het beeld: mimesis herbekeken
deel IV: de classificatie van de verschijningen
hoofdstuk 1:

indeling naar waarneembaarheid van de verschijning



INLEIDING
... that the great poet is always a seeer, seeing less with the eyes of his body than he does with the eyes of his soul, but that he is a true singer also, building his song out of music'
.
Oscar Wilde, The critic as an artist:.

Nadat we in vorig deel de verschillende soorten voorstellingopwekkende tekens in kaart hebben gebracht, komt het er in het eerste hoofdstuk van dit vierde deel op aan te tonen dat die wel degelijk beelden - verschijningen - oproepen, en dat deze voorstellingen alle zintuiglijke domeinen kunnen bestrijken.

Vervolgens loont het om stil te staan bij de verschillen tussen waargenomen en voorgestelde verschijningen.

Ten slotte moet erop gewezen dat waargenomen en voorgestelde verschijningen vaak worden gecombineerd - exemplarisch in vele liederen en verhalen met monloog of dialoog, maar vooral in zeer onwaarschijnlijke beeldvormen zoals' Different Trains' of het 'Autoritratto nella notte' van Sciarrino.


ALGEMEEN: WAARGENOMEN EN VOORGESTELDE VERSCHIJNINGEN

We kunnen verschijningen indelen in waarneembare en voorgestelde. Waarneembaar zijn onmiddellijke beelden, voorgesteld zijn ofwel middellijke, ofwel mediumloze beelden (dromen, gewone en hypnagoge hallucinaties, dagdromen, en voorstellingen die worden opgewekt door rechtstreekse prikkeling van de hersenen).

Meer valt over deze indeling niet te zeggen. Wel loont het de moeite om drie wijdverbreide misvattingen inzake voorgestelde verschijningen uit de weg te ruimen: de misvatting dat verhalen een kwestie zijn van woorden, dat voorstellingen 'zwakke' beelden zijn, en dat woorden slechts schimmige beelden, zo niet 'abstracte begrippen' oproepen, en geen verzadigde beelden.


MISVATTING (1): VOORSTELLINGOPWEKKENDE TEKENS ROEPEN VERSCHIJNINGEN OP

Wie niet doorheeft dat bij narratieve literatuur de woorden worden gebruikt als voorstellingopwekkende tekens, komt licht in de verleiding het verhaal met de woorden te vereenzelvigen en zo over het hoofd te zien dat die woorden slechts dienen om een voorstelling op te roepen in de geest.

Om ons er terdege bewust van te worden dat narratieve literatuur voorstellingen oproept, volstaat het lezen van volgende verzen van Bertolt Brecht: 'Ein Haus unter Bšumen am See/ Vom Dach steigt Rauch'. In deze twee verzen - de volgende behoren tot het domein van de onmiddellijke mimesis - wordt ons onomstotelijk een visuele verschijning voor ogen getoverd. Maar die visuele verschijning is ons anders gegeven dan in de beeldende kunst: we zien ze niet met onze echte ogen, maar met innerlijke ogen in onze geest. Wat we met onze echte ogen zien, zijn alleen de letters die ons woorden doen uitspreken. Die zijn uiteraard niet de voorstelling, maar de tekens die ons ertoe aanzetten om ons een - in dit geval visuele - verschijning voor te stellen.


MISVATTING (2): ZWAKTE VAN DE VOORSTELLING

Vaak wordt gesteld dat voorstellingen zwak zijn in vergelijking met waargenomen voorstellingen of met waarnemingen van de werkelijkheid.

Alleen al het feit dat sommige hallucinaties niet zijn te onderscheiden van de werkelijkheid moet ons daar aan doen twijfelen. Ook de nachtmerrie lijkt zo hallucinant echt, dat we pas overtuigd worden van het ingebeelde karakter ervan als we ons met nadruk blootstellen aan de waarneming van de werkelijke wereld. Dat laatste - de mimetische proef van de voorstelling - levert ons meteen ook de verklaring voor de indruk dat voorstellingen 'zwak' zijn: dat zijn ze pas als ze achteraf of tijdens het zich voorstellen worden geconfronteerd met waarnemingen. Zoals we al beschreven in I, 9 ontkrachten deze laatste immers de voorstelling door indrukken te leveren die niet bij de voorstelling passen - doordat we bv. de echte kamer waarnemen achter de gestalte die we ons voorstellen. Bij menging met bijpassende waarneming daarentegen functioneren ze als kader, en ze delen dan in de overtuigingskracht van de waarneming (zie 'menging' hieronder). Bij hallucinaties moet op ťťn of andere manier het mechanisme voor die correctie zijn uitgeschakeld. Eenzelfde ontwaarding tot 'zwak' beeld treft overigens niet alleen voorgestelde verschijningen: ook waargenomen verschijningen verliezen hun overtuigingskracht na uitvoeren van de mimetische proef, zoals we al beschreven in I, 9.


MISVATTING (3): SUGGESTIE EN MIN OF MEER VERZADIGDE VERSCHIJNINGEN

Vaak wordt gesteld dat literatuur niet in staat zou zijn om gedetailleerde - verzadigde - beelden op te roepen zoals de schilderkunst of de fotografie, dat ze zich moet verlaten op suggestie en dus heel wat aan de verbeelding over laat, ja zelfs, dat ze zich zou beperken tot het domein van de 'abstracte' of 'algemene' ideeŽn - wat zou impliceren dat het hier niet om voorstellingen zou gaan, maar om 'begrippen'. Daar horen twee opmerkingen bij.

Om te beginnen moeten we eraan herinneren dat de verteller bij middellijke mimesis geen kant-en-klare beelden levert, maar aanwijzingen voor de constructie daarvan (zie I, 4 en I, 5). Het is dus de lezer die de door de schrijver opgeroepen onderdelen van het beeld interzintuiglijk en intrazintuiglijk aanvult, en zodoende de eigenlijke producent van de voorstelling is. De auteur kan de lezer daarbij de vrije loop laten, dan wel hem streng aan de leiband houden. Hij kan zich beperken tot algemene aanduidingen ('Hij was neerslachtig'), dan wel concreet invullen welke visuele expressie die neerslachtigheid aanneemt ('Hij zat daar maar doelloos voor zich uit te staren, de handen werkloos op zijn schoot gevouwen', of bij interoceptieve invulling: 'Hij voelde zich alsof hij nooit meer in beweging zou kunnen komen'). Tot typisch verbale methodes van suggestie behoren indirecte aanwijzingen. Zo is de mededeling 'Zij was nog te jong om alleen te leven' een indirecte aanduiding voor ofwel de innerlijke gesteldheid van een weduwe, ofwel van de verwachtingen van degene die met haar wordt geconfronteerd. Of zo kan de schrijver alleen de begrafenis vermelden en daarmee impliceren dat de persoon is gestorven, zonder dat sterven expliciet op te roepen. In alle gevallen is er dus een zekere speelruimte: het is maar de vraag welke lezer zich bij het spreken van Swifts' paarden ook de beweging van hun lippen voorstelt. Terwijl bij een onmiddellijk beeld de graad van verzadiging vastligt, hangt hij bij een middellijk beeld van de activiteit van de lezer af.

Om de verwarring van beelden met begrippen te voorkomen, helpt het om erop te wijzen dat het gebruik van algeme begrippen voor de schrijver een bijzondere vorm is van suggestie van concrete verschijningen. Al heeft HŲlderlin het in zijn 'Schicksallied' over 'de goden' en 'de mensen', we maken er ons niettemin concrete voorstellingen van. Dat geldt zelfs voor het onwaarneembare - denk aan de tijdsgeest van Musil in Geistiger UmstŁrz: we stellen ons dergelijke entiteiten voor via zintuiglijk waarneembare instanties ervan. Ook als de schrijver verzamelingen van objecten oproept of gebeurtenissen die zich almaar herhalen (iteratief) ('Elke morgen nam hij zijn ontbijt op het terras'), of die lang duren ('Hij had de hele afstand te voet afgelegd', 'Hij hield een lezing over de liefde'), hebben we de neiging ons er ťťn instantie van voor te stellen. In geen van deze gevallen hebben we te maken met het oproepen van abstracte begrippen: er is alleen sprake van abstractie op het niveau van de voorstellingopwekkende tekens. Op het niveau van de opgeroepen verschijning - het beeld - zien we concrete invullingen van die abstracte begrippen - al gaat het zelden om een volledige, maar veelal om een 'elliptische' invulling: ťťn enkel geval op ťťn plaats (zoals bij momentopname). Het gebruik van abstracte of algemene termen in narratieve literatuur laat dus niet toe te concluderen dat we te maken hebben met abstracta - die geen verschijningen zijn, zodat literatuur geen mimesis zou zijn. Het laat evenmin toe te spreken van 'discursieve passages', laat staan van menging van discursief en narratief woordgebruik.

Het probleem wordt gecompliceerd door twee bijkomende factoren.

Vanwege het lineaire karakter van de taal neemt een uitvoerige beschrijving een bepaalde tijd in beslag, zodat we pas na afloop van de beschrijving weten hoe het opgeroepen item eruit ziet: bv. bij Keats' Grecian Urn, of, bij de introductie van een nieuwe actor (bv. Settembrini): eerst naam, dan geslacht en leeftijd, dan uiterlijke verschijning en kledij, dan omgeving en dan pas de specifieke daad waar het hem om te doen was. Die tijdsspanne kan heel lang duren, zoals wanneer Musil eerst een algemeen beeld ophangt van ingenieurs - het lijkt wel een op zich staand essay - om vervolgens te kunnen specificeren welk voor bijzonder soort ingenieur Ulrich is. De hele tijd die in beslag wordt genomen door dit 'essay over ingenieurs' suspendeert het verhaal (als bewustzijn van voorstellingen).

Belangrijker is echter een verschijnsel dat zich niet alleen voordoet bij literatuur, maar bij meervoudige beelden als zodanig - onmiddellijke (retabels, seriŽle beelden, maar ook theater en film), zowel als middellijke. Elk samenstellende verschijning wordt ervaren als de verschijning van een samengesteld origineel, zodat in elke latere verschijning de kennis omtrent de vorige wordt meegelezen. Dat heeft zijn gevolgen voor de suggestie: bij elke latere verschijning hoeft de lezer niet meer te horen dat het personage blond is of een litteken op zijn wang heeft.(zo wordt bij Kafka K geleidelijk opgevuld met alle kennis die we uit al zijn verschijningen opdoen). Dat blijkt ook al uit het feit dat de verschijningen ten opzichte van elkaar als elders of vroeger of later worden gesitueerd. De optelling van informatie kan een dramatische wending nemen: zo blijken in 'Der Gute Mensch von Sezuan' twee eerder eenzijdige personages die respectievelijk het 'goede' en 'het kwade' belichamen, uiteindelijk twee verschijningswijzen te zijn van ťťn en dezelfde persoon, zodat de 'geÔdealiseerde' zwart-wittegenstelling wordt vervangen door een in tegengestelde richting geÔdealiseerde innerlijke tegenstelling. Hoe later een enkelvoudig beeld verschijnt, hoe meer 'suggestief' het dus mag zijn, hoe minder informatie de auteur moet geven. Er is sprake van een cumulatieve bepaling van het samengestelde origineel, zodat op de duur een hint volstaat om een heel complexe werkelijkheid op te roepen (zoals dat ook het geval is met de waarneming in de werkelijkheid). Uiteindelijk kan een summiere mededeling volstaan om een zeer complex origineel weer te geven (de woorden 'Eli, Eli, lama sabachthani' als laatste auditieve verschijning in het hele verhaal van de kruisweg). Dat houdt in dat we ons dus niet mogen baseren op een fragment van de tekst of een enkelvoudige verschijning om de graad van suggestie te bepalen. Pas na afloop van het toneel, het gedicht, of het toneelstuk blijkt hoeveel er door de auteur is ingevuld. Omgekeerd kan de lezer zelf min of meer ver gaan in de invulling van zijn suggestieve beeld.

En dat brengt ons tot onze tweede opmerking. De nadruk die we hier legden op het feit dat de vaak summiere of schijnbaar abstracte aanwijzingen van de schrijver worden aangevuld door de lezer, mag ons er niet toe verleiden om aan te nemem dat alle onmiddellijke beelden verzadigd zijn. Uit I, 5-7 weten we al dat suggestie geenszins een privilege is van het verhaal. Het mag enige verwondering wekken dat uitgerekend het tweedimensionale (vooral onveranderlijke) beeld, dat traditioneel als 'verzadigd beeld' tegen het 'suggestieve' literaire beeld in het geweer wordt gebracht, zich juist onderscheidt doordat het vaak in sterke mate suggestief is - al was het alleen maar door de suggestie van de derde dimensie - al is de suggestie in dit geval in de regel dwingend. Afgezien van die derde dimensie wezen we er in I, 7 op dat er bij vele onmiddellijke beelden een vaak intrazintuiglijke suggestie kan zijn - denk slechts aan de 'schematische' voorstelling van Hitler. Al helemaal uit den boze is het om de tegenstelling tussen verzadigde en suggestieve beelden te begrijpen in termen van de tegenstelling tussen beeld en teken, begrip en aanschouwing. We komen daarop uitvoerig terug in VIII, 4.


MENGING VAN WAARGENOMEN EN VOORGESTELDE VERSCHIJNINGEN

Naast beelden die ofwel waarneembaar zijn, ofwel voorgesteld, zijn er ook beelden die bestaan uit menging van waarneembaar en voorgestelde verschijningen. Vermits het hier niet gaat om waarnemingen die de voorstelling logenstraffen, maar haar integendeel stofferen, ontkrachten ze de voorstelling niet, maar verlenen haar eerder de intensiteit van de waarneming. Geven we een overzicht.

Naast visueel-visuueel en auditief-auditief gemengde beelden hebben we ook twee soorten audiovisueel gemengde, evanals visueel-plurisensoriŽle en auditief plursensoriŽle beelden:

- visueel waargenomen en visueel voorgesteld: het visuele beeld dat pas duidelijk wordt na lezen van voorstellingopwekkende tekst die een (meestal aanvullende of verklarende) visuele voorstelling oproept. De visuele illustratie bij een verhalende tekst die visuele beelden oproept.

- auditief waargenomen en auditief voorgesteld: het verbaal auditieve beeld van het spreken van een lyrisch ik dat de voorstelling van geluid oproept (Les sanglots long du violon... ).

- audiovisueel (1): auditief waargenomen en visueel voorgesteld. Een goed voorbeeld is hier 'Haus am See'van Bertolt Brecht. We horen de stem van het lyrisch subject en produceren de visuele voorstelling van een huis aan een meer. In Schuberts 'Die Kršhe' horen we de wandelaar spreken, en zien we hem wandelen met de kraai. In de Pastorale van Beethoven horen we het muzikale beeld van de roep van de koekoek, en hebben we de visuele voorstelling van kabbelend beekje, donderwolken en bliksem. In het derde deel van Fontana di Roma horen we het gewone auditieve beeld (opname) van de zang van de nachtegaal en maken ons de bijbehorende visuele voorstelling daarvan. In 'Et his tres'uit de Mariavespers van Monteverdie horen we het muzikale auditieve beeld van fladderende sonore wezens (of van zingende engelen) en zien we de visuele voorstelling van de vlucht van engelen opgeroepen door analoge voorstellingopwekkende tekens. In 'Different Trains' van Steve Reich horen we gewone auditieve beelden van stoomfluit en sirene en wekken voorstellingopwekkende tekens het visuele beeld op van die treinen en bombardementen. In narratieve literatuur worden door woorden opgeroepen voorstellingen gecombineerd met het verhale auditieve beeld van sprende personages: 'Agathe, aussgestreckt auf dem Diwan, hat ein Bein hochgezogen und geht lebhaft auf ihn ein: "Mit dem, was du sagst, erklšrst du doch selbst, warum ich wieder heiraten mŁsste!" sagt sie. In het 'Autoritratto nella notte' van Salvatore Sciarrino roept het gewone auditieve beeld van een wandelaar (het 'ademen' in de fluit) diens visuele voorstelling op.

- audiovisueel (2): visueel waargenomen en auditief voorgesteld:
hett laatste avondmaal van da Vinci is visuele reactie op het auditieve 'Een van u zal mij verraden'.

- visueel waargenomen en multisensorieel voorgesteld:
Rodins Burgers van Calais is een visueel beeld aangevuld met plurisensoriele voorstellingen (visuele beelden van andere fragmenten van het verhaal, aangevuld met kreten en de gevoelens van de burgers zelf, het publiek en hun rechters). Michelangelo's Mozes is visueel beeld met plurisensoriŽle voorstelling (de joden dansend om het gouden kalf met bijbehorende muziek).

- auditief waargenomen en plurisensorieel voorgesteld: veel lyrische gedichten en liederen met narratieve elementen, en voorstellingen voor diverse zintuigen, of narratieve literatuur die voorstellingen voor diverse zintuigen oproept gecombineerd met verbale auditieve beelden van monologen of dialogen.

- plurisensorieel waargenomen en monosensorieeel voorgesteld: exemplarisch in het kinderspel, dat begint als pure voorstelling, maar met steeds meer waarneembare dimensies wordt aangevuld: een kind met een vogelpak aan en een vogelmasker dat met zijn armen zin vleugels beweegt en zich interoceptief voorstelt dat het vliegt.


CONCLUSIE

Uit de voorbeelden blijkt dat heel wat mengvormen tussen onmiddellijke en middellijke mimesis geen uitzonderingen zijn, maar integendeel beeldvormen die wellicht vaker voorkonen dan puur onmiddellijke beelden. Pas als we ons daar bewust van worden, blijkt hoe misleidend de haast onuitroeibare gewoonte is om bij het nadenken over het beeld uit te gaan van het stilstaande, tweedimensionale, visuele beeld.

 
 
ontdek
mijn nieuwe e-boek:


zelfomslag

het zelfbeeld
tussen spiegel en dagboek