het zelfbeeld tussen spiegel en dagboek

epiloog over het zelfbewustzijn




Nu we het zelfbeeld in al zijn aspecten hebben bestudeerd, loont het om nog even stil te staan bij de rol die het speelt bij de uitbouw van het bewustzijn dat we hebben van ons eigen zelf en van dat van onze medezelven - om ons er terdege bewust van te worden hoezeer mensen niet zozeer verhalen zijn, dan wel beelden in het algemeen - of gewoonweg lucht.


KLEINE GENEALOGIE VAN HET ZELFBEWUSTZIJN

Hinter deinen Gedanken und Gefühlen, mein Bruder, steht ein mächtiger Gebieter, ein unbekannter Weiser - der heisst Selbst.
Nietzsche, Zarathustra.

In zijn meest rudimentaire vorm bestaat het zelfbewustzijn uit de waarneming van interne indrukken zoals pijn, of honger en andere 'behoeften' of 'driften'. Bij beweging komt daar de waarneming bij van het eigen lichaam als oppervlak over een volume in de ruimte. Bij sociale interactie - van relaties tussen prooi en roofdier tot relaties tussen sociale wezens - wordt het zelf er zich van bewust dat zijn uiterlijke verschijning reacties oproept bij derden. Er ontstaat dan een splitsing tussen verschijningen van het zelf die alleen toegankelijk zijn voor het zelf, en verschijningen die ook toegankelijk zijn voor derden. Van de verschijningen voor derden is de auditieve verschijning integraal waarneembaar door zowel derden als het zelf. Van de visuele verschijning is alleen het handelen van onze handen zichtbaar voor onszelf, terwijl het centrale onderdeel - het gelaat - alleen zichtbaar is voor derden. Om ongewenste reacties te vermijden kan het zelf zijn aangezicht verbergen, maar doeltreffender is veinzen - de uitdrukking op het gelaat te verbergen door er een andere te produceren die dan een masker is - of door ze aan het zicht te onttrekken. Daarbij ontstaat de splitsing tussen openbaar en verborgen zelf. Van dat verborgen zelf blijft het visuele principieel zichtbaar - en dat lokt het gluren of bespieden van derden uit, wat op zijn beurt wordt verinnerlijkt als het gevoel te worden bekeken door een alziend oog, dat we meestal situeren achter en boven ons. Alleen onze auditieve verschijning kan effectief worden verborgen als innerlijke stem die alleen door onze 'innerlijke oren' wordt gehoord. Tot onze onhoorbare verschijningen behoren ook de stemmen waarmee we onszelf beslissend, goedkeurend of afkeurend, gebiedend of verbiedend, toespreken. Daarbij beoordelen we niet alleen ons voor allen zichtbare daadwerkelijke gedrag, maar ook onze voor derden onzichtbare intenties (de 'wil' van het 'ik') en neigingen ('driften)'. Daardoor dreigt ook het verborgen zelf aan onze eigen waarneming te ontsnappen en op te gaan in het al immense niet-waargenomen deel van wat zich in ons organisme afspeelt zonder ooit bewust te kunnen worden - Nietzsches Selbst als 'mächtiger Gebieter,' en 'unbekannter Weiser'.

Die vele vormen van rechtstreekse waarneming van het zelf door het zelf en door derden worden aangevuld met de waarneming van natuurlijke zelfbeelden: de talloze herinneringen aan de waarneming van ons zelf door onszelf en door derden, die met zijn alle een tweede laag van het zelf uitmaken: het herinnerde zelf als uitbreiding van het actueel waargenomen zelf. In de herinnering van allen die het ooit hebben waargenomen, verschijnt het zelf voortaan als beeld, in effigie, en wel onafhankelijk van de actuele tegenwoordigheid van de drager van die verschijningen (het lichaam). Anders dan waarnemingen die elkaar almaar opvolgen en daarmee opheffen, blijven herinneringen zo lang bestaan als de hersenen waarin ze zijn opgeslagen. Het zelf dat we achter al deze verschijningen aanwezig achten, vermenigvuldigt zich zodoende in de tijd en in de ruimte. In de tijd, want het bestaat niet langer uit één enkele vluchtige actuele waarneming, maar uit een groeiend aantal durende herinneringen aan verleden toestanden. In de ruimte, want uiteenlopende aantallen herinneringen verschijnen niet alleen in de geest van het zelf, maar ook in die van allen die het ooit hebben waargenomen. Het actuele zelfbewustzijn breidt zich zodoende uit tot het bewustzijn van een zelf als durende entiteit - het historisch zelf - die verschijnt in evenveel gedaantes als er herinneringen zijn in de geest van zowel zelf als derden. Dat legt de basis voor een conflict tussen de actuele verschijning van het zelf en herinneringen aan verleden verschijningen, bij zowel het zelf als bij derden. Want niet al deze verschijningen zijn even memorabel, zodat er een tegenstelling ontstaat tussen het zelf dat wil worden herinnerd en het zelf dat wil worden vergeten - of 'herdicht'. In het geheugen van het zelf verdwijnen of veranderen daarbij andere herinneringen dan in het geheugen van derden. Zo komt het dat wat het zelf voor zichzelf wil verbergen, kan overleven in het bewustzijn van derden. Wat daar toegankelijk is voor derden, is verborgen voor het zelf - en is daarmee de antipode van het verborgen zelf dat alleen toegankelijk is voor het zelf, maar verborgen voor derden. Dat ligt aan de basis van onzekerheid over wat derden van het zelf weten en wat niet, maar ook van de strijd om het juiste zelfbeeld, die pas tot ontplooiing kan komen door de introductie van kunstmatige beelden (bij uitstek zelfverhalen).

Naast de waarneming van het actuele en het verleden zelf, is er, vervolgens, een almaar in belang toenemende derde laag: de waarneming van kunstmatige zelfbeelden, waarneming die niet langer uitgaat van een zelf dat werkelijk aanwezig is of was, maar van door de mens gemaakte beeldmedia. Daar zijn al van oudsher de voorstellingen die in het bewustzijn van onszelf en derden worden opgewekt door de verhalen die over ons worden verteld of die wij aan derden vertellen. Sedert de uitvinding van het schrift voegt zich bij die mondeling doorgegeven verhalen een nieuwe laag van zelfverhalen die zijn neergeschreven door het zelf of door anderen, en die sedert de uitvinding van de boekdrukkunst op steeds grotere schaal worden verspreid. Sedert de uitvinding van de spiegel, de schilder- en beeldhouwkunst, maar vooral van de fotografie, bij uitstek de digitale fotografie, wordt het visuele zelfbewustzijn uitgebreid met op steeds grotere schaal vermenigvuldigde en/of gedistribueerde beelden van de eigen visuele verschijning. Sedert de uitvinding van de geluidsopname komen daar de auditieve beelden bij - opnames van ons spreken - en sedert de uitvinding van de audiovisuele opnames ook nog audiovisuele beelden. De waarneming van een zelf is voortaan niet langer afhankelijk van de actuele tegenwoordigheid ervan, noch van de herinnering aan de waarneming van een zelf dat ooit tegenwoordig was: ze is nu overal mogelijk waar visuele, auditieve, audiovisuele zelfbeelden verschijnen en waar zelfverhalen worden verteld of zijn te lezen - ook door waarnemers die het oorspronkelijke zelf nooit hebben gezien: talloze mensen hebben weet van figuren als Hitler zonder ze ooit te hebben gezien. Dat schept nieuwe mogelijkheden voor het vertonen van een openbaar zelf: het zelf kan zijn verschijning idealiseren en bezwarende beelden trachten te verbergen of te vernietigen. Maar het schept evenzeer nieuwe mogelijkheden voor derden die in een beeld openbaar kunnen maken wat het zelf zou willen verbergen of vergeten, of die, als tegenhangers van idealiserende beelden, ontwaardende beelden in omloop kunnen brengen. En dat is op zijn beurt weer aanleiding tot het maken van opwaarderende zelfbeelden (apologie, mémoires). De tegenstelling tussen verschillende versies van het zelf, die ontstaat door begluren en differentieel selectief herinneren, wordt pas door tussenkomst van beelden (bij uitstek zelfverhalen) van potentiële tot actuele tegenstelling. Het zelfbeeld wordt zodoende een creatie die voortdurend - en letterlijk dialectisch - in wording is, en die zich hoe langer hoe meer van de concrete waarneming losmaakt, omdat de blijvende aanwezigheid van beelden de vluchtige waarnemingen van de kaart veegt en de plaats inneemt van herinneringen - denk slechts hoe ons beeld op Hitler zou zijn geweest als de Nazi's hadden gewonnen. Dat het zelf nu overal verschijnt waar beelden ervan opduiken, is uiteraard ook nog eens aanleiding tot een nog sterkere vermenigvuldiging van het zelf in tijd en ruimte dan al het gevolg was van de herinnering - denk slechts aan de alomtegenwoordige zelfbeelden van popsterren die via internet en de media worden gedistribueerd, of aan de audiovisuele en voorgestelde zelfbeelden van figuren als Hitler, Napoleon, Djenghis Kahn of Alexander de Grote - om nog maar te zwijgen van die van Boeddha, Jezus en Mohammed, en dan hebben we het niet eens over de zelven die al helemaal geen historische wortels hebben maar pure creaties zijn van de menselijke geest - van Don Quichote en Robinson Crusoë tot Donald Duck.

De verschijningen van het zelf, die zich al losmaakten van het zelf waar ze van uitgaan door voort te bestaan als herinneringsbeelden in het geheugen van het zelf en derden, worden door het dupliceren ervan in kunstmatige beelden, die telkens opnieuw waarneembaar zijn voor een steeds toenemend aantal derden op steeds meer plaatsen, in principe alomtegenwoordig en eeuwigdurend. Terwijl waarnemingen van het zelf vluchtig zijn en eenmalig, evenals gebonden aan één enkele plaats en tijd, kunnen natuurlijke herinneringsbeelden almaar opnieuw worden opgehaald zolang het organisme voortbestaat dat ze zich herinnert. Kunstmatige beelden heffen ook nog deze laatste beperking op: ze gaan uit van in de tijd voortbestaande en in de ruimte vermenigvuldigde vervanglichamen, die almaar opnieuw kunnen worden waargenomen. In de limiet kan dus elke verschijning die het zelf ooit heeft vertoond op alle plaatsen en in alle tijden worden waargenomen. En omdat we van elke verschijning veronderstellen dat ze uitgaat van het onderliggende zelf, wordt ook elke fase uit het bestaan van het zelf in principe eeuwigdurend en alomtegenwoordig - wat nog niet betekent dat het onderliggende zelf onsterfelijk zou worden. Totaal onafhankelijk van het almaar uitdijende universum van zelfbeelden die almaar meer verschijningen van het zelf teleporteren naar almaar nieuwe plaatsen en tijden, blijft het enige en ene werkelijke zelf waar ze van uit gaan intussen onverstoord het eenmalige lineaire traject van geboorte naar dood doorlopen, daarbij almaar weer de vorige gedaante inruilend voor de volgende, in het eeuwige nu - de enige en ene werkelijkheid. Bij andere - imaginaire - zelven is zo'n werkelijk oorsprong van de beelden nooit meer dan een vage aanleiding geweest, en nog andere - puur verzonnen zelven - hebben er niet eens een gehad.

Zo verbleekt onder de almaar uitbreidende laag van alomtegenwoordige en onsterfelijke beeldmedia het belang niet alleen van het actuele zelfbewustzijn van het werkelijke zelf in de kern, die bij imaginaire zelven al helemaal niet meer is aan te treffen, maar ook het belang van de tweede laag van herinnerde zelfbeelden, die - of ze nu behoren tot le temps perdu of tot le tempes retrouvé - slechts duren tot de dood van de dragers ervan. Zo komt het dat we op de duur niet meer leven in het almaar veranderende nu van de werkelijk waargenomen wereld, maar in de onveranderlijke, eeuwigdurende wereld van het beeld - niet langer onder de telkens weer andere constellaties van de planeten, maar onder de vaste sterrenhemel waar waarnemingen en fantasieën in de orbis pictus van eeuwigdurende beelden werden bijgezet. Dat geldt zoals niet alleen voor het leven van helden, goden, en sterren, maar ook voor ons eigenste verleden, waar wij alleen bestaan uit de al dan niet vertekende herinneringen die we van het bestaan van ons werkelijke zelf hebben en uit de beelden die van ons zijn gemaakt. Ons werkelijke zelf is alleen in elk nu werkelijk, terwijl het zelf dat we denken te zijn 'alleen' een verzameling is van natuurlijke en kunstmatige beelden die al van meet af aan ons sterfelijke lichaam overleven, en in al hun onwerkelijkheid niettemin onze werkelijke onsterfelijke ziel zijn.

Merken we op dat van de zelven die werkelijk hebben bestaan, naast natuurlijke en kunstmatige beelden ook nog de 'werken' overleven: alle mogelijke sporen van de activiteit ervan. In zoverre ze - in de regel vanwege hun belang - herkenbaar zijn als werken van een welbepaald zelf, roepen die op hun beurt de herinneringen op niet zozeer aan de natuurlijke beelden uit ons eigen geheugen, voor zover we die al hebben, maar vooral aan de beelden die we van het zelf in kwestie hebben waargenomen.

Blijkt dus dat zelfbewustzijn - het bewustzijn van zowel ons eigen zelf als dat van anderen - een gelaagd fenomeen is dat is opgebouwd uit rechtstreekse waarneming van het zelf, herinneringen aan waarnemingen van het zelf, waarneming van kunstmatige beelden van het zelf, en waarneming van 'de werken' van het zelf. Blijkt tevens dat zo'n zelfbewustzijn geen sluitend geheel is, maar een allegaartje van fragmenten uit diverse bronnen dat tendentieel tot een sluitend geheel wordt gesynthetiseerd door combinatie, exclusie en herformulering.


PARADOXEN VAN DE TIJDRUIMTELIJKE EXPANSIE VAN HET ZELFBEELD

De invoering van het kunstmatige beeld vergroot het aantal mogelijk waarnemingen van een toenemend aantal verschijningen van het zelf. Dat zou in principe kunnen leiden tot een steeds betere kennis van het zelf, zowel in de diepte als in de breedte. Om te beginnen leren we - in de diepte - onszelf beter kennen. Al de spiegel geeft ons toegang niet alleen tot wat tot nog toe alleen derden zagen, maar vooral tot verborgen visuele verschijningen die we alleen aan onszelf in de spiegel tonen. En de min of meer duurzame kunstmatige beelden - de visuele, auditieve, audiovisuele, en voorgestelde, bij uitstek die van het geheime dagboek - geven toegang tot een toenemend aantal verleden verschijningen van het zelf die we anders dreigen te vergeten of te vertekenen. Maar de invoering van het beeld vergroot vooral - in de breedte - de toegang tot het zelf van anderen. Aanvankelijk is slechts hun openbare zelf waarneembaar, en wel slechts gedurende het tonen, want na de vertoning verdwijnt de verschijning voor altijd in het zwarte gat van wat als verleden voor altijd onwaarneembaar is geworden. Kunstmatige beelden verschaffen ons toegang tot almaar meer verschijningen van almaar meer derden, waarvan we de meeste nooit zelf hebben waargenomen. Maar vooral verschaffen ze ons toegang tot wat die derden niet tonen, en wat anders alleen stiekem toegankelijk is door begluren, afluisteren, betrappen: want dat wordt almaar makkelijker door de toename van het aantal al dan niet verborgen camera's. Maar het geldt bovenal voor het doelbewuste blootgeven van dat verborgen zelf: al is dat denkbaar zonder tussenkomst van het beeld - denk aan de biecht of aan het gebeuren op de sofa - pas door tussen zelf en toeschouwer het beeld te schuiven, wordt niet alleen censuur in extremis mogelijk, maar bespaart het zelf zich vooral de schaamte om in vivo bij zijn zelfonthulling tegenwoordig te zijn: materiële dragers nemen voortaan die taak op zich, en wel op een schaal die ondenkbaar is bij live opvoering.

Daar staat tegenover dat het opbod bij het onthullen van een zo spectaculair mogelijke verborgen zelf ertoe leidt dat men een verborgen zelf gaat veinzen - zodat het weer tot openbaar zelf wordt dat het 'ware zelf' verbergt. Daarbovenop leidt de trivialisering van de productie van kunstmatige beelden tot het wegvallen van de noodzaak om zich toe te leggen op relevante verschijningen: gestandardiseerde verschijningen zoals de duckface doen de belangstelling voor vreemde zelven alleen maar afnemen. En datzelfde trivialiseren leidt er, ten slotte, toe dat er een overkill komt aan te consumeren beelden: er is gewoonweg geen tijd om de almaar aangroeiende beeldenberg te bekijken, te beluisteren, of te lezen - laat staan dat er, gezien de afnemende relevantie, ook interesse voor zou bestaan. De beelden worden zo talrijk, dat ze, als ze al worden bewaard, nauwelijks nog méér dan eenmaal worden bekeken, zodat ze elkaar gaan vervangen, niet anders dan de gewone waarnemingen van het zelf in de werkelijke wereld die ze geacht werden te vereeuwigen - met dien verstande dat er nu op elke plaats veel meer zelven te zien zijn dan toen er nog geen kunstmatige beelden waren. Dezelfde mens die tot voor een paar duizend jaar niet meer gezichten kende dan er hem in zijn horde aankeken, werd na de ontwikkeling van de steden en staten niet alleen aangestaard en bekeken door een vooral de laatste decennia in duizelingwekkend tempo aangroeiend aantal zelven, maar ook nog eens bedolven onder de almaar groeiende berg van beelden waarin dat toenemend aantal zelven zich ook nog eens in eens in ruimte en tijd ging vermenigvuldigen.

Zo komt het dat het zelf enerzijds op almaar meer plaatsen gaat verschijnen in een steeds meer aangroeiend aantal beelden van almaar meer fragmenten uit zijn bestaan, maar dat het anderzijds almaar meer dreigt te worden herleid tot het laatste beeld dat naar een min of meer grote schare ontvangers werd gedistribueerd - exemplarisch in de almaar langer wordende tijdslijn op Facebook, waar we telkens slechts de laatste post van waarnemen.


DIFFERENTIËLE TIJDRUIMTELIJKE EXPANSIE VAN HET ZELF

Although engulfed and swept along without rest by the innumerable crowd of those similar to them, they suffer and drag themselves along in an opaque intimate solitude, and in solitude they die or disappear, without leaving a trace in anyone's memory.
Primo Levi, If this is a man.

We schreven 'dreigt te worden herleid': want dat lot treft niet alle zelven in gelijke mate. De tijdruimtelijke expansie van het zelf is immers differentieel. Om te beginnen zijn niet alle zelven even belangrijk. Hoe belangrijker ze zijn, hoe meer men erop uit is om ze waar te nemen en ze zich te herinneren, en vooral: om er beelden van te maken - waarbij de mate waarin de laag van de kunstmatige beelden die van de natuurlijke overtreft, en de herinneringslaag die van de waarneming, een betrouwbare maat is voor het belang. En, vervolgens, zijn niet alle verschijningen van een zelf even interessant. Alleen belangrijke verschijningen wil men waarnemen, koesteren in de herinnering, en vereeuwigen en vermenigvuldigen in een kunstmatig beeld. Hoe belangrijker een zelf, hoe groter de kans dat het meer belangrijke verschijningen vertoont, hoe omvangrijker het aandeel kunstmatige beelden in verhouding tot herinneringen of waarnemingen van het overige bestaan van het zelf.

Terwijl het tot zijn hoogtepunten gereduceerde, en onder deze geïntensifieerde vorm in tijd en ruimte uitgedragen leven van uitverkoren zelven almaar verder uitstraalt, verbleekt het leven van de vielzuvielen in toenemende mate tot een aaneenschakeling van faits divers die almaar banaler lijken, en daarom almaar achtelozer worden waargenomen in almaar beperkter kring, alwaar ze op de duur niet eens meer worden herinnerd. De machtsgreep van het kunstmatige beeld doet niet alleen het leven van gewone stervelingen verbleken, maar ook nog de weinig belangwekkende - of niet in het plaatje passende - delen van het leven van de uitverkorenen. Afgezien van hun verwanten of hun personeel, nemen alleen zijzelf die weinig belangwekkende delen waar, en elke herinnering aan het bestaan van dit slechts werkelijke leven nemen ze mee in hun graf. Het in de marge verdwijnen van de waarneming, en het uiteindelijke vervagen van elk herinnering aan het werkelijke leven van zowel uitverkorenen als vielzuvielen, maakt in volle omvang duidelijk hoe van het zelf alleen overleeft wat tot - getrouw of gefantaseerd - kunstmatig beeld wordt. Of hoezeer, omgekeerd, de glorieuze imaginaire zelven het best kunnen stellen zonder het werkelijke zelf van de arme stervelingen die, van geboorte tot dood altijd bij zichzelf tegenwoordig, die eindeloze paternoster van het hier-en-nu moet afbidden - het enige, overigens, wat werkelijk is.

Waarmee ook ons laatste woord over het zelfbeeld is gezegd.


SAMENVATTING


Het zelfbewustzijn bestaat uit de waarneming van het zelf door zowel onszelf als derden. Waarneming door derden zorgt voor een splitsing tussen openbaar en verborgen zelf, die op zijn beurt bespieden of betrappen uitlokt. Deze kern van rechtstreekse waarneming wordt omhuld door een laag natuurlijke zelfbeelden: de herinnering door onszelf en anderen. Het zelfbeeld maakt zich daarbij los van het concrete lichaam, vermenigvuldigt zich in tijd en ruimte, en verdringt het werkelijk waargenomen zelf. Dat leidt tot een vernieuwde strijd tussen openbaar en te verbergen zelf. Rond dit herinnerde zelf breidt zich een tweede laag van kunstmatige zelfbeelden uit: zelfverhalen, maar in toenemende mate ook visuele en auditieve zelfbeelden. Elke verschijning van het zelf wordt daardoor in princpe eeuwig en alomtegenwoordig. Ook hier verdringt het verbeelde zelf het herinnerde, en ontbrandt een strijd om de verbeelding van het ware zelf. De grandioze uitbreiding van het aantal zelfbeelden leidt enerzijds tot een verhoogde toegang tot het eigen zelf en dat van anderen, maar anderzijds ook tot een trivialiseren van de verschijningen. Anderzijds gaat de aandacht uit naar een steeds kleiner aantal uitverkoren zelven, waarvan slechts een beperkt aantal uitverkoren verschijningen tendentieel 'onsterfelijk en alomtegenwoordig' wordt, terwijl de verschijningen van talloze 'vielzuvielen' nauwelijks wordt verbeeld, laat staan herinnerd, voor zover ze al worden waargenomen.