het beeld: mimesis herbekeken
deel II: domeinen van het aanschouwelijke

hoofdstuk 6: het domein van de geur



INLEIDING

Anders dan de wereld van de tastzin, die, zoals gezien, zo nauw is verweven met het zien dat hij nauwelijks als zintuiglijk domein op zich wordt ervaren, is de wereld van de geur, net zoals die van het zien en het horen, een geheel eigen en grotendeels autonoom zintuiglijk domein.

Ook hier stelt zich de vraag welke zintuiglijke kwaliteiten tot de geur moeten worden gerekend. Het is met name nodig om de gewone nasale olfactie te onderscheiden van de retronasale. De laatste is namelijk alleen actief bij uitademen en is nauw verbonden met de smaak. De vraag is of we echt ruiken met de retronasale receptoren: in feite hebben we hier eerder met een smaakzintuig te maken.

Zoals we zullen zien stelt zich bij de geur een bijzonder probleem. Anders dan bij het zien, horen, of tasten, is het niet niet zo duidelijk wat we ruiken: de geur in de neus, dan wel een geurafscheidend object in de ruimte.


MOLECULEN

Geur is een scheikundige stof (feromoon, molecule) die wordt afgescheiden door een object (vulkaan, bloem, dier, mens, kadaver, uitwerpselen, buskruit, gemaaid gras, koren ...). De afscheiding kan onbedoeld zijn, zoals bij zwaveldampen, dan wel intentioneel, zoals bij bloemen en geurvlaggen.

De geurende stof verspreidt zich via diffusie in stilstaande lucht en via verplaatsing van die lucht door wind. Net zoals bij geluid, kan de diffusie van geurstoffen een min of meer grote reikwijdte hebben: van alles doordringende beerlucht of stank uit een fabriek, over de meer lokaal gespreide geur van eten klaargemaakt in de keuken, tot de meer intieme geuren van wijn in een glas of van een lichaam in iemands armen. Net zoals bij geluid, dat zich evenzeer centrifugaal verspreidt, neemt bij die spreiding de sterkte van de geur af, zodat men, afgaand op de sterkte ervan, het geurafscheidend object zou kunnen vinden. Het gaat hier echter niet om deeltjes (fotonen) noch om golven, maar om moleculen die zich spreiden tot ze uiteindelijk niet meer waarneembaar zijn.

Die verspreiding is snel, maar de moleculen bljven hangen. Er kan dus dissociatie zijn tussen de geur en de bron die ze afscheidt: tijdelijke dissociatie - een geur kan nog worden waargenomen als het object geen geuren meer afscheidt - en ruimtelijke dissociatie - het geurafscheidend object kan zich verplaatsen en daarbij de geurstoffen vanaf andere plaaten beginnen te vespreiden, terwijl al afgestoten geurstoffen op de oude plaats blijven hangen.

De afscheiding van de geurstoffen kan kortstondig zijn, maar is in de regel langdurig. Ook als ze korststondig is, kunnen de moleculen lange tijd als geurwolk blijven rondhangen.

Niet alle objecten scheiden ten allen tijde geurstoffen af. De wereld van de geuren is dus, net zoals die van de geluiden, niet geschikt als oriëntatie in een blijvende wereld.


GEUREN

We nemen de diverse moleculen waar als het quale 'geur'. Anders dan bij licht, waar we de fotonen die ons netvlies beroeren zien op de plaats waar ze worden weerkaatst, en bij geluid waar we de luchttrillingen die ons oor bereiken situeren op de plaats waar ze worden geproduceerd, maar net zoals bij de tastzin, waar we de druk voelen op de plaats waar hij ons lichaam aandoet, ruiken we de geur op de plaats waar hij in ons lichaam dringt: in de neus.

De waarneming van de geur gebeurt bij elke inademing (die vaak tot opsnuiven wordt verhevigd), maar wordt onderbroken door elk uitademen. Niettemin hebben we de indruk enkel continue geur te ruiken: de samenstellende ruikdaden worden opgeteld tot één enkelvoudige waarneming (ongeveer zoals de sprongen van het oog of het knipperen van de oogleden over het hoofd worden gezien). De optelling is wel degelijk fenomenaal, niet noumenaal: we hebben de stellige indruk dat de geur ononderbroken ruikbaar is. Scannen van de ruikbare wereld is volstrekt overbodig: in principe volstaat één snuif om te weten dat we in de omgeving dezelfde geur zullen ruiken en hij blijft ook in de tijd gemeten constant. Herhaling is alleen nodig bij dieren die in staat zijn stereoscopisch te ruiken of die aan hand van verschillen in intensiteit afstand kunnen meten. Bij de mens neemt het oog zo nodig deze taken over. Alleen bij lustvol ruiken wordt het opsnuiven herhaald, omdat het lustvol is.

De geur kan ons op twee manieren verschijnen: ofwel ervaren we hem als onderdeel van een geurwolk, ofwel als de verschijning van een (olfactief ingevulde, maar in de visuele ruimte gesitueerde) geurbron. Onderzoeken we beide varianten achtereenvolgens.
.
In een eerste variant doordringt de geur een min of meer beperkte ruimte - van de wijde omtrek bij lindegeur tot de beperkte aura rond de wijn in het glas - en wel als tijdruimtelijk homogeen gegeven: het is onmogelijk om twee geuren waar te nemen, niet alleen omdat de moleculen zich mengen, maar omdat we, al hebben we twee neusgaten, maar één geurvlies hebben. Vermits we ons vaak bewegen, en dan overal dezelfde geur ruiken (met variaties in intensiteit), ervaren we de geur in eerste instantie als één enkele, vaak langgerekte enkelvoudige waarneming. We ervaren die niet als een lokale indruk, maar als fragment van een 'olfactieve wolk'. Die situeren we niet in een eigen olfactieve ruimte, maar in de visueel-tactiele ruimte. Het gaat hier wel degelijk om een noumenale idee (die wel tot visuele voorstelling kan worden via visualisering). De ervaring van een ruimtelijke olfactieve wolk is dus geen echte waarneming: we ruiken geen ruimte, maar weten gewoon dat de geur die we hier opsnuiven ook elders zal zijn op te snuiven. Die olfactieve ruimte (de geurwolk) kan min of meer groot zijn. Bij de lokale geuren is er eerst waarneming van de geurbron via het zien of voelen, en pas waarneming van de geur bij toenadering of tegen de neus houden.

Juist omdat een geurige wolk niet-perspectivisch is, is pas geur een echt intersubjectief simultaan waarneembaar fenomeen: allen worden op dezelfde manier aangedaan door de geur van een lavendelveld.

Terwijl de visuele wereld in één oogopslag duizenden objecten opvoert, en de auditieve vele door leegte gescheiden en intermittente geluidsbronnen, bestaat de wereld van de geur dus uit een tijdruimtelijk homogeen geurveld of uit geurige aura's rond objecten in de visuele wereld. We kunnen ons wel verplaatsen van de ene geurende ruimte naar een andere, of de ene geur kan in eenzelfde ruimte een andere vervangen (zeker als een geurmasker wordt gebruikt). De geuren worden dan noumenaal met elkaar in een temporele opeenvolging verbonden, maar, anders dan de tonen van een melodie, verbinden we ze niet met elkaar in een samenhangende samengestelde waarneming, omdat we maar één geur tegelijk kunnen onderscheiden en dus gewoon zijn de olfactieve verschijning op te vatten als een homogene en onveranderlijke wereld.

In een tweede variant kan de geurwolk worden beschouwd als afkomstig uit een geurbron die zich in de geurende atmosfeer bevindt, als de olfactieve verschijning van een object dat zelf niet ruikbaar is, maar wel geuren afscheidt: de vulkaan waaruit de zwaveldampen afkomstig zijn, de bloem of het dier dat de geuren afscheidt. Afhankelijk van onze interpretatie zeggen we dat we een geur(ige atmosfeer) waarnemen ('het stinkt hier), dan wel de geurbron ('x stort weer mest uit). Omdat de sterkte van de geur afneemt naarmate hij zich verspreidt, kan de verandering van intensiteit een aanduiding geven over de plaats van het geurende object in de ruimte. Maar dat is alleen maar schijnbaar een equivalent van stereoscopisch zien en stereofonisch horen: we nemen immers het geurende object niet waar, en we construeren het alleen in de noumenale ruimte (of schakelen over op zien om te weten waar het zich bevindt). Het is alsof we de boom die voor ons staat in ons oog zouden zien, en alleen noumenaal zouden weten dat hij zich op een bepaalde afstand bevindt.

De geurbron zelf is dus niet olfactief. Daar komt bij dat de relatie tussen geur en geurbron, tussen geurende substantie en geur als verschijning, veel minder eenduidig is dan bij licht, klank, of druk. Om te beginnen kan de verspreiding wel snel gaan, maar nooit zo snel als de diffusie van licht of geluid. Er verloopt dus een min of meer lange tijd tussen het begin van de afscheiding en de waarneming ervan op afstand. Dat houdt ook in dat de geur nog kan worden waargenomen lang nadat het geurafscheidend object de geuren afscheidde - exemplarisch bij de geur van het gebakken brood die blijft hangen in de kamer, of de geurvlag van het dier dat zich intussen naar een andere plaats begeeft. Terwijl een rijdende auto zijn visuele en auditieve verschijning meeneemt, blijft de verschijning van een geurend object hangen. Bovendien bevindt het geurafscheidend object zich niet altijd in het midden van de geurende atmosfeer. Ofwel wijzigt de wind de positie van de atmosfeer ten opzichte van het geurend object - we ruiken de linde alleen windafwaarts -  ofwel verplaatst het geurend object zich ten opzichte van de geurende atmosfeer die het op een gegeven moment begon te vormen, ofwel wordt het geurende object door een ander levend wezen meegenomen, waaraan het blijft kleven. Dat is geen probleem zolang het geurende object geuren blijft afscheiden (zoals bij een bloemenveld dat de hele dag ruikt of bij zwaveldampen die dag en nacht door de vulkaan worden uitgestoten): vermits geur bij de diffusie verdunt, kunnen we de locatie vinden door af te gaan op de intensiteit van de geur, zelfs als het geurafscheidend object zich verplaatst. Terwijl er bij zien geen sprake is van dissociatie, bij geluid alleen in randgevallen zoals donder en straalvliegtuigen, bij tastzin al wat vaker tengevolge van de transmissie van druk in vaste stoffen of door golven, is de dissociatie bij geur niet zozeer principieel, maar in de meerderheid van de gevallen wel drastisch. Voeg daarbij dat de projectie in de ruimte alleen noumenaal is, niet fenomenaal, en het wordt duidelijk waarom in de vele gevallen waar er wel degelijk sprake is van een geurbron (bv. lavendelveld), niettemin de geur als een gegeven sui generis wordt ervaren - als een lekker geurende reukwolk: de ruimtelijke projectie beperkt zich dan tot het besef dat er een 'geurwolk' is.

Maar er is meer. Als het geurend object slechts tijdelijk geuren afscheidt, is het niet te lokaliseren als ofwel de lucht ofwel het dier zelf zich verplaatst. Wie wil gevonden worden - of de indruk wil geven dat hij er is zonder er te zijn zoals bij geurvlaggen - moet dus langdurig geur afscheiden of vlaggen plaatsen die blijven geuren. Wie niet wil gevonden worden maar toch geurt, verplaatst zich best voortdurend. Daaruit volgt de noodzaak tot eenvormigheid van de geur: wil de vlinder worden gevonden, dan moet hij eindeloos dezelfde geur blijven afscheiden. Geuren blijven dus constant - temporeel homogeen - precies omdat ze moeten toelaten de afstand tussen de plaats van waarneming en de plaats van afscheiding te overbruggen. En dat houdt in dat de hele ruimte wordt doordrongen door één enkele geur, zodat niet alleen de tijd, maar ook de ruimte homogeen wordt. Er zijn dus wel talloze geuren, maar elk van die geuren is in principe onveranderlijk en vult op zijn eentje tendentieel de hele ruimte. We kunnen vanuit één plaats in de ruimte dus geen twee geurende objecten waarnemen: de geuren vermengen zich. Hoogstens kunnen we ons verplaatsen van de ene plaats waar de geur van de meidoorn dominant is, naar een andere waar die van mest domineert.

Om al deze redenen is er niet iets als een olfactieve ruimte gevuld met geurobjecten die ruimtelijk van elkaar zijn gescheiden, die een oppervlakte zouden hebben en een omtrek: de geurende objecten bestaan alleen in de noumenale ruimte. Wat we waarnemen is en blijft een tijdruimtelijk homogene geurwolk. Van oversnijding, bedekking, of weerkaatsing is al helemaal geen sprake. De olfactieve ruimte, ook als we ze lezen als de verschijning van een geurend object dat zich elders bevindt, is dus niet perspectivisch: er is alleen de ervaring van een een soort wolk die ons omgeeft, waarin we ons bewegen, en eventueel een vaag vermoeden van de aanwezigheid van een geurend object, dat we echter niet kunnen situeren in die olfactieve wolk. Bij aanwezigheid van een geluidsbron staan verschijning en substantie los van elkaar, ze zijn niet tijdruimtelijk, maar causaal met elkaar verbonden.

De ruimte, die voor het oog nog oneindig was, voor het oor en voor de tastzin al veel minder uitgebreid, implodeert voor de geur tot de hier-en nu-ervaring van een geurige atmosfeer, tot ze weldra nog verder zal inkrimpen tot de punt-ervaring die tegelijk een al-ervaring is van de smaak.

Merken we ten slotte op dat de wereld van de geur, anders dan de visuele en tactiele, geen continue wereld is, maar een wereld die pas af en toe bestaat bij effectief verschijnen van een geur. Anders dan bij geluid zijn er binnen de opgang van die wereld geen 'stiltes'.

De olfactieve wereld is dan een tijdruimtelijk homogene wereld die wordt waargenomen door min of meer langgerekte (uit afzonderlijke snuiven bestaande) waarnemingen. Het is een intermittente wereld die op en onder gaat, in tegenstelling tot de tactiele wereld, die altijd waarneembaar is, zij het niet altijd waargenomen, of tot de visuele wereld die altijd waarneembaar is en altijd wordt waargenomen. Net zoals de auditieve wereld, kunnen we ons aan het intermittente verschijnen ervan niet onttrekken. In zoverre de geurwolk wordt verbonden met een geurbron die blijft voortbestaan in de visuele wereld, wordt de geurende wereld ervaren als slechts een bijkomende dimensie van de visuele wereld, zodat er niet echt sprake is van een soort olfactieve tegenhanger van stilte.


HET RUIKENDE SUBJECT EN HET GEURENDE ZELF

Vermits het quale niet langer in de ruimte wordt geprojecteerd, is er geen splitsing meer tussen het waargenomen object en het waarnemende subject, behalve dan bij lokalisering van de geurbron in de visuele noumenale ruimte.

In de geurende ruimte valt het ruikende subject altijd samen met de plaats waar de geur wordt geroken. Pas in zoverre de geur wordt geconstrueerd als deel uitmakend van een noumenale wolk, bevindt het ruikende subject zich ergens in die wolk. Pas als de geurwolk als de verschijning van een geurbron wordt ervaren, situeert het ik zich ten opzichte van dat object in een noumenale ruimte (die concreet visueel wordt ingevuld).

Anders dan bij de tastzin scheidt het neusslijmvlies zelf geen moleculen af die we als geur waarnemen. Wel scheidt ons eigen lichaam geuren af. Maar door sensitieve gewenning ruiken we die op de duur niet meer. Aan de waarneming van onze visuele verschijning of ons spreken geraken we daarentegen niet gewend.


DE ARBEIDSDELING TUSSEN DE ZINTUIGEN

Zeker als we het domein van de subliminale geuren buiten beschouwing laten, zijn geuren een eerder zeldzame opflakkering van een nieuw zintuiglijk domein temidden van de zichtbare, hoorbare, en tastbare wereld.

Net zoals tastindrukken leiden ook instrumentele geurindrukken tot overschakelen naar de visuele (voorgestelde of noumenale) dimensie of de voorstelling. Dat geldt niet alleen voor de visuele waargenomen of voorgestelde ruimte waarin we de geurwolk situeren, maar ook voor de visuele of voorgestelde ruimte waarin we op zoek gaan naar de lokalisering van de geurbron. Dat blijkt duidelijk uit het feit dat we niet onze neus gebruiken om de geurbron te lokaliseren, maar wel ons oog, eventueel gesterkt door af en toe ruiken van de intensiteit. Niet alleen informatie geleverd door de tastzin, maar ook informatie geleverd door de geurzin wordt verwerkt in de visuele dimensie. Terwijl bij de tastzin nog de mogelijkheid bestond om een puur tactiele wereld op te bouwen (bij blinden), is dat (althans bij de mens) bij de geur ten enen male uitgesloten: de wereld van de geur kan dus, net zoals die van de smaak, slechts bestaan als de lokale waarneming binnen een meer omvattende visuele wereld waarop hij parasiteert.

Na lokalisering van de geurbron kan er overschakeling zijn naar erotische omgang of proeven.

De driedeling tussen een tastbare wereld onder en achter ons, en een visuele wereld voor ons, een auditieve ether die ons omringt, wordt dus aangevuld met geurende wolken die noumenaal of door effectieve visuele waarneming worden gesitueerd rond objecten in de visuele wereld.


DE WERELD VAN HET RUIKBARE (0): HET GEURLOZE

Geuren zijn onontkoombaar: er zijn dus wel subjectief onruikbare geuren (geuren in de wolk waarvan we ons niet bevinden), maar geen relatief onwaarneembare. Zeer uitgebreid is daarentegen het domein van de waarneembare fenomenen die geen geur hebben: alle vaste stoffen die te solide zijn om geuren af te scheiden: steen, staal, goud, glas, rotsen, evenals alle wezens die, of in zoverre ze, geen geuren afscheiden.

Geurloos zijn uiteraard de qualia van andere zintuigen: licht, geluid, hardheid, smaak, warmte, pijn, gevoelens, enz.


DE WERELD VAN HET RUIKBARE (1): HET DOMEIN VAN DE PUUR OLFACTIEVE VERSCHIJNINGEN

Terwijl de visuele wereld bij uitstek de fenomenale wereld is van de blijvende dingen, de wereld van het oppervlak, en de wereld van het auditieve bij uitstek de wereld van de verandering en de beweging, de wereld van het innerlijk, is de olfactieve wereld bij uitstek de wereld van de voorbijgaande onderdompeling, het immersieve.

Deze wereld omvat omgevingsgeuren (de geur van de zee, de geur van vulkanen en brand). Daarnaast ook de hele wereld van intentioneel geproduceerde geuren van bloemen en dieren (de geuren van koren en vers gemaaid gras, de geur van lavendel en linde, de geur van vossen en paarden). Ten slotte de geuren van klaargemaakt voedsel en lichamen (al dan niet via parfums). Ze worden ofwel gewoonweg gebruikt als informatie (niet-intentioneel bij zeegeur of vulkaangeur, intentioneel ter signalering van identiteit of toestand bij planten en dieren, maar ook bij de mens). Omdat de betekenis meestal slechts wordt 'begrepen' door de planten of dieren waar ze voor zijn bedoeld, gebruikt de mens ze voor ze eigen doelen: ter identificatie, of als bron van (on)lust: afgeweerd als onaangename geuren, of almaar opnieuw opgesnoven zoals aangename geuren.


DE WERELD VAN HET RUIKBARE (2): VERZADIGEND OPLADEN MET INTERZINTUIGLIJKE BETEKENIS

Puur olfactief aan de olfactieve waarneming is dus alleen de waarneming van een wolk in de ruimte of een aura rond een object die homogeen is in ruimte en tijd. Net zoals bij de tast is een geurervaring aanleiding tot het overschakelen naar het oog, dat dan de bijbehorende ruimte structureert en toelaat het geurende object te lokaliseren, zodat we het kunnen benaderen of ontwijken. Deze omschakeling is hier zelfs obligaat: vanwege de dissociatie tussen verschijning en origineel is het alleen via zien mogelijk om uit te maken of de lavendel hoort bij een lavendelveld, bij de lavendelzeep, of bij de grootmoeder die de lavendel gebruikt. Maar vermits de visuele waarneming altijd mogelijk is en effectief wordt uitgevoerd, wordt de geur zelf alleen maar categoriaal opgeladen (er is iets te zien), en slechts in algemene zin inhoudelijk (er is een meiboom te zien, er zijn uitwerpselen te ruiken: zonder concrete invulling van de visuele verschijning).

Na toenadering zijn er twee mogelijkheden. Ofwel genieten we van de geur op zich: we willen de geur in zijn volle intensiteit ruiken en brengen dan de neus dichterbij (neus in de kelk van het glas, op de huid) of snuiven de geuren met volle teugen op (in de lekkere wolk rond de meidoorn of de linde). Ofwel willen we het lekker geurende eten ook proeven, zodat ruiken wordt gemengd met smaken. Daarom is er eerder invulling met smaak dan met tast: we ruiken niet alleen dat er iets te eten is en wat het is, maar ook dat het lekker is en hoe het smaakt, en beginnen al te watertanden (of te braken) zonder effectief te proeven. De geur van het eten wordt op afstand geroken en laat dus nog geen smaak toe (vergelijkbaar met relatie tussen oog en tactiele invulling). Er is dus een sterke interzintuiglijke oplading met smaak. Dat geldt ook, maar minder voor opladen met interoceptie: geur als expressie van erotische beschikbaarheid.

Er is dus de dwingende suggestie van iets dat zichtbaar en tastbaar is, maar vooral eetbaar of tactiel genietbaar. Die suggestie wordt niet inhoudelijk ingevuld voor zien en voelen, maar wel voor smaak.

Al wordt de olfactieve wereld vaak gelezen als teken voor een (visuele) geurbron, hij wordt in dat geval toch niet tot zwart gat, zoals bij de waarneming van visuele tekens (letters) of auditieve tekens (woorden). Ook als we weten dat de mestgeur afkomstig is van boer x die zijn beer uitstrooit op akker y, we blijven de mestgeur waarnemen als onaangenaam. De betekenaar blijft werkzaam ook als de betekenis is gecapteerd.


DE WERELD VAN HET RUIKBARE (3): OPLADEN MET AMPLIFICERENDE BETEKENIS

We hebben nu een olfactieve ruimte die vervuld is van een geur die ook smaken signaleert. Maar de geuren die we in de olfactieve wereld waarnemen hebben ook betekenissen die niet hier en nu of al helemaal niet waarneembaar zijn. Zo weten we, als we een bepaalde geur ruiken dat er sprake is van rotting of verzuring. De interzintuiglijk ingevulde oflactieve verschijning gaat als teken fungeren: als plaatsvervangende waarneming waar we op reageren alsof we voor de oorspronkelijke waarneming of voor het opgeroepen weten stonden.

Anders dan bij visuele of auditieve verschijningen stelt zich hier, net zoals bij tactiele verschijning, de vraag of de oplading rechtstreeks door de oflactieve wordt uitgelokt, dan wel na het opwekken van de bijbehorende visuele voorstelling: herken ik de linde rechtstreeks aan de geur, dan wel via de visuele voorstelling van de linde die wordt opgewekt door de geur.

Ook hier geldt dat olfactieve verschijningen in de eerste plaats teken zijn voor de soortelijke, individuele, parentale, seksuele, coöperatieve, communale, of politieke identiteit van die verschijning (erotische geur versus zweetgeur, babygeur, geur van bloemen en fruit, geur van croissants of gebraad, wierook). Eenmaal de identiteit is vastgesteld, gaat de verschijning functioneren als teken voor waarnemingen of weten waar het mee is verbonden via de diverse uitbreidingsmodi. Uit deze voorbeelden blijkt dat de geuren, veeleer dan te worden opgeladen met amplificerende betekenis, ertoe neigen om voorstellingen op te roepen waarop dan wordt gereageerd: denk aan de legendarische madeleine van Proust, de geur van rottende rat die de visuele voorstelling ervan oproept, of de voorstelling van een kleurrijk veld in de Provence bij het ruiken van lavendel, of bij de geur van eten aan de plaats waar het wordt klaargemaakt of waar we het hebben gegeten.

Bij uitstek door amplificerende oplading wordt dus het domein van het olfactieve overstegen door inschakelen van andere zintuiglijke domeinen, en het domein van het aanschouwelijke door activeren van noumenale inhouden.


HET DOMEIN VAN DE WERKELIJKHEID DAT WORDT BESTREKEN DOOR DE OLFACTIEVE WERKELIJKHEID

De geur ontsluit ons een wereld die bestaat uit talloze, zij het telkens slechts tijdruimtelijk enkelvoudige geuren.

Deze geuren kunnen in beperkte mate interzintuiglijk (vooral gustatief en tactiel-erotisch) en amplificerend worden opgeladen, zij het dan meestal via de bijbehorende visuele verschijning, en dan in hoofdzaak met informatie verkregen door andere zintuigen, bij uitstek gustatieve, en ook met weten uit de noumenale sfeer. Maar vaker werkt de geur als voorstellingopwekkend teken voor voorstelling voor andere zintuigen, bij uitstek het oog.

Geuren leveren ons dus toegang tot een tijdruimtelijk eerder beperkte aanschouwelijke wereld: een monolithische wereld zonder interacties tussen vele geurende wezens die zelf niet veranderen.

Geuren zelf worden nauwelijks als (niet-gemotiveerd) teken gebruikt. Voeg daarbij dat de wereld van de geuren zelf uit telkens slechts één geur bestaat, en het wordt duidelijk dat de wereld van de geur nauwelijks een wereld sui generis kan worden genoemd: hij ontsluit de werkelijkheid als geheel slechts via bemiddeling van de visuele wereld.

De olfactieve wereld bevat geen domeinen die typisch zijn voor de mens. Eerder is dit een infra-humane wereld.



 
 
ontdek
mijn nieuwe e-boek:


zelfomslag

het zelfbeeld
tussen spiegel en dagboek