INLEIDING: HET BEGRIP INTEROCEPTIE
Tegenover
exteroceptoren - zintuigen die de buitenwereld waarnemen -
en de 'liminoceptoren' die we in vorige hoofdstuk introduceerden, staan de interoceptoren - de zintuigen die de binnenwereld of de
'innerlijke wereld' waarnemen.
Om misverstanden te vermijden, moet hier duidelijk gesteld dat
interoceptie niet mag worden verward met de
zelfwaarneming, en zeker niet met proprioceptie in de zin van de
interoceptieve waarneming van (de houding van) het eigen lichaam. Bij elke waarneming van de buitenwereld - exteroceptie -
nemen we niet alleen de buitenwereld waar, maar ook het waarnemende
subject: we zien immers niet alleen de voelende hand, maar ook - zij het
dan vanuit een vogelperspectief - het voelende subject. Bij afstandszintuigen
zijn beide waarnemingen ruimtelijk gescheiden, maar bij contactzintuigen
vallen ze samen: de voelende hand voelt niet alleen het gevoelde object, maar
ook zichzelf. Ook ervaring van pijn en jeuk, voor zover veroorzaakt door
objecten uit de buitenwereld, behoren tot deze dubbele categorie. Niet
alleen bij waarneming van de buitenwereld, maar ook bij die van de
binnenwereld is er zo'n splitsing: gedachten en visuele beelden worden
waargenomen vanuit een innerlijk oor en oog, gevoelens worden ter
plaatse waargenomen, ongeveer zoals tastervaringen; onder centrale
supervisie van het derde oog. Zelfwaarneming in zin van de waarneming
van het waarnemend subject, hoort dus wezenlijk bij waarneming als zodanig. Ook in
de zin van zelfwaarneming als de waarneming van alle verschijningen van het
eigen lichaam vallen interoceptie
en proprioceptie niet samen: het ik kan zowel de uiterlijke verschijning
van zichzelf zien en horen als de innerlijke verschijning. Dan is
duidelijk dat we de term 'proprioceptie' beter laten vallen (tenzij dan
in de enge zin van waarneming van de positie van lichaam). Interoceptie verschilt van
exteroceptie doordat ze alleen waarneemt wat binnen het lichaam gebeurt,
terwijl exteroceptie alleen waarneemt wat buiten het lichaam gebeurt. We
noemen deze zintuigen 'innerlijk', omdat we onszelf als visueel lichaam bevinden als zichtbaar object tussen
andere, zodat heel wat zelfwaarnemingen te situeren vallen onder het
oppervlak van de huid - in ons 'innerlijk'. Randgevallen daarbij zijn
waarneming van de buitenwereld die zich binnen het lichaam
bevindt: waarnemingen van lichaamsvreemde objecten in het
spijsversteringskanaal: eten in de mond en de slokdarm, volle maag,
winden in darmen, volle blaas (urine is weldra uiterlijk), evenals de
waarneming van lucht in de longen.
Laat ons dan even
opsommen wat tot de interoceptie behoort. Daar horen in de eerste plaats bij alle waarnemingen van het
'stoffelijke' lichaam, inclusief de houding en de beweging ervan. Vervolgens is er de waarneming van organen en hun werking of disfunctie: brandende pijn in de keel, tandpijn, hoofdpijn, steken in de
zij. Andere lichamelijke gewaarwordingen zijn
vormen van slecht
functioneren zoals duizelen, wankelen, geen adem kunnen krijgen, bonzend
hart, ineenkrimpende maag, zich koortsig voelen, rillen van de kou, loom
zijn van de warmte. Tot deze lichaamsgebonden innerlijke verschijningen
behoort ook de waarneming van de lichamelijk gewaarwordingen die gepaard
gaan met 'gevoelens': 'hij kromp in elkaar' 'hij verstijfde', 'hij
kreeg de krop in de keel', 'ik voelde vlinders in mijn buik', 'het
schaamrood steeg hem naar de wangen', 'hij is opgewonden, gespannen,
lusteloos'. Naast al deze waarnemingen van het 'stoffelijk' lichaam is er de waarneming van
het zogenaamde 'zielenleven'. Daar is om te beginnen de waarneming van algehele 'innerlijke toestanden' die als
disposities wel in het 'innerlijk' zijn gesitueerd, maar nog niet (of
niet meer) verbonden met een concrete uitvoering door datzelfde lichaam
waarmee we actief worden in de driedimensionale werkelijkheid: denk aan
de waarneming van behoefte en verlangen (honger, liefdesverlangen), van een 'drift' (niet
meer te houden zijn), van
het gebiologeerd zijn (zich onweerstaanbaar aangetrokken voelen),
van een neiging, de wil of het voornemen om iets te doen, (de deur open
willen doen), of het tegendeel daarvan (zich moe, loom of apathisch
voelen). Ook het schuldgevoel of spijt en berouw (als dispositie om iets
niet meer te doen, als verlangen om het weer goed te maken). Vermits er meerdere driften, neigingen
of impulsen zijn, kunnen ze met elkaar in conflict komen (het niet
gezegd krijgen). We voelen dan het zich opdringen versus het afremmen of
onderdrukken. Tot de innerlijke
waarnemingen behoren ook de als herinnering
verinnerlijkte waarnemingen van de buitenwereld (melodieën die
opduiken) - beide worden verenigd in de droom. Maar de
verinnerlijkte waarnemingen bij uitstek zijn gedachten. Het denken zelf
onttrekt zich aan het bewustzijn: alleen het resultaat ervan wordt
waarneembaar als een 'gedachte' in de geest. Een 'gedachte' is een zin (of
niet-verbale formule), die ofwel luidop wordt uitgesproken of uitgeschreven
ten behoeve van toehoorders of lezers ('To be or not be', waar Hamlet
'luidop' nadenkt), ofwel innerlijk ten behoeve van de denker zelf ("Und er
dachte statt dessen: 'Der Mensch kommt in zweien vor. Als Mann und als
Frau", Musil II,3, 687). We kunnen onszelf ook aanspreken ('Dat kan je toch
niet maken') of bevragen (Und er fragte sich: 'Wie lange ist es schon her,
das ich dass zuletzt empfunden habe' (II 3, 287). Het is overigens niet
alleen het ik dat zichzelf aanspreekt: het ik kan ook worden aangesproken
door het geweten, een oordelend instantie die zich in de eerste plaats als
oordelen uitsprekende stem kenbaar maakt.
Zeflwaarneming (van
zowel lichaam als ziel) is niet altijd aanwezig, tenminste niet
bewust. Soms gaan we zozeer in de waarneming op dat we ons van onszelf
niet meer bewust zijn. Dat is ook het geval tijdens de slaap.
WAARNEMING VAN HET INNERLIJKE ZELF ALS
GEVOELENS, WIL, VOORSTELLINGEN
Hierboven hadden we vele 'fysiologische' fenomenen moeten hebben
beschreven die ten grondslag liggen aan alle specifieke qualia als
'pijn', 'honger', 'wil', de didverse gevoelens en gedachten. We maakten het ons
gemakkelijk dooor meteen de qualia te noemen.
Vele daarvan zijn tijdruimtelijk homogeen (waarneming van pijn,
honger, drift, gevoel). Andere zijn tijdruimtelijk heterogeen (de keten
van visuele voorstellingen, de keten van woorden bij denken).
Het waarnemende subject bevindt zich op
de plaats waar de interoceptieve gewaarwordingen zich voordoen:
verliefdheid vlinders in de buik, onderdrukt wenen en krop in de keel,
honger en knorrende maag, hartkloppingen enz. We plaatsen die wel in een
de noumenale visuele
innerlijke ruimte, waarin we hoogstens van buitenuit plaatsen kunnen 'aanwijzen' (wijzen naar de plaats
waar het hart pijn heeft. Gedachten worden gehoord op de plaats van het
innerlijk oor, en voorstellingen op de plaatsen van de overeenkomstige
subjecten. Moelijker lokaliseerbaar is het subject van wil en drift, behalve
dan in de bijbehorende lichamelijke toestanden, bewegingsimpulsen en
expressieve mimiek, gebaren en houdingen.
DE ARBEIDSDELING TUSSEN DE ZINTUIGEN
Interoceptieve waarnemingen zijn geen waarnemingen van
multisensoriële objecten: ze hebben slechts één zintuiglijke verschijning.
Er is hier dus geen innerlijke wereld met meerdere interoceptieve dimensies.
Wel
kunnen innerlijke waarnemingen aanleiding zijn tot het produceren van
exteroceptief waarneembare uitdrukkingen. Ook gedachten kunnen luidop worden
uitgesproken. Maar dat zijn voor buitenstaanders slechts aanleidingen om
het bijbehorend innerlijk te construeren - om visuele of auditieve
expressies via intersenosriële suggestie te lezen. De expressie van woede
kan op haar beurt agressieve daden signaleren, maar dat is visuele expressie
die visueel gedrag voorspelt, geen intersensorische suggestie die uitgaat van
een innerlijke waarneming.
De vierdeling tussen een tastbare wereld onder en achter ons, een visuele
wereld voor ons, en een auditieve ether die ons omringt, wordt dus aangevuld
niet alleen met geurende wolken die noumenaal in de visuele wereld rond
objecten worden gesitueerd en met de smaaksensatie die in de
mondholte wordt gesitueerd, maar ook met een innerlijke wereld die wordt gesitueerd op
diverse plaatsen binnen het omhulsel van de huid.
HET INTEROCEPTIEVE SUBJECT EN HET
INTEROCEPTIEVE ZELF
Tot het waargenomen interoceptieve zelf behoren alle beschreven
waarnemingen. Tot het interoceptie zelf alle plaatsen waar die waarnemingem
worden gevoeld, met dien verstande dat we we alle in de noumenale visuele
ruimte situeren ten opzichte van ons 'derde oog' dat als hoofdzetel wordt
ervaren.
DE WERELD VAN HET INTEROCEPTIEVE (0): HET
INTEROCEPTIEF ONWAARNEEMBARE
Alles wat niet in ons
niet bewust wordt, en alles wat zich in de
buitenwereld afspeelt.
HET DOMEIN VAN DE
INTEROCEPTIEVE
VERSCHIJNINGEN (1): HET PUUR INTEROCEPTIEVE
Alle
beschreven waarnemingen op zich.
DE WERELD VAN HET INTEROCEPTIEVE (2): OPLADEN MET INTERZINTUIGLIJKE
BETEKENIS BEZIELDE WEZENS
Vermits de innerlijke wereld monosensorisch is, kan er geen interzintuiglijke
oplading zijn.
DE WERELD VAN DE INTEROCEPTIE (3): OPLADEN MET
AMPLIFICERENDE BETEKENIS
Alle beschreven waarnemingen worden via de verschillende uitbreidingsmodi
verbonden met herinneringen aan andere interoceptieve en exteroceptieve
waarnemingen en weten. Dat geldt in de eerste plaats voor vele innerlijke
waarnemingen die causaal zijn verbonden met uiterlijke fenomenen (pijn,
gevoelens). Dat geldt bij uitstek voor visuele herinneringsbeelden en
gedachten, waarvan de betekenis in principe naar de hele werkelijheid kan
verwijzen.
HET DOMEIN VAN DE WERKELIJKHEID DAT WORDT BESTREKEN DOOR DE
INTEROCEPTIEVE VERSCHIJNINGEN
Via amplificerende
oplading kunnen alle waarnemingen van het eigen zelf worden verbonden met
haast de hele werkelijkheid.