het beeld: mimesis herbekeken
deel IV: de classificatie van de verschijningen
hoofdstuk 6:

hoge en lage verschijningen



INLEIDING

In deel twee onderzochten we hoge en lage verschijningen in de werkelijkheid. We zagen dat verschijningen voor elk afzonderlijk zintuig in principe toegang kunnen verschaffen tot alle zintuiglijke domeinen en de noumenale werkelijkheid, al gaat dat makkelijker bij waarnemingen of voorstellingen voor de hogere zintuigen dan bij die voor de lagere zintuigen, en we stelden het vermogen om een wereld te ontsluiten tegenover het vermogen om lust op te wekken. In deel drie toonden we aan hoe mimetische media verschillen in hun vermogen om eigen verschijningen te produceren, verzadigd te zijn, en te worden opgeteld tot meervoudige verschijning of tot voorstellingopwekkende ketens. In het vierde deel komt het er dan op aan om te onderzoeken in hoeverre het beeld als autonome verschijning hoger of lager kan zijn. Deze vraag verschilt in principe niet van de vraag wat hogere of lagere verschijningen in de werkelijke wereld zijn. Ook voor autonome verschijnngen geldt dat visuele verschijningen toegang verschaffen tot een tijdruimtelijk meer omvattende wereld dan de lagere zintuigen, en dat lagere verschijningen - voor zover ze kunnen geÔsoleerd als autonome verschijningen - een intensere puur zintuiglijke lust verschaffen. Maar de eigenaard van autonome verschijningen noopt ons om ook nog de hieronder vermelde dimensies te onderscheiden.

Herinneren we eraan dat het hier niet gaat om het inhoudelijke aspect - om vragen omtrent wat hoger en lager is in de werkelijke wereld. Herhalen we ook dat de waardering van de aard van de verschijningen niets te maken heeft met die van het origineel zelf: een hoge verschijning - een visueel of auditief beeld - kan de verschijning zijn van een 'laag oirigneel', zoals uitwerpselen, en een lage verschijning - een olfactief beeld - kan hoge originelen oproepen, zoals wierook die de voorstelling van een kerkinterieur oproept.


DIFFERENTIEEL VERMOGEN OM EEN WERELD TE CONSTITUEREN

Het probleem van de hogere of lagere verschijningen naar vermogen om een wereld op te roepen hebben we al behandeld in deel II. De opmerkingen daaromtrent kunnen hier integraal worden overgenomen, al gelden ze hier sterker omdat aanvulling door andere zintuigen hier principieel is uitgesloten.


DIFFERENTIEEL VERMOGEN OM ZINTUIGLIJKE DOMEINEN TE BESTRIJKEN

Middellijke mimetische media kunnen de voorstelling van alle zintuiglijke domeinen bestrijken, inclusief de innerlijke. Wat dat betreft zijn ze superieur aan alle ommiddellijke mimetische media die noodgedwongen nooit de totaliteit van de zintuiglijke domeinen mogen bestrijken op straffe van samen te vallen met de werkelijkheid. Omgekeerd kan men stellen dat die verschijning het hoogst is die met de minste zintuiglijke domeinen een zo ruim mogelijke werkelijkheid weet op te roepen.


WAARGENOMEN VERSUS VOORGESTELD

Al sedert de paragone van da Vinci wordt een strijd gevoerd omtrent de hogere of lagere status van verschijningen naar gelang ze waarneembaar zijn of niet. Vaak wordt gesteld dat waargenomen beelden veel 'intenser' zijn dan voorgestelde. We weten inmiddels dat dat niet geval is, en dat er bovendien ook vele menggevallen zijn. Ook moeten we hier rekening houden met het feit dat bij middellijke mimesis de lezer de graad van invulling bepaalt.


DIFFERENTIELE VERZADIGING

Wel geldt dat onmiddellijke beelden in de regel oververzadigd zijn en daarom vaak als intenser overkomen, omdat ze, net als de werkelijkheid almaar nieuwe informatie kunnen verschaffen, terwijl dat bij voorstellingen afhankelijk is van ons voorstellingsvermogen.


BEWEGEND VERSUS STILSTAAND

Velen geven de voorkeur aan bewegende beelden boven stilstaande. Op het eerste gezicht lijkt het weergeven van het verloop van een handeling veel informatiever, de ontplooiing van het drama in de aristoteliaanse fasen van protasis epitasis en katastatis of katastrofe veel boeiender dan het stilstaande beeld van een fase uit dat proces. Maar precies de geleding van een handeling als een opbouw naar een hoogtepunt houdt ook in dat het dramatisch gebeuren ernaar tendeert om te worden samengevat in een hoogtepunt. Als het stilstaande beeld dat hoogtepunt vat, kan het dat voor eeuwig laten duren. Alleen gebeurtenissen zonder hoogtepunt - zoals het kabbelen van een beekje of een waterval - hebben vermoedelijk de echte tijdsdimensie nodig.

Daarbovenop geldt dat pas een stilstaand beeld in al zijn complexiteit kan worden doorgrond. Dat is uiteraard alleen een voordeel als er iets te doorgronden valt. Dat hangt af van zowel de mate van interne structurering van het beeld als van de mate van synthetisering.

Paradoxaal is ook dat een stilstaand beeld, al dan niet als hoogtepunt van een gebeuren, veel langer duurt in de zin dat we het kunnen blijven waarnemen, terwijl een veranderlijk beeld slechts zolang duurt als het duurt. Niets belet dat we een complex proces telkens opnieuw (bij voorkeur in zijn totaliteit) waarnemen (herbeluisteren van een fuga of een sonatevorm, herlezen van een boek), maar het doorgronden van de structuur van zo'n proces gaat makkelijker via de 'stilstaande' vorm ervan in een partituur of een gedrukte tekst: die laten ons toe snel heen en weer te schakelen tussen fragmenten van willekeurige duur.


DIFFERENTIELE STERKTE VAN INTERZINTUIGLIJKE SUGGESTIE


Er toenemende dissociatie tussen verschijning en interzintuiglijk gesuggereerd origineel bij de lagere zintuigen. Alleen in de visuele en auditieve dimensie is de relatie dwingend genoeg om de voor mimesis constitutieve interzintuiglijke suggestie tot stand te laten komen (I, 4).


DIFFERENTIEEL VERMOGEN OM DE MIMETISCHE ILLUSIE TOT STAND TE LATEN KOMEN


In I, 9 (abortieve beelden) wezen er al op dat smaken onmogelijk is zonder ook te voelen, zodat het haast onmogelijk is om een monosensorieel gustatief beeld te maken, tenzij dan in de voorstelling. Dat geldt ook voor monosensoriŽle tactiele beelden, omdat het oog haast onverbrekelijk wordt geactiveerd bij voelen. Daarom moeten we monosensoriŽle gustatieve en tactiele verschijningen rekenen tot de lagere verschijningen.


DIFFERENTIEEL VERMOGEN OM DE MIMETISCHE PROEF UIT TE VOEREN


Dat geldt ook voor het uitvoeren van de mimetische proef. Hoe verder we de estafette van de zintuigen doorlopen, hoe kleiner het aantal zintuigen dat in aanmerking komt om te ontwaarden (op de smaak volgt geen verder liggend zintuig meer), en hoe dichter de contactzintuigen met elkaar worden verweven, zodat een bi- of trisensoriŽel beeld alleen door het zien kan worden ontwaard.

Voeg daarbij het differentieel vermogen om de verschijning te onderwerpen aan de oneigenlijke mimetische proeven (I, 11): vermits de verschijningen van lagere zintuigen homogeen zijn ťn vermits ook het vermogen afneemt om zelf de verschijningen te produceren, is het onmogelijk om een autonoom medium, een mediumdrager en mediumaal veld waar te nemen binnen het zintuiglijk domein van de verschijning.


DIFFERENTIEEL VERMOGEN TOT COMBINATIE MET VERSCHIJNINGEN VOOR ANDERE ZINTUIGEN

Vooral geuren zijn moeilijk te combineren met onmiddellijke visuele en auditieve verschijningen, niet alleen omdat temporeel gezien het tempo van de verandering zoveel trager en onnauwkeuriger is, maar vooral omdat, ruimtelijk gezien, een veelheid van objecten wordt gecombineerd met een homogene wereld. Zo is het onmogelijk om een stilleven te laten zien waar evenveel geuren zijn te onderscheiden als er groenten of fruit of bloemen zijn te zien.

Pas als voorstelling zijn geuren naar believen te produceren, te manipuleren, en te combineren: alle geuren van een boeket zijn moeiteloos te beschrijven zoals in het voorbeeld van Huxley in volgende paragraaf.


DIFFERENTIEEL VERMOGEN TOT COMBINATIE IN MEERVOUDIGE EN SYNTHETISCHE VERSCHIJNINGEN

Verschijningen in onmiddellijke mimetische media voor lagere zintuigen zijn moeilijk op te tellen tot samengestelde verschijningen, en a fortiori tot synthetische beelden.

Alleen voorgestelde verschijningen ontsnappen aan dit lot. Daarom komen lagere en interoceptieve zintuigen bij uitstek aan bod in middellijke mimesis: dat blijkt onomstotelijk uit het volgende voorbeeld van Huxley, waarin de opeenvolging van geuren (die echter continu in elkaar overgaan en dus slechts een enkelvoudige verschijning vormen) moeiteloos verloopt zoals bij de opeenvolging van tonen in een melodie; The scent-organ was playing a delightfully refreshing Herbal Capriccio - rippling arpeggios of thyme and lavender, of rosemary, basil, myrtle, tarragon; a series of daring modulations through the spice keys into ambergris; and a slow return through sandalwood, camphor, cedar, and newmown hay (with occasional suble touches of discord - a whiff of kidney pudding, the faintest suspicion of pig's dung) back to the simple aromatics with which the piece began. They final blast of thyme died away; there was a round of applause).


DIFFERENTIEEL VERMOGEN OM NIEUWE ORIGINELEN TE SCHEPPEN

Het is makkelijker een nieuw origineel te scheppen via het produceren van een verschijning voor het oog dan via verschijningen voor andere zintuigen. Dat komt omdat de visuele verschijning zoals gezien een voorlopig eindstation is waar alle verschijningen voor zowel afstandszintuigen als contactzintuigen (en intero) tot (voorlopige) rust komen. Het leveren van een ongeziene visuele verschijning volstaat dus om het aanschijn te geven aan een nieuw origineel: we vragen ons niet af hoe het klinkt, ruikt, aanvoelt, of smaakt. Een nieuwe geur of een nieuw geluid daarentegen levert wel de nieuwe geur of het nieuwe geluid, maar we willen ook weten hoe het bijbehorende origineel eruit ziet, en als het om monosensoriŽle verschijningen gaat, blijven we op onze honger zitten.

Omdat het van de plicht ontslaat om bijbehorende verschijningen voor andere zintuigen te scheppen, is het ook makkelijker om nieuwe originelen te scheppen naarmate er minder zintuiglijke dimensies worden gedupliceerd: het is makkelijker een nieuw visueel of auditief origineel te scheppen dan een audiovisueel. Daarom neemt voltooide mimesis een grotere vlucht op het vlak van de monosensoriŽle beeld. Hoe hoger die vlucht, hoe prangender anderzijds de vraag hoe de verschijningen voor andere zintuigen eruit zien. Zoals gezien is de vraag het minst prangend bij het leveren van een visuele verschijning. Daarom is de visuele verschijning de natuurlijke habitat van de voltooide mimesis. Dat neemt niet weg dat de drang om nieuwe originelen te scheppen zich niet laat muilkorven in de auditieve dimensie. Omdat het daar in toenemende mate moeilijker wordt om zich een visuele verschijning voor te stellen die past bij de auditieve, neigen we ertoe om de band met de visuele verschijning door te knippen, en muzikale wezens te concipiŽren die monosensorieel zijn (zie II, 4).

Om dezelfde reden is de speelruimte voor het ontwerpen van nieuwe originelen groter in tweedimensionale dan in driedimensionale beelden. Bij tweedimensionale is het standpunt van de toeschouwer vastgelegd, zodat men niet ook de zijkanten, de onderkant en de bovenkant, en de achterkant moet bedenken. Zo komt het dat het wel relatief eenvoudig is om een grotendeel 'bestaand' origineel als de Mona Lisa om te zetten in een driedimensionaal beeld (zie Daniel Druet), maar dat het een ander paar mouwen is om een waarschijnlijke achterkant te bedenken voor een imaginair wezen als de trommelslager van Klee of een schilderij van Malevitsj.

Voorstellingen (al dan niet bemiddeld door voorstellingopwekkende tekens) zijn op dat vlak superieur, vooral omdat de schrijver zich kan beperken tot suggestie, zonder een verschijning als zodanig te moeten ontwerpen. Kafka kan gewoon schrijven dat een mens geleidelijk in een kever verandert, zonder zich ook maar zorgen te hoeven maken hoe dat in zijn werk gaat. De problemen daaromtrent worden in alle omvang zichtbaar als men die metamorfose zou willen verfilmen. Het probleem van de cineast verschilt daarbij niet in principe van dat van de lezer. En dat leert ons dat de superioriteit van de voorstelling slecht schijnbaar is: bij zijn invulling ontleent de lezer zijn stof aan waarnemingen, of, waar die ontbreken zoals bij voltoooide mimesis, uiteraard aan ....onmiddellijke beelden.


CONCLUSIE

In vorig deel bespraken we de nadelen van mimetische media voor de lagere zintuigen. Voeg daarbij de nadelen die aan de verschijningen voor lagere zintuigen als zodanig zijn verbonden, dan weten we meteen waarom er weinig of geen beelden zijn voor lagere zintuigen - al is er natuurlijk veel olfactieve en gustatieve design, die we zullen bespreken in VIII, 2. Het gaat hem om lagere verschijningen qua combinatiemogelijkheid met tijdruimtelijk gedifferentieerde beelden voor oog en oog, qua vermogen om meervoudige verschijningen te maken, qua vermogen om zich monosensorieel te isoleren en dan interzintuiglijke suggestie op te roepen, maar vooral qua vermogen om een wereld te constitueren. Bij gustatieve beelden komt daarbij het onvermogen om zich te onttrekken aan de mimetische proef (om de mimetische illusie tot stand te laten komen).

 
 
ontdek
mijn nieuwe e-boek:


zelfomslag

het zelfbeeld
tussen spiegel en dagboek