het zelfbeeld tussen spiegel en dagboek

het voorgestelde zelfbeeld

 




Inwerken: herinnering aan vroegere zelf door huidige, en, indienner geen endorsing is, splitsing in 'er' en 'ich', zoals bij Walser. + Leibniz

WAARGENOMEN ZELF, HERINNERD ZELF, EN VERBEELD ZELF

At the great day, when every one shall receive according to his doings,
the secrets of all hearts shall be laid open.

John Locke, Essay concerning Human Understanding.

Das, was wir von uns selber wissen und im Gedächtniss haben, ist für das Glück unseres Lebens nicht so entscheidend, wie man glaubt. Eines Tages strürtz das, was Andere von uns wissen (oder zu wissen meinen) über uns her - und jetzt erkennen wir, dass es das Mâchtigere ist. Man wird mit seinem schlechten Gewissen leichter fertig als mit seinem schlechten Rufe.

Wat we van onszelf weten en ons van onszelf herinneren, is niet zo belangrijk voor ons levensgeluk als men denkt. Op een dag overvalt ons wat anderen van ons weten (of menen te weten) - en merken we dat dit machtiger is. Met een slecht geweten komt men gemakkelijker in het reine dan met een slechte naam.
Nietzsche, Fröhliche Wissenschaft, 52.

Vooraleer in te gaan op het voorgestelde zelf en het zelfverhaal, past het ons nogmaals te buigen over het zelf en het zelfbewustzijn.

Dan blijkt het nodig om onderscheid te maken tussen het waargenomen zelf, het herinnerde zelf, en het verbeelde zelf.

De kern van het zelfbewustzijn wordt - afgezien van de waarneming van het ik als subject van het handelen en waarnemen - gevormd door het waargenomen zelf - de waarneming van wat hier en nu van het zelf waarneembaar is, hetzij door het zelf, hetzij door derden. Als waarneming door het zelf bestaat dit zelfbewustzijn uit de visuele waarneming van de wereld waarin we de zichtbare stukken van ons lichaam situeren; uit de waarneming van de geluiden die we maken, inzonderheid ons spreken; uit de constante waarneming van ons lichaam als tactiel gegeven; uit de waarneming van onze gevoelens, intenties en neigingen, en niet te vergeten: uit het beluisteren van onze innerlijke stemmen. In de loop van de dag komen al deze dimensies in diverse combinaties aan bod: de 'stream of consciousness' die diverse zintuiglijke domeinen doorloopt en daarbij het zelfbewustzijn in andere domeinen tijdelijk buiten spel zet - wat de verkeerde indruk kan wekken dat het zelfbewustzijn daar als zodanig verdwijnt. Als waarneming door anderen omvat dit zelfbewustzijn de visuele verschijning die voor het zelf grotendeels ontoegankelijk is - het gelaat - maar ook het spreken, en bij meer intiem contact de tactiele en oflactieve verschijning - althans voor zover het zelf deze verschijningen niet aan de waarneming van derden onttrekt. Van meet af aan ontoegankelijk voor de waarneming door derden zijn alle innerlijke waarnemingen van het zelf. Al worden de grenzen verlegd door begluren, betrappen of afluisteren, wat van ons zelf door anderen waarneembaar is, is dus veel minder omvattend dan de veelzijdige 'stream of consciousness' waar wij zelf de waarnemers van zijn.

Het zelfbewustzijn als waarneming bestaat uit min of meer lange episodes waarbij indrukken uit uiteenlopende zintuigen zijn verbonden in een soort 'nu-ervaring'. Die episodes worden onderbroken niet alleen als we zodanig opgaan in de waarneming van de wereld dat we ons zelf niet langer bewust waarnemen, maar ook en vooral als we slapen. Bij elke hernieuwde terugkeer tot ons zelf, beschouwen we het huidige zelfbewustzijn blijkbaar als de waarneming van éénzelfde zelf dat ononderbroken bestond vanaf de conceptie tot op heden, en dat ook in de toekomst zal voortbestaan. Het zelf dat wordt geacht ten grondslag te liggen aan alle verleden waarnemingen ervan noemen we het verleden zelf, om het te onderscheiden van het tegenwoordige zelf. Alleen het tegenwoordige zelf bestaat, het verleden zelf bestaat niet meer en het toekomstige zelf bestaat nog niet.

Welnu, heel wat episodes uit het bestaan van dat verleden zelf werden waargenomen en zijn (vanaf een bepaalde leeftijd) opgeslagen in het geheugen. Ze kunnen als herinneringsbeeld opnieuw worden voorgesteld. Het zelfbewustzijn gaat dan naast het waargenomen werkelijke zelf ook het niet langer bestaande herinnerde zelf omvatten: natuurlijke beelden van het zelf. Dat herinnerde zelf omvat maar een fractie van wat er ooit van ons zelf waarneembaar was. Want, al waren we tegenwoordig bij al onze wederwaardigheden, we herinneren ze ons niet allemaal, of niet helemaal zoals ze zich hebben voorgedaan. Dat geldt bij uitstek voor herinneringen uit de vroegste levensjaren. Dat komt onder meer omdat er filters staan op wat wordt herinnerd, naar gelang van de actuele belangen van het zelf - en die kunnen in de loop van het leven aardig anders gaan liggen omdat er veranderingen optreden in de centrale persoonlijke relaties (bv. geslachtsrijp worden, verhuizen, echtscheiding, teloorgang van vriendschap, verandering van gender, school of werk) of in het algehele maatschappelijke, politieke of culturele constellatie (revoluties, oorlogen, mei '68, de triomf van Reagan en Tatcher; en van Deng Xiaoping, de val van het IJzeren Gordijn, 9/11, de bankencrisis- om slechts enkele recente voorbeelden te vermelden). Het voorgestelde zelf bevat niet alleen herinneringen aan het verleden, maar ook - per definitie niet gerealiseerde - fantasieën over zowel verleden als toekomst.

Verschijningen van het verleden zelf overleven niet alleen als herinneringen - als natuurlijke zelfbeelden - maar ook in de kunstmatige beelden die we in vorige hoofdstukken hebben behandeld: in schilderijen, lyrische gedichten en theater, en in visuele, auditieve of audiovisuele opnames. Net zoals herinneringen blijven kunstmatige beelden gedurende kortere of langere periodes onveranderd bestaan, en ze kunnen almaar opnieuw worden waargenomen. Bij het waargenomen zelf en het herinnerde of gefantaseerde zelf voegt zich dus ook het (kunstmatig) verbeelde zelf. Voor zover het geen beelden zijn van imaginaire zelven, waren al deze kunstmatige beelden ooit (min of meer getrouwe) beelden van verschijningen van een voorbije fase uit de levensloop van het zelf. Ze kunnen dus leemtes in de herinnering opvullen of vertekende herinneringen corrigeren, en ze laten het zelf zien hoe anderen het zagen. Wijzen we erop dat door derden gemaakte visuele beelden van het zelf principieel niet in het geheugen van dat zelf kunnen voorkomen, vermits het zichzelf niet kan zien: wat in onze fotoalbums van onszelf is te zien, hebben wijzelf nooit gezien. Dat is zozeer het geval dat je herinneringen die niet teruggaan op foto's kunt herkennen aan het feit dat je er zelf niet op bent te zien. Overigens gaat niet het gehele verbeelde zelf deel uitmaken van het herinnerde zelf: vele kunstmatige beelden gaan verloren, andere zijn niet in ons bezit of bevinden zich buiten ons bereik, we herinneren ons niet alle beelden die we hebben waargenomen - en met heel wat beelden worden we, net zoals met vele herinneringen, niet graag geconfronteerd, ook niet als we ze indertijd uitdrukkelijk voor derden opvoerden, terwijl sommige die we vroeger voor onszelf reserveerden nu eerder naar openbaarheid verlangen.

Ons zelf werd niet alleen waargenomen door onszelf, maar ook door derden, al hebben die alleen toegang tot visuele en auditieve verschijningen, en al nemen ze die alleen maar episodisch waar. Ook zij kunnen vele van die waarnemingen bewaren als herinneringsbeeld. Bij die herinneringsbeelden voegen zich bij hen ook de voorstellingen over wat een zelf doet als zij het niet kunnen waarnemen, exemplarisch in hoe Otello zich het doen en laten van Desdemona voorstelt, of Graham dat van Ann voor ze een relatie met hem aanknoopte in Before she met me van Julian Barnes (1982). Bij deze fantasieën en herinneringen voegen zich ook bij derden de waarnemingen van kunstmatige beelden, die ook als herinnering voortbestaan in hun geest. Omdat zij veel - vooral visuele - verschijningen waarnamen die voor ons ontoegankelijk zijn, omdat ze zich vaak andere episodes uit het leven herinneren (wat bij uitstek het geval is bij ouders die getuige waren van onze eerste levensjaren), omdat ze waarnemingsleemtes graag opvullen met fantasieën, en omdat zij toegang hebben tot andere kunstmatige beelden, kan het zelfbeeld dat derden zich construeren aardig verschillen van het zelf zoals het zichzelf (re)construeert.

Terwijl de betrokkene altijd toegang heeft tot wat voor hem waarneembaar is van zijn tegenwoordige zelf, geldt dat dus slechts in beperkte mate voor zijn verleden zelf - zijn zelfbeeld. Zo ontstaat er een principieel verschil tussen het ooit werkelijke verleden zelf, wat de betrokkene er zich van herinnert, wat anderen er zich van herinneren, en wat is vastgelegd in kunstmatige beelden (foto, audio of film). Na het verborgen gezicht en de verborgen stem die wij aan de waarneming van derden trachten te onttrekken, ontstaat zodoende een nieuwe vorm van verborgen zelf: het zelf dat zich aan het zelf onttrekt - alle stukken van het verleden zelf die het zelf zich niet meer herinnert, maar die voortleven in de herinneringen van anderen of in beelden waar het geen toegang toe heeft, en waarvan het niet noodzakelijk weet welke derden er toegang toe hebben. Het zelfbeeld verschilt dus naargelang een zelf wordt herinnerd door zichzelf dan wel door naaste of verre derden. In alle gevallen is het herinnerde zelf in de geest van derden veel minder omvattend dat het herinnerde zelf in de betrokkene: al herinnert die zich slechts in beperkte mate zijn verleden zelf, wat anderen zich herinneren, is naar tijd en naar omvang nog meer beperkt, en heel wat derden hebben al helemaal geen herinneringen. Om zich daarvan te vergewissen volstaat het om om zich af te vragen wat men eigenlijk weet van zijn ouders, zijn partner, zijn kinderen, al zijn dat zelven die gedurende lange periodes intensief door ons werden waargenomen - en dat geldt nog meer voor verleden persoonlijkheden, hoe beroemd ze ook mogen zijn en hoeveel beelden er ook van hen mogen bestaan.


VERSPREIDEN VAN HERINNERDE EN VERBEELDE ZELFBEELDEN

Hört mich! denn ich bin der und der.

Nietzsche, Ecce homo.
Voilà ce que j'ai fait, ce que j'ai pensé, ce que je fus.
Rousseau, Confessions

Hier komt het zelfverhaal op de proppen als methode om natuurlijke zelfbeelden te verspreiden van zelf naar naaste en verre derden, en omgekeerd. Zeker, ook visuele, auditieve en audiovisuele beelden, komen daarvoor in aanmerking, aanvankelijk alleen voor de meer gegoeden - geestelijken, adel, en rijke burgerij - maar sedert het bestaan van grafische technieken, foto, film, video en geluidsopname in steeds bredere lagen van de bevolking. Maar al sinds de oertijden dé voor allen toegankelijke methode om zelfbeelden te verspreiden, is het vertellen van een - waarheidsgetrouw of verzonnen - zelfverhaal, of de weigering om dat te doen - het verzwijgen. Naast het ons al bekende lyrische of dramatische gebruik van het woorden - het dupliceren van het spreken van een personage om er een beeld van op te roepen - is er immers ook het narratieve - het gebruik van woorden om voorstellingen op te roepen in de geest.

Le lendemain, d'assez bon matin, nous étions tous deux seuls dans la salle d'assemblée ; il recommença ses caresses, mais avec des mouvements si violents qu'il en était effrayant. Enfin il voulut passer par degrés aux privautés les plus choquantes, et me forcer, en disposant de ma main, d'en faire autant. Je me dégageai impétueusement en poussant un cri et faisant un saut en arrière; et, sans marquer ni indignation ni colère, car je n'avais pas la moindre idée de ce dont il s'agissait, j'exprimai ma surprise et mon dégoût avec tant d'énergie, qu'il me laissa là; mais, tandis qu'il achevait de se démener, je vis partir vers la cheminée et tomber à terre je ne sais quoi de gluant et de blanchâtre qui me fit soulever le cœur. Je m'élançai sur le balcon, plus ému, plus troublé, plus effrayé même queje ne l'avais été de ma vie, et prêt à me trouver mal.
Rousseau, Confessions.

Het spreken van het zelf of anderen kan daarbij worden weergegeven ofwel in de indirecte rede, ofwel in de directe rede - als het ons al van in hoofdstuk II bekende auditieve beeld van het spreken. In dat laatste geval worden auditief zelfbeeld (lyriek) en zelfverhaal gemengd.

menging van lyrische en narratieve modus:

Je me disais en soupirant : "Qu'ai-je fait ici-bas? J'étais fait pour vivre, et je meurs sans avoir vécu".
Rousseau, Rêveries du promeneur solitaire
»Da stehen sie«, sprach er zu seinem Herzen, »da lachen sie: sie verstehen mich nicht, ich bin nicht der Mund für diese Ohren.
Nietzsche, Zarathustra

Naast dit mimetische (lyrische, dramatische en narratieve) gebruik van woorden, is er nog een derde: het gewone discursieve, waarbij de woorden noch duplicaten zijn van iemands spreken zoals bij het gedicht of in theater en film, noch voorstellingen oproepen zoals in het verhaal, maar gewoon refereren - in casu naar gebeurtenissen in de levensgeschiedenis, exemplarisch in een agenda, in een pv of in een cv, in een biografisch lemma, of in een geschiedkundige biografie. We kunnen hier alleen in metaforische zin spreken van een zelfbeeld: de term 'zelfteken' - waarover meer in hoofdstuk VI - is meer aangebracht.


HET ZELFVERHAAL
Notre personnalité sociale est une création de la pensée des autres.
Marcel Proust, Du côté de chez Swann
Wat in je jeugd gebeurd is, is dikwijls het gevolg van een voorval op latere leeftijd
Maarten Toonder

Pas door het gebruik van voorstellingopwekkende woorden kan het zelfbeeld als zelfverhaal tot volledige ontplooiing komen.

Om te beginnen kan het voorgestelde zelfbeeld meer zintuiglijke dimensies gaan omvatten dan het visuele en de auditieve: niet alleen uiterlijke zoals tastindrukken, geuren, erotische sensaties, maar vooral innerlijke - naast de ons al bekende innerlijke stem: ook gevoelens, intenties, en wensen. Terwijl in het audiovisuele zelfdrama al de uiterlijke visuele dimensie werd verenigd met de innerlijke auditieve dimensie, wordt hier niet alleen het aantal dimensies van het lichaam uitgebreid, maar vooral dat van de ziel.

Vervolgens laat het gebruik van woorden toe de temporele dimensie almaar uit te breiden. Bij het visuele, auditieve of audiovisuele zelfbeeld valt de tijd van de vertoning of opvoering immers samen met de tijd van het vertoonde: de opname van een handeling of een gesprek duurt even lang als die handeling of dat gesprek zelf. Dat houdt in dat de duur van de in beeld gebrachte periode beperkt blijft tot lyrische of dramatische maten (van een kort gedicht tot een drama van hoogstens een paar uur). Langere periodes bestrijken, of meer dan alleen maar een reeks hoogtepunten in beeld brengen, is alleen mogelijk bij overgang naar de narratieve modus. Het zelfverhaal kan qua duur zeer diverse periodes uit het verleden zelf bestrijken: van een (reeks) momentopname(s) - zoals in het zo dadelijk te bespreken dagboek - over een min of meer lange episode uit het leven - zoals Les rêveries du promeneur solitaire van Rousseau - tot een heuse autobiografie, een levensverhaal - van de bescheiden Vita van Benvenuto Cellini, tot de volumineuze Histoire de ma vie van Casanova. Bij het optellen van episodes kunnen de onderdelen chronologisch worden geordend zoals in het dagboek of de autobiografie, maar ook thematisch zoals in het Ecce homo van Nietzsche.

Net zoals bij het auditieve zelfportret stelt zich bij het zelfverhaal de vraag in hoeverre we kunnen spreken van een zelfverhaal gemaakt door het zelf in het verhaal. Al gaat bij het schrijven het opvoeren van zichzelf samen met het maken van een beeld daarvan, beide momenten moeten niettemin ook hier worden onderscheiden. Pas dan wordt duidelijk dat er een verschil is tussen het zelfverhaal dat wordt neergeschreven en/of voorgedragen door het zelf in het verhaal, en het door derden gemaakte zelfverhaal (voorgelezen door derden of vierden). Is het verhaal in de derde persoon geschreven, dan is van meet af aan duidelijk dat het gaat om een door derden gemaakt (en al dan niet verzonnen) zelfverhaal. Moeilijker liggen de zaken als het verhaal is geschreven in de ik-vorm. Het zelf in kwestie kan dan het zelf van de schrijver zijn, en als die het verhaal zelf vertelt, hebben we te maken met een zelfverhaal gemaakt en voorgedragen door het zelf in het verhaal. Dat schept de verwachting dat wat de schrijver vertelt, beantwoordt aan wat zich werkelijk heeft voorgedaan. Maar, net zoals we bij het auditieve zelfportret niet kunnen nagaan of het zelf in het beeld dat van de maker is dan wel een imaginair zelf, kunnen we bij het zelfverhaal in de ik-vorm onmogelijk vaststellen of wat de verteller vertelt al dan niet een getrouw beeld is van zijn verleden zelf. De schrijver kan dus zijn verbeelding de vrije loop laten. Naarmate het aandeel fantasie toeneemt, wordt het zelfverhaal ongemerkt tot een door derden (de schrijver) bedacht verhaal van een imaginair zelf. Wil de schrijver zich helemaal niet meer laten binden door de eis van de getrouwheid, dan volstaat het om over te schakelen naar de derde persoon met een fictieve naam. Daarom is het verhaal, meer nog dan de lyriek, hét domein van de fictionele zelfbeelden - van sprookjesfiguren, over mythische helden (Gilgamesj, Odysseus) en goden, tot meer profane helden zoals Cervantes' Don Quichote, Melvilles Moby Dick, Victor Hugo's Jean Valjaen, enz. Ook hier blijft echter gelden dat een onthulling des te onthullender werkt, naarmate wat wordt onthuld ook werkelijk is. Daarom ontwikkelden vertellers de bijzondere formule van het zelfverhaal van een imaginair zelf dat wordt verteld in de ik-vorm, waarbij het verzonnen zelf ook nog een verzonnen schrijver is die zijn zelfverhaal vertelt, zoals bij Daniel Defoe's Robinson Crusoe, of Charlotte Brontë's Jane Eyre: An autobiography. Een bijzondere variant van deze formule is als een schrijver die een zelfverhaal schrijft wordt verzonnen bij een historisch figuur, zoals bij Robert Nye's Memoirs of Lord Byron, of bij de Mémoires d'Hadrien van Marguerite Yourcenar.

Net zoals bij de visuele, auditieve, en audiovisuele zelfbeelden, kunnen we ook bij de voorgestelde zelfbeelden onderscheid maken tussen diverse soorten zelfgeschreven zelfverhaal. Bij het officiële zelfverhaal stelt het zelf zich voor zoals het wil gezien worden door derden: het verhaal van wat het zelf als zijn exploten beschouwt (vergelijkbaar met de stunten van Van Eyck en Dürer, Velazquez en Courbet). Dat is het geval met de Commentarii de Bello Gallico van Julius Caesar, de Ecce Homo van Nietzsche, In Stahlgewittern van Ernst Jünger, en - negatief - met Primo Levi's If This Is a Man. In het bekennende of opbiechtende verhaal - van de Confessiones van Augustinus, over het Secretum meum (dialoog met Augustinus) van Petrarca, tot de Confessions van Rousseau - openbaart het zelf wat het normaal verbergt. En vermits vooral dit soort onthullingen wordt gewaardeerd, begint ook hier een opbod in transgressie: van het schandaleuze zelfverhaal, zoals al bij Abélard en Héloise, over de Vita van Benvenuto Cellini, of The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman (1759 ff) van Laurence Sterne, tot My secret life van Walter. En, omdat tot het verborgen zelf hier ook het zelf behoort dat wordt herinnerd door derden, maar vergeten of verdrongen door het zelf, is het zelfverhaal het domein bij uitstek van de onthulling van het verborgen zelf door derden: naast het betrappende beeld nu ook het - al dan niet - bezwarende zelfverhaal. Al sedert Socrates worden zo'n bezwarende verhalen steevast weerlegd door de apologie, of in een ander daglicht gesteld door de mémoires. Bij het visuele, auditieve en audiovisuele beeld is het maken van een 'tegenbeeld' veel minder vanzelfsprekend. Dat komt omdat het maken van beelden lange tijd heel duur was, maar sedert de trivialisering van de productie ook omdat opnames niet zomaar te ensceneren of te manipuleren zijn: zowel het in omloop brengen als het ontkrachten van bezwarende beelden ligt dus niet voor de hand. Bij het zelfverhaal ligt dat anders: met woorden kan om het even welk verhaal worden opgehangen, maar evengoed ontkracht door een tegenverhaal. Daarom wordt de strijd om het ware zelfbeeld vooral verbaal beslecht, ook als hij werd ingezet door het in omloop brengen van bezwarende of ontwaardende visuele, auditieve of audiovisuele beelden.

wat het zelf meemaakte:

Der Hohlweg und das Gelände dahinter lag voll Deutscher, das Gelände davor voll Engländer. Aus den Böschungen starrten Arme, Beine und Köpfe; vor unseren Erdlöchern lagen abgerissene Gliedmaßen und Tote, über die man zum Teil, um dem steten Anblick der entstellten Gesichter zu entgehen, Mäntel oder Zeltbahnen geworfen hatte. Trotz der Hitze dachte niemand daran, die Körper mit Erde zu bedecken.
In Stahlgewittern, Ernst Jünger
wat het zelf deed:

I replied:Most excellent my lord, upon the piazza are now standing works by the great Donatello and the incomparable Michel Angelo,
the two greatest men who have ever lived since the days of the ancients.
But since your Excellence encourages my model with such praise, I feel the heart to execute it at least thrice as well in bronze.
Benvenuto Cellini in zijn Vita over zijn Perseus
wat het zelf fantaseert:

Oh, to climb into a corner, well-hidden under the coal, and to stay there quiet and still in the dark, to listen endlessly to the rhythm of the wheels, stronger than hunger or tiredness; until, at a certain moment, the train would stop and I would feel the warm air and the smell of hay and I would get out into the sun; then I would lie down on the ground to kiss the earth, as you read in books, with my face in the grass. And a woman would pass, and she would ask me "Who are you?" in Italian, and I would tell her my story in Italian, and she would understand, and she would give me food and shelter. And she would not believe the things I tell her, and I would show her the number on my arm, and then she would believe....
Primo Levi, If this is a man

If ever I write again, in the sense of producing artistic work, there are just two subjects on which and through which I desire to express myself: one is ‘Christ as the precursor of the romantic movement in life’: the other is ‘The artistic life considered in its relation to conduct.’
Oscar Wilde: de ¨profundis
opbiechten van wat het zelf misdeed:

Neem mijn liefste kip, Pauwtje. Zogezegd ‘speelde’ ik daar altijd zo ‘lief’ mee. Maar als niemand het zag, schopte ik haar soms, of liet ik haar met opzet in een openstaande muizenklem trappen (wat overigens voor het dier weinig gevolgen had, want zo’n klem was te zwak om een kip ernstig letsel te bezorgen).
27 april 1942: Hans Warren, Geheime dagboeken
(of verhaal van Rousseau's ruban)
apologie/legitimerend (zelfduidend)

Jamais la méchanceté ne fut plus loin de moi dans ce cruel moment, et lorsque je chargeai cette malheureuse fille, il est bizarre, mais il est vrai que mon amitié pour elle en fut la cause. Elle était présente à ma pensée; je m'excusai sur le premier objet qui s'offrit. Je l'accusai d'avoir fait ce que je voulais faire et de m'avoir donné le ruban parce que mon intention était de le lui donner
Rousseau, Confessions
memoires:

bezwarende verhalen:
(beschuldigingen tegen Socrates uit de Apologeia).
(schildering van Desdemona).

Het is niet overbodig om eraan te herinneren hoezeer deze zelfverhalen niet alleen verschillen van het verleden zelf, maar ook hoe ze het verleden maken. Bekend is hoe Piaget zich levendig dacht te herinneren hoe hij als klein kind werd ontvoerd. In werkelijkheid was het verhaal verzonnen door de kindermeid die zo'n zijn ouders wou verplichten, en was het 'herinneringsbeeld' dus door haar woorden in Piagets geest opgewekt ...


HET DAGBOEK/SOLILOQUIUM ALS PARADIGMA VAN HET ZELFVERHAAL GESCHREVEN DOOR HET ZELF IN HET VERHAAL
Je fais la même entreprise que Montaigne, mais avec un but tout contraire au sien :
car il n'écrivait ses Essais que pour les autres, et je n'écris mes rêveries que pour moi.
Rousseau, Les rêveries du promeneur solitaire.

Net zoals er lyrische dagboeken zijn, zijn er ook narratieve - en beide zijn in de regel gemengd in het 'lyrisch-narratieve' dagboek. In alle gevallen ligt de identiteit van de maker vast, zodat we te maken hebben met een zelfverhaal geschreven door het zelf in het verhaal. We wezen er al op dat het dagboek het onschatbare voordeel heeft dat het toelaat zelfbeelden te maken voor eigen gebruik - en dat het daarin de tegenhanger is van het spiegelbeeld, waar we dit boek mee begonnen. Maar boven de spiegel, waaruit ons beeld verdwijnt zodra we ons terugtrekken, heeft het geschreven zelfbeeld het voordeel dat het toelaat dat zelfbeeld voor eigen gebruik te allen tijde opnieuw op te roepen - wat ons behoedt tegen het vergeten of verdraaien van wat we dachten of deden, zagen of meemaakten, van plan waren of droomden, én tegen wat anderen ons als ons verleden voorhouden. Het geschreven - lyrische en/of narratieve - dagboek is daarom de via regia tot het verborgen zelf. Om het met Benjamin Constant te zeggen: J’ai besoin de mon histoire comme de celle d’un autre pour ne pas m’oublier sans cesse et m’ignorer (21.12.1804).

Precies dat onschatbare voordeel is tegelijk een niet te onderschatten nadeel. Wat we normaal achter onze visuele verschijning en achter onze hoorbare auditieve verschijning verbergen, of wat we überhaupt aan de waarneming van anderen onttrekken, moet, als het voor altijd leesbaar aan het papier is toevertrouwd, zorgvuldig achter slot en grendel worden bewaard - of versleuteld, zoals bij da Vinci, Samuel Pepys, of Benjamin Constant. En dat blijft een heikele zaak. Vooral als anderen er weet van hebben dat we een dagboek bijhouden, kunnen ze vaak niet aan de verleiding weerstaan om te zoeken waar wij het verbergen - voor zover ze er al niet bij toeval op stuiten. Alleen het feit dat de eigenaar ons daarbij op onze beurt kan betrappen, kan een rem zijn om het op te sporen. Maar na de dood vervalt ook dat bezwaar. Zelfs de versleutelde dagboeken van Samuel Pepys werden dan - zij het na drie eeuwen - ontcijferd en gepubliceerd.

Er zijn dan ook twee soorten dagboeken. Aan de ene kant zijn er de dagboeken waarin we tot onszelf spreken zoals we dat ook tot anderen doen, zoals wanneer we onszelf zouden bekijken in de spiegel terwijl een derde meekijkt over onze schouder. Hiertoe behoren ook de dagboeken die zijn geschreven voor een ingebeelde partner, zoals de god van Augustinus, of nog: dagboeken waarin men zich richt tot een bestaand persoon in de hoop dat die het ooit zal lezen (Anais Nin en haar vader). Evenzeer tot de 'openbare' variant behoren dagboeken waarin we alleen schrijven wat voor onszelf (onze innerlijke opvoeder en ons geweten) aanvaardbaar is, zoals dat van Marcus Aurelius of de piëtistisch dagboeken met religieus zelfonderzoek uit de 18e eeuw. Maar er zijn ook de 'geheime' dagboeken' die terecht achter slot en grendel moeten bewaard: het dagboek waarin te lezen staat wat het daglicht niet verdraagt - van de seksuele activiteit van Pepys tot de geheimen van het analytische dagboek, zoals de Zwarte Boeken en het Rode boek van C.G. Jung. (Journal intime).

Dat neemt niet weg dat, net zoals het schilderen van het verborgen zelf zoals het verschijnt in de spiegel, ook het publiceren van een 'geheim dagboek' - of een 'geheime autobiografie' - de charme van het onthullen alleen maar vergroot: al geeft Rousseau in het citaat onder de titel van deze paragraaf aan dat zijn Rêveries alleen voor hemzelf zijn bedoeld, hij schreef ze niettemin 'in het net' over - en dat is het omgekeerde van wat da Vinci met zijn geheimschrift beoogde. Dat geldt in het bijzonder voor zijn Confessions - waarin hij zichzelf naar eigen zeggen onverbloemd blootgeeft: Je veux montrer à mes semblables un homme dans toute la vérité de la nature, et cet homme, ce sera moi. Ook Jung bewerkte zijn geheime dagboeken met het oog op publicatie. Publicatie houdt een aanspraak op eerlijkheid in, die het dagboek dezelfde charme moet verlenen als het visuele zelfportret dat is gemaakt door het zelf in beeld, en dit des te meer omdat de auteur zich ook blootstelt aan correctie door de vele andere medegetuigen van zijn leven. Omdat niet allen zijn opgewassen tegen dit soort confrontaties, gebruiken velen een pseudoniem zoals Walter bij het schrijven van My secret life (1888) - en dat opent ook hier de deur voor het imaginaire zelf. Een andere manier om zich van zichzelf te distantiëren is het prijsgeven van geheimen uit het verleden om des te meer te benadrukken hoezeer men ze vandaag veroordeelt - denk aan de Confessiones van Augustinus of de Historia Calamitatum van Abelard - of om aan te tonen dat ze eigenlijk uit goedheid werden begaan, zoals Rousseau het wil met zijn diefstal van een lint (zie citaat in vorige paragraaf). Onnodig om erop te wijzen hoezeer ook hier een opbod in openhartigheid ontstaat, dat noodgedwongen moet omslaan in een steeds verder verleggen van de grenzen met de bijbehorende nieuwe conventionaliteit, zoals we die al kenden van bij de visuele zelfopvoering: het volstaat om de afstand te meten tussen de Confessions van Rousseau en My secret life of het dagboek van Jules en Edmond de Goncourt zo'n honderd jaar later, of om te verwijzen naar de publicatie van de ziektegeschiedenis van geesteszieken, zoals Daniel Paul Schreber in zijn Denkwürdigkeiten eines Nervenkranken (1903).

Aan de openbaarheid prijsgegeven geheimen:

Comme mademoiselle Lambercier avait pour nous l'affection d*une mère, elle en avait aussi l'autorité, et la portait quelquefois jusqu'à nous infliger la punition des enfants quand nous l'avions méritée. Assez longtemps elle s'en tint à la menace, et cette menace d'un châtiment tout nouveau pour moi me semblait très-effrayante; mais, après l'exécution, je la trouvai moins terrible à l'épreuve que l'attente ne l'avait été : et ce qu'il y a de plus bizarre, est que ce châtiment m'affectionna davantage encore à celle qui me l'avait imposé. Il fallait même toute la vérité de cette affection et toute ma douceur naturelle pour m'empêcher de chercher le retour du même traitement en le méritant ; car j'avais trouvé dans la douleur, dans la honte même, un mélange de sensualité qui m'avait laissé plus de désir que de crainte de l'éprouver derechef par la même main
Confesssions, Rousseau

Often I had no want but for her, and she used to strip herself, or dress just as I wished, put her body into some attitude, then lay and read the paper whilst I used to sit and read as well, looking up from time to time at her. Then I would put her in a new attitude, and go on so for a time; then would make her piss, catch it in the pot, piss at the same time in it, stick a dildo up her cunt, and have every variety of amusement I could think of. She was always willing, never in a hurry, never refused. A charming harlot!

I had two other French ladies, and fingered their cunts whilst I fucked a third, then two more, laying cunt upwards , legs in the air, and arses meeting over Camille's head. At last I had six altogether at once, and spent the evening with them naked, fucking, frigging, spending up or over them, making them feel each other's cunts, shove up dildoes, and play the devil's delight with their organs of generation, as they are modestly called.
Secret Life, Walter

(wanen van Jung?)

Het echte dagboek verschilt daarbij fundamenteel van de autobiografie. In het echte dagboek beschrijft het zelf regelmatig in het heden zijn wederwaardigheden. Naarmate de tijd verstrijkt, verandert het tegenwoordige zelf in een verleden zelf, net zoals dat het geval is met visuele, auditieve of audiovisuele beelden. Ook hier kan onverenigbaarheid ontstaan met het tegenwoordige zelf, zodat de neiging opduikt om het dagboek te herschrijven, of om bepaalde passages te schrappen, naar de prullenmand te verwijzen, of te verbranden (net zoals men foto's of geluidsopnames kan vernietigen). Zoals al vermeld is de kans daarop des te groter als er veranderingen optreden in de centrale persoonlijke relaties of in het algehele maatschappelijke, politieke of culturele constellatie. Terwijl in het dagboek de herinneringen in al hun oorspronkelijkheid blijven bewaard, kunnen ze bij een vanuit het nu geschreven autobiografie al te gemakkelijk worden gefilterd of ingepast in het tegenwoordige perspectief.

Pas een geheim dagboek voor eigen gebruik dat resoluut afziet van zelfcensuur, en dat niet wordt herschreven of vernietigd, is het uitgelezen instrument om de reikwijdte van het zelfbewustzijn uit te breiden én om daarbij inzicht te krijgen in wat het zelf is, en van welke dieper gelegen onwaarneembare processen het een epifenomeen is. Veel meer nog dan het spiegelbeeld is daarom het geheime dagboek hét paradigma van het geheime beeld: het beeld dat waarneembaar maakt wat niet voor de waarneming door derden is bestemd, en dat daarom idealiter moet vernietigd bij de dood van de maker.




SAMENVATTING

Naast visuele en auditieve beelden van het zelf zijn er ook waarnemingen ervan en herinneringen eraan. Herinneringen zijn natuurllijk beelden. Lang voordat er sprake was van kunstmatige beelden, werden herinneringen en fantasieën als natuurlijke zelfbeelden verspreid door mondelinge zelfverhalen, en sedert het schrift ook door geschreven zelfverhalen. Dergelijke zelfverhalen worden vaak vermengd met auditieve beelden van het sprekende zelf ('directe rede'). Het narratieve zelfbeeld kan alle zintuiglijke domeinen bestrijken en onbeperkte tijdsspannes. Ook hier kunnen we onderscheid maken tussen zelfverhalen gemaakt en/of voorgedragen/gelezen door derden, dan wel door het het zelf in het verhaal. Het onthullende zelfbeeld komt tot zijn hoogste ontplooiing in het zelfgeschreven lyrisch-narratieve zelfverhaal voor eigen gebruik of ter bevrediging van de nieuswgiereigheid van derden. Omdat ook het betrappende of ontwaardende zelfverhaal geschreven door derden hier tot zijn hoogste ontwikkeling komt, ontwikkelen zich ook nieuwe vormen van zelfbeelden zoals de apologie en de mémoires.