het beeld: mimesis herbekeken
deel IV: de classificatie van de verschijningen
hoofdstuk 2:

indeling naar zintuiglijk domein


INLEIDING

Nadat we in vorig hoofdstuk duidelijk onderscheid hebben gemaakt tussen waargenomen en voorgestelde beelden (als verschijning), gaan we in dit hoofdstuk over tot het classificeren van de verschijning naar zintuiglijk domein. Het is duidelijk dat we die indeling moeten maken los van de vraag of de verschijningen waarneembaar zijn of voorgesteld. Zowel een schilderij van het schild van Achilles als de beschrijving ervan door Homeros behoren immers tot het domein van de visuele verschijningen. Daarbovenop moeten ook mediumloze verschijningen in de indeling worden opgenomen: niet alleen (dag)dromen en hallucinaties, maar ook interoceptieve voorstellingen. In de indeling naar zintuiglijk domein moeten voorgestelde verschijningen dus zusterlijk hun plaats innemen naast de waargenomen verschijningen, en mediumhebbende naast mediumloze. Traditionele indelingen gingen de mist is niet alleen omdat ze geen duidelijk onderscheid maakten tussen onmiddellijke en middellijke mimesis, en daardoor niet goed doorhadden dat ze literatuur in de regel rangschikten naar de aard van het mimetisch medium en niet naar die van de opgeroepen voorstellingen, maar ook omdat ze, in het voetspoor daarvan, evenmin goed doorhadden dat een zintuiglijk domein zowel kan worden waargenomen al voorgesteld, en dat niet alle voorstellingen mediumhebbend zijn - waarom in alle indelingen interoceptieve voorstellingen ontbreken.

Vooraleer concreet op deze indeling in te gaan, past het nog even uitvoerig stil te staan bij drie misvattingen die een juiste classificatie in de weg zouden kunnen staan: dat de door een dichter opgeroepen voorstellingen visueel zouden (ut pittura poesis) zijn, dat de door voorstellingopwekkende muziek opgeroepen voorstellingen auditief zouden zijn, en dat een verhaal zou bestaan uit de opeenvolging van monosensoriŽle verschijningen.


MISVATTING (1): DE ZINTUIGLIJKE DOMEINEN VAN VOORSTELLINGEN
Ut pittura poesis.
versus
"The power of the written word to make you hear, to make you feel... before all, to make you see".
Joseph Conrad, preface to The Nigger of the 'Narcissus' (1897).

Als men al aanneemt dat narratieve literatuur voorstellingen oproept, denkt men ook hier in de regel opticentrisch aan visuele beelden. De verschijning in 'Ein Haus unter Bšumen am See' is visueel en niet-bewegend, zoals de verschijning in het schilderij of de foto. Maar lang niet alle verschijningen van narratieve literatuur zijn visuele verschijningen - 'innerlijke schilderijen', zoals vanouds gesuggereerd in het motto 'ut pittura poesis'. We hebben er al bij herhaling op gewezen dat de enkelvoudige, niet-bewegende, visuele verschijning wel het paradigma, maar niettemin slechts een zeer bijzondere variant van het beeld is. Er zijn om te beginnen ook bewegende verschijningen: een scŤne uit een verhaal - de middellijke tegenhanger van een shot uit een film. Daarbovenop zijn er naast visuele verschijningen niet alleen auditieve verschijningen, maar ook verschijningen voor alle andere zintuigen, en dat zijn er heel wat meer dan bij onmiddellijke mimesis omdat hier ook de hele waaier van interoceptieve - bij uitstek gevoelens en gedachten - in aanmerking komt. Eenzelfde misvatting treft dromen, waarvan men al te gemakkelijk aanneemt dat ze puur visueel zijn. Ten slotte kunnen al dan niet bewegende verschijningen worden opgeteld tot meervoudige verschijningen zowel in ruimte als in de tijd: uitgebreide verhalen zijn als voorgestelde beelden de tegenhangers van stripverhalen, retabels, seriŽle beelden, of film en theater als waargenomen beelden. Het verhaal - het literaire beeld - is dus in vele opzichten de tegenstelling tot het stilstaande, enkelvoudige, visuele beeld: een optelling van verschijningen voor de meest uiteenlopende zintuigen in de tijd en in de ruimte. .

Om ons er terdege van te vergewissen dat door woorden opgeroepen voorstellingen kunnen behoren tot alle mogelijk zintuiglijke domeinen, geven we een overzicht, dat vooral bestaat uit voorbeelden van verbale middellijke mimesis, maar dat in principe ook geldt voor de andere vormen van middellijke mimesis (zie paragraaf over muzikale voorstellingopwekkende tekens).

Verbale middellijke mimesis (narratieve literatuur) kan verschijningen oproepen voor alle uiterlijke zintuigen. Naast de visuele verschijning van de niet-menselijke natuur ('Haus under Bšumen am See') kan ook die van de mens worden opgeroepen: zijn uiterlijk, mimiek, gebaren, houdingen (Verlaine: 'Et je m'en vais /Au vent mauvais /Qui m'emporte /DeÁŗ, delŗ, /Pareil ŗ la /Feuille morte.). En naast de verbale auditieve verschijning van de mens komt ook zijn niet-verbale auditieve verschijning in aanmerking (Kafka; 'Ze liepen met ruisende rokken door de voorkamer'; hij weende, hij lachte), evenals de auditieve verschijningen van niet-menselijke fenomenen ('Les sanglots longs/ Des violons/ De líautomne ', 'Es bellen die Hunde, es rasseln die Ketten', inclusief de stilte: Trakls ' Am Abend schweigt die Klage/ des Kuckucks im Wald.'). Ook geuren kunnen worden opgeroepen ('Het parfum', de 'Lotophagen' van Ulysses, Huxley: The scent-organ was playing a delightfully refreshing Herbal Capriccio - rippling arpeggios of thyme and lavender, of rosemary, basil, myrtle, tarragon; a series of daring modulations through the spice keys into ambergris; and a slow return through sandalwood, camphor, cedar, and newmown hay (with occasional suble touches of discord - a whiff of kidney pudding, the faintest suspicion of pig's dung) back to the simple aromatics with which the piece began. They final blast of thyme died away; there was a round of applause) evenals tastervaringen (''Glšnzende GŲtterlŁfte/RŁhren euch leicht' van HŲlderlin, Hij voelde een lichte jeuk boven op zijn buik' ķit Kafka's Verwandlungen), waarneming van warmte of koude ( 'Bij de aanraking golfden rillingen van koude over hem heen', Kafka Verwandlung), smaken, en, last but not least, erotische gewaarwordingen.

Naast verschijningen voor uiterlijke zintuigen verschaffen voorstellingopwekkende tekens bij uitstek toegang tot verschijning voor de innerlijke zintuigen. De innerlijke tegenhanger van onze uiterlijke verschijning bij uitstek is de innerlijke waarneming van het doen, de tegenhanger van de uiterlijke waarneming van de handeling. Evenzeer nog sterk aan de uiterlijke verschijning verbonden, zijn lichamelijke gewaarwordingen zoals lust en pijn, die in de regel zijn te lokaliseren in welbepaalde organen ('hij voelde een brandende pijn in de keel'). Dat geldt ook voor waarnemingen van lichamelijke (wan)toestanden zoals 'hij was opgewonden', 'hij bruiste van energie', 'hij voelde zich lusteloos', ' hij voelde zich loom', 'hij duizelde','hij kon geen adem meer krijgen', 'hij voelde zich koortsig', 'hij rilde van de kou', 'hij voelde zich loom van de warmte', 'Mon corps qui sentait dans le sien ma propre chaleur voulait s'y rejoindre, je m'ťveillais' van Marcel Proust). Tot deze lichaamsgebonden innerlijke verschijningen behoren ook de onwillekeurige processen die worden gemobiliseerd bij gevoelens: 'zij voelde haar wangen gloeien',' haar hart bonsde', 'haar maag krimpt ineen', 'zij kromp in elkaar', 'zij verstijfde van schrik', 'zij kreeg de krop in de keel', 'zij voelde vlinders in de buik'. Merken we wel op dat we het hier hebben over beelden van gevoelns, niet over de gevoelens die het beeld opwekt in degene die ermee omgaat.

Minder dwingend verbonden met een in de driedimensionale ruimte gesitueerd lichaam is het zogenaamde 'zielenleven'. Daar is om te beginnen de waarneming van algehele 'innerlijke toestanden' die als disposities wel in het 'innerlijk' zijn gesitueerd, maar nog niet (of niet meer) verbonden met een concrete uitvoering door datzelfde lichaam waarmee we actief worden in de driedimensionale werkelijkheid: denk aan de waarneming van behoefte en verlangen: ('ik heb honger', 'Mi lanckt na di geselle min'), van een 'drift' ('hij was niet meer te houden'), van het gebiologeerd zijn ('hij voelde zich onweerstaanbaar aangetrokken'), van een neiging, de wil of het voornemen om iets te doen, ('hij wilde de deur opendoen'), of het tegendeel daarvan ('ik ben moe', 'hij was totaal apathisch'). Vermits er meerdere driften, neigingen of impulsen zijn, kunnen ze met elkaar in conflict komen ('Hij kon het niet gezegd krijgen'). Tot de inhiberende neigingen behoren vooral de stemmen van de verschillende gewetens en het bijhorende schuldgevoel, of spijt en berouw (als dispositie om iets niet meer te doen, als verlangen om het weer goed te maken). Tot de innerlijke waarnemingen behoren ook de als herinnering of wensvoorstelling verinnerlijkte waarnemingen van de buitenwereld (de melodieŽn die voortdurend opduiken in Ulysses) - beide worden verenigd in de droom. (de droom van Hans Castorp in 'Schnee' in 'Der Zauberberg' van Thomas Mann). Maar de verinnerlijkte waarnemingen bij uitstek zijn gedachten. Het denken zelf onttrekt zich aan het bewustzijn: alleen het resultaat ervan wordt waarneembaar als een 'gedachte' in de geest. Een 'gedachte' is een zin (of niet-verbale formule), die ofwel luidop wordt uitgesproken of uitgeschreven ten behoeve van toehoorders of lezers ('To be or not be', waar Hamlet 'luidop' nadenkt), ofwel innerlijk ten behoeve van de denker zelf ("Und er dachte statt dessen: 'Der Mensch kommt in zweien vor. Als Mann und als Frau", Musil). Als hij de gedachte aan zichzelf meedeelt, wordt de auditieve verschijning van de mens reflexief, zoals zijn visuele in de spiegel: het ik aanhoort in zijn gedachten de auditieve verschijning van zijn eigen innerlijk. We kunnen onszelf ook aanspreken ('Dat kan je toch niet maken') of bevragen (Und er fragte sich: 'Wie lange ist es schon her, das ich dass zuletzt empfunden habe', Musil). Het is overigens niet alleen het ik dat zichzelf aanspreekt: het ik kan ook worden aangesproken door het geweten, dat zoals bekend niet alleen een innerlijk oog is dat ons bekijkt, maar ook een stem die tot ons spreekt: 'Waar is Abel, uw broeder?' of 'Vater, siehst du nicht dass ich brenne?' - of een stem die ons uitlacht. Als Musil schreef 'Es ist leider in der schŲnen Literatur nichts so schwierig wiederzugeben wie ein denkender Mensch', dan bedoelde hij uiteraard het denken, niet de gedachten zelf. Want die kunnen door een (toneel)speler luidop worden uitgesproken (Hamlet) of door de lezer innerlijk worden gepreveld. Naast de onmiddellijke mimesis van de gedachte, kan de schrijver ook zijn toevlucht nemen tot middellijke mimesis: hij kan een gedachte ('Zoiets zal mij nooit overkomen') ook oproepen door indirecte rede ('Hij zei/dacht dat zoiets hem nooit zou overkomen' of 'Settembrini hoffte sich nicht zu Tausche', Zauberberg). Een auditief portret is dus niet alleen denkbaar als nabootsing van spreken ('speech portrayal'), maar ook als nabootsing van gedachten ('thought portrayal').

Terwijl we in schilderkunst en in auditieve verbale en muzikale mimesis hebben te maken met visuele, respectievelijk auditieve beelden, en in theater en film met een audiovisuele combinatie daarvan, is narratieve literatuur in de middellijke modus - als verhaal - dus 'plurisensoriŽel': ze is in staat om beelden voor alle zintuigen op te roepen, en doet dat meestal ook. Zowel bij de uiterlijke verschijning van de mens als bij de innerlijke speelt het gesproken woord - de auditieve verschijning - een cruciale rol. Doordat de schrijver ook het hele gamma van innerlijke waarnemingen kan oproepen, wordt de speelruimte van mimesis veel groter. De gewone waarneming levert ons wel tal van tekens voor het innerlijk van anderen, maar de reikwijdte van die tekens is beperkt: we kunnen wel zien dat iemand denkt, maar niet wat hij denkt. We zijn niet in staat om het innerlijk van anderen rechtstreeks waar te nemen - vanwaar de mogelijkheid tot bedrog. Dat maakt de charme uit van de alwetende verteller die als het ware een telepathische gedachtelezer is. Middellijke mimesis maakt dus zoiets alseen alomtegenwoordige waarnemer: we kunnen Castorp niet alleen van buiten uit waarnemen als visuele of auditieve verschijning, we nemen ook waar dat hij het koud heeft en wat hij droomt. Onnodig eraan te herinneren dat wij de interoceptieve gewaarwordingen van de personages alleen maar waarnemen als voorstelling, niet als eigen ervaring: wij voelen niet de koude van Castorp of hebben geen schuldgevoel met K.

In narratieve literatuur (verbale middellijke mimesis) is er dus in de regel geen enkelvoudige, visuele en stilstaande verschijning, maar een reeks van plurisensoriŽle, veelal bewegende verschijningen.


MISVATTING (2): MULTISENSORIELE BEELDEN OPGEROEPEN DOOR VOORSTELLINGOPWEKKENDE MUZIEK

Niet alleen verbale, maar ook muzikale voorstellingopwekkende tekens zijn in staat om voorstellingen voor de meest diverse zintuigen op te roepen. Geven we een summier overzicht.

Om te beginnen zijn er voorstellingen van de (veelal onhoorbare) bewegingen van onbezielde fenomenen met de voorstelling van de bijbehorende epxressie: de golven (Der heilige Franziskus von Paula Łber Wogen schreitend of 'La Mer' van Debussy, fonteinen ('Les jeux d'eaux de la Villa d'Este van Liszt), het stromen van de Rijn (Vorspiel tot Rheingold van Wagner), het flikkeren van licht op de golven (Farben van SchŲnberg) of het flitsen van de bliksem (Beethoven Pastorale), het magma in Yann Robins 'Vulcano'. Deze voorstellingen zijn niet alleen visueel: als de muziek ook bewegingopwekkend is, wekt ze meestal ook de interoceptieve voorstelling van de eigen bewegingen van de luisteraar op (tenzij hij ze effectief uitvoert). Ons laatste voorbeeld herinnert er ons aan dat die voorstellingopwekkende tekens niet ritmisch-metrisch hoeven te zijn: alle soorten beweging, en niet alleen ritmisch-metrisch georganiseerde, komen in aanmerking. Niet alleen de beweging, maar ook de stilstand kan worden opgeroepen: de roerloze zee (Hor chíel ciel van Monteverdi), een indrukwekkende burcht (Smetana), de eindeloze steppen ('Steppen van Midden-AziŽ van Borodin). De tekens hoeven trouwens ook niet altijd analoog te zijn: vele Leitmotive van Wagner zijn puur willekeurig.

Vervolgens zijn er de talloze voorbeelden van (veelal visueel-kinesthetische) voorstellingen van (al dan niet hoorbare) bewegingen van dieren met de voorstelling van de bijbehorende epxressie: het stappen van kamelen in 'De steppen van Midden-AziŽ' van Borodin, het zwemmen van vissen (Die Forelle van Schubert), het wieken van de kraai (Die Kršhe, van Schubert), het fladderen van engelen (Monteverdi 'Et hi tres'), de beweging van talloze dieren in het 'Carnaval des animaux' van Saint-Saens.

Ook de voorstelling van de beweging van voertuigen kan worden opgewekt door voorstellingopwekkende tekens. Zeer geliefd is het opwekken van de (visueel-kinesthetische) voorstelling van het op en neergaan van de zuigers en aandrijfstangen van een locomotief (Different trains van Steve Reich) of van voorbijzoevende ruimtetuigen en ruimteobjecten.

Ambivalenter is, ten slotte, de status van bewegingopwekkende tekens die wťl door de mens kunnen worden uitgevoerd (zie de paragrafen 'Proteus' hieronder....). Als ze werkelijk worden uitgevoerd, wekken ze geen voorstellingen op, maar werkelijke (zichtbare en innerlijk voelbare) bewegingen. Van beelden is er pas sprake als de luisteraar zich de bewegingen visueel of interoceptief voorstelt. In de regel geven verbale aanwijzingen uitsluitsel over de aard van de bewegingen. Dan zijn er om te beginnen de gewone bewegingen die horen bij de verplaatsing van het lichaam: het stappen van de wandelaar in 'Harold en Italie' van Berlioz, of het glijden over de sneeuw in de Winter van Vivaldi. Belangrijker zijn de expressieve bewegingen. Daar zijn de onopvallende expressieve bewegingen van het lichaam zoals het rillen in de 'Cold song' van Purcell, het rillen en klappertanden in de Winter van Vivaldi, het huiveren bij 'La Mort de Clťopatre' van Berlioz. Populair zijn de bredere expressieve bewegingen van armen en romp of van het hele bewegende lichaam: de vele voorbeelden van expressief stappen zoals in de treurmars zoals die van Chopin of in Siegfrieds Tod van Wagner, evenals de vele soorten dansbeweging.

In al deze gevallen stellen we ons bewegingen voor in de - vermits het over bewegingen gaat: meestal visuele - driedimensionale reŽle ruimte, zodat de muziek eigenlijk alleen maar als teken functioneert, en niet langer als autonome auditieve verschijning opgaat in de muzikale ruimte. Identificeert de luisteraar zich met de opgeroepen beweging, dan stelt hij zich zijn bewegingen (ook) interoceptief voor.


MISVATTING (3): HET VERHAAL ALS MULTISENSORIňLE VOORSTELLING

Het inzicht dat er bij narratieve literatuur meestal sprake is van plursisensoriŽle verschijningen wordt bemoeilijkt doordat telkens slechts ťťn bewustzijnsinhoud - en dus slechts ťťn zintuiglijke verschijning - tegelijk kan worden opgeroepen. De voorgestelde verschijningen worden dan door de lezer tot een multisensorieel geheel gecombineerd.

Dat is niet moeilijk te vatten als het gaat om korte narratieve passages. Als Musil eerst de visuele verschijning van Agathe op de sofa beschrijft, en vervolgens in indirecte rede oproept wat ze zegt, zien we ze spreken - en hebben we dus te maken met een audiovisuele voorstelling. Wisseling van zintuiglijk domein volstaat dus niet om van een enkelvoudig beeld een meervoudig te maken: het voegt alleen een nieuwe zintuiglijke dimensie bij de oude. Dat geldt overigens ook voor onmiddellijke mimesis: het is niet omdat in een film een personage eerst visueel verschijnt, om vervolgens - zonder dat de camera stopt met draaien - ook auditief te verschijnen als spreker, dat er sprake zou zijn van een nieuw beeld (een nieuwe 'shot'). Het voorheen schijnbaar slechts visuele beeld, blijkt in werkelijkheid een audiovisueel beeld te zijn.

Als het gaat over langere passages kan niettemin makkelijk de indruk ontstaan van een opeenvolging van monosensoriŽle beelden. In 'Schnee' tonen we aan de hand van een concreet voorbeeld aan hoe voorstellingopwekkende woorden een hele waaier van zintuiglijke verschijningen kunnen weergeven. Dat de lezer een brede waaier van zintuiglijke domeinen doorloopt, betekent nog niet dat er sprake is van een meervoudige of samengestelde verschijning zoals in een retabel, of in een doorsnee multi-shotfilm. De duur van een verschijning wordt immers bepaald door de temporele (en dus spatiale) continuÔteit van het verschijnen (zie I, 6). Bij nader toezien zijn er op het niveau van de voorstelling wel temporele breuken in de inleiding tot het verhaal, evenals tussen het verhaal en het daarop volgende hoofdstuk, maar het verhaal van de tocht in de sneeuw zelf loopt ononderbroken door: Hans Castorp is continu waarneembaar van bij het begin van zijn wandeling, over zijn rondjes draaien in de sneeuwstorm, zijn inslapen na het drinken van portwijn, en zijn ontwaken, tot aan zijn terugkeer naar het sanatorium. Nergens is er sprake van een onderbreking ('een uur later', 'lang nadat bij was ingeslapen', of 'intussen ...'). Zeker, niet alle momenten zijn waargenomen vanuit eenzelfde perspectief: er wordt ingezoomd, zowel met de ruimteloep als met de tijdloep. Maar, of de tijd nu snel of traag verloopt, hij blijft ononderbroken stromen. De indruk van geleding is dus uitsluitend afkomstig van de wisseling van zintuiglijk domein, niet van breuken in de tijd.

Maar, zal men opwerpen, in een film wisselen de afzonderlijke zintuiglijke domeinen elkaar niet af: al kunnen er tijdelijke leemtes zijn - momenten dat er geen geluid is maar wel visueel beeld, of omgekeerd - de visuele en auditieve dimensie zijn tegelijk aanwezig, Het is echter een misvatting dat zoiets niet het geval zou zijn in een verhaal. De misvatting ontstaat door onterecht de verschijning te verwarren met het mimetisch medium- door het verhaal als opeenvolging van voorstellingen gelijk te stellen met het verhaal als de opeenvolging van de voorstellingopwekkende woorden. In de film of in het theater blijft het personage zichtbaar als het begint te spreken. Maar als de verteller een audiovisueel beeld wil oproepen - een personage dat spreekt - moet hij eerst de visuele verschijning oproepen, en vervolgens de auditieve. Het is pas in de geest van de lezer dat beide verschijningen worden gecombineerd tot ťťn enkel audiovisueel beeld. Dat wordt duidelijk geÔllustreerd door volgende passage: 'Da war wohl zu seiner einen Seite ein Tannenabsturz hinab in Schneedunst und andererseits ein Felsenaufstieg mit ungeheuren, zyklopischen, gewŲlbten und gebuckelten, HŲhlen und Kappen bildenden Schneemassen. Die Stille, wenn er regungslos stehenblieb, um sich selbst nicht zu hŲren, war unbedingt und vollkommen, eine wattierte Lautlosigkeit, unbekannt, nie vernommen, sonst nirgends vorkommend. Da war kein Windhauch, der die Bšume auch nur aufs leiseste gerŁhrt hštte, kein Rauschen, nicht eine Vogelstimme. Es war das Urschweigen, das Hans Castorp belauschte, wenn er so stand'. In dit fragment wordt eerst een visuele verschijning opgeroepen, en daarna een auditieve. Maar beide verenigen zich geruisluis tot een enkele audiovisuele voorstelling in de geest. En het blijft niet bij een bisensoriŽle voorstelling. Gaandeweg worden immers niet alleen visuele en auditieve, maar ook nog olfactieve, taciele, ja zelfs een hele waaier van innerlijke verschijningen weergegeven. Als de wind als met messen in de huid van Hans Castorp kerft, als hem de adem wordt afgesneden, als de lezer hem hoort denken, ja zelfs ziet dromen, voegen die verschijningen zich bij overige uiterlijke waarnemingen tot ťťnzelfde continu multisensorieel beeld. Net zoals bij het audiovisuele beeld kan ťťn van de dimensies tijdelijk 'wegvallen' - als Castorp niets voelt of denkt. Of de aandacht kan, evenzeer zoals bij het audiovisuele beeld, eerder uitgaan naar wat er is te horen dan naar wat er is te zien. Maar in geen geval is er een temporele breuk in het multisensoriŽle verschijnen van Hans Castorp.


INDELING VAN DE VERSCHIJNINGEN NAAR ZINTUIGLIJK DOMEIN

Dan is duidelijk dat we alle beelden als verschijning kunnen indelen naar gelang van het zintuiglijk domein waartoe ze behoren.

UnisensoriŽle beelden kunnen we rangschikken naar gelang van het zintuig dat ze bestrijken.

Vervolgens kunnen we onderscheid maken tussen monosensoriŽle en plurisenosriŽle beelden. Terwijl in de werkelijke wereld verschijningen in de regel plurisensorieel zijn, is er in de wereld van de beeld een heel spectrum, gaande van monosensoriŽle tot diverse graden van plurisensoriŽle verschijningen (visuele, audiovisuele, enz.). De waarneembare verschijningen - onmiddellijke mimesis - tenderen ernaar om monosensoriŽel of bisensorieel te zijn. Daar zijn twee redenen voor. Om te beginnen zijn er de technische beperkingen bij de productie van de mimetische media: die zijn het kleinst bij monosensoriŽle en het grootst bij plursensoriŽle. Vervolgens neemt bij toename van het aantal zintuigllijke dimensies bij waarneembare verschijningen de kans toe dat ze tot volledige duplicaten worden. De kans om volledig duplicaat te worden is uitgesloten bij voorgestelde verschijningen. Daarom tenderen die er, omgekeerd, naar om plurisensorieel, zoniet omnisensorieel te worden. In tegenstelling tot wat de spreuk 'Ut pittura poesis' suggereert, zijn bij verbale voorstellingopwekkende tekens monosensoriŽle verschijningen eerder zeldzaam. Dat is zozeer het geval dat er een naam bestaat voor uitsluitend visuele voorstellingen: ekphrasis. Dat neemt niet weg dat er uitzonderlijk enkelvoudige beelden voorkomen die monosensoriŽle verschijningen voor andere zintuigen oproepen: denk aan de passage van het geurorgel uit Huxley's brave New world. Merken we op dat hier plurisensoriŽle combinaties voorkomen die we niet aantreffen bij onmiddellijke mimesis (en bij de gewone waarneming). Een goed voorbeeld zijn de veelal visueel-kinesthetische voorstellingen van de (vele onhoorbare) bewegingen van onbezielde en bezielde wezens die we hierboven beschreven.

Inzake plurisensoriŽle verschijningen kunnen we bijkomend onderscheid maken tussen verhalen die alleen uiterlijke verschijningen bevatten, en verhalen die ook innerlijke verschijningen bevatten: wat Genette de variabliteit van het 'focaliseren' noemt (Ūntern of extern).

Ten slotte kunnen we ook hier onderscheid maken tussen optelling van enkelvoudige beelden die homogeen of heterogeen zijn qua bestreken zintuiglijke domeinen.


RELATIE TUSSEN INDELING NAAR ZINTUIGLIJK DOMEIN EN INDELING NAAR WAARGENOMEN OF VOORGESTELD

Zoals al in vorig hoofdstuk bleek, kan een monosensoriŽle verschijning bestaan uit een waargenomen en een voorgesteld onderdeel, of kan een bisensoriŽle verschijning bestaan uit een monosensoriŽle waargenomen verschijning voor het ene zintuig, gecombineerd met een monosensoriŽle voorgestelde verschijning voor een ander, enz.

 
 
ontdek
mijn nieuwe e-boek:


zelfomslag

het zelfbeeld
tussen spiegel en dagboek