het verliefde paar


hoofdstuk negen van 'de ek-stasen van eros',


waarin we meemaken hoe de omkering van de perverse, polygame en promiscue trend uitmondt in levenslange monogamie;
waarin we vaststellen dat daaraan het subjectieve verlangen beantwoordt om alle heil van elkaar te verwachten,
slechts op de enige en ene verliefd te worden,
en zich aan te passen aan elkaar;
waarin we vaststellen dat levenslange verliefdheid - in tegenstelling tot feitelijke monogamie die welhaast altijd bestond en alomtegenwoordig is - volledig afwezig is,
tenzij dan als de diepere drijfveer achter polygamie, promiscuïteit en ascese;
waarin we ten slotte nog eens op een rijtje zetten waarom verliefdheid noodzakelijkerwijze moet falen.



De verrijzenis van Osiris.
Omkering van de perverse trend.
Omkering van de promiscue trend.
Omkering van de polygame trend.
Verliefdheid en euforie.
Verliefdheid en exclusiviteit.
Verliefdheid en hypnose.
Der Liebestod.
Oermonogamie.
Schijnpolygamie en schijnpromiscuïteit.
Honden, gorilla's, bijen of tortelduiven?
Van oerpromiscuïteit over oerpolygamie tot monogamie.
Tristan en Isolde.
De wereldhistorische triomf van de monogamie als
wereldhistorische triomf van de ontrouw.
Ontrouw als trouw aan de liefde.
Het noodzakelijke falen van de liefde.



DE VERRIJZENIS VAN OSIRIS*.

We hebben reeds heel wat varianten van de liefde leren kennen: naar aantal partners, naar levensduur en naar inhoud van de relatie, en vooraleer we als volgende variant de monogamie bespreken, is het wellicht aangebracht een en ander op een rijtje te zetten.

Vanuit sociaal standpunt bekeken kunnen we liefdesrelaties ordenen op een continuüm met aan het ene uiteinde wederzijdse polygamie en aan het andere uiteinde wederzijdse monogamie, met tussenin eenzijdige polygamie van de man (polygynie) en eenzijdige polygamie van de vrouw (polyandrie). Dit continuüm is kwantitatief gespannen tussen relaties van één met één, over relaties van één met velen, tot relaties van velen met velen.

Inhoudelijk gezien (kwalitatief) zagen we de liefde onder telkens nieuwe gedaantes verschijnen: nu eens als verleiden, dan weer als vrijen, elders als het verlangen om elkaar tot vader en moeder te maken, op nog andere plaatsen als samenwerken.

Temporeel gezien kan liefde een tijdspanne bestrijken die reikt van de duur van een hele levensloop tot het moment van één ogenblik. De levensduur van elk sociaal patroon kan dan ook geplaatst worden op een continuüm tussen absolute trouw en absolute promiscuiteit (of trouweloosheid). Dat levert dan een continuüm op, met aan het ene uiterste absoluut trouwe wederzijdse monogamie, aan het tegenovergestelde wederzijdse absolute promiscuïteit, en ertussenin seriële monogamie, seriële polygynie, seriële polyandrie of seriële wederzijdse polygamie.

We kunnen ons de vraag stellen of het hier gaat om ongerichte continua, dan wel om assen met een duidelijke gerichtheid. Bij de inhoudelijke analyse van de liefde hadden we het over het verbreken van de band tussen vrijen en bevruchten, over de herleiding van vrijen tot verleiden en tenslotte over het verdwijnen van samenwerken uit de seksuele relatie. We begrepen deze drievoudige ontkoppeling in termen van Freuds begrip 'perversie', wat een oorspronkelijke beweging in tegengestelde zin vooronderstelt. Eenzelfde gerichtheid kwam naar voor bij onze analyse van promiscuÏteit , die als absolute ontkenning van elke trouw in de cultus van de onthoofde maagd een verlangen naar absolute trouw verried. En eenzelfde gerichtheid zit tenslotte vervat in de onontkoombare wet, dat vermenigvuldiging van de relaties gepaard gaat met vermindering van hun kwaliteit en intensiteit. De drie continua omschrijven dus niet zomaar trappen tussen twee polen, maar bewegingen wég van een beginpunt.

Dit beginpunt valt bij de drie bewegingen ook nog samen: vermenigvuldiging van de relaties betekent noodzakelijkerwijze verkorting van hun duur én deze combinatie leidt onvermijdelijk tot inhoudelijke verenging. We kunnen ons het geheel dan ook voorstellen als een stelsel van drie coördinaten, die centripetaal convergeren in éénzelfde kern.

Binnen dit stelsel kunnen we alle 'ek-stasen' van de liefde ordenen als een kosmos van sterrennevels, waarvan de plaats bepaald wordt door waarden op elke as. Het geheel van deze sterrennevels geeft dan het beeld te zien van een uitdijende kosmos van de Eros, waarin de liefde na de oerknal centrifugaal in een driedimensionale ruimte werd geslingerd, ongeveer zoals als het lichaam van Osiris horizontaal werd verstrooid over de vier windstreken van het tweedimensionale aardoppervlak, nadat het in 'membra disiecta' aan stukken werd gereten.

Het ogenblik is gekomen om met Isis deze 'membra disiecta' terug tot voltooid lichaam van Osiris samen te stellen door ze in een omgekeerde oerknal terug te laten imploderen in de kern. Onderzoeken we dan ook wat een drievoudige omkering van de perverse, promiscue en polygame trend oplevert.


OMKERING VAN DE PERVERSE TREND

Reeds bij de eerste omkering worden we aangezogen door een onverbiddelijke logica. Eénzelfde causale progressie leidt immers met de plechtstatigheid van een sarabande van wederzijds verleiden tot vrijen, dat als bevruchting de zwangerschap inluidt en daarmee de voeding en opvoeding van de kinderen, die op hun beurt weer vragen om samenwerking tussen man en vrouw. De vier onderdelen van de seksuele liefde voegen zich samen tot één organisch geheel, tot een verrezen lichaam, waarvan ze slechts de vier ledematen blijken te zijn. In plaats van de centrifugale versnippering van de perversie, krijgen we een centripetale integratie tot één veelzijdig geheel.

Dat dieren een dergelijke veelzijdige relatie met elkaar aangaan is niet zo vanzelfsprekend. Weliswaar schept elke bijkomende vorm van samenwerking nieuwe overlevingskansen wat duidelijk blijkt uit de uitbreiding van bevruchting tot ouderzorg. Maar er zijn twee manieren waarop bij dergelijke samenwerking de arbeidsdeling georganiseerd kan worden.
Een eerste mogelijkheid bestaat erin dat de soort bij het ontstaan van elke nieuwe vorm van samenwerking nieuwe gespecialiseerde bevredigers produceert. Dergelijke ontwikkeling zien we in de bijenkorf of in de termietenheuvel, waar de ene specialist zich toelegt op bevruchten, de andere op eieren leggen, nog een andere op voeden, weer een andere op voedselverzamelen en nog een andere op nestbouw en verdediging. Hierbij ontstaat een zeer complex sociaal organisme, dat gebonden is door een reeks eenzijdige liefdesrelaties. Naar functie kunnen we al deze liefdesrelaties karakteriseren als 'voedsterliefde', 'verdedigersliefde', 'werkersliefde', 'bevruchtingsliefde'.

Een tweede mogelijkheid bestaat erin dat bij het ontstaan van elke nieuwe behoefte het individu, dat zich reeds toelegde op een eerste specialiteit, er nu ook nog een tweede op de schouders laadt. De soort valt dan niet uiteen in een toenemend aantal eenzijdige specialisten, maar in een constant aantal specialisten, die steeds veelzijdiger worden. Bij deze oplossing wordt de liefdesrelatie, die diende om een eerste vorm van samenwerken te schragen, het uitgangspunt van telkens nieuwe vormen van samenwerken. De afhankelijkheid binnen eenzelfde relatie wordt daarbij steeds veelzijdiger, zodat de liefde die de relatie schraagt steeds sterker moet zijn. We zagen hoe langs deze weg pure bevruchting uitgebreid wordt tot samenwerking omwille van de zorg om de jongen. In een eerste fase van de ontwikkeling van ouderzorg kan de bevruchter ook tot voeder en/of beschermer van de moeder worden. In een tweede fase kan hij zich ook nog ontpoppen tot vader die ook nog voor de jongen zorgt. Samenwerking tussen ouders omwille van de kinderen kan zich tenslotte in een derde fase ook uitbreiden tot samenwerking die de ouders toelaat zélf eerst in leven te blijven. Deze laatste fase voltrok zich in de evolutie van de mens, die ook als kinderloze aanvankelijk slechts dank zij geslachtelijke arbeidsdeling kon overleven en bij wie de ouderzorg de samenwerking slechts intensifieert.

Menselijke liefde is klaarblijkelijk van het tweede veelzijdige type. Dat neemt niet weg dat de toenemende vermaatschappelijking gespecialiseerde verleiders, vrijers, bevruchters, opvoeders en werkers produceert, die bij ons het schrikbeeld oproepen van de eenzijdig gespecialiseerde termieten. Het beroepsmatig op verleiden gespecialiseerde fotomodel heeft echter anders dan haar gespecialiseerde tegenhangers in de bijenkorf of de termietenheuvel ook private relaties waarin de andere aspecten van de seksuele relatie aan bod komen. Hetzelfde geldt voor de vrouwelijke of mannelijke hoeren die er vrijers op na kunnen houden en kinderen kunnen hebben, evenals voor de spermadonors of leenmoeders die ook nog hun eigen kinderen kunnen grootbrengen, en wier afgestane kinderen overigens niet willen rusten vooraleer ze hun echte ouders hebben gezien. Eenzelfde veelzijdigheid wordt ook nagestreefd in de niet vermaatschappelijkte omgang, wanneer deze pervers is ingeperkt, zoals te zien is bij de man die bij de ene vrouw kinderen heeft, maar met een andere vrouw vrijt.

In tegenstelling tot de gespecialiseerde vormen van liefde in de bijenkorf en de termietenheuvel kunnen we de menselijke liefde dan ook geen functionele naam geven zoals de 'voedsterliefde' enzovoort. van de termieten: ze is algemeen. Haar naam kan daaromtrent misleiden: dat we ze 'geslachtelijke' of 'seksuele' liefde noemen heeft niets te maken met haar functie - dat ze zou bestaan omwille van seksualiteit - maar wel met het feit dat alle latere rollen verdeeld werden tussen man of vrouw, de oerspecialismen, die aan hun ontstaan te danken hebben aan de eerste vorm van arbeidsdeling, die nodig was om seksuele reproductie mogelijk te maken.


OMKERING VAN DE PROMISCUE TREND

Der abgerissene Strick kann wieder geknotet werden.
Er hält wieder, aber
Er ist zerrissen.
Vielleicht begegnen wir uns wieder, aber da
Wo du mich verlassen hast
Triffst du mich nicht wieder.

Het gebroken touw kan weer aan elkaar geknoopt worden.
Het houdt weer, maar
het is gebroken.
Wellicht komen wij elkaar weer tegen, maar daar
waar jij me verlaten hebt,
daar treffen we elkaar niet weer.

Der Strick, Bertolt Brecht.

Bij de omkering van de promiscue trend krijgen we toenemende en uiteindelijk levenslange trouw. Ook bij deze omkering komen we in de ban van een onverbiddelijke logica. Om deze bloot te leggen moeten we even stilstaan bij de evolutie van liefde als zodanig (en niet alleen maar bij de evolutie van een bepaald soort liefde, zoals we reeds deden in het hoofdstuk over 'homo economicus', waar we de evolutie van parentale en seksuele liefde beschreven).

Zich éénmalig aangetrokken voelen tot een partner is slechts een lagere voorvorm van liefde: ze is nauwelijks te onderscheiden van de behoefte die men bij de partner wil bevredigen. Het jong dat zijn moeder opzoekt om te drinken, heeft de moeder lief omwille van de tepel en die omwille van de melk. Dergelijke liefde overleeft de honger niet. Maar de honger duikt telkens opnieuw op. Bij elke aanval van honger zou het jong een andere moeder kunnen opzoeken. Om de zoveel uur zouden alle jongen zich dan zolang moeten verstoten tot ze uiteindelijk elk aan één tepel hingen. Om de melk in de tepel niet telkens opnieuw op concurrenten te moeten veroveren lijkt het verstandiger, dat elk jong telkens naar dezelfde moeder terugkeert: dat het trouw wordt. Bij dieren met aangeleerd gedrag vergemakkelijkt trouw daarbovenop ook nog eens de omgang, doordat hij vertrouwd maakt met het gedrag van de partner. Tenslotte is trouw onontkoombaar wanneer de synchronisatie tussen moeder en kind steeds gecompliceerder wordt tengevolge van de steeds gerekte groei. Om een kind te kunnen zogen moet er melk in de borst zijn, en wel in de juiste hoeveelheid. Het jong kan dus niet bij om het even welke moeder terecht. En dan hebben we het nog niet over de veel subtielere synchronisatie, die nodig om de juiste ingrepen uit te voeren bij het aanleren van zitten, staan en lopen, om nog maar van spreken te zwijgen.

Zo wordt trouw geboren en ze baart op haar beurt weer liefde. Trouw maakt immers ruimtelijke nabijheid voordelig. Als de partner altijd in de buurt is, moet hij niet opgezocht worden als de behoefte opduikt. Om de nabijheid te realiseren ontwikkelt zich een behoefte om bij de partner te zijn, niet alleen als men honger heeft, maar juist nadàt de honger bevredigd is en voordat hij opnieuw opduikt: in de behoefteloze tussentijden. De nieuwe behoefte is een behoefte aan de blijvende waarneming van de partner, liefst van huid tot huid, maar als dat niet mogelijk is minstens voor de neus, voor het oog of voor het oor. Het jong dat gevoed wordt door de (melk uit de tepel van de) moeder wil ook bij de moeder (als zodanig) zijn als het geen honger heeft. Pas de 'belangeloze' behoefte aan de aanwezigheid van een individu als zodanig is echte liefde, en daarom is het wezen ervan, zoals reeds uiteengezet: tegenwoordig zijn! Trouw is dus geen al dan niet aanwezige eigenschap van liefde, maar de bestaansvoorwaarde ervan. Daarom is promiscuïteit de eerste stap die naar het jenseits van liefde leidt, naar de voorvorm ervan puur verlangen uit behoefte en de volgende stap op deze weg is dan ook ascese: algehele onafhankelijkheid van soortgenoten.

Het is in dit verband niet overbodig om de gewone behoefte (bijvoorbeeld aan melk: honger) te onderscheiden van de behoefte aan waarneming van de geliefde partner. Er is een wezenlijk verschil tussen beide en dat is nog door geen enkele behoefteleer begrepen . Bij bevrediging van een gewone behoefte verdwijnt met de behoefte elke prikkeling ('honger') en elke activiteit die tot haar bevrediging leidt (eten). Na de behoefte volgt hier afwezigheid van elke waarneming en elke activiteit. Bij liefde is het omgekeerd: hier geeft elke waarneming slechts aanleiding tot verlangen naar durende waarneming durende prikkeling in plaats van naar opheffen ervan. De 'prikkel' wil gevoeld worden in plaats van vernietigd en wordt daardoor tot nagestreefde lust. Pas afwezigheid van prikkeling en rust is hier de onbevredigdheid, of om het met Nietzsche te zeggen: 'Alle Lust will Ewigkeit'! Het is dan ook volkomen verkeerd om met Freud en zovele anderen de behoefte om te vrijen te vergelijken met de behoefte om te eten . Nog verkeerder is het om te denken dat in het orgasme de behoefte om lust waar te nemen ophoudt: zoals gezien leidt ze integendeel naar het verlangen om waar te nemen hoe de geliefde zich na het vrijen ook nog opmaakt voor het volgende ditmaal economische orgasme!.

Hoe veelzijdiger de bevrediging, hoe sterker de noodzaak om trouw te zijn, en hoe sterker de liefde. Liefde in de bijenkorf of in de termietenheuvel is even zwak als ze eenzijdig is en verdeeld over afzonderlijke gespecialiseerde dieren. Liefde van het algemene type daarentegen wordt des te intenser, naarmate ze veelzijdiger wordt en geconcentreerd in één individu. Dat geldt bij uitstek bij de mens. De samenwerking tussen vaders en moeders bij de zorg om zichzelf én om de kinderen is een langdurige, arbeidsintensieve en veelzijdige onderneming. De seksuele liefde die ontwikkeld werd om deze langdurige en veelzijdige samenwerking te schragen zal dan ook heel sterk moeten zijn. En dat is ze ongetwijfeld: niet voor niets stort de wereld van de zuigeling in als zijn moeder afwezig is. En niet voor niets ontgaat elke volwassene elke lust als hij zich niet geliefd weet.

Bij deze omkering van de promiscue trend worden we ook nog gedragen door de vorige. Vermits het ene facet van de liefde zich ontwikkelt uit het andere, vraagt liefde in de eerste plaats tijd om zich te kunnen ontplooien. Een relatie moet noodzakelijkerwijze langer duren naarmate ze zich tot grotere veelzijdigheid ontplooit. Pas wie zich de tijd niet gunt, mist aan het vrijen de bevruchting en aan bevruchting de opvoeding. Vrijen en verleiden duren minimaal één nacht, maximaal zeven jaar. Een relatie tussen samenwerkende ouders duurt minstens tot de kinderen volwassen geworden zijn, en ze strekt zich uit tot de typisch menselijke postfertiele leeftijd (zie volgend hoofdstuk), waarin de aftakelende geliefden nu in de eerste plaats elkaar in de arm moeten nemen. Zo'n relatie zal dus levenslang moeten duren, en wel tot in de kist.

Wat we hierboven beweerden over het nut van trouw in de relatie tussen ouder en kind, geldt bij uitstek voor de seksuele relatie bij de mens. Ook hier bespaart trouw in de eerste plaats op concurrentiestrijd. Daar komt bij dat trouw ook bespaart op de tijd die nodig is om te verleiden. In plaats van telkens opnieuw op jacht te moeten gaan volstaat tussen goede verstaanders een wenk om de partner te verleiden die men reeds heeft. De mannen en vrouwen die zich naar de eeuwige jachtvelden begeven, vergeten op hun zwerftochten door het dichte woud dat ze tuinen der lusten zouden kunnen aanleggen, waar de hinde graast aan de oevers van een beekje waarin het koele water klatert en dat daar een streling zou volstaan opdat de lichamen zich keren naar een warme omhelzing. In de eeuwige jachtvelden dolen de asceten van de liefde rond, zoals in een ander inferno de asceten van arbeid, die het geld alleen vergaren zonder zich nog te herinneren dat men er iets mee kon kopen. Dat men niet moet jagen op wat men heeft, maakt op zijn beurt de tijd vrij die nodig is voor de uitbouw van de overige aspecten van de relatie: samenwerken en opvoeding. Dit tijdbesparende aspect van de trouw is de meeste auteurs slechts bekend onder de vorm van zijn ascetische schrikbeeld: dat monogamie de mensen deugdelijk maakt voor maatschappelijk werk. Slechts voor deze versie geldt de stelling van Unwin dat permanente vrouwenjacht ondeugdelijk maakt voor cultuur, wat zou blijken uit de correlatie tussen monogamie en niveau van de cultuur . Trouw heeft tenslotte ook hier het voordeel van te besparen op trial and error. Niet alleen samenwerken, maar in de eerste plaats het vrijen zelf is bij de mens een zeer complexe aangelegenheid, waarin leren een zeer grote rol speelt. Het gehele proces doorloopt zoals gezien vele fasen en vereist in elke fase, maar bij uitstek in de genitale eindfase, een subtiele synchronisatie. En dat vergt enige vertrouwdheid met elkaars reacties. Daar komt bij dat mensen juist inzake seksualiteit zeer variabele eigenschappen bezitten, zodat de partners voeling moeten krijgen met elkaars voorkeuren en eigenaardigheden. Pas na veel pogen en falen raakt men seksueel op elkaar ingespeeld en kan het vrijen zich van stuntelig geklungel tot verfijnde liefdeskunst ontwikkelen. Dat blijkt reeds op een primitief niveau uit de bevinding van Kinsey, die vaststelde dat de vrouwelijke orgasmes toenemen met duur van relatie . De bevrediging die men kan krijgen van een vertrouwde partner die men liefheeft is dan ook nooit te vergelijken met die van een standje van één nacht, dat meer weg heeft van een eerste gesprek, dat in de regel alleen over het weer gaat. Overigens is het niet oninteressant om eraan te herinneren dat niet alleen vrijen en bevruchten nauwe relaties onderhouden, maar ook vrijen en baren: Masters en Johnson vermelden dat moeders orgastischer zijn dan jonge meisjes .


OMKERING VAN DE POLYGAME TREND

Bij de omkering van de polygame trend tenslotte ontwikkelt wederzijdse polygamie zich over eenzijdige polygamie (polygynie met monandrie* of polyandrie met monogynie*) naar wederzijdse monogamie van beide geslachten (zie schema hierboven). Ook hier legt de omkering een onwrikbare logica bloot. De steeds veelzijdigere en steeds frekwentere samenwerking vereist niet alleen een toenemende trouw, maar ook een steeds sterkere inperking van het aantal partners waarmee men samenwerkt. We kunnen spreken van tendentiële monorelationaliteit .

Op vlak van parentale relaties blijkt deze tendens uit de evolutie van de kwantitatieve verhouding tussen de ouders en hun nageslacht. Er is een gestage beperking van het aantal nakomelingen en toenemende afhankelijkheid van ouders: de zwermen van sperma en eicellen die vissen in het water uitstrooien leiden over de reeds minder talrijke eieren van landdieren, over de nog geringere nesten bij broedende dieren, over de spaarzame worpen van vele zoogdieren, tot de afzonderlijke geboortes bij hogere zoogdieren. Bij de mens is de complexiteit van de ouderzorg zodanig toegenomen, dat de geboorte van een nieuw kind niet meer kan uitgesteld worden tot het vorige is volgroeid. De afhankelijkheid van het mensenkind van zijn ouders is bijzonder sterk en welhaast alzijdig. Het mensenkind heeft een bijna pathologische behoefte aan de durende aanwezigheid van zijn ouders. De parentale band van de moeder en/of de vader met de kinderen ontwikkelt zich parallel daaraan tot uiteindelijk exclusieve tendentieel 'monopaidische'* belangstelling voor één kind (waar we in volgend hoofdstuk op terugkomen).

De trend naar monorelationaliteit geldt a fortiori voor de samenwerking tussen de ouders. Zolang het over pure bevruchting en afstoten van eicellen gaat is er nauwelijks contact met het andere geslacht. Dit contact begint pas van zodra er bevruchting binnen het lichaam plaatsgrijpt. Ook dan is de seksuele relatie gemeten aan de totale levensduur niet meer dan een vluchtige ontmoeting. Een seksuele relatie tussen ouders ontstaat pas echt van zodra de zorg om de jongen (of de eieren) hulp van het andere geslacht (in de regel van de man) veronderstelt . Hoe meer vader de man moet worden, hoe geringer het aantal vrouwen dat hij tot moeder kan maken. En dat geldt nog meer als de vader niet alleen bij de voeding wordt betrokken, maar ook nog bij de opvoeding van de kinderen zoals bij de mens (zie volgend hoofdstuk). De kinderen grootbrengen, die men bij één vrouw maakte vergt reeds zoveel inspanning, dat men de problemen alleen maar vermenigvuldigt door er nog wat vrouwen bij te nemen. Intensivering van de samenwerking leidt ditmaal tot tendentiële monogamie. We zagen reeds hoe polygamie bemoeilijkt werd door de verschillen in aantrekkelijkheid en door de noodgedwongen afname van de kwaliteit bij toename van het aantal partners. De veelzijdigheid van de relatie is een derde, fundamentele hinderpaal voor de realisering van polygamie. Elke nieuwe partner zou indien men er een volledige relatie mee aangaat een verdubbeling van vier rollen met zich brengen. Men kan dat alleen vermijden door het aantal rollen in te perken. Men vermenigvuldigt zich dan pas na deling, na de reductie van zichzelf tot vrijer of verleider. Naast deze mogelijkheid tot optellende polygamie is er ook die van de aanvullende, waarbij men voor elke rol een andere partner zoekt. Het behoud van de veelzijdigheid bij de polygame partner wordt dan echter betaald met de eenzijdigheid van de monogyne of monandrische partners. Dat wordt over het hoofd gezien door degenen die de veelzijdigheid van de seksuele omgang als argument inroepen om er meerdere partners op na te mogen houden. Sommigen vinden het leuk om met een tweede partner te vrijen maar krijgen steevast problemen als die ook nog post coïtale praatjes wil houden of de morning after ook nog wil samenwerken, om nog maar te zwijgen van nine-months-latere zwangerschappen, en twenty-years-daaropvolgende opvoeding.

De evolutionistische trend naar monorelationaliteit moet er ons aan herinneren dat het ontstaan van individuele voorkeuren in de liefde geenszins een recente ontwikkeling is bij de moderne mens, of het product van de 'geboorte van de subjectiviteit', zoals velen ons zouden willen doen geloven. Individuele hechting is integendeel reeds een oud evolutionistisch zeer.


VERLIEFDHEID EN EUFORIE.

'Ik zie de liefde dezelfde blijven,
soms een leven lang, met verschillende graden van intensiteit,
met externe variaties, die niet de kern aantasten.
Ongetwijfeld brandt de vlam slechts op voorwaarde
dat ze verandert, opflakkert, wegkwijnt, weer opstijgt en verandert van vorm en kleur.
Maar de natuur heeft dat voorzien.
De vrouw verschijnt voortdurend in nieuwe gedaanten,
één vrouw omvat er duizend
en de verbeelding van de man benadert ze telkens vanuit een ander gezichtspunt' .

Michelet, 1858, p. IX.

De omkering van de perverse, promiscue en polygame trend resulteert in een relatie die temporeel levenslang duurt, inhoudelijk volledig is en sociaal monogaam: levenslange monogamie op alle terreinen. Het is maar de vraag of aan deze objectieve logica ook een subjectief verlangen beantwoordt. De analyse van verliefdheid kan ons daar een antwoord op geven. We plegen deze in drie fasen: verliefdheid als euforie, verliefdheid en exclusiviteit, verliefdheid en hypnose.

Een eerste kenmerk van verliefdheid is het 'euforische' karakter ervan. Deze euforie vindt haar wortels in een dubbele gedrevenheid: het ongebreidelde verlangen om de partner zoveel mogelijk, zoniet alle bevrediging te geven en de verwachting zoveel mogelijk, zoniet alle bevrediging van de partner te krijgen. Dat impliceert dat de geliefden er inderdaad subjectief gezien van uitgaan dat de liefde zich tot alzijdige relatie zal ontwikkelen.

Aan hun verlangen zal tegemoet gekomen worden in de mate dat ze zich aan diezelfde ontplooiing overgeven. Door de telkens vernieuwde economische en seksuele bevrediging van elkaar worden de verwachtingen telkens opnieuw en op steeds nieuwe terreinen tot ingeloste werkelijkheid, en dat kan de bereidheid tot verder samenwerken én het seksuele verlangen naar elkaar alleen maar doen toenemen. Het is een hele kunst om het proces gaande te houden, maar naarmate men erin slaagt, blijft de veelzijdige liefde het karakter van verliefdheid behouden. Niet alleen de relatie, maar ook de verliefdheid die ze voortstuwt, zou dan levenslang duren. Verliefdheid is alleen een voorbijgaande toestand als men haar ontwikkeling afremt, door ze te beperken tot verleiding of tot geïsoleerde seksuele omgang. Pas dan is ze ten dode opgeschreven. En vermits de maatschappij de ontplooiing van de liefde principieel onmogelijk maakt - door huwelijken te arrangeren of door er de economische basis onderuit te halen - kennen we verliefdheid alleen maar als een vluchtige droom.

De ontplooiing van de liefde wordt door velen niet eens nagestreefd. Waar ze gewenst wordt moet ze noodzakelijkerwijze mislukken sedert de ontwikkeling van de maatschappij. Niet te verwonderen dat velen de euforie van verliefdheid promoveren tot waan. Ze moeten dan ook elders op zoek gaan naar de oorzaken voor de ontaarding van verliefdheid tot kortstondige bevlieging. De oorzaak wordt dan gezocht in 'gewenning, in het wegvallen van de 'seksuele honger', in de omzetting van verliefdheid in gewone liefde en ten slotte in het verloop van chemische processen in de hersenen. Laten we een overzicht geven.

Een eerste reeks auteurs meent dat verliefdheid noodgedwongen aan charme inboet tengevolge van gewenning. Ze kan slechts levendig gehouden worden door zich open te stellen voor het nieuwe. We gaven een overzicht daarover in ons hoofdstuk over 'promiscuïteit'. In datzelfde hoofdstuk beloofden we een variant van de theorie van de 'prikkel van het nieuwe' te bespreken. We stelden de bespreking ervan uit omdat de kritiek ervan pas mogelijk is na de omkering van de promiscue, perverse en polygame trend. Deze variant verklaart het euforisch en voorbijgaand karakter van verliefdheid uit het feit dat het egoïstische individu, dat uit is op zelfbehoud, om de tuin geleid wordt door de soort, die uit is voortplanting. De soort moet haar wil zien op leggen aan het individu en spiegelt dit het ultieme geluk voor in het orgasme. Als de soort haar doel heeft bereikt, verdwijnt de waan en het individu voelt zich bedrogen. Dat is de theorie waarmee Schopenhauer de verliefdheid als waan verklaart . De theorie wordt overgenomen door Hartman. Echo's ervan zijn te horen bij J. en C. Gould, die vermoeden dat de midlife crisis bij de man een 'slim trucje van de evolutie kan zijn dat mannen ertoe aanzet om hun echtgenotes te verlaten, die te oud geworden zijn om zich nog voort te planten en om nieuwe partners te zoeken, waarbij ze een volgende lichting nakomelingen groot kunnen brengen, zolang het nog kan' . Ook Margulis meent een 'verklaring voor de totale blindheid en verdwaasdheid van verliefden, voor mannen die zich aangetrokken voelen tot jonge vrouwen of een mooi lijf en voor vrouwen die mannen met macht en aanzien onweerstaanbaar vinden' te mogen vinden in het feit 'dat zij zich opofferen voor iets dat buiten henzelf ligt, voor hun geslachtscellen die hun genen overbrengen naar de volgende generatie' . Deze theorie vergeet uiteraard dat de doelen van de menselijke voortplanting pas gerealiseerd zijn als de kinderen groot geworden zijn, en dat die zelfs als volwassenen nog de hulp van grootouders behoeven. Ze zou dus integendeel moeten verklaren waarom de verliefdheid reeds lang daarvoor verdwijnt. Bovendien ziet ze over het hoofd dat geliefden niet alleen maar willen vrijen met elkaar, maar dat ze ook nog vader en moeder willen worden. Beide verlangens staan dus niet tegenover elkaar als verlangens van het individu tegen die van de soort, maar als twee individuele verlangens die beide éénzelfde soortelijke verlangen dienen: dat van de voortplanting.

Een tweede theorie verklaart het euforische en voorbijgaande karakter van liefde door ze te vergelijken met andere behoeften. Sommigen - zoals Reik - denken daarbij aan uitscheiding, anderen zijn kieser en geven de voorkeur aan honger. Zoals honger de beste kok is, zo is eenzaamheid de grote tovenaar die elke partner tot prins of fee omtovert. En evenzeer als na het eten elke belangstelling voor voedsel verdwijnt, of zelfs tot afkeer wordt, zo vervalt elke belangstelling voor het lief, van zodra men het in zijn armen houdt. Montaigne vertelt hoe Thrasonides zo verliefd was dat hij, 'nadat hij het hart van zijn minnares gewonnen had, weigerde haar te bezitten, om dit vurige, rusteloze liefdesverlangen... niet door het genot te verzwakken, te verzadigen en te laten afsterven'. Dezelfde opvatting vinden we bij Freud . Ook Forel meent dat seksuele bevrediging de tover tot fata morgana oplost: 'Het gordijn schuift voor de scène ... en ontnuchtering treedt in'. Tennov meent positief dat verliefdheid pas ontbrandt aan weerstanden, bij voorkeur aan de onzekerheid of ze wel zal beantwoord worden, en ze pleit er dan ook voor om niet dadelijk toe te geven. Ook bij haar laat verliefdheid het afweten van zodra ze beantwoord wordt, en wie ze wil laten duren zal een nieuwe partner moeten zoeken. Een variant vinden we bij Ortega y Gasset die meent dat verliefdheid beantwoordt aan een bewustzijnsverenging - een 'anomalie van de aandacht' - zoals bij hypnose en mystiek: 'Verliefdheid is een toestand van psychische armoede, die het leven van ons bewustzijn verengt, uitholt en verlamt' .

Een derde reeks auteurs maakt een onderscheid tussen liefde en verliefdheid, waarbij de liefde beschreven wordt als de lauwe nagloed van een eens flakkerend vuur. In haar volledige versie wijt deze theorie de omslag aan de aflossing van seksuele belangstelling door voortplanting. Zo kan voor Westermarck seksualiteit geen blijvende band zijn tussen het paar omdat de seksuele behoefte niet permanent is (ook op jaarbasis gemeten: bronsttijd). Het durende 'huwelijksinstinct' is daarentegen gebaseerd op het 'vader en moederinstinct' . Ook Havelock Ellis beschrijft hoe het seksuele element in de relatie verdwijnt en hoe daarbij de liefde voor man en vrouw wordt afgelost door die voor het kind . Ortega y Gasset gelooft dat elke liefde door de 'hete zone van de verliefdheid' heen moet, maar dat liefde een 'veel omvattender, dieper en ernstiger, maar minder hevig' proces is . Tennov meent dat in het gunstigste geval verliefdheid omgezet wordt in 'een steeds sterker wordende emotionele reactie, die beter als liefde bestempeld kan worden', maar elders heet het dan weer dat verliefdheid 'liefde is in haar prachtigste gewaad' . Liebowitz en H. Fisher hebben het over de omslag van verliefdheid in genegenheid . Voor Alberoni is de liefde de tot institutie geworden verliefdheid . Een variant van deze derde theorie ziet de metamorfose van verliefdheid in liefde vooral plaatsgrijpen bij de vrouw. Terwijl Schopenhauer zoals gezien meent dat de liefde van de man na elke bevruchting verdwijnt, ontbrandt ze bij de vrouw pas daarnà. De natuur is immers op voortplanting uit, en de man kan meer dan honderd kinderen per jaar verwekken, de vrouw slechts één. Eenzelfde gedachtegang vinden we bij Darwin . Trivers formuleerde in 1972 deze theorie in moderne termen als 'differential parental investment'*. Ze wordt overgenomen door Barash en door alle auteurs gebruikt als legitimatie voor seksuele polygamie of promiscuïteit van de man. Ze ziet echter over het hoofd dat er een verschil is tussen vaders, die een talrijk nageslacht willen produceren en mannen, die vele vrouwen willen versieren. De mannen waar zij het over hebben, zijn er niet op uit om zoveel mogelijk kinderen te maken bij zoveel mogelijk vrouwen, maar integendeel om van moeders verlost te worden, die weigeren met hen te vrijen. De theorie gaat ook niet op in de veronderstelling dat mannen op voortplanting uit zijn, veeleer dan op puur seksueel genot. Zoals we in volgend hoofdstuk zullen aantonen moeten mannen die vader willen worden meer doen dan alleen maar zaadjes planten. Een vader heeft pas zonen als hij ze ook opvoedt. Het succes van deze theorie wijst er alleen maar op hoezeer het bewustzijn van de mens over zichzelf is dolgedraaid. Een variant van deze variant meent dat de vrouw slechts in moederschap is geïnteresseerd, terwijl de man belangstelling van de man veelzijdiger is. Zo meent Krafft Ebing dat na de coïtus 'de liefde tijdelijk naar de achtergrond verschuift ten voordele van andere vitale en sociale interesses' . Eenzelfde opvatting zagen we ook reeds bij Weininger. Typisch is wat Michelet over de vrouw schrijft: 'Wat is van nature haar doel? Het eerste: beminnen. Het tweede: één enkele beminnen. Het derde: altijd beminnen', waartegenover dan de slechts seksuele begeerte van de man gesteld wordt: 'De man begeert en de vrouw bemint' . Freud mist bij de vrouw de verliefde overschatting van de man en wijt dit aan het feit dat ze die slechts voor haar kind kan opbrengen . Modernere auteurs zoals Money en Ehrhardt evenals Tennov stellen daartegenover dat er geen verschillen zijn qua verliefdheid tussen de geslachten .

Een vierde reeks auteurs tenslotte zoekt de verklaring in chemische processen in de hersenen. Zo schrijft Liebowitz de omslag van verliefdheid in genegenheid toe aan irritatie van de hersenen veroorzaakt door omschakeling van de produktie van opwekkende amfetamines naar die van kalmerende endorfines . H. Fisher valt hem daarin bij .

Na dit overzicht over de theorieën die de vergankelijkheid van verliefdheid willen verklaren, passen nog twee opmerkingen. Verliefd worden betekent dat men zich wil inschakelen in een bovenindividueel organisme dat aan elk onderdeel andere taken oplegt. Wat de ander doet moet ik niet meer doen, of om het met Marx te zeggen: de gespecialiseerdheid van de enen is de ongespecialiseerdheid van de anderen. Deze eenheid werd door velen beschreven. Ortega y Gasset schrijft 'In de liefde voelen wij ons verenigd met het voorwerp van onze liefde'. In metafysische zin wordt de minnaar permeabel en hij vindt zijn bevrediging pas in een 'individualiteit met twee'. Velen ervaren dat als 'slaafse afhankelijkheid', als verlies van 'autonomie', als 'verarming'. Zo heeft Sally Cline het over de 'verrukkelijke ervaring' van de celibatair om 'te doen wat men wil en wanneer men wil' . Exemplarisch is dat het geval bij Freud, die verliefdheid interpreteert als een vorm van narcisme: als projectie van het ik ideaal met bijbehorende 'zelfvernedering' van de verliefde . Pas als we dit proces bij beide geliefden zien plaatsgrijpen begrijpen we dat het concrete afstaan van vaardigheden aan de ander gecompenseerd wordt door het aanvaarden van opdrachten die de ander afstaat aan ons. Niet alleen de waardering voor de andere neemt toe, maar ook de waardering van de ander voor mij en bij uitstek de waardering van beiden voor het paar, het bovenindividuele organisme dat ze daarbij worden. Er is dus geen sprake van 'afstaan van narcistische libido', maar integendeel van de concentratie ervan in complementaire helften van twee individuen met het oog op hun opgang in een omvattender geheel.

Wijzen we er ten slotte op hoezeer de opvatting van verliefdheid als verblindende waan impliceert dat de keuze van een partner 'rationeel' zou moeten gebeuren. Dat is inderdaad het geval bij figuren als Havelock Ellis, Fromm, A. Ellis . Zij zien over het hoofd dat het maken van een rationele keuze zou veronderstellen dat men helderziend is en alle wederwaardigheden van het toekomstige leven zou kunnen voorspellen. De verdienste van verliefdheid bestaat er juist in dat ze de onmogelijkheid om een rationele keuze te maken opvangt door een in principe onvoorwaardelijk vertrouwen dat men de goede keuze gemaakt heeft. Zolang beide partners zich naar dat geloof gedragen creëren ze een zichzelf vervullende voorspelling, die op rationele gronden totaal onvoorspelbaar zou zijn of zelfs als kansloos zou verworpen worden. Ook ouders en kinderen worden niet op rationele gronden bij elkaar gebracht, maar leven in het vaste geloof dat ze de eersten en enigen voor elkaar zijn. Tennov heeft het bij het rechte eind wanneer ze meent dat verliefdheid 'mensen bij elkaar brengt die elkaar niet kennen en die anders wellicht geen reden zouden hebben om elkaar te leren kennen' .


VERLIEFDHEID EN EXCLUSIVITEIT

Verliefdheid beantwoordt subjectief gezien aan onze reconstructie niet alleen als euforische verwachting van algehele wederzijdse bevrediging, maar ook door haar principieel monogaam karakter: men wordt slechts op één persoon verliefd, nooit op twee tegelijk, laat staan op een hele harem of een commune ineens .

Dit aspect van de liefdesrelatie is geen unicum, noch voor de mens, noch voor de liefdesrelatie. In de dierenwereld bestaat het verschijnsel van de onomkeerbare en individuele hechting (inprenting) van jongen aan ouders en omgekeerd. Ook bij de mens komt er een gelijkaardige wederzijdse hechting tot stand tussen ouders en kinderen. Aan deze hechting gaat geen keuze vooraf: men kan wel beslissen om een kind te krijgen, maar niet welk kind dat zal zijn. Het kind kan evenmin zijn ouders kiezen. Bij de keuze van een seksuele partner is in principe een bewuste keuze mogelijk, maar in de regel wordt ons een partner opgedrongen door het vreemde verschijnsel van de 'liefde op het eerste gezicht', waarvan het aspect 'overschatting' en 'euforie' reeds besproken werd. Om ons onbekende redenen blijken we plots mateloos aangetrokken door één welbepaald individu. Men kan allerlei gronden voor deze fascinatie proberen aan te wijzen, maar welke oorzaak er ook verantwoordelijk voor moge zijn, feit is dat ze ons uit vele mogelijke partners één welbepaalde opdringt. De blinde aantrekkingskracht voor die éne geliefde maakt ons ongevoelig voor de mogelijke charmes van alle anderen. In dat opzicht krijgt men een lief opgedrongen op dezelfde manier als een kind.

B. Shaw verwoordt de mening van velen als hij schrijft dat verliefdheid niets meer is dan de éne vrouw ten onrechte boven de andere verkiezen. Deze mening is wel wijdverbreid, maar desalniettemin fout. Deze kritiek geldt alleen voor potentiële partners. De voorkeur is immers reeds verantwoord van zodra de liefde beantwoord wordt. Alleen reeds dat eerste kleine verschil - de sprong van mogelijkheid naar werkelijkheid - maakt in werkelijkheid het grote verschil uit. Het is immers de voorbode voor het steeds grotere verschil dat ontstaat naarmate de relatie op steeds meer terreinen bevredigend wordt. Eenmaal de keuze gemaakt zorgt de reële en steeds veelzijdiger bevrediging niet alleen voor de versterking van die aantrekkingskracht, maar ook voor toenemende onomkeerbaarheid ervan: hoe meer de liefde zich ontplooit, hoe minder aantrekkelijk andere partners worden, om de doodeenvoudige reden dat bij hen de verwachte bevrediging slechts een vage belofte is. Vreemden kunnen wellicht op zich verleidelijk zijn, maar hun verschijning geeft meteen ook te kennen dat ze niet bereid zijn: niet elke mooie mond wil om het even wie kussen. Gemeten aan het beeld van de geliefde wordt de verschijning van een vreemde in toenemende mate armer, niet zozeer omdat ze slechts een belofte is, maar vooral omdat ze ook afwijst en daardoor eerder een bedreigende herinnering aan de afwezigheid van de geliefde wordt. Daarin verschillen geliefden alweer niet van de jonge baby, die bij de aanblik van een vreemde zijn hoofdje naar de moeder afwendt. Het zou even onzinnig zijn om te beweren dat de liefde van een kind voor zijn moeder alleen maar berust op het feit dat het ten onrechte één vrouw degene uit wiens schoot het toevallig komt boven alle andere verkiest. Net zoals de geliefden voor elkaar, zo zijn ook moeder en kind voor elkaar de énen en énigen. Talloze ouders zouden een kind kunnen opvoeden, maar alleen de eigen ouders doen het. De liefde van het kind voor zijn ouders berust daarom (in principe, zie verder over neurotische liefde) evenmin op overschatting als die van geliefden voor elkaar.

Het bovenstaande geldt natuurlijk alleen maar in zoverre de relatie zich bevredigend blijft ontplooien. Van zodra ze structureel onbevredigend wordt is het omgekeerde waar: de aanblik van de geliefde wordt dan tot symbool van verschuldigde bevrediging. Een nieuwe relatie wordt dan tot belofte, die wellicht kan ingelost worden, en die belofte staat tegenover de zekerheid dat men in de bestaande relatie niet aan zijn trekken zal komen. Het tempo waarop verliefdheid verdwijnt is dan ook een index voor de mate waarin de liefde onvoltooid blijft.

Deze benadering werpt een nieuw licht op theorieën die polygamie of promiscuïteit willen baseren op gewenning aan het vertrouwde en de sensatie van het nieuwe. Veeleer dan uit te bloeien wordt de verliefdheid normaal gesproken steeds intenser. De sensatie van het nieuwe weegt niet op tegen de efficiëntie, de gesmeerdheid, de volledigheid en de tastbare werkelijkheid van het vertrouwde als dit inderdaad vertrouwd is, en niet ondertussen onmerkbaar vreemd geworden. De uitspraak dat het nieuwe aantrekt is slechts juist indien ze iets omslachtiger wordt geformuleerd: dat bij vervreemding nieuwe vertrouwdheid wordt gezocht. Wie vertrouwd is wordt immers selectiever, veeleisender. Hij ontvlamt niet meer bij elke nieuwe vonk: dat is een nieuwe sleutel tot het begrip van 'impotentie', waarvan een eerste geheim ons reeds werd ontsluierd in het hoofdstuk over de mooie vrouw. En dit werpt dan weer een nieuw licht op de potentie van de kettingvrijers die in het orgaan van Casanova belichaamd wordt. Zij zijn (nog) niet kieskeurig: ze wensen zich hun vrijers gezichtsloos of gemaskerd, pure lichamen zonder ziel. Overigens klinkt dit argument van de afwisseling maar hol in de mond van degenen die niet toelaten dat er echte afwisseling in de relatie ontstaat door de ontwikkeling van de veelzijdigheid ervan en zich daardoor veroordelen tot de eenzijdigheid van een uitsluitend seksuele relatie. En dat geldt evenzeer voor degenen die hun polygamie willen legitimeren door te stellen dat ze bij elke vrouw een ander facet van het vrouwzijn zoeken. Hier pas blijkt in alle helderheid hoezeer de legitimatie van promiscuïteit mank loopt.

De exclusiviteit van verliefdheid werpt ook een nieuw licht op de aantrekkelijkheidspiramides. Niet allen kunnen daaruit de gewenste partner kiezen. Daar staat echter tegenover dat elke relatie begint met blinde verliefdheid. Van zodra deze lont is ontstoken beginnen de verhoudingen in de piramide zich om te keren: hoe concreter en hoe vollediger de bevrediging wordt, hoe meer de andere partners op de piramide naar onder en de eigen partner naar de top toe schuift. Het lief wordt daarbij tot de 'ene en enige' aan de top, ongeacht de plaats waar het zich bij de aanvang van het proces op de piramide bevond. Naarmate het liefdesproces zich geruisloos kan ontwikkelen verdwijnt met de wenteling van de piramides meteen ook de structurele beschadiging van de liefde, die we toeschreven aan het bestaan van een aantrekkelijkheidspiramide en het aan feit dat bij nader inzien elke partner als tweedekeus ervaren wordt. De piramides beantwoorden slechts aan de kaarten van het spel voor het gespeeld wordt. Dat er überhaupt piramides bestaan vooronderstelt dat men pervers bleef stokken voor de ingang van elke relatie of dat men daarnaar terugkeert na het vastlopen van de relatie. Pas aan deze ingang moet men een breed perspectief innemen. Pas in de mate dat de perverse trend het voor het zeggen krijgt, voegt zich bij het onvermogen om de relatie tot ontwikkeling te laten komen ook nog het conflict tussen de liefdes van eerste en tweede keus. Dat geldt vooral voor de economische aantrekkelijkheid, die immers niet aangeboren is zoals de schoonheid van een lichaam, maar aangeleerd kan worden door alle mensen van goede wil. Geen genen versperren ons hier de weg: een soeverein besluit volstaat om van het samenleven een 'coïtus' te maken in de ware zin van het woord ('samen optrekken') en om een permanent 'orgasme' te maken van wat steevast als dagelijkse sleur wordt afgedaan .

Dat de exclusiviteit van verliefdheid monogamie impliceert (zolang de verliefdheid duurt) blijft voor vele auteurs een doordenkertje. Uitzonderingen zijn Krafft Ebing: 'De fascinering door één enkele persoon van het andere geslacht bij gelijktijdige onverschilligheid voor alle andere, zoals ze bij de werkelijk gelukkige geliefden bestaat, zou een bewonderenswaardig middel van de natuur kunnen zijn, om de monogame relaties te realiseren die haar doelen bevorderen'. Weininger meent uit het feit dat er steeds slechts twee wezens zijn die best bij elkaar passen te mogen besluiten dat 'het huwelijk gerechtvaardigd is en "vrije liefde" vanuit biologisch standpunt moet worden afgewezen'. Minder expliciet stelt Ortega y Gasset de weinig kieskeurige seksualiteit tegenover de exclusieve liefde: 'Niets maakt de man ongevoeliger voor de seksuele aantrekkingskracht van andere vrouwen als de liefde voor een welbepaalde vrouw'. Tegen dezelfde achtergrond stelt hij de 'algemene schoonheid' tegenover de individuele eigenaardigheden waarop men verliefd wordt, en die voor hem 'het duidelijkst het ware wezen van de persoon openbaren' . Alleen de auteurs die langs perverse, promiscue of polygame coördinaten aan de levenslange monogamie willen ontsnappen roken onraad: vanwege haar selectiviteit is verliefdheid in hun ogen verdacht. Allen die uitgaan van een polygyne, polyandrische, oercommunistische of promiscue oertijd moeten uiteraard het bestaan van individuele voorkeuren inzake liefde ontkennen. Bij vele auteurs blijkt dat slechts impliciet uit het feit dat ze het ontstaan van de individuele liefde willen verklaren. Bij anderen wordt het openlijk geformuleerd. Tot de laatste categorie behoort Freud die de orgie ziet als een 'regressie tot een vroegere toestand van de seksuele relaties, waarin verliefdheid nog geen rol speelde, en waarbij de seksuele objecten als gelijkwaardig werden beschouwd' . Enigszins vooruitlopend op wat komt kunnen we hier reeds vermelden dat verliefdheid inderdaad geen recente of westerse of christelijke uitvinding is. We vinden getuigenissen ervan in de oudste schriftelijke bronnen en antropologen registreerden ze in alle uithoeken van de wereld. H. Fisher beweert dan ook met recht over verliefdheid: 'Deze extase kan niet anders dan een universele menselijke eigenschap zijn' . Bovendien is individuele voorkeur geen eigenschap van de mens als zodanig, maar een verschijnsel dat reeds bij vele dieren voorkomt .

Dat de verliefde keuze een goddelijke ingeving lijkt is al van oudsher aanleiding tot theorieën die de rationaliteit van deze keuze proberen te doorgronden en daarbij over het hoofd wensen te zien dat de 'coup de foudre' juist moet compenseren voor de onmogelijkheid om een rationale keuze te maken. Een van de oudst bekende is het verhaal dat Aristofanes ten beste geeft in Plato's Symposion: hoe dubbelwezens doormidden gesneden werden en vanaf dat ogenblik wanhopig zoeken naar hun verloren wederhelft. Een afstammeling daarvan is de eugenetische theorie dat partners hun keuze maken zodanig dat hun versmelting een gunstig gemiddelde oplevert, zoals in de Zonnestaat van Campanella. Bij Schopenhauer kreeg de theorie een idealistische inkleding en het is de 'schoonheidszin die de geslachtsdrift daarbij de richting aanwijst' . Galton maakte een composiete foto van vele aangezichten en vond dat 'alle composieten mooier zijn dan de elementen, omdat het gemiddelde portret van vele mensen vrij is van de onregelmatigheden van elk afzonderlijk' . De theorie werd populair in middens van kunstfilosofen (Groos, Taine, Baine, Guyau enz.). In het voetspoor van Schopenhauer meent Weininger een 'wet van de seksuele aantrekkingskracht' te kunnen formuleren en op grond daarvan te kunnen voorspellen 'dat er steeds twee wezens zullen zijn die het best bij elkaar passen' . Bij Jung gebeurt de keuze met het oog op het uitvlakken van de tegenstelling tussen extraversie en introversie evenals tussen vier zintuiglijke functies (gevoel, intuïtie, verstand en zintuiglijkheid): beide partners vullen elkaars tekorten aan. Symons gelooft dat Galton gelijk heeft: 'De seksuele selectie tendeert ernaar de variabiliteit te reduceren door de extremen in de distributie over de populatie uit te schakelen'. Money heeft het over 'liefdeskaarten' . Al deze opvattingen leven voort in het populaire denken als geloof in 'types' onder allerlei vormen en het gevoel dat men voor elkaar is voorbestemd, dat men elkaar sinds lang kent.

Een tweede reeks theorieën wijst niet op het zoeken naar een complement, maar naar identiteit ('homogamie'). Westermarck heeft het over een 'wet van de gelijkheid' zoals wanneer Japanners alleen met Japanners trouwen. Wundt verfijnt de theorie van Westermarck. Bij hem kiest men een partner die gelijkend genoeg is om 'de stamverwantschap te laten opvallen, maar toch niet al te gelijk, zodat door dagelijks verkeer de prikkel niet afgestampt wordt die het nieuwe steeds op de mens uitoefent' . Havelock Ellis meent dat er voldoende gelijkheid moet zijn op vlak van godsdienst, artistieke voorkeur, nationaliteit, klasse. Ook bij hem zijn kleine verschillen welkom, terwijl grote verschillen tot vervreemding leiden . Dawkins meent dat zowel te grote als te kleine verwantschap genetisch schadelijk zijn . Ortega y Gasset stelt dat men de partner kiest die aan zijn diepste wezen beantwoordt . Een variant van deze theorie stelt eveneens dat er gelijkheid wordt nagestreefd, ditmaal niet tussen de partners onderling maar wel tussen de partner en de ouder(s). Dat is de overtuiging van Freud die meent dat de liefde zich in een eerste fase aan één van de ouders hecht, en vervolgens moet 'overgedragen' worden op een vreemde seksuele partner.

Beide theorieën lijken alleen maar tegengesteld. De heterogame* keuze verraadt het streven naar homogamie* in het feit dat de tegenstelling slechts een complement is. Als beide elkaar aanvullende complementen verenigd worden krijgen we overal éénzelfde ideaal (al dan niet concreet belichaamd in het kind). Zo meent Ortega y Gasset dat de meeste mensen een gemiddelde type kiezen dat beantwoordt aan de idealen van een ras . Merkwaardig is omgekeerd hoe de homogame theorie steeds getemperd wordt door een snufje heterogamie. Waaraan dat te wijten is wordt onmiddellijk duidelijk als we ons realiseren dat de meest homogame partners de gezinsleden zijn, zodat een ongetemperde homogame keuze tot incest zou leiden. Wundt meent dat mensen bij de keuze van een partner aangetrokken worden door mensen van hetzelfde ras, dezelfde stam of dezelfde familie, maar dat er anderzijds een (instinctieve) afkeer is voor huwelijken met ouders en met broers of zussen . Uit het eerste hoofdstuk herinneren we ons tenslotte hoe voor Freud de oerliefde incestueus was. Op de relatie tussen verliefdheid en incest komen we terug in hoofdstuk twaalf.

Een derde theorie tenslotte schrijft de keuze aan het toeval toe (en ontkent daarmee de gehele problematiek). Krafft Ebing heeft het over 'fetisjisme' dat hij toeschrijft aan een puur associatieve verbinding tussen seksuele prikkeling en een individuele seksuele verschijning .


VERLIEFDHEID EN HYPNOSE

We wezen er reeds op dat geliefden als economische bevredigers van elkaar elkaars complement moeten worden en naar behoeften elkaars spiegelbeeld. De blinde keuze van verliefdheid kan daarvoor wel de gunstige voorwaarden scheppen, maar er blijven uiteraard altijd verschillen bestaan. Het is dan ook een opvallend kenmerk van verliefden dat ze zich met een verbazingwekkend gemak aan elkaar aanpassen en daarbij vaak toegeven op punten die in andere relaties (bv. met een vorig lief of met de ouders) breekpunten waren. Het is alsof ze elkaar hypnotiseren om de wederzijdse verschillen uit te vlakken: net zoals hypnotiseurs geven geliefden elkaar 'suggesties', waarvan ze verwachten dat ze blindelings gehoorzaamd zullen worden én net zoals gehypnotiseerden zijn ze bereid zich aan elke suggestie te onderwerpen. Vanuit dit standpunt gezien kan men zich vragen stellen bij het wijdverbreide geloof dat verliefdheid blind maakt voor de tekortkomingen van de partner. Niets is minder waar: de verliefde doet zijn uiterste best om bij zichzelf en bij zijn lief alle gebreken op te heffen, en dat vooronderstelt uiteraard dat hij ze waarneemt er er dus nietblind voor is. De verliefde ziet de gebreken wel degelijk, maar is er euforisch van overtuigd dat hij ze kan opheffen: exemplarisch in ontmaagden en orgastisch maken van de vrouw en in de wederzijdse aanpassing van de frequentie van de behoefte om te vrijen. Liefde moet hindernissen kunnen nemen en ze ontbrandt daaraan: dat is functioneel om aanpassing te realiseren. Pas naarmate ze daarin faalt kijkt men over de gebreken heen om er zich niet meer aan te moeten ergeren. Stendhal heeft het niet over idealiseren, maar over 'kristalliseren': men ziet in elke eigenschap voordelen. Veel positiever wordt het verschijnsel benaderd door Ortega y Gasset die integendeel opmerkt dat de geliefde de eigenschappen van zijn lief beter kan inschatten dan de onverschillige buitenstaander .

Het 'hypnotiseren' van de ander lijkt zich vaak tot 'zelfhypnose' uit te breiden. Geliefden willen zich niet alleen mooi voordoen voor elkaar, maar worden ook vaak wérkelijk mooier. Reeds Michelet schrijft: 'Men loopt ... weinig risico als men met een lelijke trouwt. Ze is dat vaak slechts uit gebrek aan liefde. Van zodra ze geliefd wordt, verandert ze helemaal, en men herkent ze vaak niet meer' . Ook Havelock Ellis schrijft over de geliefde: 'Een nieuwe schoonheid verschijnt op haar gelaat, een nieuwe straling in haar expressie, een nieuwe kracht in al haar activiteiten' en 'Such is the exquisite flowering of love' Deze wederzijdse beïnvloedbaarheid is van cruciaal belang voor het voortbestaan van de verliefdheid. Pas waar deze 'hypnose' plaatsmaakt voor haar tegendeel afstandscheppende ruzie worden de kleine verschillen tot onoverbrugbare kloven gepromoveerd en tot grond voor echtscheiding opgeblazen. Tegenhanger van verliefdheid is dan ook ruzie of scheiding. We kunnen vergelijken met de omslag van 'positieve overdracht' in 'negatieve overdracht' in de psychoanalytische kuur.

Dit aspect van verliefdheid is nauwelijks theoretisch verwoord. Vele auteurs hebben het over opvoeding als eenzijdige aanpassing van de vrouw aan het dictaat van de man. Zo meent Michelet onomwonden dat de man zijn vrouw moet scheppen en ze daarbij moet omvormen tot zijn betere ik, zonder zich af te vragen vanwaar de 'opvoedbaarheid' afkomstig is. Michelet beschrijft daarbij correct de betekenis van dergelijke omvorming (die uiteraard wel wederzijds zou moeten zijn): 'Door deze transformatie... zal in de relatie het vuur van de eerste dag blijven branden en zelfs nog opflakkeren' . In dezelfde geest meent Havelock Ellis dat de keuze van de juiste partner slechts de helft is van het verhaal. De andere helft is de 'liefdeskunst' die streeft naar gelijkwording in het huwelijk. Daardoor worden talrijke verborgen kwaliteiten door een 'constructieve selectie' tot ontwikkeling gebracht. Ook hij geeft daarbij het (eenzijdige) voorbeeld van een vrouw die in eerste huwelijk kenner werd van literatuur en tweede van politiek, telkens zoals haar man . In het hoofdstuk over de 'Mooie vrouw' bespraken we hoe vele auteurs ervan uitgingen dat de man de vrouw seksueel moet opvoeden.

Andere auteurs onderkennen daarbovenop het 'hypnotisch' karakter van de aanpassing. Forel meent dat de geslachtsdrift 'wederzijdse gevoelens van sympathie opwekt, die werken als magnetische krachten die elkaar aantrekken' en wijst op de verwantschap tussen 'suggestie' (hypnose) en 'liefde', die elkaar wederzijds tot verliefdheid versterken . Tennov meent dat het voortdurend opduiken van gedachten aan de geliefde typisch is voor verliefdheid en vergelijkt met de hypnotiseur die aanbeveelt alle gedachten op hem te concentreren. Freud ziet de rol van hypnose in verliefdheid en in de psychoanalytische kuur, maar voert ze terug op de relatie tussen de oervader en zijn volgelingen. (Ferenczi).

Andere auteurs zien de gewillige aanpassing aan elkaar als een vervreemding, als verlies van de eigenheid. Reeds Capellanus heeft het over slavernij en knechtschap. Vooral de psychoanalyse heeft bijgedragen tot de verdachtmaking van de verliefde aanpassing. Zoals men weet verving Freud in zijn therapie de hypnose door de spontaan opduikende verliefdheid van de analysant voor de analyst (overdracht). Deze verliefdheid moet uiteraard niet behouden worden, maar de bereidwilligheid om mee te werken met de analyst en vooral de verwachting dat hij het magische wonder zal bewerken moet vervangen worden door de wil om op eigen kracht tot zelfinzicht te komen. Van verliefdheid tot rationaliteit: deze opvattingen over therapie wortelden in opvattingen over de verliefde bereidwilligheid en hadden er op hun een weerslag op. Reik meent dat men verliefd wordt als men een gebrek in zichzelf vaststelt en begrijpt verliefdheid zelfs als masochistische onderwerping. Maslow verwerpt de 'M' liefde als toestand van afhankelijkheid en meent dat er moet gestreefd worden naar individuele autonomie en onafhankelijkheid in 'S' liefde . Hetzelfde geldt voor overige 'humanisten' zoals A. Ellis. Tennov keert zich tegen de band tussen psychotherapie en verliefdheid . Bach en Deutsch (Pairing) menen dat men zijn 'ware gezicht' moet tonen en niet moet proberen zich aan te passen. Ook bij Robert Rimmer moet men zijn 'ware zelf' tonen . Dit psychoanalytisch vooroordeel drong ook door buiten psychoanalyse en psychotherapie. Via Schilder komen de opvattingen terecht bij Ortega y Gasset. Deze vergelijkt verliefdheid met hypnose 'Verliefdheid is een betovering, en Tristans toverdrank is van oudsher een suggestief symbool voor het psychisch proces van de "liefde"'. 'Wat liefde wekt is steeds betoverend'. 'Van incantatio is het Spaanse ecanto afgeleid en van carmen het Franse charme' .

Dergelijke theorieën begeleiden de principiële en toenemende weigering om op te gaan in een bovenindividueel organisme. Tennov meent dat er nu eenmaal veel mensen zijn die deze toestand van verliefdheid niet kennen . Men kan echter niet nalaten daarbij te denken aan de vele mensen die beweren dat ze nooit dromen, ofschoon allen het elke nacht urenlang doen. Op dezelfde manier zijn er velen die zichzelf nooit toestaan om verliefd te worden. Er zijn er ook velen die achteraf, als de relatie de mist is ingegaan en verliefdheid heeft plaatsgemaakt voor ruzie, niet meer in staat zijn zich te herinneren dat ze ooit verliefd waren, alweer zoals de droom die men vergeet.


DER LIEBESTOD

Nie wieder erwachen,
wahnlos hold bewusster Wunsch!

Wagner, Tristand en isolde

Verliefdheid is dus niet blind, noch in de zin dat ze overdreven verwachtingen schept, noch in de zin dat we ten onrechte de ene partner boven alle andere verkiezen, noch in de zin dat we ons slaafs onderwerpen aan de verlangens van de partner ten koste van onszelf. Maar wellicht is ze wel blind in zoverre geliefden niet geneigd zijn rekening houden met maatschappelijke verhoudingen en in zoverre ze zich algeheel in de beslotenheid van het paar willen terugtrekken. Het verschijnsel werd door velen gesignaleerd. Vermelden we Freud . Ortega y Gasset schrijft: 'Voor de verliefde is de geliefde steeds en overal aanwezig. De gehele wereld is er blijkbaar in opgezogen. Au fond bestaat er voor de verliefde helemaal geen wereld meer'. Verliefdheid is voor Ortega y Gasset dan ook niet alleen een bewustzijnsverenging, maar ook nog een soort 'psychische angina': 'Die ziel van de verliefde ruikt naar muffe ziekenkamers, naar opgesloten lucht, die door dezelfde longen gevoed wordt als deze die hem moeten inademen' . Alberoni heeft het over de 'totale erotische onverschilligheid voor de maatschappelijke positie, de rang, het prestige, de bekendheid' . In de kunst wordt dergelijke maatschappelijke blindheid geschilderd in Romeo en Julia, Tristan en Isolde van Wagner, Fralein Julie van Strindberg en in Elvira Madigan.

In hoeverre is hier sprake van blindheid? Het zal inmiddels afdoende duidelijk geworden zijn dat economische imperatieven en vooral de ontwikkeling van maatschappelijke coperatie de aartsvijanden van de liefde zijn. Van oudsher verschijnen dan ook telkens opnieuw enkelingen, die zich tegen de onderschikking van hun liefde willen verzetten of die weigeren hun liefde te laten verstoren door op te gaan in de maatschappelijke arbeidsdeling. Dat blijkt reeds uit de aloude slippertjes uit een huwelijk dat tot economische relatie gereduceerd werd en uit de promiscue activiteit van Don Juan en zijn navolgers die al helemaal geen economische relatie meer willen aangaan. Met promiscuen hebben verliefden een totaal gebrek aan consideratie voor economische imperatieven gemeen: ze doorbreken alle grenzen en zijn bereid daar vaak grote offers voor te brengen. Op stamniveau lappen ze de grenzen opgelegd door huwelijksklassen aan hun laars, op latere niveaus de grenzen die opgelegd worden door belangenhuwelijk, beroepseisen of de status van hoer. Het volstaat om hier te verwijzen naar legendarische voorbeelden zoals Abélard en Héloise, Koning Eduard die afstand deed van zijn troon om met Wally Simpson te kunnen trouwen enz. Vele promiscuen gaan lang niet zover: ze willen niet aan economische huwelijken verzaken. Hun 'verliefdheid' beperkt zich dan ook tot seksuele slippertjes en hun driestheid treft alleen de beperkingen die seksueel contact in de weg staan. Anderen willen helemààl geen vaste relaties aangaan en hun protest situeert zich jenseits van alle hinderpalen die een volledige relatie in de weg staan. In tegenstelling tot de slechts seksueel promiscuen daarentegen willen verliefden wel degelijk een langdurige en volledige relatie aangaan en geen compromis sluiten met een verstandshuwelijk. Overal waar huwelijken gearrangeerd worden zijn er geliefden die gewrongen zitten tussen hun liefde en de gehoorzaamheid aan hun ouders : exemplarisch in Romeo en Julia. Hun optreden is een heroïsche poging om het historisch proces om te keren waarbij de maatschappelijke coöperatie de geslachtelijke opvrat. In die zin is verliefdheid de tegenstelling tot de 'reseksualisering' van maatschappelijke relaties die we voorheen (homo economicus) beschreven. De mate waarin verliefdheid zich tegen de vermaatschappelijking verzet is dan ook historisch bepaald: hoe sterker ontwikkeld de maatschappij, hoe sterker de doorbraak van de volledige liefde in oppositie met maatschappelijk georganiseerde arbeid moet komen. Historisch aan verliefdheid is alleen maar dat ze in toenemende mate anti maatschappelijk wordt Afgezien daarvan is ze (in principe) een universeel gegeven.

Helaas moeten deze doorbraken van het verlangen naar volledige liefde noodzakelijkerwijze falen. De ontplooiing van de liefde kan aanvankelijk 'vlot' verlopen omdat elke relatie aanvankelijk slechts seksueel is. De samenwerking kan zich een tijdlang reduceren tot minimale geslachtelijke arbeidsdeling, of zelfs tot primitieve vormen van samen uitgevoerd maatschappelijk werk (al gaat het slechts om de diefstallen à la Bonnie en Clyde). De speelruimte om te overleven buiten de maatschappij wordt steeds kleiner en van zodra er kinderen komen is het feest al helemaal afgelopen. Vandaar de vele dubbele zelfmoorden bij geliefden, zoals de 'shin yu' in Japan, zoals Tristan en Isolde in Wagner of Elvira Madigan en haar minnaar.

De veelgehoorde kritiek dat dergelijke verliefdheid 'waanzin' is, is alleen gegrond in zoverre mensen niet meer kunnen overleven zonder maatschappelijk te werken. Verliefdheid is alleen misleidend in zoverre ze de verwachting schept dat de geliefde voor àlle bevrediging zal instaan, terwijl de maatschappij deze functie in toenemende mate op zich neemt. Alleen déze verwachting moet getemperd worden, en dan nog met mate. De afkeer van geliefden tegen de maatschappij is constructief in zoverre ze leidt tot consumptieve ascese. Dit verlangen om 'van de liefde alleen' te leven werpt een dam op tegen de totale vermaatschappelijking. Als alle mensen verliefd zouden zijn zou de maatschappij overkomen wat zij de liefde wil aandoen: uitsterven! Dat verliefden onverschillig worden voor maatschappelijke verhoudingen en maatschappelijke arbeid vindt zijn tegenhanger in het feit dat ze zich 'horig' onderwerpen aan de verlangens van de geliefde. Alleen degenen die niet doorhebben hoezeer ze zelf onderworpen zijn aan de slavernij van het geld, kan het bevreemden dat verliefden zich uit liefde onderwerpen aan elkaars wensen. Pas als men de berekende liefde waarvan sprake is bij de ruil tussen geld en schoonheid 'liefde' noemt, moet de volledige liefde die 'verliefdheid' is blinde waanzin lijken.

Niet alleen tegenover werk worden geliefden vaak onverschillig, ook tegenover vrienden. Reeds Capellanus signaleert het verschijnsel . Het is alsof de liefde tussen het paar de gemeenschapsbanden ondergraaft, die grotere groepen aan elkaar binden. Omgekeerd lijkt ascese een schitterende voedingsbodem voor vaak overweldigende gemeenschapsgevoelens: men denke aan de reeds vermelde zangen in orthodoxe kloosters. Dat het paar zich tegen de gemeenschap keert heeft echter meer te maken met feit dat de gemeenschap zich vaak tegen het paar keert, zoals we in ons laatste hoofdstuk over de orgie zullen aantonen.

Al deze vormen van 'blindheid' zijn in zoverre helderziendheid dat ze de wonden die aan de liefde werden toegebracht blootleggen. Vandaar dat verliefdheid vaak ervaren wordt als een gevaar voor de gevestigde orde, als een anarchistische kracht. Vandaar door de argwaan waarmee velen van oudsher de 'vrije' liefde benaderen.

Dat neemt niet weg dat er uiteraard wel degelijk iets bestaat als neurotische verliefdheid. Deze is zozeer de regel dat ze blind maakt voor de echte verliefdheid die we hierboven beschreven. Een veel voorkomende vorm van neurotische verliefdheid is de omslag van bewondering voor een ideaal in verliefdheid erop: seksualiseren van een pedagogische relatie. Een legendarisch voorbeeld hiervan is de relatie tussen Camille Claudel en Rodin. Een andere vorm van neurotische verliefdheid is verliefdheid die blijft duren zonder dat ze beantwoord wordt. Dat is pure fantasmagorie en de emotionele tegenhanger van zelfbevrediging. Echte verliefdheid is zoals de coïtus per definitie wederzijds. Alberoni meent daarentegen dat verliefdheid eenzijdig kan zijn . Neurotisch is ook verliefd worden om het gevoel te krijgen dat men nog in de markt ligt of om te bewijzen dat men aantrekkelijker is dan een concurrent (Mantegazza en Stendhals amour-vanité). Neurotisch is 'verliefd zijn op verliefdheid' omwille van het euforische verlossingskarakter ervan: verliefdheid als drug die ongevoelig maakt voor de maatschappelijke pijn (zoals mystiek). Daarin is verliefdheid de prefiguur van de incest!


OERMONOGAMIE

Het ogenblik is gekomen om een en ander in een breder historisch perspectief te plaatsen. Als het waar is dat het verlangen naar levenslange en volledige monogamie zo diep in de mens geworteld is, dan moet de gehele geschiedenis daar toch van getuigen? Velen zijn ervan overtuigd dat ze dat inderdaad doet. Tegenover de reeds besproken auteurs die beweren dat de mens in de oertijden polygaam of promiscu was staan er een hele reeks andere die in de monogamie de oervorm zien van alle menselijke liefdesrelaties.

In het christelijke Westen zijn dergelijke theorieën uiteraard de oudste, en ze beriepen zich van oudsher op het oerpaar Adam en Eva. Een mijlpaal is hier het werk 'History of Human Marriage' dat de Fin Westermarck in 1891 publiceerde. Westermarck ging in de aanval tegen de stortvloed van theorieën over oerpolygamie en oerpromiscuïteit door de stelling naar voor te schuiven dat in de oertijden 'een man en een vrouw .... de gewoonte hadden samen te leven, seksuele relaties te onderhouden en gemeenschappelijk hun kinderen groot te brengen, waarbij de man de beschermer en verzorger van de familie was, en de vrouw de huishoudster en voedster van de kinderen' . Zijn positie wordt door velen bijgetreden. Crawley schrijft triomfantelijk: 'De promiscuÏteit stheorie behoort tot een mythologisch stadium van het menselijke denken'. Wundt ziet bij de hogere diersoorten een trend naar monogame relaties optreden, die bij de mens culmineert in permanente monogamie. Lowie heeft het over de 'quasi universaliteit van de familie', 'bestaande uit het gehuwde paar en zijn kinderen' . Malinowski schrijft een voorwoord voor een zoveelste nieuwe uitgave van Westermarck en komt overigens tot de reeds vermelde conclusie dat 'een vereniging van man en vrouw, gebaseerd op persoonlijke affectie afkomstig uit seksuele aantrekkingskracht, op economische samenwerking en wederzijdse diensten, maar bovenal op een gemeenschappelijke relatie tot de kinderen' 'de oorsprong is van de menselijke familie' . Murdock looft Westermarck en meent dat de nucleaire familie universeel is. Ook Lévi Strauss huldigt Westermarck ter gelegenheid van diens overlijden en sluit zich bij diens opvattingen aan: 'Het soort familie dat in de moderne beschaving vertegenwoordigd wordt door het monogame huwelijk, onafhankelijke vestiging van het jonge paar, warme relaties tussen ouders en kinderen enz. is, ofschoon het niet steeds gemakkelijk te herkennen is achter het gecompliceerde netwerk van vreemde gewoontes en instellingen van de wilde volkeren, op zijn minst een opvallend kenmerk van het culturen die bleven staan of terugkeerden naar het eenvoudigste niveau van beschaving' .

Deze traditie krijgt in 1927 felle tegenwind van een vernieuwde verdediging van het oercommunisme door Briffault, die vooral de posities van Lowie fel bekritiseert. Het debat wordt stilzwijgend gestaakt tengevolge van het door Malinowski ingeluide en steeds toenemende anti evolutionisme, dat speculaties over de evolutie van het huwelijk in toenemende mate verdacht maakte.

Na de Tweede Wereldoorlog wordt het door de antropologen gestaakte debat op een veel primitiever niveau voortgezet door biologen. Lorenz ziet in ganzen een parallel aan menselijke monogamie . D. Morris meent dat de meest succesvolle volkeren monogaam zijn en samenlevingen die er andere sociale kaders op nahielden zijn voor hem doodlopende varianten van het mensdom . Wilson meent dat mensen geprogrammeerd zijn om groepen te vormen met het echtpaar als kern . Ook H. Fischer komt zoals vermeld tot de conclusie dat de mensen monogaam zijn, zij het dan dat ze evenzeer op echtscheiding geprogrammeerd zijn (seriële monogamie) .


SCHIJNPOLYGAMIE EN SCHIJNPROMISCUITEIT

De auteurs uit deze traditie zijn uiteraard niet blind voor het feit dat niet alle mensen in alle tijden monogaam waren. Zij hebben daar vier reacties op.

Bij vele auteurs is niet erg duidelijk of zij het wel degelijk hebben over wederzijdse monogamie. Het ontrouwe of polygame gedrag van vooral mannen wordt met hun theorie over de monogamie in eenklank gebracht door monogamie stilzwijgend met monandrie van de vrouw gelijk te schakelen. Op de plaats van de puntjes in bovenvermeld citaat van Westermarck staat 'een man en een vrouw (of vele vrouwen)'. D. Morrris schrijft de veel voorkomende ontrouw toe aan het feit dat het gedragsmechanisme dat trouw garandeert evolutionistisch nog niet perfect op punt gesteld is . Wilson meent dat de monogamie verstoord wordt door de grotere seksuele behoefte van mannen .

Een tweede reactie bestaat erin de polygamie te lezen als verdoken monogamie. Murdock beschrijft de niet monogame relaties als 'samengestelde vormen van de familie': 'Bij polygynie speelt één man de rol van echtgenoot en vader in meerdere kerngezinnen die hij daardoor in één grotere familie verenigt'. Seksuele nevenrelaties (bv. met de zussen van de man) zijn 'uitbreidingen van de huwelijksrelatie'. Eenzelfde benadering vinden we bij Lévi Strauss, die meent 'dat in vele gevallen polygame families niet méér zijn dan een combinatie van vele monogame families, ofschoon dezelfde persoon de rol speelt van meerdere echtgenoten' op grond van het feit dat bv. bij de Bantoe de vrouwen in afzonderlijke hutten wonen . Ook de Mormonen zouden dan monogaam zijn omdat hun vrouwen in afzonderlijke woningen leven! Een ook in de harem heeft elke vrouw haar eigen vertrek.

Een derde reactie beschreven we reeds: men laat puur seksuele relaties buiten beschouwing en verrekent slechts de economische relatie. Men kan dan de Westerlingen zonder problemen monogaam noemen evenals alle haremhouders die slechts met één van de haremvrouwen gehuwd zijn.

Een vierde reactie ten slotte bestaat erin de niet monogame huwelijksvormen te beschouwen als bijzondere aanpassingen of als gevallen van sofisticatie of degeneratie, ongeveer zoals de bijbelse monogamie van Adam en Eva verzandde in de verloedering van Sodom en Gomorra. Reeds de jezuiet Lafitau heeft het in dat verband over 'depravity and grossness of manners' . Müller meent dat polygamie een ontaardingsverschijnsel is . Het duidelijkst wordt deze opvatting uitgesproken door Wundt. Deze auteur keert de 'hypothetische ontwikkeling van agamie* over groepshuwelijk en polygamie naar monogamie' om in een tegengestelde reeks: 'van oermonogamie, over polyandrie, polyandrie met polygynie (groepshuwelijk), polygynie, naar monogamie' . Alle andere huwelijksvormen zijn daarbij te beschouwen als afleidingen van monogamie tengevolge van machtsverhoudingen (polygnie) of vrouwenschaarste (polyandrie) of beide samen. Afwijkingen van monogamie worden bij herhaling beschreven in termen van ontaarding en op dezelfde voet geplaatst als pederastie. Er is sprake van 'motieven die tegen de natuurlijke bepaaldheid van de mens indruisen' en waartegen in het eindstadium van de ontwikkeling 'juridische sancties' in het geweer gebracht worden . Lévi Strauss meent dat de monogame familie vrijwel universeel is, behalve 'in zeer gespecialiseerde en gesofisticeerde maatschappijen, en niet, zoals men vroeger aannam, in de ruwste en eenvoudigste types' .


HONDEN, GORILLA'S, BIJEN OF TORTELDUIVEN?

Merken we op dat ook de auteurs die de oermonogamie verdedigen deze beschouwen als een soort overwinning op de polygamie of de promiscuïteit, al is het ditmaal niet die van de oermensen, maar die van de dieren! Ze plaatsen polygamie of promiscuïteit (en incest) in een pre menselijk stadium en koppelen de geboorte van de mens aan het optreden van monogamie en incestverbod. De overwinning is ditmaal niet historisch, maar moreel (Weininger), evolutionair (Westermarck), of cultureel (Lévi Strauss). Typisch is de manier waarop Lowie een 'fase van ongecontroleerde losbandigheid' verschuift naar een periode tussen de oudste antropoïden en de jonge voorouders van de hominiden' . De oude theorie over de regelloze promiscuïteit overleeft ook in de manier waarop Lévi Strauss de overgang van 'natuur' tot 'cultuur' vindt in het oprichten van het incesttaboe en de daaruit voortvloeiende exogamieregels: 'het incesttaboe is een omvorming van de biologische vormen van paarvorming en voortplanting die geen regels kennen zoals men kan leren uit de observatie van dieren' . Polygamie en incest worden daarmee ten onrechte naar het dierenrijk verwezen, in aansluiting met de aloude gewoonte om ongewenste seksuele praktijken als 'dierlijk' af te doen.

Andere auteurs gaan in hun ijver dan weer zover om de monogamie reeds bij de dieren aangekondigd te zien en zouden de gehele evolutie willen herscheppen tot één met dierparen gevulde ark van Noach. Dat kan potsierlijke vormen aannemen: de gorilla, die bij Dr. Savage nog haremleider was, werd door Westermarck, Wundt en B. Russell tot monogaam toonbeeld voor de mens gepromoveerd. Wundt meent zelfs dat Darwin van mening was dat monogamie 'de primaire vorm van het menselijke huwelijk was'. Voor Wundt komt polygamie bij dieren helemààl niet voor. 'In de natuur staat tussen agamie* en monogamie geen polygamie, maar overgangsstadia worden alleen gevormd door de toenemende duur van het huwelijk'. Murdock meent zelfs dat de nucleaire familie ouder is dan de mensheid en teruggaat tot de dieren. H. Fischer heeft het dan weer op roodborstjes en rode vossen begrepen .


VAN OERPROMISCUITEIT OVER OERPOLYGAMIE TOT MONOGAMIE.

Tegenover deze auteurs die uitgaan van de oermonogamie van de mens, staan - zoals inmiddels afdoende bekend - de talloze auteurs die uitgaan van oerpolygamie of oerpromiscuÏteit . Terwijl de apologeten van de monogamie de polygamie en promiscuïteit moeten verklaren, moeten zij rekenschap geven van hun 'ontaarding' of hun opgang in de veelal als 'christelijk' of 'westers' afgedane monogamie. Er zijn verschillende verklaringen: de 'monogame aanleg' van de mens die zich pas in hogere stadia van de cultuur kon doorzetten, de oprichting van incesttaboes, economische motieven (sedentair worden, landbouw, privaat eigendom) en de mannelijke wil om zeker te zijn over het vaderschap. Omdat de verschillende verklaringen vaak gekoppeld worden geven we een globaal overzicht.

Bij Vico begonnen de 'promiscue' Giganten liefde voor één vrouw te ontwikkelen van zodra ze sendentair werden . Fourier ziet de vrije (= wederzijds polygame) liefde van de oertijden over polygynie naar monogamie evolueren onder druk van het privaat eigendom. Bachofen ziet de vrouwen vanaf de landbouwrevolutie met monogamie reageren tegen hun 'zum Tode beschlafen' worden door de mannen . Bij McLennan zijn het omgekeerd de mannen die er in de oertijden naar streefden 'een vrouw te ontvoeren, zich te isoleren en een familie te stichten' maar ze konden deze wensen niet waarmaken: 'hoe sterk en moedig ze ook waren, ze waren niet in staat hun onafhankelijkheid te vrijwaren tegenover de talrijke concurrenten' . Lubbock meent dat de oermannen vrouwen begonnen te roven om ze voor zich alleen te kunnen houden en dat deze gewoonte dan veld won vanwege de toegenomen mogelijkheden van affectie, comfort, 'natuurlijke wensen van de vrouw' en betere opvoeding . Pas in 1873 verschijnt bij Morgan het incesttaboe, dat werd opgelegd omwille van rasverbetering: het incestueuze oercommunisme wordt tengevolge van steeds strengere beperkingen uiteindelijk tot monogamie ingedijkt . Engels neemt deze theorie over, maar pas het ontstaan van privaat eigendom - en noodzaak om werkelijk vaderschap vast te stellen in verband met erfelijkheid - is verantwoordelijk voor het ontstaan van (dwang)monogamie (met ontrouw). Opheffing daarvan in het socialistisch tijdperk zal de uiteindelijke ontplooiing van monogame liefde mogelijk maken. Krafft Ebing ziet monogamie opduiken tengevolge van ontwikkeling van schaamtegevoel en sedentair worden. Weininger ziet na een matriarchale en polyandrische oertijd een overwinning van het 'monogame huwelijk als een creatie van de man. Het vindt zijn oorsprong in de gedachte van de mannelijke individualiteit, die in de loop der tijden onveranderd blijft bestaan en derhalve voor volledige aanvulling steeds slechts behoefte kan hebben aan één en hetzelfde wezen' . Frazer ziet een overgang van promiscuïteit over groepshuwelijk naar monogamie tengevolge van toenemende beperking op incest om (onbewuste) eugenetische motieven. Freud neemt de theorie van de incestbeperkingen over, maar gelooft niet dat eugenetische motieven daarvoor verantwoordelijk waren. Het incesttaboe is voor hem een reactie op de oervadermoord. Het schuldgevoel daarover ( als psychologische factor) én de wil om de samenwerking tussen de broederhorde te bestendigen (als economische factor) deden de broederhorde afstand doen van de incestueuze oervaderwijfjes, zodat ze elders hun gading moesten vinden. Briffault ziet zoals Engels de ondergang van een seksueel oercommunisme tengevolge van privaat eigendom (van clan naar familie) en tengevolge van het verval van de economische rol van de vrouw sedert de landbouwrevolutie. 'Individuele voorkeur, jaloezie en romantische liefde zijn het gevolg van deze ontwikkeling, veeleer dan de oorzaak ervan' . De verklaringen van biologen vallen ook hier terug op een primitiever niveau. Volgens R. Smith is monogamie het resultaat van pogingen van de homo sapiens om de wederzijdse polygamie van de jagende homo erectus in te dijken met het oog op controle over de vrouwen . Dat is ook de mening van Margulis, voor wie de homo sapiens monogamie invoerde en daarmee 'echtelijke gevangenen en gevangenisbewaarders; er kwamen wetten, verplichtingen en onderdrukkende, met strafmaatregelen omgeven verhoudingen' . Sherfey meent dat de patriarchale beschaving de ongeordende seksualiteit van de vrouw moest onderdrukken met het oog op zekerheid omtrent het vaderschap . Dat is ook het standpunt van Hrdi .

Naast deze psychologische, eugenetische en economische verklaringen zijn er ook meer 'idealistische' ('culturele'), waarin morele, religieuze, literaire of wetenschappelijke invloeden verantwoordelijk geacht worden voor de verbreiding van de monogamie. Reeds in het Symposium van de vroeg-christelijke Methodius heet het: 'God overdacht hoe de mensen zich zouden kunnen ontwikkelen inj hun opgang naar het rijk der hemelen; dat zij eerst moesten overgaan van huwelijken tussen broers en zusters naar huwelijken met vrouwen uit andere families; dat ze vervolgens het meervoudige huwelijk moesten opgeven...De volgende stap was hen ontrouw af te leren; en vervolgens voort te schrijden tot onthouding en van onthouding tot maagdelijkheid' . De idee van een evolutie naar toenemende betekenis van individualiteit in de liefde werd geformuleerd door Jean Paul (1804) en uitgewerkt door Hegel (de zgn. 'romantische periode' in zijn wereldhistorisch model). Krafft Ebing meent 'dat de verzedelijking van de geslachtelijke omgang een sterke impuls kreeg door het Christendom, dat de vrouw op dezelfde voet plaatst als de man' en besluit daaruit tot een 'geestelijke en materiële superioriteit van de christelijke volkeren over de polygame volkeren, inzonderheid over de Islam' . Bloch ziet de eerste sporen van individuele liefde verschijnen in de tijd van troubadours en minnezangers en ze wordt verder ontwikkeld bij Shakespeare, in de 'Nouvelle Héloise' van Rousseau en de 'Werther' van Goethe om haar apotheose te kennen in in 'Lucinde' van Friedrich Schlegel . Lucka wijst op de invloed van de hoofse liefde . Briffault wijst (naast de besproken economische factoren) ook op de invloed van het christendom, dat de 'romantische liefde' voltooide door aan te dringen op de omvorming van de heidense keltische ridderverhalen tot hoofse literatuur. Ook Russell verwijst naar de invloed van de hoofse liefde. Havelock Ellis situeert het ontstaan van persoonlijke liefde in de Hellenistische periode en ziet ze pas met het (keltische!) verhaal van Tristram in het westen verschijnen . De belangrijkste vertegenwoordiger van deze strekking is Denis de Rougemont. Deze publiceert in 1939 (het jaar dat Freud sterft) een boek waarin hij het ontstaan van de 'romantische verliefdheid' in het Westen koppelt aan de verspreiding van de hoofse liefde. Schelsky meent dat de individuele liefde een produkt is van het christendom en van de 'cultivering van de liefde en de verering van de vrouw door de troebadoers en minnezangers sedert de 11e en 12e eeuw' . De O' Neills menen dat de idee van slechts van één persoon tegelijk te kunnen houden 'afkomstig is van het spel van de Hoofse liefde en wetenschappelijke respectabiliteit verkreeg door Freuds doctrine dat elk individu slechts over een beperkte hoeveelheid liefde beschikt' . Tannahill voegt bij de invloed van de Hoofse liefde die van de vanuit Byzantium gemporteerde Mariacultus. J. Cleugh wijst erop dat de eerste 'liefdesaffaire' in China pas in het 'De Rode Kamer' (18de eeuw) beschreven werd. Barash schrijft de onderdrukking van polygamie toe aan '... onze joods christelijke verzotheid op het gezin als middelpunt' .

Op het incesttaboe als verklaring voor de ontwikkeling komen we terug in het gelijknamige hoofdstuk. Tegenover sedentair worden (landbouw) en privaat eigendom als economische verklaring plaatsten wij (naast de van nature latent aanwezige perverse trend) de ontwikkeling van de maatschappij, waarvan de gevolgen voor de ontwikkeling van de liefde veel complexer bleken te zijn dan hierboven werd voorgesteld. Onze kritiek op de 'ontdekking van de individualiteit' gaven we reeds hierboven (omkering van de polygame trend). Waarom tenslotte de 'idealistische verklaringen' geen steek houden zal hieronder blijken.

Hoezeer de theorieën over oermonogamie ook mogen verschillen van die van oerpromiscuÏteit en oerpolygamie, over één ding zijn ze het roerend eens: als monogamie er al niet altijd en overal is geweest, dan triomfeert ze minstens in het heden en hier en verdreef ze promiscuïteit en polygamie naar vroeger en elders.


TRISTAN EN ISOLDE

Wo bleibt denn der 'Wo du hingehst,
da will auch ich sein' Text?


Bertolt Brecht, Dreigroschenoper.
De vele auteurs die verliefdheid pas met Tristan in de menselijke geschiedenis zien verschijnen, zien over het hoofd dat er veel literaire, ja zelfs mythische bronnen zijn die het paar verheerlijken. Tegenover Freuds oerhorde aan het begin van de menswording staan vele mythologische oerparen aan het begin van de kosmos of aan de wieg van de mensheid. In de Bijbel hebben we Adam en Eva en bij vele primitieven ontstaat de wereld of de mensheid uit de samenslaap van een oerpaar .

Ook de mensen na de schepping worden vaak als verliefde paren geschilderd. In de verhalen van vele primitieve stammen ook die waar polygamie gebruikelijk is wordt verliefdheid vaak hartstochtelijk bezongen . Uit de Germaanse oertijden stamt het verhaal van de liefde tussen Siegfried en Sieglinde en uit de Keltische die van Tristan en Isolde.

Ook bij hogere (monogame of polygame) beschavingen getuigen reeds de oudste teksten van het voorkomen van verliefdheid. Saphho is een van de oudste schriftelijke getuigen in de Griekse literatuur waar verliefdheid voor in de Hellenistische periode floreert . Het verhaal van Narcissus leert hoe men reeds meer dan twee millenia geleden van verliefdheid verhongerde en overige symptomen van verliefdheid worden uitvoerig geschilderd in de Indische Kama Soetra . We verwijzen ook naar het Indische verhaal van Sakoentala. De 'idealistische' stellingen van de Rougemont en consoorten zijn alleen daarom reeds onhoudbaar omdat reeds de oudste bronnen en stemmen uit alle hoeken van de wereld van het bestaan van geliefden getuigen . Daarna lijkt de hele literatuur wel één lofzang op de liefde.

Niet alleen in de mythen en de literatuur, maar ook in de filosofie is de theorie van de monogame trouw vanaf de aanvang aanwezig: Aristophanes verhaal uit Plato's Symposion impliceert (zoals hierboven besproken) dat er slechts één mogelijke partner is: ieder zoekt naar zijn specifieke wederhelft. .

Zoals we vaker in dit boek hebben vastgesteld is de kunst hier helderziender dan de wetenschap. Het zal echter niemand ontgaan dat de verheerlijking van het verliefde paar niet zozeer gepaard gaat met een verheerlijking van de monogamie. Wel integendeel: de gehele profane literatuur lijkt wel één aanhoudende lofzang op de echtbreuk, zowel van polygame als van monogame huwelijken. Als paradigma kan hier een 'muziekdrama' van Wagner dienstdoen, ditmaal niet diens Parsifal door Weininger uitgeroepen tot 'het diepzinnigste werk uit de wereldliteratuur' maar diens 'Tristan und Isolde', waarschijnlijk de meest voltooide versie van het verhaal. De tegenhanger daarvan voor polygame ontrouw is Sjahrazaad (Sheherazade). Ontelbaar zijn de verhalen over minnaars die de harem weten binnen te dringen zoals in 'Die Entführung aus dem Serail'. In het reeds besproken Zwanenmeer triomfeert het paar over de polygame onderschikking van de vrouwen. Hetzelfde geldt voor de hoer die uit het bordeel gered moet worden door de echte liefde zoals in de Traviata.



DE WERELDHISTORISCHE TRIOMF VAN DE MONOGAMIE ALS WERELDHISTORISCHE TRIOMF VAN DE ONTROUW.

Zo, onder de weinig verschillende schijven van zon en maan,
vliegen ze heen, geheel elkander toegewijd.
Waar gaan jullie heen? - Nergens heen. - Weg van wie? - Van allen.
Je vraagt, hoe lang zijn ze reeds bij elkaar?
Sinds kort. Een wanneer zullen ze elkaar verlaten? Weldra.
Zo lijkt de liefde geliefden een houvast. '

Die Liebenden', Bertolt Brecht.

Verliefdheid wordt door kunstenaars heel vaak gekoppeld aan ontrouw. Dat herinnert er ons aan het onderscheid tussen feitelijke en gewenste relatievorm en maakt meteen duidelijk dat de historici van de monogamie de zaken verkeerd voorstellen door dat onderscheid niet te maken. Feitelijke monogamie kan zowel de verwerkelijking zijn van de wens naar monogamie als de feitelijke verschijning van voor velen onrealiseerbare maar toch gewenste polygamie of promiscuïteit. Briffault zou gelijk kunnen hebben wanneer hij beweert dat in polygame maatschappijen de meerderheid 'nog maar één vrouw heeft' en Lévi-Strauss heeft het misschien niet ten onrechte over de monogamie als over een 'polygamie abortive' . En daarmee zouden allen schaakmat staan, die in het verpletterende overwicht van feitelijke monogame relaties een bewijs zien voor de monogame natuur (of 'cultuur') van de mens.

De geschiedenis van de feitelijke monogamie getuigt inderdaad van de onstuitbare optocht ervan. We kunnen aannemen dat bij de aanvang van de mensheid feitelijke polygamie voorkwam in vele hordes of stammen, zij het in stammen alleen in de toplaag. Bij de lager geplaatsten zal feitelijke monogamie de regel geweest zijn. Naarmate handel en staten zich ontwikkelen wordt de speelruimte voor polygamie groter in de hogere lagen van de bevolking, maar daar staat tegenover dat de toenemende verarming aan de basis de feitelijke monogamie zal hebben doen toenemen, om nog maar te zwijgen van gedwongen ascese. Reeds onder Augustus komen de eerste stemmen op voor universele monogamie (Lex Julia tegen scheiding, ongehuwd zijn en ontrouw). Vooral het Christendom poogde de feitelijke polygamie in te dijken. In Paulus en zijn navolgelingen vonden zowel de kleine man als de verwaarloosde vrouwen een sterke woordvoerder voor feitelijke monogamie In het voetspoor van het christendom poogt ook de Islam de polygamie in te dijken door een maximumgrens van vier op te leggen. De verwestersing van de wereld sedert de kolonisatie en de ontwikkeling van het kapitalisme voltooien de triomftocht van de feitelijke monogamie. Pitt Rivers beschrijft hoe de missionarissen overal de polygamie probeerden af te schaffen. De burgerlijke en socialistische politieke theorieën hadden hetzelfde effect. In Turkije werd polygamie verboden vanaf 1926 (Ataturk) en andere progressieve regimes volgden dit voorbeeld. Belangrijker dan het wettelijk verbod is echter dat de toenemende ontwikkeling van de maatschappelijke coöperatie, inzonderheid sedert het kapitalisme de speelruimte voor polygamie op zeer lange termijn verkleint. Briffault wijst hier terecht op de toegenomen kosten van levensonderhoud. Bovendien begunstigde diezelfde ontwikkeling de economische toegankelijkheid van het huwelijk. Dat blijkt positief uit het feit dat de toenemende welstand van het proletariaat in de Westerse wereld leidde tot een ongekende huwelijksboom, en negatief uit het feit dat alleen arme hoeren (Thailand, Filipijnen, nu ook Oostblok) en slavinnen beschikbaar zijn voor de markt van de ontrouw. Terwijl de staatsgewijze verdeling van de wereld intern tot afzwakken van de economische verschillen neigt, nemen de verschillen tussen de staten alleen maar toe. Dat vertroebelt alleen het zicht op de ontwikkeling op lange termijn. In wereldhistorisch perspectief gezien kan niet ontkend worden dat er een onstuitbare tendens is naar feitelijke monogamie.

Het overweldigend succes van de feitelijke monogamie wordt echter overschaduwd door een even overweldigend succes van de ontrouw. Met het aantal huwelijken neemt ook de ontrouw en het aantal echtscheidingen toe. Kinsey stelde vast dat slechts 33% van de Amerikaanse mannen 'monogaam' was. In alle geïndustrialiseerde landen cirkelt het percentage van mannelijk ontrouw rond de 70 %. Ook de vrouwelijke ontrouw neemt toe. Naarmate gehuwde vrouwen zich beter tegen ongewenste zwangerschap kunnen beschermen kunnen ze langere periodes van hun leven kinderloos doorbrengen en naarmate ze meer en meer ook maatschappelijk werken worden ze onafhankelijker van de seksuele arbeidsdeling in het huwelijk. Recente cijfers wijzen zelfs op grotere en vroegere ontrouw van vrouwen. De vrouwen zijn hun achterstand in een voorsprong aan het omzetten. Bij de werkelijk uitgevoerde ontrouw moet ook gevoegd worden de geweldige toename van de ontrouw in fantasie, die gepleegd wordt met imaginaire partners in romans of met beelden.

De wereldhistorische triomf van de feitelijke monogamie is dus evenzeer de wereldhistorische triomf van de ontrouw. En dat komt niet in het minst omdat de stoet der monogamen langs alle kanten wordt belaagd, vroeger door ronselende haremhouders, vervolgens door pooiers die langs het pad hun waar aanboden, hoe langer hoe meer door verleidelijke don Juans en tenslotte ook door de marsjerenden zelf die naar elkaar beginnen te lonken en steeds vaker van plaats verwisselen. Het pad waarlangs de stoet optrekt wordt bovendien steeds stijler naarmate de pieken van de maatschappij aan de horizon opdoemen. Ofschoon allen vol verwachting aan de tocht begonnen is het enthousiasme in de stoet dan ook niet zo groot. En de deelnemers zien er maar streng uit: dat zijn ze niet alleen voor zichzelf, maar vooral voor elkaar en voor de belagers langs de weg waar ze met boze blikken naar kijken. Heimelijk zouden ze zelf wel langs het pad willen staan, voor zover ze niet liever in het dal waren gebleven om er madeliefjes te plukken op de groene wei.


ONTROUW ALS TROUW AAN DE LIEFDE

De triomf van de ontrouw getuigt ervan dat mensen zich géén levenslange monogamie wensen en noodzaakt ons de monogamie die we overal aantreffen als feitelijke monogamie te bestempelen. Heeft Briffault dan toch gelijk met te zeggen dat monogame mensen nog niet polygaam zijn? Of nog niet promiscu? Uitgerekend de verliefdheid die de mensen ertoe aanzet om ontrouw te worden getuigt van het tegendeel: verliefdheid verlangt naar levenslange en volledige monogamie! Maar dan staan we voor de paradox dat dezelfde verliefdheid die aanstuurt op levenslange monogamie tevens ook de grote oorzaak van ontrouw is. Met welk recht bestempelen we dan de monogamie die we overal aantreffen als feitelijke monogamie?

De paradox dat monogamie zowel gewenst als ongewenst is, lost zich dadelijk op van zodra we ons herinneren welke obstakels de ontplooiing van de liefde in de weg staan. Steeds meer monogame relaties beginnen als gewenste monogame relaties, maar ze moeten even noodgedwongen in ongewenste relaties ontaarden. De feitelijke monogamie is dus aanvankelijk gewenst, maar uiteindelijk ongewenst. Ze is dus slechts een halve getuige voor de monogame natuur van de mens. Pas de ontrouw is zoals reeds Engels opmerkte de ware getuige voor het verlangen naar levenslange en volledige monogamie! Of om het met Havelock Ellis te zeggen: 'Dat huwelijken vandaag veel ongelukkiger lijken komt omdat we steeds minder bereid zijn ongelukkig te zijn en een schijn op te houden' .

Ontrouw kan ofwel tot seriële monogamie leiden en lost zich daarbij op in promiscuïteit, ofwel tot het aangaan van een tweede relatie naast de eerste en lost zich dan op in polygamie. En dan pas begrijpen we dat zoiets als feitelijke monogamie helemaal niet bestaat: elke monogame relatie wordt vroeg of laat onderdeel van een polygaam en promiscu net. Pas als we bij polygamie alleen aan harems denken en de bordelen en slippertjes uit het oog verliezen kunnen we monogamie aan polygamie tegenstellen. En pas wanneer we uit het oog verliezen dat levenslange wederzijdse trouw wellicht nauwelijks voorkomt, kunnen we promiscuïteit tegenover monogamie stellen. Wat bestaat is dus geen monogamie, maar alleen maar een combinatie van polygamie en promiscuïteit.

Maar tegelijkertijd wordt ons ook iets anders duidelijk: dat het polygame en het promiscue tapijt geweven wordt uit de opstapeling van talloze verliefde opstoten, die in principe levenslang en volledig zouden willen worden, maar die om alle genoemde redenen min of meer snel hun elan verliezen.

Pas nu wordt begrijpen we hoezeer de onthoofde maagd voor monogamie getuigt. Dat geldt bij uitstek voor de maagden wier executie wordt uitgesteld: voor de gemilderde vormen van relatieve promiscuïteit, zoals die tot uiting komt in de echtscheidingen die gevolgd worden door nieuwe relaties: de seriële monogamie die H. Fisher ons als menselijk natuur wil opdienen. In het aanschijn van een steeds verslechterende relatie geven velen hun voornemen op om levenslang trouw te zijn aan elkaar en beginnen een nieuwe relatie met dezelfde hoop. Een stap verder leidt tot promiscue seksuele relaties naast een vaste relatie, die men alleen om economische en pedagogische redenen voortzet (hiertoe behoren ook de alimentaties als economisch contract en 'co ouderschap').

Niet alleen promiscuïteit, ook polygamie is en de ontkenning, én de heimelijke getuige van het monogame verlangen. We wezen er reeds op hoe bij aanvullende polygamie de afzonderlijke onderdelen die normaal in één relatie worden beleefd over meerdere gespecialiseerde partners worden verdeeld en dus in feite verdoken monogamie zijn. We kunnen deze analyse iets verdiepen. Het verlangen naar monogamie schept tegelijkertijd het onvermogen om te scheiden van wie men niet meer liefheeft én het verlangen om een nieuwe relatie aan te gaan. Men wil een nieuwe eenmansrelatie zonder in staat te zijn de oude echt af te breken. Een eerste monogame relatie wordt uitgebreid tot een tweede, veelal om tekorten in de ontplooiing van de eerste aan te vullen: vaak neemt men een tweede vrouw bij onvruchtbaarheid van de eerste of bij (aan de vrouw toegeschreven) onvermogen om jongens te produceren. Veelal zijn het niet zozeer betere moeders die gezocht worden, dan wel betere seksuele partners. Wanneer ook de tweede het laat afweten komt een derde, en zo verder, tot zover het economisch, fertiel en seksueel vermogen van de man (of van de vrouw!) reikt. Volgens dit patroon worden de meeste harems uitgebouwd of de verdoken vormen ervan: monogaam huwelijk met slippers of hoererij. In die zin is polygamie een verdichting van het conflict dat door de monogame wens geproduceerd wordt. Hoezeer deze analyse klopt moge ook blijken uit het feit dat er nooit sprake is van iemand die tegelijkertijd op meerdere partners verliefd wordt en met hen allen een levenslange relatie aangaat, waarin allen tegelijkertijd minnaressen zijn, gezamenlijk zwanger zijn enzovoort. Men wordt slechts op één partner verliefd en harems (of polygame relaties in het algemeen) worden dan ook steeds stapsgewijze op basis van 'seriële verliefdheid' uitgebouwd. Deze relatie tussen polygamie en ontrouw was wellicht de aanleiding voor Mahomed Effendi, Turkse Ambassadeur in Frankrijk, om tegen de filosoof Hume te zeggen: 'Christenen ontslagen zich van de lasten door hun seraglio onder te brengen in het huis van hun vrienden' .

De wereldhistorische triomf van de monogamie is dus niet alleen de wereldhistorische triomf van de ontrouw, maar daarmee ook die van de polygamie én van de promiscuïteit. En pas déze triomf getuigt unisono: niet van de polygame, promiscue natuur of perverse natuur van de mens, maar van het oerverlangen naar een levenslange en volledige monogamie!

De mens heeft dus wel degelijk een 'oernatuur' op vlak van liefde, maar deze natuur is plastisch in de perverse, promiscue en polygame dimensie. Het is dus niet fout om naar een menselijke natuur te zoeken, maar wel om daarbij alleen aan de 'driften' te denken en niet aan de hogere functies en vooral om zich deze als onplastisch voor te stellen, laat staan ze als norm op te dringen. Uiteenlopende waarden op de drie coördinaten waarlangs de oerliefde kan variëren, bieden voor uiteenlopende mensen op uiteenlopende plaatsen en in uiteenlopende tijden telkens andere bevredigingsmogelijkheden. En vermits er een oerliefde is kan er ook geen geschiedenis zijn ervan, maar alleen een geschiedenis van de manier waarop ze zich in haar drie dimensies min of meer ver van het nulpunt verwijdert. De oerliefde was dus geenszins een werkelijkheid in een verloren Atlantis. Het ziet er veeleer naar uit dat haar beschadiging, eerst door de nog ongelijke strijd tegen de natuur, maar vervolgens door de maatschappij die de kansen in deze strijd kan keren, pas in een utopische toekomst hersteld zal kunnen worden. In afwachting van dit omega van de geschiedenis realiseert de oernatuur zich uitsluitend in promiscue, perverse en polygame varianten. De geschiedenis verandert niet onze natuur, maar onze natuur vraagt geschiedenis om gerealiseerd te worden. Zou voor de geboorte van de liefde niet gelden wat Nietzsche schreef over de dood van God: 'Dit gebeuren is te groots, te ver weg en het gaat zozeer elke bevatting te boven, als dat de tijden ervan al zou kunnen zijn doorgedrongen'. Het is wachten op welwillende oren.

Het zal inmiddels duidelijk geworden zijn dat men alleen kan trouw zijn aan de liefde door op de drie coördinaten zo dicht mogelijk de kern te willen benaderen, niet door aan allen levenslange monogame trouw op te leggen. Alleen door in een ditmaal échte ascese en wel een ascese die zich als ascese, en niet als volheid begrijpt te verzaken aan elke centrifugale verlokking kan men trouw zijn aan de liefde.


HET NOODZAKELIJKE FALEN VAN DE LIEFDE

We hebben inmiddels afdoende geanalyseerd waaraan het onvermogen te wijten is om de levenslange monogame verliefdheid te realiseren. We achten daarvoor een hele reeks factoren verantwoordelijk. We zetten ze nog even op een rijtje: de verduistering door concurrenten op de piramide leidt tot zelfverachting en maakt de partner tot tweedekeus; de onwil om van het exhibitionistische theater afgevoerd te worden en onder te gaan in zwangerschap ontketent de perverse trend; door het ontstaan van de maatschappij ontaardt de coïtus in simultaneïteit van verkrachting en diefstal; de noodzaak om maatschappelijke relaties aan te gaan maakt dat allen blijven hinken op één been, zodat niemand meer de eerste en de laatste is; ten slotte maakt het wegvallen van geslachtelijke arbeidsdeling het mogelijk te overleven zonder liefdespartners.

Bij alle hinderpalen die we reeds kennen moeten we na onze analyse van verliefdheid nog de twee volgende voegen.

Niets garandeert dat er zoals in Aristophanes' verhaal voor elke man een geschikte vrouw is en nog minder garandeert dat hij die zou vinden als zij er was. Niets garandeert vervolgens dat de geschiktheid, die op het moment van de verliefdheid aanwezig lijkt, stand zal houden tot in de eeuwigheid. Een mooie vrouw is niet noodzakelijk een goede medewerkster; een goede moeder of een goede bejaardenhelpster. En van het eerste gezicht waar we verliefd op worden is zoiets niet af te lezen. Niets garandeert tenslotte dat de geschiedenis van de maatschappelijke relaties van elk lid van het paar een gelijk verloop zal kennen (qua prestige bijvoorbeeld). Zwangerschappen treffen vrouwen anders dan mannen, man en vrouw doorlopen een andere carrière en leren andere vrienden kennen enzovoort. Dat is een vierde theorie die ditmaal op juiste gronden verklaart waarom de verliefdheid voorbijgaand is. Ortega y Gasset meent dat liefde principieel eeuwig is: 'Een echte liefde, die in het diepste van de persoon zijn wortels vindt, kan nauwelijks sterven. Ze is voor altijd in de voelende ziel ingebed'. Maar met de verandering van de persoonlijkheid van de geliefde gaat ook de wezensverwantschap verloren. 'De persoonlijkheid ondergaat in het verloop van het leven twee of drie grote veranderingen, die als verschillende stadia van éénzelfde morele ontwikkeling zijn'. 'Kan het dan een toeval heten, dat het aantal echte liefdesrelaties, die een normaal mens pleegt aan te gaan, hetzelfde is: twee of drie?'. Of om het met Alberoni te zeggen: 'In een wereld die voortdurend verandert, veranderen ook de mensen van wie wij houden; zij worden anders en willen andere dingen. Daardoor komt het dat verhoudingen tussen partners slechter worden. Daardoor komt het dat mensen breken met oude vrienden, dat zij ruzie maken met hun kinderen'. Of concreter en plastischer met F. Giroud: 'Je hield van een vurige en armlastige jongeman die schrijver wilde worden...Je zit tenslotte met een industrieel die zich zorgen maakt over zijn betalingstermijnen. Je hield van een dromerige en kwetsbare jonge vrouw...Je ligt tenslotte in bed met een Boeing-pilote'

Een tweede belangrijke hinderpaal die we nu in alle omvang kunnen waarderen, is de toenemende culturele verscheidenheid die de kans dat men op gelijken stuit heel klein maakt. Verliefdheid ontstaat door de waarneming van eenheid en leidt naar een verlangen om de verschillen uit te vlakken. In uniforme hordes of stammen zal er niet veel uit te vlakken geweest zijn. In onze tijd echter zijn de mensen aan zo'n uiteenlopende invloeden blootgesteld, dat zoeken naar een geestesverwant neerkomt op het zoeken naar een naald in de hooiberg. Michelet is één van de weinigen die daarop wijst en er in tegenstelling tot figuren als Alberoni tegelijkertijd de eis aan koppelt dat de gelijkheid geschapen moet worden: 'In onze moderne tijden bemint liefde niet wat ze aantreft, maar wat ze schept' . Dat geldt vooral voor de verscheidenheid inzake opvattingen over relaties zelf: de meest uiteenlopende voorstellingen zijn daarover in omloop. Het is reeds een hele opgave te weten te komen hoe de partner zich een relatie voorstelt, laat staan de partner te vinden die er dezelfde opvattingen op nahoudt. Bovendien kan elke partner terugvallen op vroegere modellen of ontvankelijk worden voor nieuwe. Men start met de gedachte een huisvrouw te hebben, maar die blijkt plots maatschappelijk te willen gaan presteren; men start met het idee dat al het werk gelijk verdeeld moet worden, maar de ene wil plots niets meer in het huishouden doen; men heeft kinderen gemaakt, maar men wil plots allebei doen alsof er geen zijn; men start met het idee van echtelijke trouw, maar één van beide vindt plots dat er een open huwelijk moet komen of een polygame harem of dat slippertjes moeten mogelijk zijn, of een van beide ontdekt plots zijn verborgen homoseksuele of lesbische natuur; men dacht van elkaar te houden, maar één van beide vindt plots dat vriendschapsrelaties of relaties met de ouders primeren enzovoort. Dat er zoveel verschillende opvattingen over de liefde in omloop zijn, zou niet zo dramatisch zijn, ware het niet dat ze vaker de kwaal zijn dan de remedie ervoor.

We hebben in de negen voorafgaande hoofdstukken de seksuele miserie in al haar facetten beschreven en geanalyseerd. Pas in de drie volgende hoofdstukken zal één en ander in een ruimte perspectief worden geplaatst en het beeld nog schrijnender maken.




© Stefan Beyst.


 fndeel fbvolg    twitter
 
ontdek
mijn nieuwe e-boek:

zelfomslag


het zelfbeeld
tussen spiegel en dagboek

eXTReMe Tracker