INLEIDING: DE WERELD VAN HET 'TASTBARE' ALS POSITIEVE EN
NEGATIEVE DRUK
Vooraleer we aan dit hoofdstuk beginnen, moeten we er eerst aan herinneren dat
we het hier hebben over de 'drukzin' - baraesthesie - en niet over de
waarnemingen waartoe de huid in staat is. Druk wordt niet alleen
waargenomen door de huid - we voelen ook de (positieve of negatieve)
druk van de lucht in de longen, van het bloed in de aders, van het voedsel in
slokdarm, maag, en darmen, van de urine in de blaas, evenals de weerstand
die spieren ontmoeten bij het duwen tegen of omvatten van voorwerpen
allerhande: bijten op harde of zachte substanties, duwen tegen harde muur
of zachte matras, omklemmen van een boom of een zacht lichaam, knijpen tussen
duim en wijsvinger, enz. De
waarneming van druk kan ook negatief zijn: het gevoel van leegte dat we
hebben als we de arm uitstrekken zonder op iets te stuiten, of het
gevoel van 'vacuum' dat we hebben bij zuigen of inademen.
Zodra we de tastzin omschrijven als het waarnemen van mechanische druk -
als drukzin - wordt duidelijk dat hij niet zomaar mag worden herleid
tot aanraken met de hand, zoals de naam 'tastzin' suggereert. Ook bij
zitten en staan voelen we de weerstand van de stoel of de bodem, en door
met onze schouder tegen het rotsblok te duwen weten we pas hoe zwaar en
onverzettelijk het is. Via beweging van het hele lichaam of van de
tastende arm kan het uitblijven van een drukervaring ons leren dat we
ons in de lege ruimte bevinden. Naast aanraken met de handen of met het
hele lichaam is er ook ook nog bijten (om te voelen of iets hard is) en
voelen met de tong: bv. graat, steentje in de tarwe, in algemeen of
voedsel zacht is of hard, krokant, evenals het voelen met de
geslachtsorganen, enz. De term 'tastzin' is dus een pars pro toto dat al te vaak
aanleiding is tot een 'manucentrische' misvatting, die, tesamen met de
misvatting van de 'huid' als 'zintuig', de cutanocentrische misvatting.
De associatie van tastzin met de huid schept ook de verkeerde indruk dat de
huid een contactzintuig zou zijn. Dat is slechts in beperkte mate waar.
Dat de vooruitgestoken hand bij tasten in het donker de ruimte helpt
verkennen, moet ons ervan overtuigen dat de drukzin een overgangspositie
inneemt tussen afstands- en contactzinuig. En dat we op basis van de
innerlijke waarneming van druk en leegte of vacuüm ook een innerlijke
ruimte construeren, leert ons vervolgens dat de drukzin veeleer het
enige zintuig is dat zowel exteroceptief, interoceptief, als
'liminoceptie' is: het brengt zowel de uiterlijke als de innerlijke
ruimte in kaart als de grens tussen beide.
DRUK OP ZICH
Het fysische verschijnsel dat door de tastzin wordt waargenomen is
(onder)druk.
Druk is niet iets dat zich van de drukbron losmaakt zoals licht van de
lichtbron of geluid van de geluidsbron.
Anders dan lichttrillingen, die niet worden geproduceerd maar slechts
weerkaatst door zichtbare voorwerpen, en anders dan luchttrillingen, die
niet het instrument of de mechanische delen zijn die de lucht tot
trillen brengen, is het vermogen om druk of
weerstand uit te oefenen een eigenschap van het ding
of ons lichaam zelf,
die bijgevolg alleen kan worden waargenomen door ermee in contact te komen.
Er is dan geen sprake van enige vorm van objectieve dissociatie zoals bij
geur of geluid, of van vervorming door afstand, zoals bij licht. Druk
kan zich wel voortplanten: hij
is transitief. In volgende paragraaf zullen we zien hoe dat kan leiden
tot plaatsvervangende druk van object en lichaam.
Het vermogen om druk uit te oefenen is een onveranderlijke
eigenschap van de dingen: ze is altijd waarneembaar. Daarin onderscheidt
de tastbaarheid zich van zichtbaarheid, een eigenschap die dingen pas
hebben als ze worden belicht, en van hoorbaarheid, een eigenschap die
alleen optreedt als dingen botsen of in frictie zijn. De tactiele
verschijning kan ons dus ten allen tijde het ding zelf reveleren.
Daarom is tastbaarheid dé dimensie van de substantie, zoals
zichtbaarheid dé dimensie van de wereld is, al zijn er vele dingen die
niet tastbaar of zichtbaar zijn.
De druk is variabel. Aan de ene kant van het spectrum staan
niet-samendrukbare voorwerpen en samendrukbare in verschillende graden
(elastisch, meegevend, zoals een matras of een kussen, menselijk vlees,
modder, olie, water). In het midden bevindt zich de lege ruimte die geen
weerstand biedt. En aan de andere kant van het spectrum de holtes waar
onderdruk heerst.
Druk wordt actief uitgeoefend door mijn lichaam op objecten, of paasief
ondergaan door objecten
op mijn lichaam. Bij uitoefenen van druk door mijn lichaam kan de druk
uitgaan van grotere onderdelen van het lichaam zoals borst of
rug, zitvlak, armen of de benen, handen en vingers of voeten en tenen,
maar ook van de tanden en de tong. Het uitoefenen van druk kan door
duwen, strelen, aanraken, omknellen met de armen of de vingers, bijten. De druk van voorwerpen op
mijn lichaam kan druk zijn (van min of meer grote oppervlaktes) op het hele lichaam (de druk van de stormwind, de
stroming van water, de druk van de matras), maar ook op onderdelen van mijn lichaam (voorwerpen die druk uitoefenen op min of
meer grote onderdelen van de huid (gaande van grotere onderdelen zoals
zitvlak of rug, arm of handpalm, tot minieme onderdelen zoals bij de
prik van een speld).
Gaat de druk van het voelende subject uit, dan kan hij aanleiding zijn tot
ofwel verandering van plaats van het aangeraakte voorwerp, ofwel verandering van
de vorm van het voorwerp
zelf (bij kneden
of aanraken van voetstappen in het zand), ja zelfs tot de vernietiging
ervan.
ZACHTE OF HARDE OBJECTEN IN LEGE RUIMTE
Mechanische druk wordt aangevoeld als het quale 'substantie': als een
tactiel oppervlak met diverse tactiele kwaliteit (glad, ruw, kleverig,
vochtig) over een uitgebreide (want drukdoorgevende) en min of
meer harde of meegevende driedimensionale vorm
(volume), en bij afwezigheid daarvan als lege ruimte.
Anders dan auditieve objecten die niet altijd waarneembaar zijn, is de tastbare
verschijning van objecten altijd waarneembaar, maar anders dan visuele
objecten die (overdag) altijd zichtbaar zijn, nemen we ze pas waar als ons lichaam er
op een of andere manier mee in contact komt: actief door de beweging van het
lichaam of een onderdeel ervan (bv. de voelende hand), of passief
door de beweging of de weerstand van een voorwerp. Doordat we staan, liggen, zitten of lopen, of ergens tegen leunen, heeft ons tastbaar lichaam permanent contact met het
aardoppervlak (behalve wanneer het valt), maar dit minimale - en door gewenning nauwelijks nog
waargenomen - contact wordt aangevuld met min of meer uitgebreid contact
van andere delen van het lichaam met de objecten waarmee ze tijdens
beweging, werk, of vrijen in aanraking komen.
Tegelijk voelen we in onze maag, ingewanden, en blaas, in ons
bloedsomloopstelsel, in onze neus en longen, en in onze mond innerlijke
druk of leegte. De tactiele wereld is dus geen intermittente wereld, zoals
de auditieve, geen continu aanwezige, zoals de visuele, maar een
permanent oscillerende - voortdurend expanderend en contraherend.
Terwijl bij gehoor en gezicht de gewaarwording in de ruimte wordt
geprojecteerd, wordt de tastindruk gesitueerd op de plaats waar hij
wordt waargenomen. Dat betekent niet dat de tactiele wereld niet ruimtelijk
zou zijn: niet alleen door optelling van vele tactiele indrukken, maar
ook door de rechtstreekse ervaring van druk op afstand (zie verder), construeren
we de uitgebreidheid van het eigen lichaam én die van de aangeraakte
voorwerpen. Bovendien bepalen we de ruimtelijke relatie tussen het volume
van ons lichaam en dat van de gemanipuleerde objecten. We kunnen afstand
tussen ons en een voorwerp meten door er ons naartoe te bewegen of door
onze arm uit te strekken. En we kunnen de afstand tussen twee objecten
binnen armlengte door ze allebei vast te nemen. Ook als we ons
op één voorwerp concentreren (dat we omvatten met de armen, of met de
handen, of tussen de vingers) weten we waar dat object zich bevindt ten
opzichte van ons lichaam. Vermits ze wordt opgebouwd uit rechtstreekse aanrakingen, is deze ruimte
niet perspectivisch
vertekend: er bestaat dus niet zoiets als perspectivisch harder of
zachter worden. De tactiele ruimte is dus de echte
geometrische ruimte: ze levert de noumenale matrix die we gebruiken om
de visuele perspectieven te interpreteren.
De uitgebreidheid in de ruimte kan ook onrechststreeks worden gevoeld.
We weten immers dat druk transitief is, bij uitstek bij vaste stoffen -
de beitel die de slag van de hamer doorgeeft. Als ik de sport van
een ladder omvat met de hand, weet ik dat de uiteinden ervan
(vermoedelijk aan beide kanten) vastzitten. Als een staaf of stok
meegeeft aan één kant, weet ik dat hij aan de andere kant vastzit (en
kan ik aan de buiging voelen hoever de verankering ligt). Als ik een
staaf neem met beide handen, merk ik dat er een ruimtelijke uitbreiding
is aan het feit dat beweging ervan met de ene hand gevolgen heeft voor
de andere hand. In al deze gevallen is er sprake van een soort
uitbreiding van het lichaam: zoals wanneer ik in de auto via de wielen
het wegdek voel, of op het paard de hardheid van de bodem. Ook
mechanische trillingen kunnen druk overbrengen (zoals wanneer iemand op
een buis klopt, of zoals wanneer we de trillingen van een motor voelen.
Maar de overbrengng kan ook min of meer lang uitgesteld zijn: denk aan
iemand die iemand die tegen de rand van een opblaasbaar zwembad of
springkasteel duwt, of iemand die aan het touw van een hangbrug trekt.
Ook onderdruk kan worden doorgegeven: zuigen aan een riet, onderdruk met
een zuiger (fietspomp). Hierdoor ontstaat een vorm van dissociatie van
tussen vorm en verschijning.
Pas als we de optelling van tastindrukken van naderbij bekijken, valt op
dat niet het hele oppervlak moet afgetast: om een tafelblad te voelen
volstaan eigenlijk vier tastindrukken. Dat geldt ook voor volumes, bij
uitstek volumes die we kunnen omvatten door omarming, door
omklemmen met de hand, of door tussen de vingers te nemen of in de mond
te nemen. Als we ze in de mond nemen, voelen we dat de kers rond is,
maar ook de aanraking tussen twee vingers en wat draaien volstaan om de
rondheid te voelen. Als ik een staaf met twee handen omklem, volstaat
het ze te bewegen om vast te stellen dat ze zich minstens uitbreidt
tussen mijn beide handen. Als ik de sport van een ladder vastneem met 1
hand, weet ik dat de staaf ergens aan beide uiteinden is vastgemaakt.
Als ik een hendel omklem, volstaat het voelen van de draaibeweging om te
weten waar de as is rondom dewelke hij beweegt. De tastzin is dus het
'hypothetische' zintuig bij uitstek. Uitputtend voelen is alleen nodig
als de aanraking lustvol is (strelen over huid) of om te weten of de
hypothese gerechtvaardigd is: of het oppervlak in zijn geheel inderdaad
glad is, dan wel overgaat in hardere gedeelten (tepels op borst, lippen
naast wang, de rib onder de huid).
Tijdelijk gezien hangt het van de omvang van het
object af hoe lang het duurt vooraleer het tactiel kan worden afgetast. Niet het gehele
oppervlak hoeft afgetast als we voelen dat het zich uitbreidt: aftasten van
twee plaatsen op de muur volstaat om te weten dat we een groot oppervlak
betasten.
Maar in alle gevallen is optelling is alleen mogelijk als het object intussen niet van vorm
verandert (bobbels in een geiser, bewegend lichaam). Optelling is ook zinloos als
het voorwerp tengevolge van de aanraking verandert van vorm (deeg) of
wordt vernietigd (zeepbel).
Actieve tastzin komt vooral in aanmerking voor niet-bewegende
voorwerpen. Maar passieve tastzin kan ook bewegende voorwerpen
waarnemen, op voorwaarde dat ze ons lichaam aanraken. Iets kan tegen ons
lichaam botsen en het dan doorboren (kogel) , ertegen tot stilstand
komen, of eromheen glijden (zand dat door
de handen loopt, maar ook stromen van water voelen met hand in de
rivier, wind die over het lichaam waait). In alle gevallen voelen we ook
waar het voorwerp vandaan komt en waar het eventueel heen gaat.
In de tactiele ruionte kunnen objecten elkaar geheel of ten dele
bedekken: de kast kan mij
verhinderen om de doos erin waar te nemen of de muur erachter, en het
oppervlak verhindert mij de toegang tot het innerlijk. Er is ook
oversnijding: het ene object kan het andere ten dele bedekken. Zo kunnen
we voelen hoe de bovenarm overgaat in een mouw, en er is zelfs zoiets
als transparantie: ik kan voelen dat er onder de kleren een buik zit en
dat die zacht is. Gaat het zachter substanties, dan is tactiele
transparantie mogelijk (de erwt onder de matras, de knook onder de huid,
de harde tepel voelen onder zachte stof).
Naast de kwaliteit en de hardheid van het oppervlak en de vorm ervan,
neem ik dus ook de ruimtelijke positie ervan waar evenals de lege ruimte
tussen mijn lichaam en het object, en eventueel ook de baan en de kracht
van bewegende voorwerpen
Hoe dan ook, door optelling van alle tactiele waarnemingen ontstaat dus
zoiets als een tactiele ruimte bestaande uit een leegte die is gevuld met
objecten. Die objecten hebben verschillende soorten substantialiteit: er
zijn harde objecten, eventueel
vloeibare of meegevende substanties. Onder die objecten bevindt zich ook ons eigen lichaam, dat zelf weer
is opgevat als tactiele noumenale binnenruimte
waarin zich buitenwerelden bevinden. Die tactiele ruimte is
perspectiefloos: alle dingen verschijnen er op ware grootte. Belangrijke delen van die tactiele ruimte
kunnen fenomenaal worden waargenomen (omklemmen van borst, voelen van
bedekking of 'transparantie'), maar de optelling tot een gesloten geheel
is noumenaal. Deze perspectiefloze noumenale ruimte is de basis waarop
de perspectivische visuele ruimte noumenaal wordt geconstrueerd. Die ruimte kan in principe
erg groot zijn: we weten dat er overal waar we naartoe gaan een bodem zal
zijn waarop we kunnen staan. Maar die ruimte tendeert ernaar om zich te beperken
tot waar we kunnen reiken of gaan (we kunnen wel in een
boom klimmen, maar een wolkenkrabber kan tactiel niet worden
waargenomen) of tot wat onze handen manipuleren. Het gaat dus om een
concentrische, schijfvormige ruimte, waar het echte gebeuren zich
afspeelt rondom het rondtrekkende, of stilstaande en dan tastende en
betaste lichaam: een sfeer die maximaal het territorium omvat dat kan
worden bestreken door een bewegend lichaam, vaker dat van bewegende
ledematen (met gevoelige uiteinden zoals armen en voeten) rond het
lichaam, maar bij uitstek de wereld van kleine, hanteerbare objecten
(tijdens de arbeid of tijdens de liefdevolle omgang met het lichaam van
kind of lief). Binnen het veld kunnen vele kleine objecten worden
onderscheiden (vele knikkers in één handpalm) en/of diverse
oppervlakte-eigenschappen (ruw naast zacht, scherp naast stomp enz.).
Naast de lege ruimte ontsluit de wereld van de tastzin ons in de eerste
plaats de vorm (het oppervlak) van de objecten (inclusief de
voorstelling van een innerlijk: dat wat zich aan mijn tastzin onttrekt
omdat ik er niet 'in' kan) en hun vormvastheid (hard, meegaand,
vormloos zoals lucht en water). Ook de textuur van het oppervlak. Vervolgens ontsluit het de positie van
de objecten ten opzichte van elkaar en van ons lichaam, evenals (ook al
via de voorstelling van een ontastbaar innerlijk) de leegte tussen
objecten waar niets is te voelen. De tastzin is dus wel geen echt
afstandszintuig, maar vermits de tastzin in tijdruimtelijk heterogene
ruimte ontsluiert, is hij wel een ruimtezin.
Als tactiel ervaren wereld is deze wereld veel kleiner dan de visuele en de auditieve.
De wereld van het tastbare is, ten slotte, bij uitstek de wereld van het
intersubjectief waarneembare, al kan die ervaring niet simultaan zijn:
een (onveranderlijk) object kan op elk moment door slechts één hand
worden gevoeld, of, om te weten hoe scherp de punt van het potlood is,
moet ieder van ons het achtereenvolgens op zijn eigen vingerpunt zetten.
We weten uit de vorige paragraaf dat de druk van de dingen een
eigenschap is van de dingen zelf die altijd waarneembaar is en
nauwelijks dissocieerbaar. Daarom wordt het tastbare - de substantie -
beschouwd als de 'eigenlijke' kwaliteit van de dingen
(wat dan weer problemen oplevert met zielen en geesten), vooral omdat de
onveranderlijke tactiele indrukken in schril contrast staan met het visueel wisselen van verschijning
naar gelang van de afstand, het perspectief, en de belichting.
HET TACTIELE SUBJECT EN HET TACTIELE ZELF
Vermits de drukervaring niet langer in de ruimte wordt geprojecteerd, is
er geen splitsing meer tussen het waargenomen object en het waarnemende
subject, behalve dan bij voelen op afstand en bij de constructie van de tactiele geometrische
noumenale ruimte.
De voelende hand voelt ook zichzelf: voelen is altijd een
dubbelsensatie. Ook het oog ziet het visuele zelf, maar het oog ziet
niet zichzelf. Al dichterbij is het horen van de eigen stem omdat die
weerklinkt op de plaats waar het derde oor hoort. Maar we voelen niet de
druk van de luchttrillingen op het trommelvlies. Ook de neus ruikt niet
zichzelf. Bij de tastzin ligt het anders: ofwel oefen ik ofwel druk uit,
zodat het object druk uitoefent op mij, ofwelf oefent het object druk
uit, en voel ik mezelf. Dat kan de verkeerde indruk scheppen dat het
voelende subject zichzelf voelt. Maar in werkelijkheid voelt het subject
het object op de plaats waar het zichzelf bevindt, en het voelt daar
zowel het object als zijn eigen tactiele verschijning. Het is dus niet
het subject dat zichzelf voelt, maar eenzelfde subject dat zowel het
object voelt als het tactiele zelf; de wind of de regen op mijn naakte
lichaam, de harde rots op mijn zitvlak, het zachte laken op mijn huid,
de hand van de geliefde op mijn huid.
Nog gecompliceerder is wanneer het voelende subject zichzelf aanraakt:
het voelt dan zowel de gevoelde hand, als de voelende hand, bij
gekruiste armen of benen zowel de voelende arm of het voelende been, als
de gevoelde arm en het gevoelde been.
Vermits de druk wordt gevoeld op alle plaatsen waar druk wordt
uitgeoefend of wordt ondergaan, is er geen duidelijk gelokaliseerde
zetel meer van het tactiele subject: er is geen gespecialiseerd orgaan
meer. Er zijn evenveel tactiele subjecten als er gedifferentieerde voelende
oppervlaktes zijn. Ze worden alle gesubsumeerd onder het lichaam dat is
omsloten door het oppervlak van de huid en het
interne oppervlak van de spijsversteringsbuis, blaas, longen, en aders,
en het vlees bij knijpen. We voelen dit volledige lichaam als zwaarte
bij liggen, zitten, staan, of lopen - wat pas opvalt als we gewichtsloos
zijn, of van gewicht veranderen (bij uit bad stappen, of naar buiten
gedrukt worden in bochten, of vooruit gestuwd bij remmen). Tegen deze
algemene achtergrond tekenen zich verhevigde deelsubjecten af bij
aanraken met vingertoppen, met de hand, bij aangeraakt worden door zetel
of voorwerpen. Zolang we in ons lichaam zitten, zijn we integraal
voelend subject dat zich lokaliseert in heel het lichaam en. Maar zodra
delen van ons lichaam voelen, verplaatsen we ons naar dat deel
(exemplarisch in de vingertop). Dat wordt in de visuele ruimte
bekeken vanaf de plaats waar het derde oog zich bevindt. Dat is nodig
omdat de lichtindruk in de ruimte wordt geprojecteerd, maar de
tastindruk niet: anders dan het oog dat het zichtbare in de ruimte ziet,
voelt de huid het tastbare in de huid. Het oog ziet de hand die de tafel
voelt, maar de hand voelt de tafel, niet het oog: daarom wordt het
subject gesubsumeerd onder het oog.
Net zoals onze
visuele positie, is ook onze tactiele zelfervaring van wezenlijk belang voor de
constructie van de noumenale wereld van de tastzin: aan
de plaats en de omvang van ons eigen lichaam meten we de positie
en de grootte van een object ten
opzichte van ons lichaam, maar bij uitstek als de hand het eigen
lichaam aanraakt.
DE ARBEIDSDELING TUSSEN DE ZINTUIGEN
Zien leidt tot aanraken. Wat we alleen maar hebben gezien zonder het
ooit te hebben aangeraakt, lijkt niet echt te bestaan.Vandaar kan de
aflossing der zintuigen verder gaan naar
eten of vrijen. Maar vaker - bij de bewerking van dingen, al dan niet
met behulp van instrumenten - ontstaat er een ingewikkeld heen en weer
tussen kijken en tasten:
ingrijpen op de dingen, waardoor hun visuele verschijning verandert, wat
dan weer aanleiding is tot nieuwe manipulatie. Die wisselwerking komt tot rust in het
zien: als het oog ziet dat het goed is, kan verdere aanraking stoppen.
Doordat de beweging telkens weer terugkeert naar het oog, leidt deze oog-handcoördinatie
tot een permanente aanvulling van alle tactiele waarnemingen met een
optische dimensie, zodat het de visuele wereld is die wordt opgeladen
met tactiel weten, en niet omgekeerd. Dat blijkt duidelijk bij blind tasten
- bij het spelen van blindemannetje of bij vrijen: het lokale tasten
wordt stelselmatig uitgebreid met voorstelling (of weten) van de overige tastbare wereld. De belangrijkste invulling is de
achtergrond: de tastzin onderscheidt alleen figuren. Dat houdt in dat we
ons nauwelijks een tactiele ruimte kunnen voorstellen zonder ze ook te
zien. De tactiele wereld is dus alleen als een soort parasiet op de
visuele. Alleen blinden construeren een puur tactiele wereld: een indruk
daarvan krijgen we als we ons concentereren op het stuk van de visuele
wereld onder en achter ons: daar heersen alleen tactiele waarnemingen.
Niet alleen de ruimte is tactilovisueel, maar in de eerste plaats de
dingen. Al beschouwen we het tastbare als de 'eigenlijke' kwaliteit van
de dingen, we kunnen ze ons nauwelijks puur tactiel voorstellen: we zien
ze altijd als visuele verschijning in een visuele ruimte, en daar
worden ze ondergeschikt aan de vervorming door perspectief, afstand, en
belichting. Dat bleek al uit het feit dat we het tactilovisuele muziekinstrument als
de geluidsbron ervaren, terwijl het geluid in feite afkomstig is van
onzichtabre trillende lucht.
Het voorbeeld van de achtergrond toont overigens hoezeer de wereld van
de tastzin veel minder uitgebreid is dan de visuele wereld, die al de
kleinere auditieve wereld omvatte, en nu ook de nog meer besloten wereld
rondom het ziende subject lijkt te omsluiten. Dat geldt niet alleen voor
de ruimte, maar ook voor de objecten: de uitbreiding van de dingen in de
visuele wereld gaat veelal verder dan hun uitbreiding in de tactiele
wereld voor de hand is de borst een kneedobject, voor het oog is het
een onderdeel van het gehele lichaam. .
Hoe dan ook, de tweedeling tussen een visuele wereld voor ons en een
auditieve ether om ons heen, wordt aangevuld met een derde tactiele
dimensie. Als zuiver tactiele dimensie wordt ze alleen waargenomen als
de grond waar we op staan of de stoel of zetel waar ze in zitten.
Belangrijker is de veelal niet als zodanig waargenomen permanente
oplading van voor het visuele, maar ook het auditieve, met een tactiele
dimensie.
Omgekeerd speelt bij de constructie van de noumenale ruimte de tastzin
een grote rol. Anders dan de tactiele ruimte, die puur geometrisch is
(zie II, 5), is de visuele ruimte perspectivisch: de grootte verandert
naar gelang van de afstand, zodat de relatieve grootte een volgende
aanduiding is voor afstand. Tegelijk zijn objecten slechts zichtbaar
vanuit een bepaald perspectief. Om ze te herkennen is het bestaan van
een perspectiefloos model nodig. Dat wordt moeiteloos geleverd door het
perspectiefloze voelen: terwijl het oog ons slechts perspectieven op de
kubus levert, levert de tastzin ons een perspectiefloos model zonder
schaduwen, waas, of kleur. Geheel in de lijn van de verwachtingen wordt
dat niettemin visueel ingevuld in onze voorstelling.
-
DE WERELD VAN HET TASTBARE (0): HET ONTASTBARE
Tot het domein van het subjectief onwaarneembare behoort alles wat zich
op een gegeven moment buiten ons tastbereik bevindt, evenals alle dingen
die
bewegen zonder dat ze ons aanraken of zonder dat wij ze
kunnen aanraken:
het is levensgevaarlijk om zich op de tast te bewegen in het verkeer of
tussen de botsauto's.
Tot het domein van het relatief ontastbare behoort alles wat zich
onder een hard oppervlak bevindt (tenzij dan na vernietiging van het
oppervlak), dingen die sneller veranderen dan we ze kunnen voelen - die
ons letterlijk
ontglippen. In
een beperktere zin ook dingen die we wel voelen, maar waar de vorm voor
ons onvoelbaar is: water, lucht, rook, klei en deeg, maar ook
regendruppels die op ons vallen.
Ten slotte is er het domein van het waarneembare dat onvoelbaar is. In
de eerste plaats uiteraard de qualia van andere zintuigen: licht, geluid, geur, smaak,
warmte, pijn, gevoelens, al zijn de meeste
originelen waar we van uitgaan wel tastbaar. Wel zijn er
monosensoriële fenomenen zoals mist,
regenbogen, en poollicht die per definitie niet tastbaar zijn. Maar het
belangrijkste domein is hier de leegte tussen de dingen, al is die wel
voelbaar als het waait of als we snel bewegen met ons lichaam of
onderdelen ervan. Die leegte is, naast het domein van de vormloze
stoffen (water), het domen waarin we ons met ons lichaam kunnen verplaatsen of waar we met
onwe ledematen of vingers kunnen binnendringen.
DE WERELD VAN HET TASTBARE (1): HET DOMEIN VAN DE
PUUR TACTIELE
VERSCHIJNINGEN
Begaanbare bodem: verharde wegen, zanderige woestijn, varen over water, vliegen
in de lucht.
Zitplaatsen: harde rots, harde stoelen, zachte zetels, bedden.
Te bewerken grondstoffen, te gebruiken instrumenten.
Te genieten consumptiegoederen; dranken en vast voedsel in de
mond. Tastbare lichamen, harde erectiele tepels, vochtige lippen.
Veerkrachtig tegenover papperig.
Expressieve aanrakingen; strelen en kussen versus knijpen, slaan, stampen, wurgen)
DE WERELD VAN HET TASTBARE (2): VERZADIGEND OPLADEN MET INTERZINTUIGLIJKE
BETEKENIS
Voor de tastzin bestaat de wereld uit objecten
met diverse graden van weerstand in een ruimte die zich binnen hand- of
loopbereik een dunne laag boven een aardbodem bevindt. Die
tactiele wereld kan, net zoals de visuele, worden opladen met categoriale
of inhoudelijke indrukken uit verder liggende domeinen.
De tastervaring vraagt in de eerste plaats om aanvulling door het zien, en
dat is niet alleen mogelijk, maar haast altijd een feit (alleen niet bij objecten die
onzichtbaar zijn maar die wel weerstand bieden zoals wind). De nauwe
relatie tussen beide zintuigen moet meestal kunstmatig worden verbroken, zoals
bij gebruik van een blinddoek of bij tasten in het donker. Daarom is er
wel de dwingende suggestie dat er iets zichtbaars is, maar geen aan het
voelen inherent weten hoe iets eruit ziet. Eerder roept de tactiele
ervaring het verlangen op om te zien of zich iets voor te stellen. Monosensorieel tasten
werkt dus eerder waarnemingopwekkend of voorstellingopwekkend, dan dat het
wordt opgeladen met visuele inhoud: exemplarisch
bij blindemannetje spelen, waarbij je je het gezicht probeert voor te
stellen dat hoort bij een bepaalde tastervaring. Daar
is, naast de onverbrekelijke band tussen voelen en kijken, nog een
andere reden voor: het optellen van tastindrukken in een samengestelde
waarneming van een object of van de tastervaring van de ruimte in een
overkoepelende samengestelde waarneming van de ruimte is een min of meer langdurig en omslachtig tastproces, terwijl
zowel object als ruimte voor het oog in één oogopslag
fenomenaal zijn gegeven. Het voelen van een tactiele verschijning leidt dus wel tot
de zekerheid dat er een visuele (en dus ook
tactiele) verschijning is, maar dat lokt alleen maar de aandrang uit om
effectief die visuele verschijning waar te nemen of zich die voor te
stellen.
De relatie van de tast met het oor - dat inhoudelijk tactiele
kwaliteiten meehoort - is ingewikkelder. Vele bewerkingen die nodig zijn
voor het opdoen van tactiele ervaring maken geluid; stappen op de grond,
botsen tegen de muur, slaan op de dijen, maar vooral het kloppen op
objecten om te weten hoe het is gesteld met de stof waaruit ze onder het
oppervlak is samengesteld: we voelen wel of iets glad is, maar het kan
dan net zo goed koper zijn als gepolijste steen. Vandaar het tikken op
een beeld om te horen of het van polyester is of van brons, het kloppen
met de knook van de vinger om te horen of iets hol is of vol. Maar
terwijl deze band wel leidt tot het tactiel opladen van geluid, leidt
voelen niet automatisch tot een meehoren van de klank. De reden is vermoedelijk dezelfde als waarom we het geluid niet meezien:
net zoals in de echte wereld wat geluid maakt in de regel ook zichtbaar
is, horen we altijd het geluid als we iets bekloppen. Omdat het hoorbaar
is hoeft het niet opgeladen in het tastbare.
Tast zelf leidt (tot manipulatie en dan tot verder voelen) of tot eten. Maar bij eten wordt de
tast niet uitgeschakeld, hij verandert alleen van lichaamszone. Ook de
tong voelt of iets nat of droog is, hard of zacht, warm of koud. Daarom
is er er evenmin sprake van voelen hoe
iets zal smaken: dat komt, net zoals bij de geur, omdat er geen
anticipatie nodig is: wat ik voel kan ik ook proeven.
Wel kan de tastervaring van de hand vooruitgrijpen op die van de mond: ik voel
of de avocado of rijp is.
Heel belangrijk, en vaak over het hoofd gezien is dat tastervaringen ook
en bij uitstek interoceptief worden opgeladen, vooral dan de
ervaring die het gevolg zijn van de beweging van andere voorwerpen tegen
ons. Daar zijn in de eerste plaats die van dingen, waar we dan een
'ziel' aan toeschrijven, of kwade of goede
bedoelingen: de striemend zandstorm versus de strelende wind. Dat komt
dan weer omdat de aard van de aanrakingen veel vertelt over de intentie
van personen die aanraken: kussen, strelen, (al dan niet hartstochtelijk)
omarmen of penetreren, versus stampen, slaan, opzijduwen zijn expressief
voor liefde en agressie. Ook de erectiele hardheid van tepels en penis zijn tekenen
van opwinding. We kunnen vergelijken met de visuele tekens die wijzen op
de innerlijke gesteldheid. In tegenstelling tot de suggestie voor andere zintuigen,
suggereert de tastzin hier niet alleen dat er iets waarneembaar is voor
andere zintuiglijke domeinen - de
innerlijke wereld van wat ons aanraakt - maar ook een concrete
inhoudelijke invulling. De reden ligt voor de hand: net zoals het
opladen van de visuele veschijning door tactiele indrukken is ingegeven door het feit dat bij
afstand aanraken niet mogelijk is, is het opladen door interoceptie
ingegeven door feit dat bij uiterlijke zintuigen überhaupt geen
waarneming van het innerlijk mogelijk is. Dat geldt inzonderheid voor de
erotische aanraking, die de genitale wel belooft, maar nog niet
onmiddellijk inlost.
Er is dus wel de dwingende suggestie dat wat tastbaar is ook zichtbaar
is en hoorbaar, evenals eetbaar (als het krokant of zacht is of
vloeibaar), maar er is geen concrete invulling ervan met
informatie door andere zintuigen, behalve dan qua expressie van
interoceptie.
Naast de puur tactiele verschijningen die esthetisch als lustvol worden
ervaren, zijn er ook de interzintuiglijk opgeladen verschijningen die
dubbel lustvol zijn' een mooie borst die ook nog haar aaibaarheid toont
door zich te laten hangen tegen het lichaam van de geliefde.
DE WERELD VAN HET TASTBARE (3): OPLADEN MET
AMPLIFICERENDE
BETEKENIS
We hebben nu een tactiele ruimte die vol is van objecten die ook
kwaliteiten hebben voor andere zintuigen, vooral de innerlijke. Maar
de verschijnselen die we in die tactiele wereld waarnemen hebben ook
betekenissen die niet hier en nu of al helemaal niet waarneembaar zijn. Zo weten we, als we een gerimpelde huid aanraken, dat de persoon oud is,
dat een litteken het spoor is van een wonde, dat de behaarde borst of de
stoppelbaard aan een man toebehoort, enz.
De intra- en interzintuiglijk ingevulde tactieleverschijning (of een onderdeel
ervan) gaat als teken fungeren: als plaatsvervangende waarneming waar we
op reageren alsof we voor de oorspronkelijke waarneming of voor het
opgeroepen weten stonden.
Anders dan bij visuele of auditieve verschijningen stelt zich hier wel de vraag of de oplading rechtstreeks door de tactiele
ervaring wordt uitgelokt, dan wel parsitair, na het opwekken van de bijbehorende
visuele voorstelling: herken ik de tactiele indruk rechtstreeks als
haarspeld, dan wel pas via de visuele voorstelling die de vorm opwekt.
Ook hier geldt dat (onderdelen van) verschijningen in de eerste plaats teken zijn
voor de soortelijke, individuele, parentale, seksuele, coöperatieve,
communale, of politieke identiteit van die verschijning
(werkmanshanden), en dat eenmaal de identiteit is
vastgesteld, de verschijning gaat functioneren als teken voor
waarnemingen of weten waar het mee is verbonden via de diverse
uitbreidingsmodi. Wel geldt hier dat, veeleer dan te worden opgeladen, tastindrukken ertoe
neigen om
voorstellingen op te roepen of om visuele waarneming uit te lokken.
Net zoals bij visuele en auditieve
verschijningen, kan het hier gaan om invulling afkomstig uit andere
tactiele verschijningen: 'dat voelt aan als zijde'. Maar vaker gebeurt
de aanvulling via bij uitstek visuele voorstellingen (bv. gelaat bij
voelen van warme wang). Niet alleen het domein van het tastbare wordt
daarbij overstegen, maar ook het domein van het aanschouwelijke als
zodanig; abstracte inhouden zoals 'overgave'of 'terughoudendheid'.
HET DOMEIN VAN DE WERKELIJKHEID DAT WORDT BESTREKEN DOOR DE TACTIELE
WERKELIJKHEID
De tastzin geeft ons dus
toegang tot een wereld die bij enkelvoudige waarneming slechts een
eerder beperkte lege ruimte ontsluit waarin één
of een heel beperkt aantal objecten te voelen zijn - aanzienlijk
minder dan visuele en auditieve: net zoals we veel meer dingen hebben
gezien dan gehoord, hebben we oneindig meer dingen
gezien dan aangeraakt. Die objecten bieden min of meer sterke, geen, of
negatieve weerstand. Ze worden niet zozeer opgenomen in een eigen tactiele
wereld, maar dragen vooral bij tot de tactiele stoffering van de visuele
wereld. Alleen bij erotische omgang implodeert die wereld tot mono-objectale
tactiele wereld in het orgasme. Daar staat tegenover dat de tactiele wereld veel
constanter is dan de auditieve en zelfs de visuele: voelen doen we
noodzakelijkerwijze altijd (al was het alleen maar doordat we altijd op
de grond staan) al is dat altijd in wisselende mate: minimaal voelen we
ons lichaam en de bodem, en maximaal al het zichtbare dat we willen
aanraken en dat altijd voelbaar is.
Omdat elk tasten zien uitlokt en omdat alles wat tastbaar is ook
zichtbaar is, wordt de wereld van die tastbare objecten interzintuiglijk
differentieel opgeladen: er is alleen een weten dat er een visuele en
auditieve verschijning is, maar daarentegen sterke suggestie van een
innerlijke 'kracht' én van interoceptieve gevoelens (agressie of liefde).
Via amplificerende suggestie wordt elke tactiele waarneming via de
bijbehorende visuele verschijning ook nog opgeladen met informatie die
bij andere waarnemingen door onszelf of van anderen is opgedaan. Maar
het gaat hier niet zozeer om andere tactiele informatie, maar om
informatie die is ontleend aan visuele verschijningen, en dus niet meer
specifiek tactiel is te noemen. We kunnen spreken van een
onrechtstreekse, bemiddelde oplading, tegengesteld aan de rechtstreekse,
onmiddellijke oplading van visuele en auditieve configuraties. Via de
bijbehorende visuele verschijning wordt de tactiele verschijning ook
opgeladen met het uitgestrekte domein van het noumenale.
De tactiele verschijning zelf functioneert
nauwelijks als teken voor noumenale werkelijkheid. Voeg daarbij dat de
wereld van het tastbare eerder beperkt is en dat we telkens slechts één object kunnen voelen,
en het wordt duidelijk dat de wereld van de tast nauwelijks een wereld
sui generis kan genoemd; hij ontsluit de werkelijkheid als geheel
slechts via bemiddeling van de visuele wereld.
Terwijl de visuele wereld bij uitstek de fenomenale wereld is van het
onveranderlijke uiterlijk in de ruimte; de wereld van het
auditieve bij uitstek de wereld van de verandering en de beweging en het
innerlijk (evenals toegangspoort bij uitstek tot het noumenale); de olfactieve
wereld bij uitstek een immersieve wereld, is de tactiele wereld eerder
een ruimtelijke wereld van leegte gevuld met solide (harde en
onveranderlijke) oriëntatiepunten die ons dragen en omgeven (alleen in horizontale dimensie).
De tactiele wereld bevat geen domeinen die typisch zijn voor de mens.