het beeld: mimesis herbekeken
deel V: de wisselwerking tussen verschijning en mimetisch medium

hoofdstuk 1: in het visuele beeld



INLEIDING


Bij visuele mimetische media is er een uitsproken wisselwerking tussen mimetisch medium en verschijning. Dat komt niet alleen omdat er hier een breed spectrum is aan neutraliseerbare variabelen, maar ook omdat tweedimensionale informatie op het netvlies moet omgezet in een driedimensionaal beeld, zodat het visuele erg vatbaar is voor suggestie.

Juist omdat het hier zo makkelijk is om de verschijningen aan te passen aan het mimetisch medium is een belangrijk effect van de wisselwerking tussen mimetisch medium en verschijning dat er heel wat soorten nieuwe visuele originelen ontstaan. Het loont om zich er terdege van bewust te worden hoezeer talloze domeinen van het visuele eigenlijk zijn ontstaan als gevolg van de aanpassing van de verschijningen (met de bijbehorende originelen) aan de diverse soorten visuele media. Wezens die van binnenuit lichten, monomaterieel zijn, voor eeuwig onbeweeglijk, of de onstoffelijke bezielde vormen van vele abstracte kunst, zijn ondenkbaar zonder de ontwikkeling van de vele soorten visuele mimetische media.

In het onderstaande beschrijven we in een eerste paragraaf het conflict of de harmonie tussen mimetisch medium en autonome verschijning, om vervolgens in een tweede paragraaf aan te geven hoe bij conflict het bijgevolg autonome medium inwerkt op de verschijning.


PARAGRAAF EEN: HET CONFLICT TUSSEN MIMETISCH MEDIUM EN VERSCHIJNIN

Ons overzicht verloopt in vier fasen: eerst onderzoeken we het conflict bij de onveranderlijke driedimensionale verschijning, dan bij de onveranderlijke tweedimensionale verschijning, dan bij combinaties van onveranderlijke twee- en driedimensionale verschijningen, en ten slotte bij de vele varianten van veranderlijke visuele verschijningen.


HET CONFLICT TUSSEN ONMIDDELLIJK MIMETISCH MEDIUM EN VERSCHIJNING (1): IN DE DRIEDIMENSIONALE VERSCHIJNING

Alleen bij mimetische media die bestaan uit kleinste elementen, die in alle parameters (kleur, tonaliteit, materialitet) beschikbaar zijn in continue scala's, en die onbeperkt combineerbaar zijn, kan de verschijning van het origineel restloos worden gedupliceerd door het onmiddellijk mimetisch medium. Dat houdt in dat het origineel zich naar kleur, toon en materialiteit (en dus ook naar vorm en vooral naar textuur) in alle volheid kan ontplooien - alle mogelijke composities kan aannemen op alle mogelijke niveaus.

Voorbeelden van driedimensionale kleur-toon-materialiteitmedia zijn de naakten van de Andrea of de wassen beelden van Tussaud (vooral omdat hier vaak gebruik wordt gemaakt van substituten zoals haren of kleren).

Bij mimetische media die bestaan uit voorgevormde elementen, die niet in alle parameters (kleur, tonaliteit, materialitet) beschikbaar zijn in continue scala's, en met beperkt combineerbare elementen daarentegen ontstaat er in de regel een conflict tussen de mogelijkheden van het medium en de combinaties die worden vereist door de verschijning van het origineel.

Het conflict kan alleen worden opgelost door wederzijdse aanpassing. Er zijn twee mogelijkheden:

Ofwel wordt de verschijning zodanig gekozen of ontworpen dat ze zich kan voegen naar alle vereisten van de compositie van het medium. We krijgen dan pseudoheteronomie door selectie van de verschijning. Een voorbeeld van aanpassing aan een beperkte scala van materialiteiten is de Danae van Rodin waarin met een medium met twee materialiteiten slechts een beperkt aantal texturen worden weergegeven (huid, golvend haar en rots), terwijl andere texturen zoals vingernagels en lippen die om andere materialiteiten zouden vragen, zijn vermeden:

Ofwel wordt de verschijning aangepast door geneutraliseerde lectuur, zoals wanneer in een zwart-witbeeld abstractie wordt gemaakt van de kleur van de verschijning. Hier ontstaat pseudoheteronomie door neutralisering.

Ofwel wordt het medium aangepast aan de verschijning door het suggestief te lezen: exemplarisch in de arcering (of de Legoblokjes hieronder). Hier ontstaat pseudoheteronomie door suggestie.

Analyseren we nog enkele voorbeelden van aanpassing aan mimetische media met beperkte combineerbaarheid.

Daar zijn om te beginnen de mimetische media met voorgevormde elementen. Die kunnen alleen verschijningen weergegeven die zijn samengesteld uit gelijkaardige elementen, zoals wanneer kubusvormige steentjes een robot nabootsen die is samengesteld uit kubussen (en zijn dan pseudoheteronoom). Zijn de elementen niet gelijkaardig, zoals wanneer een zadeldak moet nagebootst met Legoblokjes, dan zijn er twee mogelijkheden. Ofwel wordt de verschijning aangepast aan wat het onmiddellijk mimetisch medium te zien geeft, en lezen we het bouwsel als het beeld van een getrapt dak. Hier wordt pseudoheteronomie verkregen door aanpassing van de verschijning aan het medium. Ofwel lezen we het getrapte dak als de suggestie van een schuin dak. Hier wordt pseudoheteronomie verkregen door suggestieve lectuur van het medium.

In de beelden van Antony Gormley, bij wie staafjes, georiënteerd in een scala van uiteenlopende richtingen, worden gecombineerd in de vorm van een imaginair lichaam, kunnen we de staafjes ofwell letterlijk lezen als een soort stralen (of pinnen). We krijgen dan pseudoheteronomie door aanpassing van de verschjning. Maar meer voor de hand ligt de suggestieve lectuur ervan, waardoor het lichaam tot een soort 'mist' wordt.We krijgen dan pseudoheteronomie door suggestieve lectuur. Eenzelfde analyse geldt voor de knokenman van Fabre.

Media met monochrome of monotonale vlakken kunnen alleen driedimensionale originelen weergeven die zelf uit vlakken bestaan. Zo bouwt Pevsner een menselijk figuur op uit een scala van gebogen vlakken. We kunnen deze figuren ook suggestief lezen. Dit geval moet worden onderscheiden van het paard van Duchamp-Villon: die ontwerpt - naar het voorbeeld van 'kubistische' originelen - een imaginair wezen dat is opgebouwd uit gebogen oppervlaktes die een volume begrenzen, maar voert dat uit in een medium dat in principe bestaat uit onbeperkt combineerbare elementen, maar in werkelijkheid wordt behandeld alsof het een medium met beperkte combineerbaarheid was (pseudo-autonomie, zie deel VI):

Lineaire media, ten slotte, kunnen alleen maar puur lineaire (verschijningen van) originelen weergeven (zoals een wirwar van draden, gras of regen, originelen zoals die van Gormley, of bomen zoals Natural Tree Wire Sculpture Sculpture - Mark Golomb ). In al deze gevallen is er dan sprake van pseudoheteronomie.

Net zoals bij tweedimensionale weergave leidt het sluiten van een lijn hier echter tot de suggestie van een vlak, zij het dat we het ditmaal ervaren als een transparant vlak. (Bij vele glazen sculpturen wordt de indruk van doorzichtigheid vermeden door het glas mat te maken). Zo zien we hoe Calder en Oliveira een gezicht en een lichaam - volumes met oppervlakte - weergeven met behulp van lijnen.

Picasso daarentegen schept een nieuw origineel dat alleen uit lijnen bestaat, zodat we hier ondubbelzinnig hebben te maken met pseudoheteronomie door aanpassing van de verschijning.


HET CONFLICT TUSSEN ONMIDDELLIJK MIMETISCH MEDIUM EN VERSCHIJNING (2): IN DE TWEEDIMENSIONALE VERSCHIJNING

Tweedimensionale media kunnen volledig heteronoom zijn qua kleur en toon, maar zijn principieel autonoom qua ruimte en textuur. Net zoals de derde dimensie wordt de textuur slechts gesuggereerd. Idealiter is de materialiteit van het suggererende medium daarbij niet waarneembaar. Dat ideaal wordt benaderd sedert de uitvinding van de fotografie. In ruwere media zoals olieverf is weergave van texturen meer problematisch. Er stelt zich niet zo'n probleem bij de weergave van gladde oppervlaktes (huid, satijn), of van oppervlaktes die vanaf voldoende afstand glad (effen) lijken, zoals textiel. Vele mimetische media zijn immers zelf glad: denk aan olieverf, zeker als ze in glacis wordt aangebracht. Wat dat betreft was olieverf dus pseudoheteronoom door aanpassing van de verschijning op vlak van de suggestie van materialiteit of gewoon door neutraliseren van de materialiteit. De problemen beginnen pas zodra ruwe oppervlaktes moeten worden weergegeven (brokaat, broodkorsten, ...). Waar de kunstenaars proberen microscopische verschillen aan te brengen, ontstaat meestal tevens ook een ruwer oppervlak dat contrasteert met het gladde van een glacis (al het brokaat bij Van Eyck). Daarbij ontstaat vaak echt reliëf in de verf, zodat het echte licht voor de schaduw moet zorgen, zoals bij een driedimensionaal beeldhouwwerk. Het suggererende medium dringt zich dan in alle autonomie op. Dat is het geval bij de verschillende graden van ruwheid op de Vuillard hieronder: van effen kleed, over ruitvorming kleed, naar gestippeld behangpapier.

Pas in de fotografie is het mogelijk de meest heterogene soorten texturen én substantialiteiten (solide lichamen tegenover transparante lichamen) nauwkeurig weer geven: niet alleen ronding, maar ook textuur kan worden vertaald in toon. In dat opzicht benadert pas de fotografie echte heteronomie qua textuur.

Toch is ook fotografie niet helemaal heteronoom wat de materialiteit betreft: de aard van het monomateriële oppervlak blijft bepalen hoe we de verschijning lezen: je zou bovenstaande foto kunnen afdrukken in mat, halfmat of glanzend. Bij glanzend is het alsof het gehele onderwerp in een andere atmosfeer wordt gedompeld (als in water versus droge lucht): de verschijning past zich in alle gevallen aan de materialiteit van het medium aan.

Naast de materialiteit kan ook de kleur worden geneutraliseerd, zoals in zwart-witfotografie. Ook hier ontstaat dan pseudoheteronomie door neutralisering.

Naast neutralisering is ook beperkte combineerbaarheid in belangrijke mate verantwoordelijk voor conflicten tussen mimetisch medium en verschijning.

Bij mimetische media met voorgevormde elementen kunnen alleen originelen worden weergegeven waarvan de perspectivische verschijning op het tweedimensionale vlak is samengesteld uit dezelfde elementen: zoals wanneer vierkante steentjes een frontaal gepresenteerd schaakbord, tegelvloer of geruit tafelkleed weergeven - pseudoheteronomie door selectie van de verschijning. De speelruimte vergroot als we rekening houden met suggestieve lectuur, waarbij we de vele afzonderlijke steentjes in dezelfde kleur lezen als één vlak, zoals de lijnen van een arcering - pseudoheteronomie door suggestieve lectuur.

Bij mimetische media met monochrome of monotonale kleurvlakken lijken de mogelijkheden aanvankelijk beperkt tot de weergave van originelen die zelf ook uit vlakken zijn opgebouwd, zodat we te maken hebben met een pseudoheteronoom medium door aanpassing van de verschijning. Maar hier kan de aard van de omtrek (bv. menselijk lichaam) de suggestie van ronding opwekken. Ofwel lezen we dan het weergegeven object letterlijk als samengesteld uit vlakken (pseudoheteronomie door aanpassing van de verschijning), ofwel lezen we het suggestief als object met ronding (pseudoheteronomie door suggestieve lectuur).

Hetzelfde geldt voor de monotonale en zwart-witte Masereel. De reductie tot de twee polen van de scala van licht naar donker maakt dat de verschijning wordt opgedeeld in witte of zwarte vlakken. Bij suggestieve lectuur lezen we de figuren op de voorgrond als driedimensionale lichamen, zodat er sprake is van pseudoheteronomie door suggestieve lectuur. Maar - al is dat wat tegendraads - we kunnen de verschijning ook aanpassen aan de structuur van het onmiddellijk mimetisch medium: we bevinden ons onverhoeds in een wereld waar 'kubistische' figuren rondlopen in een atmosfeer die is vervuld van een onaards licht dat eerder uit de dingen lijkt te stralen dan ze van buiten uit te belichten - een soort voorafschaduwing van de wereld van Kazimir Malevitsj. In dat geval is er pseudoheteronomie door aanpassing van de verschijning.

Met een lineair medium, ten slotte, kunnen we alleen maar puur lineaire verschijningen weergeven (zoals een wirwar van draden of gras, of regen, waarbij de suggestie van diepte ontstaat door oversnijdingen van de lijnen). De mogelijkheden worden al groter als een omtrekslijn wordt gemaakt waarbij ook het omsloten vlak wordt gesuggereerd, zodat we niet alleen de werking van figuur-achtergrond krijgen, maar ook de suggestie van ronding binnen de omtrek: pseudoheteronomie door suggestie.


HET CONFLICT TUSSEN ONMIDDELLIJK MIMETISCH MEDIUM EN VERSCHIJNING (3): IN HETEROGENE MEDIA

Het voorbeeld van de omtrekslijn is tevens een voorbeeld van heterogeen medium (combinatie van media met verschillende kleinste elementen, en/of soorten scala's daarvan, en/of graden van combineerbaarheid, zie III, 1). Vele heterogene media worden suggestief gelezen (omsloten vlakken als ronding, en omtrekslijn als 'omtrek'). Dan is er sprake van pseudoheteronomie door suggestie.


De combinatie van tweedimensionaal en driedimensionaal is pas heteronoom als het tweedimensionale onderdeel volledig autonoom is, zoals wanneer een spiegel achter een raam is geplaatst. Zeer overtuigend is daarom de combinatie in de Gesu in Rome, omdat de zwevende figuren die opstijgen naar het architectuuraal raam waardoorheen de hemel is gesuggereerd, niet van een achtergrond zijn voorzien. In alle andere gevallen is de combinatie autonoom.

Autonoom bij uitstek zijn combinaties van een geneutraliseerd met een niet-geneutraliseerd mimetisch medium, combinatie van onbeperkt combineerbaar met monotonaal, enzovoort.


HET CONFLICT TUSSEN ONMIDDELLIJK MIMETISCH MEDIUM EN VERSCHIJNING (4): IN DE VERANDERLIJKE VISUELE VERSCHIJNING

In onveranderlijke media kunnen alleen onveranderlijke originelen worden weergegeven. Geeft men toch veranderlijke originelen weer  (een auto op de renbaar) dan ontstaat de indruk van autonomie. Dat kan worden opgevangen door selectie van de verschijning: door uit de beweging dié momenten te kiezen die zich lenen voor onveranderlijke lectuur (het kantelmoment bij heupwiegen, het neerkomen van de voet bij de Primavera), en.zodoende de veranderlijke verschijning in een voor eeuwig onveranderlijke om te zetten. Een andere methode is het kiezen van een stilstaande verschijning - stedelijk of argrarisch landschap of stilleven. In beide gevallen krijgen we pseudoheteronomie door aanpassing van de verschijning.

Om bewegingen van levende wezens na te bootsen wordt meestal het menselijk lichaam gebruikt (ofwel lichaam als lidmaat zoals bij Chinese draak, ofwel lichaam als lichaam bij nabootsen van robot of 'masker'', ofwel hand of vinger als lichaam, zoals in de poppenkast). Deze media zijn heteronoom. Bij gebruik van machines maakt het mechanische van de beweging het medium autonoom. Pseudoheteronomie kan worden verkregen door selectie of aanpassing van de verschijning: het beeld van een robot.

In de film is de overgang van organische naar mechanische beeld-per-beeldbeweging - van heteronomie naar autonomie - gemakkelijk zichtbaar te maken door vertragen van de projectiesnelheid.

Alle andere heterogene combinatie kunnen ook hier voorkomen: denk aan de combinatie van tekenfilm en echte film.


PARAGRAAF TWEE: DE WISSELWERKING TUSSEN MIMETISCHE MEDIUM EN VERSCHIJNING


Waar er pseudoheteronomie ontstaat door aanpassing van de verschijning verdwijnt het mimetisch medium als autonoom waargenomen gegeven, en wordt er een nieuw origineel geschapen. Ook na invulling van de suggestie (blokkenman lezen als geronde vorm) verdwijnt in de verschijing alles wat autonoom is aan het medium (het tweedimensionale, de arceringen, of de staafjes of blokken), maar ditmaal wordt er geen nieuw origineel geschapen. Ook bij neutralisering valt het niet langer op dat het naakt wit is, en niet huidkleurig.

Daar staat tegenover dat er bij suggestieve en geneutraliseerde mimetische media gemakkelijk een afwisseling kan ontstaan tussen de letterlijke en de suggestieve of geneutraliseerde lectuur. Terwijl bij suggestieve of geneutraliseerde lectuur alles wat autonoom is aan het medium over het hoofd wordt gezien, valt het bij letterlijke lectuur des te meer op: pas tegen de achtergrond van de ronding die ze moeten suggereren, valt op dat arceringen discrete lijnen zijn, en pas tegen de achtergrond van de huid valt op dat het marmer eigenlijk wit is.

Deze dubbele lectuur beïnvloedt de manier waarop we de verschijning waarnemen - zodat ook die verschijning een nieuwe dimensie krijgt tengevolge van de aanwezigheid van een mimetisch medium. Geven we een overzicht.


HET EFFECT VAN AUTONOME MEDIA OP HET ORIGINEEL (1): DRIEDIMENSIONALE MEDIA

Belangrijk is hier vooral het effect van geneutraliseerde parameters. Zo zijn in de beeldhouwkunst toonmedia de regel. We lezen een marmeren beeld niet als een origineel met een witte huid, zoals bij pseudoheteronomie door aanpassing van de verschijning het geval zou zijn. Maar het wit van het marmer, dat we blijven zien bij letterlijke lectuur, maakt het beeld niettemin veel serener: het is alsof we de verschijning onwillekeurig aanpassen aan het mimetisch medium. Hetzelfde geldt voor het moeilijk onder woorden te brengen werking van geoxideerd brons of hout.

Ook beperkte combineerbaarheid heeft een merkbare invloed. Ondanks het effect van de suggestie, blijft de blokken-Gormley 'brokkelig' overkomen en de staafjes-Gormley en de draad-Oliveira als 'immaterieel'. Dat geldt ook voor de robotachtige beweging die het gevolg is van het gebruik van motoren: al is het de bedoeling dat we het 'schokken' over het hoofd zien, die schokjes geven de beweging van de pop niettemin iets robotachtigs - denk aan de pop waar Casanova mee danst in Fellini's gelijknamige film.


HET EFFECT VAN AUTONOME MEDIA OP HET ORIGINEEL.(2): TWEEDIMENSIONALE MEDIA

Onderzoeken we eerst de invloed van toonmedia: houtsnede, kopergravure, ets, zwarte kunst, houtgravure, en zwart-witfotografie. Op het eerste gezicht kunnen die een doorsnee origineel alleen gebrekkig weergeven: de werkelijkheid is immers kleurig - behalve dan 's nachts. Maar de waarneming van kleur is neutraliseerbaar. We weten al dat daarom de waarneming van een verschijning in zwart-wit niet wordt beschouwd als de weergave van zwart-witte wezens, of van een nachtelijk tafereel, maar als de weergave van een gekleurd origineel, al blijft de invulling in het ongewisse. Dat neemt niet weg dat de reductie tot zwart-wit zijn gevolgen heeft voor de manier waarop we het (in wezen kleurige) origineel opvatten: het lijkt 'serener' 'strenger', 'ascetischer' en vaak ook 'nachtelijker' of 'lichtender' in emotionele zin, zeker als de kunstenaar door de verdeling van licht en donker een lectuur in die zin in de hand werkt.

Op de mezzotint van Goya hieronder geeft de maansikkel aan dat we te maken hebben met een nachtelijk tafereel in letterlijke zin. Maar het volstaat om te vergelijken met de ets van Rembrandt om te zien hoe de reductie tot zwart-wit - of positief gezien: de concentratie op de relatie tussen licht en donker - aan beide beelden een emotionele

resonantie verleent die veel sterker is dan bij een weergave in kleuren:

Het niet-geneutraliseerde origineel wordt onmerkbaar omgevormd tot een strenger, ascetischer, 'nachtelijker' of 'lichtender' origineel. Bij een saguine kan het gaan om een meer 'broeierig' origineel.

Hetzelfde geldt als bij tweedimensionale media de materialiteit van het suggererend medium transparant is: denk aan de werking van transparante media zoals glasramen of de kleurendia's van Jeff Wall (te vergelijken met de onaardse heldere tonen van instrumenten). We lezen deze originelen niet als van binnenuit lichtgevende wezens, zoals we zouden doen bij aanpassing van de verschijning aan het mimetische medium, maar wel als wezens met een bijzondere 'uitstraling', als 'onwerkelijk lichtend', transcendent. Dat geldt ook voor de 'toverachtige' wereld van vele stripverhalen in monochrome vlakken in vele kleuren, en voor het moeilijk te omschrijven effect van de glanzende materialiteit van het mimetisch medium bij weergave van een korstige verschijning zoals bij Yves Noir.

Ook getrapte scalering werkt autonoom, zoals in de houtsnede en de linoleumsnede bij Frans Masereel: de versterkte contrasten suggereren een onaardse sfeer (ook bij zwart-wit van toreador van Picabia):

Ook beperkte combineerbaarheid heeft ingrijpende effecten. Bij de reductie van het gehele spectrum van tonen tot enkele trappen in mimetische media met monochrome of monotonale vlakken sluit het weglaten van de tonale verglijding aan bij de neiging om over tonale verschillen heen de lokaalkleur te lezen (en bij de eigenaard van endogene beelden), terwijl de ruimtelijke werking overeind blijft omdat andere sleutels voor driedimensionaliteit werkzaam blijven. Het aanbrengen van zwarte omtrekslijnen versterkt het effect daarvan, en kan overigens worden beschouwd als een reductie van de gradatie in licht-donker tot twee trappen: die van de omschreven lokaalkleur en zwart. Maar dat neemt niet weg dat de verschijning er veel lichtender, zonniger en kleurrijker uitziet dan bij een echt heteronome weergave het geval zou zijn (of immateriëler, goddelijker, onstoffelijker zoals op Malevitsj).

Korrel en arceringen hebben een gelijkaardig effect. We wezen er al op dat in de mezzotint het oppervlak niet als een verzameling puntjes wordt gelezen, maar als een gerond of grijs oppervlak. Maar de korrel van zowel mezzotint als fotografie maakt dat de verschijning niettemin zijn gladheid verliest en als ruwer wordt ervaren. Ook arceringen worden gelezen als de schaduwen of de toon op een oppervlak, en niet als een verzameling losse 'draden'. Maar hoe dichter de arcering, hoe tastbaarder de verschijning overkomt, en hoe wijder, hoe immateriëler:

Op de 'Dood van Maria' van Rembrandt hierboven is het effect leesbaar binnen één en dezelfde prent, omdat er een scala is van dichtheid van de arceringen.

Ook de diverse soorten toets in mimetische media met voorgevormde elementen hebben een effect op de verschijning die ze suggereren. Bij Georges Seurat worden alle stoffelijke eigenschappen die de verschijning zou hebben bij heteronome weergave van de verschijning vervangen door de eigen tactiele kwaliteit van de homogene toets. Het lijkt alsof de hele wereld van een ander soort stof is gemaakt, en omdat ook de verduisterende werking van het licht-donker is weggelaten, baadt de verschijning in een heel ander soort licht dan dat van de werkelijke wereld die er model voor stond. In de mozaïek lezen we, net zoals bij arceringen, in eerste instantie de voegen tussen de steentjes weg. Maar het opbreken van het organische lichaam in talloze kleine onderdeeltjes blijft niet zonder gevolgen. Vele figuren op mozaïeken lijken te bestaan uit talloze lichtende of flonkerende facetten en krijgen daardoor van nature het karakter van gewichtsloze 'spirituele' verschijningen.

Tegen de achtergrond van het bovenstaande wordt duidelijk hoezeer ook fotografie nog autonome elementen bevat, al wordt ze in de regel beschouwd als een medium met onbeperkte combineerbaarheid die een 'natuurgetrouwe weerspiegeling' van de werkelijkheid toelaat. Het volstaat om vele afdrukken van éénzelfde negatief met elkaar te vergelijken om vast te stellen hoezeer het autonome onmiddellijk mimetisch medium de verschijning zoals het eruit zou zien bij heteronome weergave transformeert. Dat geldt niet alleen voor de materialiteit, maar ook voor kleur en toon, bij uitstek bij vele digitale beelden. De scherptegraad, kleurintensiteit en lichtsterkte overtreft vaak die van de werkelijkheid. De transparantie van schermen en dia's doet daar nog een schepje bovenop: ze verleent de verschijning een supranormale lichtkracht (vergelijkbaar met die van zondoorschenen glasramen). Dat maakt afdoende duidelijk hoe misleidend het is om fotografie te laten doorgaan voor een letterlijke beeld van het model.

Bij tweedimensionale bewegende beelden voegt zich hierbij het effect van autonomie bij de weergave van beweging - denk aan schoksgewijze vooruitgang bij vertraagde film.




 
 
ontdek
mijn nieuwe e-boek:


zelfomslag

het zelfbeeld
tussen spiegel en dagboek