerde geldt voor het vermogen om meer 'geestelijke' lust
op te wekken. Geestelijke lust is de
morele lust die het goede wil waarnemen: de lust bij het bestraffen van de moordenaar, bij het vergelden
van onrecht, bij het aanschouwen van rechtvaardigheid, van trouw, of,
omgekeerd, de lust aan het kwade - het overtreden van de regels, de
transgressie. Geestelijk is ook de politieke lust aan de triomf over de
vijand. Geestelijk is ook de intellectuele lust aan het doorschouwen van de
compositie. Deze vormen van lust nemen alleen maar toe naarmate de zintuigen in staat
zijn een wereld te ontsluiten, maar ze overstijgen dan weer de
aanschouwelijkheid omdat ze niet langer ontvlammen aan pure
aanschouwelijkheid, maar eerder aan de interzintuiglijke en amplificerende opgelading
daarvan. Bovendien geldt dat deze
vormen van esthetische lust ook kunnen opgewekt door pure mededelingen;
dat onrecht wordt vergolden of de pure vermelding van trouw.
Intellectuele lust aan de waarheid daarentegen is al helemaal niet meer
aanschouwelijk, maar puur noumenaal.
Op de relatie tussen puur zintuiglijke en meer geestelijke - esthetische
- lust komen we uitvoerig terug in VII, 4.
CONCLUSIE
Visuele verschijningen een tijdruimtelijk meer
omvattende wereld dan de lagere zintuigen. Daar staat tegenover dat qua
pure zintuiglijke lust
de laagste zintuigen uiteraard de hoogste. Hogere vormen van esthetische
lust worden daarentegen pas mogelijk naarmete de pure aanschouwelijkheid
wordt opgeladen door interzintuiglijke (erotische tastindrukken
opgeladen door waarneming van innerlijke gesteldheid) en bij uitstek
door contextuele oplading.