INLEIDING
Anders dan de wereld van de tastzin, die, zoals gezien, zo nauw is
verweven met het zien dat hij nauwelijks als zintuiglijk domein
op zich wordt ervaren, is de wereld van de geur, net zoals die van het zien en
het horen, een geheel eigen en grotendeels autonoom zintuiglijk domein.
Ook hier stelt zich de vraag welke zintuiglijke
kwaliteiten tot de geur moeten worden gerekend. Het is met name
nodig om de gewone nasale olfactie te onderscheiden van de retronasale. De
laatste is namelijk alleen actief bij uitademen
en is nauw verbonden met de smaak. De vraag is of we echt ruiken met de retronasale receptoren:
in feite hebben we hier eerder met een smaakzintuig te maken.
Zoals we zullen zien stelt zich bij de geur een bijzonder probleem. Anders
dan bij het zien, horen, of tasten, is het niet niet zo duidelijk wat we ruiken: de geur
in de neus, dan wel een geurafscheidend object in de ruimte.
MOLECULEN
Geur is een scheikundige stof (feromoon, molecule) die wordt afgescheiden
door een object (vulkaan, bloem, dier, mens, kadaver, uitwerpselen,
buskruit, gemaaid gras, koren ...). De afscheiding kan onbedoeld zijn,
zoals bij zwaveldampen, dan wel intentioneel, zoals bij bloemen en
geurvlaggen.
De geurende stof verspreidt zich via diffusie in stilstaande lucht en
via verplaatsing van die lucht door wind.
Net zoals bij geluid, kan de
diffusie van geurstoffen een min of meer grote reikwijdte hebben: van alles
doordringende beerlucht of stank uit een fabriek, over de meer lokaal
gespreide geur van eten klaargemaakt in de keuken, tot de meer intieme
geuren van wijn in een glas of van een lichaam in iemands armen.
Net zoals bij geluid, dat zich evenzeer centrifugaal verspreidt, neemt
bij die spreiding de sterkte van de geur af, zodat men, afgaand op de sterkte
ervan, het geurafscheidend object zou kunnen vinden. Het gaat hier echter
niet om deeltjes (fotonen) noch om golven, maar om moleculen die zich
spreiden tot ze uiteindelijk niet meer waarneembaar zijn.
Die verspreiding is snel, maar de moleculen bljven hangen. Er kan dus dissociatie zijn tussen de geur en de bron die ze afscheidt: tijdelijke dissociatie
- een geur kan nog worden waargenomen als het
object geen geuren meer afscheidt - en ruimtelijke dissociatie - het geurafscheidend object kan
zich verplaatsen en daarbij de geurstoffen vanaf andere plaaten beginnen te
vespreiden, terwijl al afgestoten geurstoffen op de oude plaats blijven
hangen.
De afscheiding van de geurstoffen kan kortstondig zijn, maar is in de regel langdurig. Ook als ze
korststondig is, kunnen de moleculen lange tijd als geurwolk
blijven rondhangen.
Niet alle objecten scheiden ten allen tijde geurstoffen af. De wereld van
de geuren is dus, net zoals die van de geluiden, niet geschikt als
oriëntatie in een blijvende wereld.
GEUREN
We nemen de diverse moleculen waar als het quale 'geur'.
Anders dan bij licht, waar we de fotonen die ons netvlies beroeren zien
op de plaats waar ze worden weerkaatst, en bij geluid
waar we de luchttrillingen die ons oor bereiken situeren op de plaats
waar ze worden geproduceerd, maar net zoals bij de tastzin, waar we de druk
voelen op de plaats waar hij ons lichaam aandoet, ruiken we de geur op
de plaats waar hij in ons lichaam dringt: in de neus.
De waarneming van de geur gebeurt bij elke inademing (die vaak tot
opsnuiven wordt verhevigd), maar wordt onderbroken door elk uitademen.
Niettemin hebben we de indruk enkel continue geur te ruiken: de
samenstellende ruikdaden worden opgeteld tot één enkelvoudige
waarneming (ongeveer zoals de sprongen van het oog of het knipperen van
de oogleden over het hoofd
worden gezien). De optelling is wel degelijk fenomenaal, niet
noumenaal: we hebben de stellige indruk dat de geur ononderbroken
ruikbaar is. Scannen van de ruikbare wereld
is volstrekt overbodig: in principe volstaat één snuif om te weten dat we
in de omgeving dezelfde geur zullen ruiken en hij blijft ook in de tijd
gemeten
constant. Herhaling is alleen nodig bij dieren die in
staat zijn stereoscopisch te ruiken of die aan hand van verschillen in
intensiteit afstand kunnen meten. Bij de mens neemt het oog zo nodig
deze taken over. Alleen bij lustvol ruiken wordt het opsnuiven herhaald,
omdat het lustvol is.
De geur kan ons op twee manieren verschijnen: ofwel ervaren we hem als
onderdeel van een geurwolk, ofwel als de verschijning van een (olfactief
ingevulde, maar in de visuele ruimte gesitueerde)
geurbron. Onderzoeken we beide varianten achtereenvolgens.
.
In een eerste variant doordringt de geur een min of meer beperkte ruimte
- van de wijde omtrek bij lindegeur tot de beperkte aura rond de wijn in het
glas - en wel als tijdruimtelijk homogeen gegeven: het is onmogelijk om twee geuren waar te nemen, niet alleen omdat de
moleculen zich mengen, maar omdat we, al hebben we twee neusgaten, maar
één geurvlies hebben. Vermits
we ons vaak bewegen, en dan overal dezelfde geur ruiken (met variaties
in intensiteit), ervaren we de geur in eerste instantie als één enkele, vaak
langgerekte enkelvoudige waarneming.
We ervaren die niet als een lokale indruk, maar als fragment van een 'olfactieve wolk'. Die
situeren we niet in een eigen olfactieve ruimte, maar in de visueel-tactiele ruimte. Het gaat hier wel degelijk om een noumenale idee (die
wel tot visuele voorstelling kan worden via visualisering). De ervaring van een
ruimtelijke olfactieve
wolk is dus geen echte waarneming: we ruiken geen ruimte, maar weten
gewoon dat de geur die we hier opsnuiven ook elders zal zijn op te
snuiven. Die olfactieve ruimte (de geurwolk) kan min of meer groot zijn.
Bij de lokale geuren is er eerst waarneming van de geurbron via het zien
of voelen, en pas waarneming van de geur bij toenadering of tegen de
neus houden.
Juist omdat een geurige wolk niet-perspectivisch is, is pas geur een echt intersubjectief
simultaan waarneembaar fenomeen: allen worden op dezelfde manier
aangedaan door de geur van een lavendelveld.
Terwijl de visuele wereld in één oogopslag duizenden objecten opvoert, en de auditieve vele
door leegte
gescheiden en intermittente geluidsbronnen,
bestaat de wereld van de geur dus uit een tijdruimtelijk homogeen geurveld
of uit geurige aura's rond objecten in de visuele wereld. We
kunnen ons wel verplaatsen van de ene geurende ruimte naar een andere,
of de ene geur kan in eenzelfde ruimte een andere vervangen (zeker als
een geurmasker wordt gebruikt). De geuren
worden dan noumenaal met elkaar in een temporele opeenvolging verbonden, maar,
anders dan de tonen van een melodie, verbinden we ze
niet met elkaar in een samenhangende samengestelde waarneming, omdat we maar één geur tegelijk kunnen
onderscheiden en dus gewoon zijn de olfactieve verschijning op te vatten
als een homogene en onveranderlijke wereld.
In een tweede variant kan de geurwolk worden beschouwd als afkomstig uit een geurbron die
zich in de geurende atmosfeer bevindt, als de olfactieve verschijning
van een object dat zelf
niet ruikbaar is, maar wel geuren afscheidt: de vulkaan waaruit de
zwaveldampen afkomstig zijn, de bloem of het dier dat de geuren
afscheidt. Afhankelijk van onze interpretatie zeggen we dat we
een geur(ige atmosfeer) waarnemen ('het stinkt hier), dan wel de
geurbron ('x stort weer mest uit). Omdat de sterkte van de geur afneemt
naarmate hij zich verspreidt, kan de verandering van intensiteit een
aanduiding geven over de plaats van het geurende object in de ruimte.
Maar dat is alleen maar schijnbaar een
equivalent van
stereoscopisch zien en stereofonisch horen: we nemen immers het geurende
object niet waar, en we construeren het alleen in de noumenale ruimte
(of schakelen over op zien om te weten waar het zich bevindt).
Het is alsof we de boom
die voor ons staat in ons oog zouden zien, en alleen noumenaal zouden
weten dat hij zich op een bepaalde afstand bevindt.
De geurbron zelf is dus niet olfactief.
Daar komt bij dat de relatie tussen geur en geurbron,
tussen geurende substantie en geur als verschijning, veel minder eenduidig
is dan bij
licht, klank, of druk. Om te beginnen kan de verspreiding
wel snel gaan, maar nooit zo snel als de diffusie van licht of geluid.
Er verloopt dus een
min of meer lange tijd tussen het begin van de afscheiding en de
waarneming ervan op afstand. Dat houdt ook in dat de geur nog kan
worden waargenomen lang nadat het geurafscheidend object de geuren
afscheidde - exemplarisch bij de geur van het gebakken brood die blijft hangen in de kamer, of
de geurvlag van het dier dat zich intussen naar een andere plaats
begeeft. Terwijl een rijdende auto zijn visuele en auditieve
verschijning meeneemt, blijft de verschijning van een geurend object
hangen. Bovendien bevindt het geurafscheidend object zich niet altijd in
het midden van de geurende atmosfeer. Ofwel wijzigt de
wind de positie van de atmosfeer ten opzichte van het geurend object -
we ruiken de linde alleen windafwaarts - ofwel
verplaatst het
geurend object zich ten opzichte
van de geurende atmosfeer die het op een gegeven moment begon te vormen,
ofwel wordt het geurende object door een ander levend wezen meegenomen,
waaraan het blijft kleven. Dat is
geen probleem zolang het geurende object geuren blijft afscheiden
(zoals bij een bloemenveld dat de hele dag ruikt of bij zwaveldampen die dag
en nacht door de vulkaan worden uitgestoten): vermits geur
bij de diffusie verdunt, kunnen we de
locatie vinden door af te gaan op de intensiteit van de geur, zelfs als
het geurafscheidend object zich verplaatst. Terwijl er bij zien geen
sprake is van dissociatie, bij geluid alleen in randgevallen zoals
donder en straalvliegtuigen, bij tastzin al wat vaker tengevolge van de
transmissie van druk in vaste stoffen of door golven, is de dissociatie
bij geur niet zozeer principieel, maar in de meerderheid van de gevallen
wel drastisch. Voeg daarbij dat de projectie in de ruimte alleen
noumenaal is, niet fenomenaal, en het wordt duidelijk waarom in de vele
gevallen waar er wel degelijk sprake is van een geurbron (bv.
lavendelveld), niettemin de geur als een gegeven sui generis wordt ervaren -
als een lekker geurende reukwolk: de ruimtelijke projectie beperkt zich
dan tot het besef dat er een 'geurwolk' is.
Maar er is meer. Als het geurend object
slechts tijdelijk geuren afscheidt, is het niet te lokaliseren als ofwel de
lucht ofwel het dier zelf zich verplaatst. Wie wil gevonden worden - of de
indruk wil geven dat hij er is zonder er te zijn zoals bij geurvlaggen -
moet dus langdurig geur afscheiden of vlaggen plaatsen die blijven
geuren. Wie niet wil gevonden worden maar toch geurt, verplaatst zich
best voortdurend. Daaruit volgt de noodzaak tot eenvormigheid van de
geur:
wil de vlinder worden gevonden, dan moet hij eindeloos dezelfde geur
blijven afscheiden. Geuren blijven dus constant - temporeel homogeen - precies omdat ze moeten
toelaten de afstand tussen de plaats van waarneming en de plaats van
afscheiding te overbruggen. En dat houdt in dat de hele ruimte wordt
doordrongen door één enkele geur, zodat niet alleen de tijd, maar ook de
ruimte homogeen wordt. Er zijn dus wel talloze geuren, maar elk van die
geuren is in principe onveranderlijk en vult op zijn
eentje tendentieel de hele ruimte. We kunnen vanuit één plaats in de ruimte dus geen
twee geurende objecten waarnemen: de geuren vermengen zich. Hoogstens
kunnen we ons verplaatsen van de ene plaats waar de geur van de meidoorn
dominant is, naar een andere waar die van mest domineert.
Om al deze redenen is er niet iets als een olfactieve ruimte
gevuld met
geurobjecten die ruimtelijk van elkaar zijn gescheiden, die een
oppervlakte zouden hebben en een omtrek: de geurende objecten bestaan
alleen in de noumenale ruimte. Wat we waarnemen is en blijft een
tijdruimtelijk
homogene geurwolk. Van oversnijding, bedekking, of weerkaatsing is al
helemaal geen sprake. De olfactieve ruimte, ook als we ze lezen als de
verschijning van een geurend object dat zich elders bevindt, is dus niet
perspectivisch: er is alleen de ervaring van een een soort wolk die ons
omgeeft, waarin we ons bewegen, en eventueel een vaag vermoeden van de
aanwezigheid van een geurend object, dat we echter niet kunnen situeren
in die olfactieve wolk. Bij aanwezigheid van een geluidsbron staan
verschijning en substantie los van elkaar, ze zijn niet
tijdruimtelijk, maar causaal met elkaar verbonden.
De ruimte, die voor het oog nog oneindig was, voor het oor en voor de
tastzin al veel minder uitgebreid, implodeert voor de geur tot de hier-en
nu-ervaring van een geurige atmosfeer, tot ze weldra nog verder zal
inkrimpen tot de punt-ervaring die tegelijk een al-ervaring
is van de smaak.
Merken we ten slotte op dat de wereld van de geur, anders dan de
visuele en tactiele, geen continue wereld is, maar een wereld die pas af
en toe bestaat bij effectief verschijnen van een geur. Anders dan bij
geluid zijn er binnen de opgang van die wereld geen 'stiltes'.
De olfactieve wereld is dan een tijdruimtelijk homogene wereld die
wordt waargenomen door min of meer langgerekte (uit afzonderlijke
snuiven bestaande) waarnemingen.
Het is een intermittente wereld die op en onder gaat, in tegenstelling tot de tactiele wereld, die altijd
waarneembaar is, zij het niet altijd waargenomen, of tot de visuele wereld
die altijd waarneembaar is en altijd wordt waargenomen. Net zoals de auditieve wereld, kunnen we ons aan het intermittente
verschijnen ervan niet onttrekken. In zoverre de geurwolk wordt verbonden met een geurbron die
blijft voortbestaan in de visuele wereld, wordt de geurende wereld
ervaren als slechts een bijkomende dimensie van de visuele wereld, zodat
er niet echt sprake is van een soort olfactieve
tegenhanger van stilte.
HET RUIKENDE SUBJECT EN HET GEURENDE ZELF
Vermits het quale niet langer in de ruimte wordt geprojecteerd, is
er geen splitsing meer tussen het waargenomen object en het waarnemende
subject, behalve dan bij lokalisering van de geurbron in de visuele
noumenale ruimte.
In de geurende ruimte valt het ruikende subject altijd samen met de
plaats waar de geur wordt geroken. Pas in zoverre de geur wordt geconstrueerd als deel uitmakend van
een noumenale wolk, bevindt het ruikende subject zich ergens in die wolk. Pas als de geurwolk als de
verschijning van een geurbron wordt ervaren, situeert het ik zich ten
opzichte van dat object in een noumenale
ruimte (die concreet visueel wordt ingevuld).
Anders dan bij de tastzin scheidt het neusslijmvlies zelf geen moleculen
af die we als geur waarnemen. Wel scheidt ons eigen lichaam
geuren af. Maar door sensitieve gewenning
ruiken we die op de duur niet meer. Aan de waarneming van onze visuele
verschijning of ons spreken geraken we daarentegen niet gewend.
DE ARBEIDSDELING TUSSEN DE ZINTUIGEN
Zeker als we het domein van de subliminale geuren buiten beschouwing
laten, zijn geuren een eerder zeldzame opflakkering van een nieuw
zintuiglijk domein temidden van de zichtbare, hoorbare, en tastbare wereld.
Net zoals tastindrukken leiden ook instrumentele geurindrukken tot
overschakelen naar
de visuele (voorgestelde of noumenale) dimensie of de voorstelling. Dat
geldt niet alleen voor de visuele waargenomen of voorgestelde ruimte
waarin we de geurwolk situeren, maar ook voor de visuele of voorgestelde
ruimte waarin we op zoek gaan naar de lokalisering van de geurbron.
Dat blijkt duidelijk uit het feit dat we niet onze neus gebruiken om de
geurbron te lokaliseren, maar wel ons oog, eventueel gesterkt door af
en toe ruiken van de intensiteit. Niet alleen informatie
geleverd door de tastzin, maar ook informatie geleverd door de geurzin
wordt
verwerkt in de visuele dimensie. Terwijl bij de tastzin nog de
mogelijkheid bestond om een puur tactiele wereld op te bouwen (bij
blinden), is dat (althans bij de mens) bij de geur ten enen male
uitgesloten: de wereld van de geur kan dus, net zoals die van de smaak,
slechts bestaan als de lokale waarneming binnen een meer omvattende
visuele wereld waarop hij parasiteert.
Na lokalisering van de geurbron kan er overschakeling zijn naar
erotische omgang of proeven.
De driedeling tussen een tastbare wereld onder en achter ons, en een
visuele wereld voor ons, een auditieve ether die ons omringt, wordt
dus aangevuld met geurende wolken die noumenaal of door effectieve
visuele waarneming worden gesitueerd rond objecten in de visuele wereld.
DE WERELD VAN HET RUIKBARE (0): HET GEURLOZE
Geuren zijn onontkoombaar: er zijn dus wel subjectief onruikbare geuren
(geuren in de wolk waarvan we ons niet bevinden), maar geen relatief
onwaarneembare. Zeer uitgebreid is daarentegen het domein van de
waarneembare fenomenen die geen geur hebben: alle vaste stoffen die te solide zijn om geuren af te scheiden: steen,
staal, goud, glas, rotsen, evenals alle wezens die, of in zoverre ze,
geen geuren afscheiden.
Geurloos zijn uiteraard de qualia van andere zintuigen: licht, geluid,
hardheid, smaak, warmte, pijn, gevoelens, enz.
DE WERELD VAN HET RUIKBARE (1): HET DOMEIN VAN DE
PUUR OLFACTIEVE VERSCHIJNINGEN
Terwijl de visuele wereld bij uitstek de fenomenale wereld is van de
blijvende dingen, de wereld van het oppervlak, en de wereld van het
auditieve bij uitstek de wereld van de verandering en de beweging, de
wereld van het innerlijk, is de
olfactieve wereld bij uitstek de wereld van de voorbijgaande
onderdompeling, het immersieve.
Deze wereld omvat omgevingsgeuren (de geur van de zee, de geur van
vulkanen en brand). Daarnaast ook de hele wereld van intentioneel
geproduceerde geuren van bloemen en dieren (de geuren van koren en vers
gemaaid gras, de geur van lavendel en linde, de geur van vossen en
paarden). Ten slotte de geuren van
klaargemaakt voedsel en lichamen (al dan niet via parfums). Ze worden ofwel
gewoonweg gebruikt als informatie (niet-intentioneel bij zeegeur of
vulkaangeur, intentioneel ter signalering van identiteit of toestand bij planten en
dieren, maar ook bij de mens). Omdat de betekenis meestal slechts wordt
'begrepen' door de planten of dieren waar ze voor zijn bedoeld, gebruikt de mens ze voor ze eigen doelen:
ter identificatie, of als bron van (on)lust: afgeweerd als onaangename
geuren, of almaar opnieuw opgesnoven zoals aangename geuren.
DE WERELD VAN HET RUIKBARE (2): VERZADIGEND OPLADEN MET INTERZINTUIGLIJKE
BETEKENIS
Puur olfactief aan de olfactieve waarneming is dus alleen de waarneming
van een wolk in de ruimte of een aura rond een object die homogeen is in
ruimte en tijd. Net zoals bij de tast
is een geurervaring aanleiding tot het
overschakelen naar het oog, dat dan de
bijbehorende ruimte structureert en toelaat het geurende object te
lokaliseren, zodat we het kunnen benaderen of ontwijken. Deze omschakeling is hier zelfs obligaat: vanwege de dissociatie tussen
verschijning en origineel is het alleen via zien mogelijk om uit te
maken of de lavendel hoort bij een lavendelveld, bij de lavendelzeep, of
bij de grootmoeder die de lavendel gebruikt. Maar vermits de visuele
waarneming altijd mogelijk is en effectief wordt uitgevoerd, wordt de
geur zelf alleen maar categoriaal opgeladen (er is iets te zien), en
slechts in algemene zin inhoudelijk (er is een meiboom te zien, er zijn
uitwerpselen te ruiken: zonder concrete invulling van de visuele
verschijning).
Na toenadering zijn er twee
mogelijkheden. Ofwel genieten we van de geur op zich: we willen de geur in zijn volle intensiteit ruiken en brengen dan de
neus dichterbij (neus in de kelk van het glas, op de huid) of snuiven de
geuren met volle teugen op (in de lekkere wolk rond de meidoorn of de
linde). Ofwel willen we het lekker geurende eten ook proeven, zodat
ruiken wordt gemengd met smaken. Daarom is er eerder invulling met smaak
dan met tast: we ruiken niet alleen dat er iets te eten is en wat het is, maar
ook dat het lekker is en hoe het smaakt, en beginnen al te watertanden (of
te braken) zonder effectief te proeven. De geur van het eten
wordt op afstand geroken en laat dus
nog geen smaak toe (vergelijkbaar met relatie tussen oog en tactiele
invulling). Er is dus een sterke interzintuiglijke oplading met smaak.
Dat geldt ook, maar minder voor opladen met interoceptie: geur als expressie van erotische
beschikbaarheid.
Er is dus de dwingende suggestie van iets dat zichtbaar en tastbaar
is, maar vooral eetbaar of tactiel genietbaar. Die suggestie wordt niet
inhoudelijk ingevuld voor zien en voelen, maar wel voor smaak.
Al wordt de olfactieve wereld vaak gelezen als teken voor een (visuele)
geurbron, hij wordt in dat geval toch niet tot zwart gat, zoals bij de
waarneming van visuele tekens (letters) of auditieve tekens (woorden).
Ook als we weten dat de mestgeur afkomstig is van boer x die zijn beer
uitstrooit op akker y, we blijven de mestgeur waarnemen als onaangenaam.
De betekenaar blijft werkzaam ook als de betekenis is gecapteerd.
DE WERELD VAN HET RUIKBARE (3): OPLADEN MET
AMPLIFICERENDE
BETEKENIS
We hebben nu een olfactieve ruimte die vervuld is van een geur die ook
smaken signaleert. Maar
de geuren die we in de olfactieve wereld waarnemen hebben ook
betekenissen die niet hier en nu of al helemaal niet waarneembaar zijn. Zo weten we, als we een
bepaalde geur ruiken dat er sprake is van rotting of verzuring.
De interzintuiglijk ingevulde oflactieve verschijning gaat als teken fungeren: als plaatsvervangende waarneming waar we
op reageren alsof we voor de oorspronkelijke waarneming of voor het
opgeroepen weten stonden.
Anders dan bij visuele of auditieve verschijningen stelt zich hier, net
zoals bij tactiele verschijning, de vraag of de oplading rechtstreeks door de
oflactieve wordt uitgelokt, dan wel na het opwekken van de bijbehorende
visuele voorstelling: herken ik de linde rechtstreeks aan de geur, dan
wel via de visuele voorstelling van de linde die wordt opgewekt door de
geur.
Ook hier geldt dat olfactieve verschijningen in de eerste plaats teken zijn
voor de soortelijke, individuele, parentale, seksuele, coöperatieve,
communale, of politieke identiteit van die verschijning (erotische
geur versus zweetgeur, babygeur, geur van bloemen en fruit, geur van
croissants of gebraad, wierook). Eenmaal
de identiteit is vastgesteld, gaat de verschijning functioneren als
teken voor waarnemingen of weten waar het mee is verbonden via de
diverse uitbreidingsmodi. Uit deze voorbeelden blijkt dat de geuren, veeleer dan te worden opgeladen
met amplificerende betekenis, ertoe neigen om voorstellingen
op te roepen waarop dan wordt gereageerd: denk aan de legendarische madeleine van Proust, de geur van rottende rat die de visuele voorstelling ervan
oproept, of de voorstelling van een kleurrijk veld in de Provence bij
het ruiken van lavendel, of bij de geur van eten aan de plaats waar het
wordt klaargemaakt of waar we het hebben gegeten.
Bij uitstek door amplificerende oplading wordt dus het domein van het
olfactieve overstegen door inschakelen van andere zintuiglijke domeinen,
en het domein van het aanschouwelijke door activeren van noumenale
inhouden.
HET DOMEIN VAN DE WERKELIJKHEID DAT WORDT BESTREKEN DOOR DE OLFACTIEVE
WERKELIJKHEID
De geur ontsluit ons een wereld die bestaat uit talloze, zij het telkens
slechts tijdruimtelijk enkelvoudige geuren.
Deze geuren kunnen in beperkte mate interzintuiglijk (vooral gustatief
en tactiel-erotisch) en amplificerend
worden opgeladen, zij het dan meestal via de bijbehorende visuele
verschijning, en dan in hoofdzaak met informatie verkregen door
andere zintuigen, bij uitstek gustatieve, en ook met weten uit de
noumenale sfeer. Maar vaker werkt de geur als voorstellingopwekkend
teken voor voorstelling voor andere zintuigen, bij uitstek het oog.
Geuren leveren ons dus toegang tot een tijdruimtelijk eerder beperkte
aanschouwelijke wereld: een monolithische wereld zonder interacties tussen vele geurende wezens
die zelf niet veranderen.
Geuren zelf worden nauwelijks als (niet-gemotiveerd) teken gebruikt.
Voeg daarbij dat de wereld van de geuren zelf uit telkens slechts één
geur bestaat, en het wordt duidelijk dat de wereld van de geur
nauwelijks een wereld sui generis kan worden genoemd: hij ontsluit de
werkelijkheid als geheel slechts via bemiddeling van de visuele wereld.
De olfactieve wereld bevat geen domeinen die typisch zijn voor de mens.
Eerder is dit een infra-humane wereld.