INLEIDING
Terwijl de wereld van het zichtbare weinig geheimen
heeft, wordt de eigenaard van de wereld die door de andere
zintuigen wordt ontsloten vaak heel slecht begrepen. Inzonderheid de wereld van
het hoorbare zal in vele opzichten blijken te verschillen van die van het
zichtbare. Hij bevat overigens veel meer domeinen dan men gewoonlijk aanneemt:
naast de vertrouwde niet-intentioneel geproduceerde geluiden, ook intentioneel geproduceerde
auditieve expressies, maar vooral de specifiek menselijke domeinen van taal en
muziek. Op de taal als teken komen we uitvoerig terug in VIII, 4 en 5.
Aan de muziek wijden we twee afzonderlijke hoofdstukken, niet alleen om
recht te laten wedervaren aan een domein van de auditieve werkelijkheid
dat zo mogelijk nog belangrijker is dan de taal, maar ook om in volgend
deel muzikale mimesis terdege te kunnen onderscheiden van muzikale design.
LUCHTTRILLINGEN OP ZICH
De auditieve verschijning bestaat uit de omzetting van drukgolven, die
zich bij uitstek voortplanten in lucht, maar ook in anders stoffen zoals
water of metalen. Ze worden veroorzaakt door botsing of frictie van
objecten (spontaan, of doelbewust veroorzaakt door levende wezens).
Luchttrillingen verplaatsen zich veel trager dan licht: het geluid heeft
een min of meer lange tijd nodig vooraleer de plaats van de waarnemer te
bereiken. Hoe groter de afstand, hoe groter het verschil. Al merken we
dat alleen in uitzonderlijke omstandigheden (bliksem en donder,
straaljager), de auditieve verschijning kan zich dus losmaken van het
origineel - zoals duidelijk is te merken bij de echo, die een
uitgestelde weerspiegeling is.
Hoe verder de trillingen van de bron zijn verwijderd, hoe zwakker ze zijn - om uiteindelijk
onwaarneembaar te worden: vanwaar het geluidloze vliegen van vogels in de
hemel of het meesterlijk door Nietzsche beschreven razen van de wind in
het want van het zeilschip dat vanaf de rotskust
bekeken geruisloos over de zee glijdt. De reikwijdte van luchttrillingen is daarbij veel beperkter dan die
van het licht, en ze varieert naar gelang van de frequentie: lage
frequenties
dragen veel verder dan hoge: denk ook aan de dancings, waarvan we op
afstand slechts het dreunen van de drums horen, of aan de naderende
fanfare, waarvan aanvankelijk alleen de gross-caisse horen. Donder is
zelden verder dan 10 km hoorbaar.
Anders dan licht dat altijd aanwezig is (behalve waar het niet kan
doordringen - in de schaduw of in een grot), verschijnen geluidsgolven
slechts als er botsing of frictie is. Alleen
door de mens geproduceerd licht is slechts aanwezig als de mens het maakt
(kaarslicht, verlichting). Anders dan de wereld van het licht, die afhankelijk is van de diurnale cyclus
van de zon, is de wereld van het geluid uitsluitend afhankelijk van de activiteit van
geluidsbronnen: er is altijd lucht die door wrijving of botsing tot
trillen kan worden gebracht.
Anders dan licht dat zich rechtlijnig voortplant, en dus schaduwen
werpt, verschijnen de luchttrillingen ook achter hindernissen. Geluid
kan ook door sommige obstakels dringen; in een gesloten auto of een
gesloten ruimte dringen geluiden van buiten door, zij het gedempt. Er bestaat
dus niet zoiets als een auditieve schaduw, al was het alleen maar omdat
er geen andere klanken zijn waarop die schaduw hoorbaar zou kunnen
worden zoals de schaduw op een muur.
Maar, net zoals licht, weerkaatsen ook luchttrillingen op oppervlaktes
(afhankelijk van hun structuur), zodat we echo krijgen, de tegenhanger
van het spiegelbeeld.
Terwijl alle licht in principe wit is, en alleen kleur oplevert bij
breking en filtering, zijn er vele combinaties van luchttrillingn
mogelijk: van sinusoïde tonen, over grondtonen met boventonen, tot ruisbanden en witte ruis.
Niet alle objecten botsen of wrijven ten allen tijde tegen elkaar. De
wereld van de luchttrillingen is dus, net zoals die van de geuren, niet
geschikt als oriëntatie in een blijvende wereld.
GELUIDEN IN DE
RUIMTE
Luchttrillingen nemen we waar als het quale geluid.
Net zoals bij licht, nemen we dat geluid niet waar op de plaats
waar de luchttrillingen ons bereiken (in het oor), maar in de ruimte: we
lokaliseren het op de plaats van de geluidsbron. Bij het oor gebeurt dat op grond van
stereofonisch horen, op grond van de relatieve geluidssterkte die
nabijheid of verte aangeeft (tegenhanger van perspectivische
verkleining), of op grond van de verdonkering van de toonhoogte (hoe
minder hoge tonen, hoe verder, zoals bij donder).
Dat is, in vergelijking met de visuele wereld, een eerder beperkt
aantal sleutels. Omdat
bovendien de stereofonische lokalisering lang niet zo nauwkeurig is, wordt geluid
niet als een 'punt' ervaren, maar als een soort klinkende 'aura'.
Vermits er zich niet overal botsende of tegen elkaar wrijvende objecten
in de wereld bevinden, bestaat de auditieve wereld
uit geïsoleerde geluidsbronnen, onderling gescheiden door stilte.
Het is alsof alle zichtbare objecten lichtend zouden zijn en zich in een
overigens duistere ruimte zouden bevinden waarin alleen lichtbronnen
waren te zien, en geen weerkaatste oppervlaktes. Geen tijdruimtelijke
volheid hier, maar tijdruimtelijke intermittentie.
Zeker, net zoals licht, wordt ook geluid weerkaatst. Maar die
weerkaatsingen, die, afhankelijk van de afstand van het weerkaatsende
oppervlak tot de geluidsbron, altijd iets later worden gehoord, worden
door het oor weggefilterd. Was dat niet het geval, dan zou de
ruimtelijke lokalisering worden bemoeilijkt, omdat het geluid dan op
evenveel plaatsen zou zijn te horen als er weerkaatsende oppervlaktes
zijn: wat het zo moeilijk maakt om vogels in een bos te lokaliseren.
Alleen als het tijdsverschil groot is, en vooral als het weerkaatste
geluid van kortere duur is dan de weerkaatsingstijd, horen we de
weerkaatste luchttrillingen als echo. Echo is te vergelijken met
weerkaatsing in een spiegel. Dat de illusie hier minder sterk is, komt
omdat de het oorspronkelijke geluid hier altijd hoorbaar blijft, zodat
vergelijking zich opdringt. Bij visuele weerspiegeling is het
daarentegen zeer goed mogelijk dat het origineel buiten het gezichtsveld blijft,
zoals bij Narcissus. Duurt het geluid langer dan de weerkaatsingstijd,
dan krijgen we bij geluiden die veranderen van toonhoogte of van
klankkleur (zoals spreken) - een verward effect, zoals bij
dienstmededelingen in een station. Gaat het daarentegen om een constante
geluidsbron, dan lijkt het alsof de geluidsbron zich in de ruimte
spreidt: de aura als punt verwijdt dan tot aura als ruimte, bij uitstek
als de weerkaatsing alzijdig is zoals in grotten, kathedralen, maar
vooral in koepels.
Omdat luchttgolven zich na hindernissen weer aaneensluiten, lijkt het alsof geluiden door
muren kunnen gaan. Alleen bij alzijdige omsluiting wordt het geluid min
of meer zwaar gedempt. Daarom bedekken geluiden elkaar niet: ze hebben oppervlak noch omtrek, en kunnen ook geen
schaduw werpen . Ze kunnen elkaar
hoogstens overstemmen, zoals kaarslicht wordt overstemd door zonlicht. Anders
dan in de visuele ruimte, waar er een heel spectrum van soorten
verschijningen is, gaande van ondoorzichtige oppervlakte, over transparante
vormen, tot ijle leegte, zijn er in de auditieve ruimte alleen
transparante verschijningen in een geluidloze leegte: wat dat betreft gelijkt de
auditieve wereld op het transparante deeldomein van de zichtbare wereld
- de wereld van mist, uitslaande branden, blauwe meren en
blauwe luchten, zonsondergangen enz. Geluiden kunnen wel uitgaan van min of meer uitgebreide velden - getokkelde snaar
versus branding van de zee - maar ze hebben geen oriëntatie (geen
vooraanzicht en geen profiel) zoals de oppervlaktes die het licht
weerkaatsen.
Vanwege die transparantie is het ook dringender geboden om
geluidsbronnen als 'figuur' tegen een achtergrond te kunnen isoleren -
evenals het geluid van zijn omgevende weerkaatsingen. Het oor is in
staat om de stem van een spreker te isoleren tegen het geroezemoes van
de achtergrond, ja zelfs van andere sprekers - denk aan de stemmen in de
fuga.
Anders dan in de visuele wereld stellen zich in de auditieve
wereld geen problemen met het
horen van bewegende voorwerpen: terwijl we de vogel die beweegt niet in
zijn totaliteit kunnen zien, kunnen we het geluiden van bewegende objecten
zonder probleen over het gehele traject horen (paardenhoeven, motoren van auto's
of vliegtuigen). Terwijl bewegende objecten een vaak ingewikkelde
visuele verschijning hebben, blijft klank altijd een soort
wazig punt. We kunnen vergelijken met de beweging van homogene, in
omvang beperkte lichtpunten, zoals de vuurpunt op een stok uit het
kampvuur.
Anders dan de zichtbare ruimte, die gezichtskegelsgewijs vanuit
een centraal punt moet worden afgetast, wordt de auditieve ruimte ons in
haar totaliteit ontsloten: we horen geluiden uit alle richtingen om ons
heen, panoramisch. Omdat luchttrillingen niet ver reiken, is de
auditieve ruimte veel beperkter dan de visuele: alleen uitzonderlijk
sterke geluiden dringen vanuit een meer omvattende ruimte tot ons door
(donder, kanonnengebulder en straaljagers, het huilen van wolven,
misthoorns). Maar vanaf nog grotere afstand bereikt ons alleen het
licht. De wereld van het hoorbare is dus een sfeer in de kern van de
meer omvattende visuele wereld van de stilte. We nemen aan dat er ook
hoorbare dingen zijn buiten het gehoorsveld, zodat de noumenale
tijdruimte ook aanwijzingen bevat voor de mogelijke waarneming van
geluid aldaar - denk maar aan voorstellingen als de botsing van
sterrenstelsels en de oerknal, al waren die in feite geruisloos. De
auditieve stolp is niet
alleen aanzienlijk kleiner, maar ook veel minder dicht bevolkt in zowel
ruimte als tijd: de objecten in de auditieve wereld weerklinken slechts
intermittent.
De auditieve wereld is dus een tijdruimtelijk heterogene wereld van een eerder beperkte
ruimtelijke omvang
die ons alzijdig omringt, en aan de waarneming
waarvan we ons niet kunnen onttrekken, anders dan aan die van de visuele wereld. Hij bevat talloze objecten die uit de stilte opduiken en er
weer in verdwijnen, geen
achtergrond hebben, en elkaar niet bedekken. Geen blijvend spektakel in
een omvattend panorama, maar een epifanie in een beperkte ruimte
daarbinnen.
PLAATS IN DE ARBEIDSDELING TUSSEN DE ZINTUIGEN
Terwijl het oog in beslag wordt genomen door het permanent waarnemen van de
zichtbare wereld als 'locus delicti' voor ons bestaan en handelen, wordt het oor dus veel minder aangesproken, en als dat
al het geval is, neemt het oog meteen de taak over. Het oor, dat al
weinig belast wordt, wordt dus almaar meer ontlast door het oog.
Daardoor komt er ruimte vrij voor het beluisteren van de auditieve
tekens van de verbale taal. Geluid is uitermate geschikt als drager van
verbale tekens omdat het niet wordt tegengehouden door
oppervlaktes en zich alzijdig kan verspreiden, anders dan visuele tekens
die zich altijd op een oppervlak bevinden en dus frontaal moeten worden
gelezen of vaak worden verborgen door andere oppervlaktes. Omdat de visuele dimensie niettemin altijd actief blijft, raakt spreken onverbrekelijk verbonden met
visuele expressies die er synchroon aan zijn, maar ten opzichte waarvan
het de dominante dimensie blijft. Vandaar dat ook spreken
een min of meer sterke suggestie van een visuele verschijning oproept.
Toch kan spreken het zonder moeite zonder de visuele informatie stellen.
De coördinatie van spreken en visuele expressie - tegenhanger van de
oog-hand-coördinatie bij arbeid - toont dat er naast aflossing ook audiovisuele samenwerking
is. De dominantie van het
visuele blijkt dan uit de
al in II, 1 vermelde correctie van de gebrekkige stereofone auditieve lokalisering door de visuele
stereoscopie: we zien het geluid van zijn spreken uit de mond
van de acteur komen op het filmscherm, we het spreken van
de buikspreker toe aan zijn pop, en we situeren het
geluid van het spreken achter het visuele oppervlak van het
gelaat, zodat de stem uit het innerlijk lijkt te komen. Dergelijke
correctie is ook vaak nodig bij andere audiovisuele fenomenen. Bij
muziekinstrumenten of gierende wielen lijkt
het geluid ergens van tussen de wrijvende oppervlaktes vandaan te komen.
Vooral het coördineren van auditieve en visuele verschijning in de tijd
valt niet altijd mee, omdat het licht ons vanaf
een zekere afstand sneller bereikt dan het geluid. Bij spreken is dat
verschil niet merkbaar omdat de afstand tussen de dialogerenden te klein
is. Het is ook niet merkbaar als de geluidsbron op afstand niet
zichtbaar is, zoals bij het huilen van
wolven. Als de geluidsbron wel zichtbaar is, wordt de dissociatie
manifest,
zoals wanneer we iemand in
de verte met een hamer op een pin zien kloppen, of bij straaljagers die we eerst zien vooraleer ze te horen,
en bij uitstek bij bliksem en donder.
Dat maakt dat er monosensoriële
objecten zijn, zoals de donder, waarvan we alleen sedert de wetenschap
weten dat hij de auditieve verschijning is van de bliksem.
Het belangrijkste effect van de dominantie van het oog is dat we uit het oog verliezen dat de geluidsbron
onzichtbare trillende lucht is, geen visueel object. Al te gemakkelijk
denken we dat het geluid uit de muziekinstrumenten of de luidsprekers
als visuele objecten komt - op de plaats waar we het geluid dat ons
trommelvies treft in de visuele ruimte situeren. Deze lectuur ligt
helemaal in de lijn van de mislezing van het visuele: net zoals we het tactiele oppervlak als de lichtbron
beschouwen en niet de onzichtbare fotonen, beschouwen we de visueel
waarneembare mechanische fenomenen die de
luchttrillingen produceren als de geluidsbronnen. In
werkelijkheid komt het geluid uiteraard noch uit de snaar, noch uit de
strijkstok, maar uit de onzichtbare trillende lucht. Daarom is het zo
fascinerend als het geluid komt uit een windorgel waar niets beweegt.
Deze opticentrische misvatting leidt ertoe dat men niet gemakkelijk
inziet dat muziekinstrumenten geen mimetische media zijn, maar
mediumdragers (zie I, 2).
Hoe dan ook, de tweedeling tussen een tastbare wereld onder en achter
ons, en een visuele wereld voor ons, wordt aangevuld met een derde
dimensie: een onzicthbare, en daarom vaak aan het bewustzijn
ontsnappende
verbale ether waarin we permanent zijn ondergedompeld (ofwel onder de
vorm van gesprekken, ofwel onder de vorm van een constante 'monologue
interieur').
HET AUDITIEVE SUBJECT EN HET AUDITIEVE ZELF
Vermits de geluidsbron in de ruimte wordt geprojecteerd, ontstaat er een
splitsing tussen het gehoorde object en het horende subject.
De geluiden in de auditieve ruimte worden
waargenomen vanuit het auditieve subject - een 'derde oor' dat we, conform aan de doninantie van het
visuele, ongeveer situeren op de plaats van het derde oog. Anders dan
het derde oog dat zich bevindt in de punt van een kegelvorming gezichtsveld binnen
een noumenaal geconstrueerde visuele koepelvormige visuele ruimte,
bevindt het derde oog zich in het centrum van een aanschouwelijk
volledig gegeven auditieve ruimte.
Dat auditieve subject heeft ook een
auditieve verschijning: het auditieve zelf.
Terwijl we in de zichtbare wereld altijd een - zij het voor ons
slechts ten dele - zichtbaar lichaam hebben, zijn we niet noodzakelijk hoorbaar.
Als we onszelf toch horen bewegen (stappen) en handelen (werken), nemen we in
die ruimte een plaats in die verschilt van het centrum van waaruit we
horen: de voetstappen onder ons, de geluiden van onze werkende handen
voor ons. Alleen als we spreken zijn we ongeveer op dezelfde plaats te
horen als waar het derde oor luistert. Maar het is pas goed de
innerlijke stem die zich midden in de sfeer van het hoorbare bevindt -
en die is haast even continu hoorbaar als het zichtbare en tastbare lichaam.
DE WERELD VAN HET HOORBARE (0): HET ONHOORBARE
Afgezien van alles wat slechts subjectief onhoorbaar is omdat het zich
buiten gehoorsafstand bevindt, is er het relatief onhoorbare omdat het
wordt overstemd door andere geluiden, maar vooral het zeer uigebreide
domein van het absoluut onhoorbare: alles wat zich in stilstand bevindt
(rotsen, een stilstaand meer) of wat te traag beweegt om frictie op te
wekken zoals of een brede stroom, evenals alle levende wezens die geen
auditieve tekens uitzenden. Onhoorbaar zijn uiteraard de qualia van
andere zintuigen: licht, hardheid, geur, smaak, warmte, pijn, gevoelens,
enz., evenals de afwezigheid van geluid: de stilte.
DE WERELD VAN HET HOORBARE (1): HET DOMEIN VAN DE
PUUR HOORBARE
VERSCHIJNINGEN
Tot de wereld van de geluiden behoren om te beginnen de - niet
doelbewust geproduceerde, niet-intentionele - geluiden van natuurfenomenen allerhande: het geluid van donder, wind, lawines, watervallen, golven, uitbarstende
vulkanen; bij uitstek de beweging van dieren met poten op het
land
of met vleugels in de lucht: paardenhoeven, ritselende takken, fladderende of zoemende
vleugels; de bewerkingen die dieren uitvoeren: het kauwen, knagen, en
boren: denk aan het knagen van muizen of het kloppen van de specht. Sedert het verschijnen van de mens komen daar ook nog de
talloze geluiden bij die ontstaan bij het hanteren van werktuigen en
machines allerhande
(lawaai van de motoren van
auto's, schepen, vliegtuigen...).
Terwijl het natuurlijke domein van het visuele de door een oppervlak
omvat volume is, is dat van het geluid blijkbaar de beweging, bij
uitstek de intentionele.
Omdat geluiden hoe dan ook aanwezigheid
verraden, kunnen dieren erop uit zijn om de auditieve verschijning te
verstoppen: het sluipen van roofdieren en het zich roerloos houden van
prooidieren. Maar er is ook een tegengestelde trend om zich extra
hoorbaar te maken om zodoende informatie aan anderen te verschaffen -
van alarmkreten, over auditieve vlaggen zoals het huilen van wolven, tot
het uiten van expressies zoals het blaffen van honden, het miauwen van
katten, het fluiten van vogels. Precies omdat geluiden, anders dan visuele signalen
en expressies, niet
waarneembaar blijven als ze niet worden geproduceerd, en omdat ze, anders dan visuele
expressies, moeilijk te lokaliseren zijn en dus niet verraden waar de
zender zich bevindt, zijn ze uitermate geschikt om te dienen als expressie.
Ook de mens produceert veel auditieve expressies (lachen, wenen,
zuchten, schreeuwen, enz.).
Heel specifiek voor de mens is echter het spreken en het produceren van muziek (de bewegingopwekkende
tekens waar we in volgend hoofdstuk uitvoerig op ingaan),
evenals van een hele reeks van auditieve signalen (claxons, klokken, bellen, ringtones enz.).
Al deze doelbewust geproduceerde - intentionele - tekens behoren slechts als betekenaars tot de
wereld van de puur hoorbare verschijnselen - op hun betekenis komen we
terug in volgende paragrafen. Net zoals dat het geval was met visuele
betekenaars, dragen zij wezenlijk bij tot de
rijkdom van de configuraties in de auditieve wereld. Omdat deze nochtans erg
belangrijke domeinen van het auditieve al te vaak over het hoofd worden
gezien, zullen we er een afzonderlijk hoofdstuk aan wijden (II, 3). In
II, 4 zullen we daarbovenop aantonen hoe de ontwikkeling van muziek
aanleiding is tot
het ontstaan van een door de mens geschapen auditieve werkelijkheid
(die alleen maar kan worden waargenomen via het muzikale beeld): de
muzikale verschijning van bewegende klanken in de muzikale
ruimte.
Merken we op dat, als tekens werkelijk als tekens worden gelezen, dit wellicht
belangrijkste deel van de auditieve wereld eigenlijk niet wordt gehoord: we horen eroverheen om te reageren op de betekenis
ervan. Alleen als we ze niet als tekens beluisteren, maken ze als
betekenaars deel uit van de auditieve wereld (vogelzang, dialogen in een
onbegrepen taal, geroezemoes van
sprekers in de zaal, enz.). Als ze functioneren als tekens, zijn het
daarentegen zwarte gaten in het domein van het hoorbare: plaatsen waar
de actuele waarneming wordt opgeschort ten voordele van omgang met
betekenissen.
Ten slotte behoort tot de wereld van het auditieve het hele domein van de (gewone, verbale
en muzikale) auditieve beelden. Daartoe behoren niet alleen de waargenomen, maar
ook de voorgestelde beelden. Nog belangrijker dan de visuele
voorstellingen zijn wellicht de talloze auditieve voorstellingen -
beelden - van innerlijke stemmen: onze gedachten, de stem waarmee
we onszelf aanspreken
('Dat kan je toch niet maken') of bevragen (Und er fragte sich:
'Wie lange ist es schon her, das ich dass zuletzt empfunden habe'. Het is overigens niet alleen het ik dat zichzelf aanspreekt: het
ik kan ook worden aangesproken door zijn geweten, dat zoals bekend niet
zozeer een innerlijk oog is dat ons bekijkt, maar vooral een stem die
tot ons spreekt: 'Waar is Abel, uw broeder?' of ''Vater, siehst du nicht
dass ich brenne?' In tegenstellig tot de visuele voorstellingen die
vooral 's nachts de wereld zijn waarin we ons bewegen, vormen auditieve
beelden een innerlijke wereld die de tegenhanger is van de visuele
waarnemingen die ons in de buitenwereld omringen
In het bovenstaande maakten we onderscheid tussen niet-intentionele en
intentionele tekens. Maar het is ook zinnig om onderscheid te maken
tussen gewone geluiden en tonen. Tot het domein van de gewone geluiden
behoren de
geluiden die hoorbaar
worden bij diverse soorten frictie, bewegingen en bewerkingen: het gedruis van de zee of
sneeuwlawines, het gebulder van de donder
en het razen van de stormwind, het draven van paarden en het hinken van Ahab, het
kloppen van de vlegels van dorsers en het dreunen van de laarzen van
marcherende soldaten, het geluid van in- en uitademen, startende auto's,
rammelende sloten, gerommel in de keuken, brekend glas, geroezemoes - en
wat dies meer zij.
Daarnaast is er het domein van de tonen - gaande van huilende winden, over zingende vogels, over
lamenterende Arianna's, tot de sonore wezens die we zullen leren kennen in
II, 4. We spreken van het domein van de muzikale verschijningen.
Dit domein kan zelf weer worden onderverdeeld in vele deeldomeinen.
In de eerste plaats is er het domein van de
muzikale verschijningen van werkelijk bestaande fenomenen en wezens. Hiertoe
behoren de tonen geproduceerd door natuurfenomenen (fluitende wind), dieren of mensen. Bij dieren vermelden
we de zang van walvissen,
het huilen van wolven, maar vooral de zang van
vogels zoals muzikaal nagebootst in 'Le
chant des oiseau' van Janequin, de Pastorale van Beethoven, de Catalogue
d'Oiseaux van Messiaen, ja zelfs van vechtende apen in de Balinese
Kecak. Bij de
mens verwijzen we naar de vele auditieve expressies zoals wenen, lachen,
zuchten, angstkreten enz. die, zoals beschreven in II, 3 vaak zijn
verdicht met woorden, evenals de vele auditieve signalen en tekens zoals
de roep van marskramers in 'Voulez ouyr les cris de Paris' van Janequin,
alle gezongen spraakmuziek (inclusief instrumentaal zingen) en
dansmuziek (en de combinaties daarvan). Tot dit deeldomein behoren ook
alle muzikale signalen die de mens produceert via allerlei instrumenten:
denk aan militaire signalen, klokken en bellen, stoomfluiten en claxons,
misthoorns en sirenes, politiefluiten en ringtones, zoals muzikaal
nagebootst bv. in de Blauwe Mandarijn van Bela Bartok.
Naast het domein van de muzikale verschijningen van bestaande fenomenen
en wezens, is er het vermoedelijk nog grotere domein van
fenomenen en wezens met muzikale verschijningen die hun ontstaan hebben te danken aan de
muzikale beeld zelf (voltooide mimesis). Daar zijn dan in de eerste plaats bestaande wezens waarvan de auditieve verschijning wordt gemuzikaliseerd: het zoemen van de hommel in 'De
vlucht van de hommel' van Rimsky-Korsakov, het kakelen van kippen in 'La
Poule' van Rameau, het huilen van honden (zoals dat van de zingende honden
'Lady en de Vagebond' van Walt Disney), het miauwen van katten in Rossini's
'Duetto buffo di due gatti', het lachen van heksen van Purcell en de kreten van de Walküren,
evenals het woordloze spreken van imaginaire wezens zoals
in Speakings Jonathan Harvey,
en het gemuzikaliseerde typen in de Typewriter van Leroy Anderson.
Vervolgens is er het hele domein van bestaande of imaginaire zangers, muzikanten: zoals
de Bremer Stadtmusikanten, de Lorelei of de Sirenen, de klagende Arianna van
Monteverdi als oermoeder van alle operahelden,
de zingende monniken van Ketelby, de muzikale fanfare die het Romeinse
legioen begeleidt in
Pini di Roma
van Resphighi. Zeer uitgebreid is het domein
van de imaginaire woordloze zangers en muzikanten (instrumentale spraakmelodieën).
Bijzondere aandacht moet, ten slotte, uitgaan naar de dansmuziek als
muzikale verschijning van afwezige of imaginaire dansers: alle arbeids-
en dansmuziek die de bewegingen van imaginaire arbeiders of dansers
dicteert (zoals de vele dansen uit suites, maar ook Menuetten en
Scherzo's', om nog maar te zwijgen van stukken als de Bolero, La Valse,
Le Sacre).
Het belangrijkste deeldomein van de imaginaire wezens met muzikale
verschijning is echter het domein van de sonore wezens die we zullen beschrijven
in II, 4: het
domein van de 'absolute muziek'.
Naast de gewone geluiden en de tonen is er ook nog een tussengebied: het
menselijke spreken dat naast geluiden (de medeklinkers), ook tonen
bevat, zij het niet altijd tonen op vaste toonhoogte.
Tot de wereld van het auditieve behoort dus niet alleen het
niet-intentioneel geproduceerde geluid van processen, gedragingen, voortbeweging en
arbeid (het geluid van
paarden, treinen en auto's, evenals van werkplaatsen en verkeer als urbaan
soundscape), maar vooral het
gehele gebied van de intentionele geluiden: auditieve expressie van mens
en dier,
bewegingopwekkende tekens en het spreken (steeds als pure betekenaars),
evenals de
wereld van de gewone, verbale en muzikale beelden, inzonderheid de
wereld van de muzikale sonore wezens, de tegenhanger van
gesproken woorden en geschreven teksten voor het domein van het visuele en het hele domein.
De hele wereld kan worden onderverdeeld in 'muzikale' en 'niet-muzikale'
geluiden, waarbij vooral intentionele geluiden ertoe neigen om muzikaal
te worden.
Veel van deze puur auditieve verschijningen zijn lustvol op zich: genot
aan de gevarieerde maar overzichtelijke veelheid van tonen en
klankkleuren in de tijd (inzonderheid cadenzen) en simultaan (akkoorden
van mensgemaakte muziek of boventonen in motoren enz), gelaagdheid in
overzichtelijke stereofone ruimte, herhaling, enz. Andere worden slechts
bekeken als teken voor andere waarnemingen door het oor of andere
zintuigen.
DE WERELD VAN HET HOORBARE (2): VERZADIGEND
OPLADEN MET INTERZINTUIGLIJKE BETEKENIS
We hebben nu een ruimte gevuld met allerlei soorten geluiden, behorende
tot diverse domeinen van het zijnde en het auditieve. Maar die klanken
hangen niet zomaar in het luchtledige; ze worden interzintuiglijk opgeladen met
de suggestie van niet-auditieve zintuiglijke kwaliteiten
Het oor verwijst in eerste instantie naar wat zichtbaar kan zijn, maar
onzichtbaar is door bedekking of duisternis. Omgekeerd zijn
objecten die hoorbaar zijn niet continu hoorbaar, terwijl de
bijbehorende visuele fenomenen meestal wel zichtbaar blijven: als de steen stopt met
rollen of als de vogel niet meer zingt, kunnen we hem nog wel zien. Om
die dubbele reden vragen auditieve verschijningen om een visuele
aanvulling die niet intermittent is zoals de auditieve verschijning,
maar constant aanwezig zoals de visuele en tactiele verschijning: objecten
die luchttrillingen opwekken, worden vaak verondersteld voort te bestaan
als ze niet weerklinken. Omdat we bijna altijd ook kunnen zien wat we
horen, is er wel altijd de suggestie van een origineel (een steen, een vogel) met
eventueel bijbehorende beweger (steen die valt, dief die sluipt), maar wordt de auditieve verschijning nauwelijks opgeladen met informatie over dat visuele,
We horen niet de kleur, de toon, de vorm, of de oppervlaktestructuur mee:
ofwel stellen we ons die voor, ofwel gaan we op zoek naar de
gesuggereerde waarneming. Daarom stellen we ons bij het kraken van takken een
indringer voor. Alleen qua grootte of omvang is er een concrete visuele
oplading: geluiden hebben geen ruimtelijke uitbreiding, maar we
stellen ons bij diepe (meestal traag bewegende) geluiden in de regel
grote bewegende objecten voor en bij hoge, snel bewegende kleine
objecten (en die grote visuele verschijning wordt ook tactiel-kinetisch
opgeladen).
Daar staat tegenover dat geluiden, net zoals visuele indrukken, wel degelijk veel informatie bevatten
over de aard van tactiele indrukken. Dat komt uiteraard omdat horen
heeft te maken met drukgolven en tasten met de vele vormen van druk (II,
5): we horen de hardheid
van brekend glas, het gedempte van voetstappen op bosgrond, de hardheid
van hoge hakken op de tegelvloer, evenals de omvang en de aard van wat het
geluid veroorzaakt. De suggestie van een tastbaar object is hier niet zozeer
verwachting dan wel tegenwoordigheid, en ze wordt wel degelijk
niet alleen categoriaal, maar ook inhoudelijk ingevuld.
Nog dwingender is de informatie over de innerlijke gesteldheid (de
zelfwaarneming van andere subjecten) die
zit vervat in de auditieve expressies, die een belangrijk deel van de
menselijke auditieve werkelijkheid uitmaken; net zoals we de
vriendelijkheid zien in de glimlach, horen we de droefheid of
hulpeloosheid in het klagen of wenen, de passie in het seksuele hijgen, of het narcistische zelfvertrouwen
in het huilen van wolven of lachen van mensen - vele emoties lijken wel
identiek met de auditieve expressie, zoals droefheid met wenen.
De innerlijke gesteldheid zit ook vervat in het spelen van muziek: de
uitdrukking van het verlangen om samen te dansen en/of te zingen. Deze invulling is dus niet alleen categoriaal, maar ook inhoudelijk, en
wel om dezelfde reden als waarom de tactiele invulling ook inhoudelijk
is: omdat het oor het innerlijk niet kan horen.
Tot de expressieve auditieve
verschijning van de mens behoort ook de met het spreken verdichte
auditieve expressie (woede, bedachtzaamheid, verleidelijk
fluisteren, waarschuwend spreken) en de in volgend hoofdstuk te bespreken
bewegingopwekkende tekens, evenals de vele vormen van
niet-mimetische mimetische muziek, in zoverre ze de uitdrukking zijn
van de gemeenschappelijke wil om te werken of te dansen.
Het oor is dus niet alleen een zintuig dat complexe auditieve
tijdruimtelijke configuraties kan waarnemen, maar ook een dat in staat
is om vooruit te grijpen, niet zozeer op de visuele eigenschappen, maar
vooral de tactiele en interoceptieve eigenschappen - om de innerlijke
gesteldheid en intenties in te schatten. Terwijl het zichtbare - zij het niet uitsluitend - het
domein is van het (onveranderlijke) uiterlijke oppervlak en de
bijbehorende tactiele substantie, is het hoorbare bij uitstek het domein
van de (veranderlijke) auditieve expressie met bijbehorende innerlijke
substantie'; het visuele lichaam versus de auditieve ziel. Belangrijk is het
dat we ons daarbij realiseren dat we ook hier via de interzintuiglijke oplading
het strikte domein van het auditieve verlaten: de auditieve verschijning
ontsluit ons een rijke multisensoriële wereld. Tegelijk echter vernietigt de aandacht
voor de betekenis de waarneming van de auditieve tekens, die
daardoor tot zwart gat in de auditieve wereld worden ten voordele van de
opgang in een voor 'innerlijke' psychische wereld.
Naast de puur auditieve verschijningen die esthetisch als lustvol worden
ervaren, zijn er ook de interzintuiglijk opgeladen verschijningen die
dubbel lustvol zijn: een mooie stem die ook nog innerlijke
bereidheid van de zangeres toont door te zingen.
DE WERELD VAN HET HOORBARE (3): OPLADEN MET
AMPLIFICERENDE
BETEKENIS
We hebben nu een ruimte waarin geluiden verschijnen die ook
kwaliteiten hebben voor andere zintuigen, inclusief de innerlijke. Maar
de verschijningen die we in de hoorbare waarnemen hebben ook
betekenissen die niet hier en nu waarneembaar zijn of die al helemaal
niet waarneembaar zijn: we horen
in het hijgen dat iemand gelopen heeft, we wantrouwen de vriendelijke
stem omdat we ze gisteren boos hoorden; we horen in het geluid van een bulldozer dat
van een tank resoneren, in het geluid van overvliegende vliegtuigen dat
van luchtbombardementen, in de stoomfluiten van treinen in
Amerika dat van de stoomfluiten van treinen van nazitransporten (Steve Reichs 'Different trains'),
of - om het ook over niet-auditieve inhouden te hebben - we horen we in de muziek van Wagner
de exploten van Hitler meeklinken of in de
Internationale de goelag ... De intra- en interzintuiglijk
ingevulde auditieve verschijning (of een onderdeel ervan) gaat als teken
fungeren: als plaatsvervangende waarneming waar we op reageren alsof we
voor de oorspronkelijke waarneming of voor het opgeroepen weten stonden.
Ook hier hebben we dus te maken met wat we amplificerende oplading
noemden. En ook hier moet amplificerende oplading worden onderscheiden
van het opwekken van voorstellingen (klokgelui dat doet denken aan
gebeurtenis uit de jeugd), én van het gebruik van het origineel als
symbool; we reageren gewoon op de auditieve verschijning alsof ze haar
betekenis was, zonder dat die als
voorstelling of als weten in het bewustzijn aanwezig is.
(Onderdelen van) verschijningen kunnen in de eerste plaats teken zijn
voor de soortelijke, individuele, seksuele, parentale, coöperatieve,
communale, of politieke identiteit van die verschijning. Naast
natuurlijke zijn er heel wat mensgemaakte: niet-verbale, zoals wijzen
van spreken en wijzen van bewegingopwekkende tekens (muziek) maken, maar vooral verbale (in
zoverre het gaat om uitspraken waarvan de betekenis bijdraagt tot het
opladen van de auditieve verschijning in kwestie - denk aan auditieve verbale mededelingen
door een spreker die over zichzelf spreekt (zoals bij auditief
beeld van lyrische poëzie). Deze verbale of niet-verbale tekens hoeven
niet noodzakelijk deel uit te maken van het origineel (zoals zelfbeschrijvende uitspraken), ze kunnen er ook los van staan, zoals bij mededelingen door
derden ('hij is een collaborateur', of de gesproken
jaartallen in
Different Trains, die aangeven dat het om Jodentransporten gaat,
aankondiging van een spreker ('Dat is professor die en die'), of
bij aankondigen van een concert ('Hier komt Hitlers lievelingsmuziek'). Naast ontogenetisch verworven
kennis - zelf opgedaan of verkregen van anderen - is er ook
fylogenetisch verworven weten (bv. het onderscheid tussen mannelijke en
vrouwelijke stemmem).
Eenmaal de identiteit is vastgesteld, kan de verschijning gaan
functioneren als teken voor waarnemingen of weten waar ze mee is
verbonden via de diverse uitbreidingsmodi: volgens de tijdelijke modus
wordt het object verbonden met zijn verleden en zijn toekomst, volgens
de ruimtelijke modus met de plaats waar het zich bevindt, volgens de
causale modus met wat het veroorzaakt of waar het een gevolg van is,
volgens de instrumentele modus met waar het voor dient of wie het
gebruikt, en volgens de categoriale modus met andere leden van zijn
klasse. Zo komt het dat we bij de waarneming van het vriendelijke
spreken van de baas zijn schreeuwen van gisteren meehoren, in het bidden
van meisjes de latere nonnen, of in het kabbelen van de beek het
stormende water van de overstroming (temporele uitbreiding), dat we bij
het horen 'Heil
Hitler' aan de nazi's denken (ruimtelijke modus), bij het horen van brekend
glas aan het breken dat eraan voorafging en bij een kreet van pijn aan
de verwondig die hem uitlokte (causaal-finale modus), bij het horen van
het schot aan het getroffen wild(instrumentele modus), bij het horen van
een dialect aan alle sprekers ervan (paradigmatische of exemplarische
uitbreiding), enzovoort.
De betekenissen waar we in de auditieve verschijning op reageren kunnen
zelf weer tot het auditief domein behoren (van huidige stoomfluit naar
vroegere, van Lacans spreken naar Hitlers spreken, van vriendelijke
spreken vandaag naar schreeuwen gisteren), maar vaker behoren ze tot het
visuele (Hitlers
stem en de massa's op het Zeppelinfeld - zonder een expliciete
voorstelling daarvan in de geest te hebben).
Maar boven alles kunnen de betekenissen ook onwaarneembaar weten zijn .
Nog meer dan bij visuele amplificerende oplading geldt hier dat door
interzintuiglijke, maar vooral amplificerende oplading de specificiteit van
het zintuiglijk domein verloren gaat, en de hele interzintuiglijke
objectieve waarneembaarheid én de hele noumenale wereld met het
geluid kan worden ontsloten.
HET DOMEIN VAN DE WERKELIJKHEID DAT WORDT BESTREKEN DOOR DE AUDITIEVE
WERKELIJKHEID
Het oor geeft ons dus toegang tot een wereld die al bij een enkelvoudige
waarneming vele objecten te horen geeft, maar aanzienlijk minder dan
visuele, omdat de reikwijdte van het horen veel geringer is, en omdat
wezens niet altijd van zich laten horen: we hebben veel meer dingen gezien dan gehoord.
Net zoals bij zichtbare objecten gaat het om een brede waaier van
geluiden
die ook nog op verschillende niveaus worden opgeladen en zelf tot teken
kunnen worden.
Om te beginnen worden ook geluiden, net zoals visuele indrukken, interzintuiglijk
opgeladen. In de eerste plaats visueel, waar de oplading vooral
categorisch is: net zoals visuele waarnemingen alleen maar het weten bevatten
dat er een - zij het facultatieve - auditieve verschijning is (bv. dat
de Mona Lisa een stem heeft), bevat de auditieve verschijning een weten over het
- ditmaal onontbeerlijke - bestaan van de bijbehorende visuele verschijning,
die echter evenmin concreet wordt ingevuld, maar om een visuele
waarneming vraagt of een visuele voorstelling oproept. Daar staat
tegenover dat auditieve
verschijningen sterk zijn opgeladen met tactiele
informatie (geluid van brekend glas), maar boven
alles met interoceptieve
informatie: expressies, maar vooral de uiterlijke verschijning van de wil door
bewegingopwekkende tekens, die ontbreken bij het visuele.
Via amplificerende suggestie wordt elke auditieve waarneming ook nog
opgeladen met informatie die bij andere waarnemingen van onszelf of van
anderen is opgedaan. Maar, anders dan bij visuele, gaat het hier niet om
informatie die hoofdzakelijk uit hetzelfde zintuiglijk bereik afkomstig
is, maar uit andere zintuiglijke domeinen, bij uitstek visuele
waarnemingen. De stem informeert ons over de persoon, en slechts
via diens visuele verschijning wordt de auditieve
verschijning opgeladen met herinneringen en kennis. De muziek informeert
ons over de innerlijke gesteldheid in zang en dans, maar vooral bij dans
spreekt ze via de opgeroepen visuele bewegingen. In die zin
parasiteert de
auditieve wereld op de visuele. Naast een brede multisensoriële
fenomenale wereld ontsluit de auditieve verschijning ook niet waargenomen, en dus slechts noumenaal aanwezige
werkelijkheid.
Anders dan de wereld van de visuele tekens, bevat de wereld van de
auditieve tekens ook specifiek menselijke tekens zoals de bewegingopwekkende
tekens van de muziek. De
hoorbare wereld is dus de menselijke wereld bij uitstek.