HET WERKEN VAN DE GESCHIEDENIS
HET LANDSCHAP
Het landschap is in eerste instantie de plaats waar niet zozeer de mens,
dan wel de sporen van zijn aanwezigheid zijn te zien: de bewoonde wereld
(stadslandschap) en de bewerkte wereld (landbouwgebied of industrieel
landschap). Woon- of werkplaatsen tonen, veeleer dan de mens die erin
woont of werkt - het schouwtoneel veeleer dan het drama - heeft het voordeel dat
men complexe relaties kan weergeven
die anders onzichtbaar blijven: denk aan wat een feodaal landschap met kastelen te midden
van bebouwde akkers vertelt, of de foto van wolkenkrabbers te midden van
krottenwijken - om nog maar te zwijgen van al wat meer gelaagde beelden als Brueghels toren
van Babel.
Van dit soort landschap bestaat een erhabene vorm: de ruïne
- ook als industriële ruïne, of ruimer nog: als archeologische site,
waar nog wel de sporen van menselijke activiteit zijn te zien, maar wat
de mensen dreef is verdwenen. 'Und
von den Stätten wird bleiben: der durch sie hindurchging, der Wind.'
schreef Bertolt Brecht.
Geheel
tegengesteld aan het bewoonde en bewerkte landschap is het landschap dat als onbewoonde en
onaangeroerde - maagdelijke - natuur de tegenstelling is tot het menselijke gebeuren:
de idyllische of onherbergzame, erhabene natuur.
In dit landschap vallen in de regel geen sporen van mensen te bespeuren -
althans niet van wonende of werkende mensen: als er al mensen zijn te
zien, zijn het passanten, wier slechts lijfelijke
aanwezigheid hen alleen maar zoveel onooglijker
doet lijken, niet alleen in de ruimtelijke zin van nauwelijks opvallend
bij de aanblik van het grootse gebeuren van de natuur, maar ook in
tijdelijk zin als vluchtige rimpel op de rug van golven in andere dimensies van de tijd. Dit landschap is niet zozeer schouwtoneel van het menselijk gebeuren,
dan wel
aardkorst die onverschillig en onberoerd het menselijke gebeuren draagt. Dit spatiaal
en temporeel transcendente landschap is het waarin de Vlaamse
Primitieven bij voorkeur het nochtans centrale Bijbelse gebeuren
plachten te situeren.
Het landschap van Robert Piccart behoort tot geen van beide - eerder is
het een omkering en verdieping van het laatste. Het sluit aan bij de
ervaring die zich opdringt in menig verlaten landschap: dat eerder
op deze plaats ooit mensen zijn voorbijgetrokken, op de vlucht, of
onderweg met kwade bedoelingen; of dat de nu vredige plek ooit het
schouwtoneel was van een afrekening, een moord of terechtstelling, zoniet
van veldslagen, zoals de nu vreedzaam bebouwde akkers van Flanders Fields.
In zo'n landschap zijn mensen niet lijfelijk aanwezig, maar slechts als
revenants, geesten die hun laatste rustplaats nog niet hebben
gevonden of die elk ogenblik weer uit de doden kunnen opstaan. Het
verlaten landschap is de plaats bij uitstek waar zo'n geesten rondwaren:
in de bewoonde wereld wordt al te gemakkelijk het geweld vergeten dat de
levenden tot overlevenden maakt, en dat juist daarom bij voorkeur naar
de onbewoonde wereld wordt verdreven. Bij Piccart wordt dit verdrijven
ongedaan gemaakt; de verdreven geesten nemen er plots een lijfelijke
gestalte aan, en maken daardoor het landschap tot schouwtoneel van zijn
tegendeel: tot historietafereel, de afbeelding van een belangrijk
gebeuren.
DE DRAMATIS PERSONAE
Maar niet zozeer doden zijn hier opgestaan, eerder zijn doders
er aan het werk:
twee groepjes gewapende mannen, een in burger, een ander in uniform, wachtend bij lijken
(detail).
Ze zijn niet opgestaan, maar vanuit andere contexten in dit landschap gekatapulteerd
- geen revenants, eerder displaced persons: gedépayseerden. Ongetwijfeld
zijn in dit landschap ooit hun equivalenten werkzaam geweest, maar dat
ze in het heden van elders naar hier zijn verplaatst, herinnert ons
eraan dat ze niet alleen van alle tijden zijn, maar ook van
alle plaatsen. Het hier wordt daardoor
tot overal, terwijl omgekeerd
de gebeurtenissen
worden ontrukt aan het elders waar ze zijn gefotografeerd -
en daardoor tot taferelen die om het even waar om het even wanneer zouden kunnen
plaatsgrijpen - zodat het overal ook hier is, indruk die nog wordt
versterkt doordat het gaat om soldaten uit diverse conflictgebieden in
de wereld.
Daarbovenop drijft datzelfde dépayseren de zeggingskracht op van de
beelden: doordat de scènes uit hun gewone urbane context zijn
overgeplaatst naar een verlaten, desolate boomgaard, zien we pas goed wat
erop is te zien: hoe ongegeneerd ze daar staan te staan, te geselen (detail) of
na te trappen op een lijk (detail). Dit dépayseren blijkt een schitterende methode om een universele betekenis te geven aan
wat slechts een documentair hier-en-nugebeuren was,
veel overtuigender dan bv. het mythologiseren ('de eeuwige krijger') van Odd
Nerdrum.
En het zijn niet allemaal doders daar in die boomgaard:
er is ook het vreedzame groepje schoolkinderen op uitstap
met ballonnen (detail) en het paartje nietsvermoedende jonge ballerina's op stap in tutu
(detail) .
Ogenschijnlijk hebben deze groepjes niets te maken met de soldaten en
hun slachtoffers; er
is geen enkele persoonlijke interactie tussen de groepen, ze lijken zich niet eens van
elkaars aanwezigheid bewust. Dat stelt des te sterker hun objectieve
samenhang in het daglicht: niet alleen dat deze kinderen vaders hebben
en dat deze meisjes weldra vrouwen van mannen zullen zijn, maar ook dat alleen de kinderen van de
overwinnaars zullen opgroeien - de andere zijn gedood, of zullen nooit
worden
verwekt door de vaders die daar als lijken liggen opgestapeld. En ook:
dat leven op school of in schoonheid een leven is na de oorlog of achter de
fronten.
HET DRAMA IN HET LANDSCHAP
Het landschap zelf is niet zomaar een achtergrond
voor het gebeuren op de voorgrond: het is er vanuit zijn innerlijke
structuur structureel en inhoudelijk innig mee vervlochten. De scherpte van de dode takken waarop alom marentakken
parasiteren, steekt af tegen het vreemde licht
dat linksachter doorheen het wolkendek wil breken en naar rechts toe donkere schaduwen werpt op de bomen en de bodem. Vanuit die
schaduwzone daalt de horizon naar links om er
op te lossen in het licht over een weide waarheen, nauwelijks opgemerkt,
drie schichtige schaduwen vluchten (detail). Meer op de voorgrond steekt de groep
schoolkinderen donker
af tegen die lichtende achtergrond, wat ons weer naar rechts verwijst, waar
de ballerina's oplichten tegen de donkere achtergrond die de
activiteit van de doders in de schaduw hult.
Naast de lichtarchitectuur is er ook nog de puur geometrische
structurering van het geheel. Gelezen in de twee dimensie van het vlak
wordt het beeld gearticuleerd door twee elkaar omspelende ritmes: dat
van zes groepjes mensen die
symmetrisch staan opgesteld rond de voet die in het midden van de lange
zijde onder natrapt op een lijk, en het ritme van
de bomen dat zich in het middengebied achter de voorgrond waarop de
figuren staan opgesteld organiseert aan weerszijden van een andere as:
de boom die meer naar rechts aanleunend tegen de
gulden snede het eerder lichte gedeelte scheidt van het eerder donkere.
Achter het gecombineerde ritme van deze twee gelede stroken loopt een
kruis van diagonalen: de strook bomen aan de horizon waarvan het dalen
wordt gebalanceerd door de opgang van schaduw naar licht. Deze
structurering in de twee dimensies van het vlak wordt nog versterkt door
de intrigerende structurering van de ruimte gelezen in haar drie
dimensies. Evenwijdig aan het vlak loopt een beweging door de loop van
de bazooka en de blik van de mannen met de mitrailleurs naar rechts. Haaks daarop - zij het over een lichtjes naar
rechts wijkende as - kijken de twee killers met de handen in de
broekzakken naar voren, en schopt de man op de voorgrond naar achteren.
En de zich kruisende diagonalen van horizon en opgang van schaduw naar
licht die op het tweedimensionale vlak zijn
te zien, vinden hun echo in twee diagonale bewegingen die leiden naar het
licht dat uit de wolken breekt, en waarvan de eerste -
waarover de ballerina's niets vermoedend langs het oorlogsgebeuren heen
lopen, vertrekt vanuit de rechterhoek onder, terwijl de tweede -
waarover de figuren vluchten naar het licht (detail) - vertrekt van midden
onder, waar haaks op deze beweging de ene burger een andere geselt.
EEN SPRONG VOORWAARTS
Om de betekenis van dit beeld in het juiste daglicht te stellen, is het
nodig eraan te herinneren dat de moderne beeldende kunst zeer succesvol
is geweest in het ontwijken van haar belangrijkste opgave: het
menselijke bestaan ook in zijn politieke dimensies in beeld te brengen.
Dat is wraakroepend, niet alleen omdat er de laatste honderdvijftig jaar
toch een en ander is gebeurd in de wereld, maar vooral omdat bij
uitstek het handgemaakte beeld de mogelijkheden biedt om een
synthetisch beeld te maken waarin complexe relaties zichtbaar worden
gemaakt door voorstellingen met elkaar te combineren die in de
werkelijkheid niet vanuit één perspectief zijn te zien. De mogelijkheden
van zo'n beeld werden alleen benut om zin tot onzin te maken zoals in surrealistische beelden.
Een en ander heeft te maken met het feit dat de klassieke
formule van het historietafereel - zowel in zijn bevestigende als in
zijn kritische vorm - in dit gewricht van de geschiedenis
niet meer kan overtuigen, omdat er geen sprake meer is van een subject
dat de indruk kan wekken de gehele mensheid te vertegenwoordigen, zoals
dat nog het geval was ten tijde van de opkomst van de wereldgodsdiensten
en hun seculiere erfgenamen na de Franse Revolutie: alle heden ten dage
reëel bestaande economische, nationale of religieuze subjecten kunnen
in een wereld die in toenemende mate globaliseert, alleen maar
particulier zijn. Van grote kunst mag verwacht dat ze
is gemaakt vanuit een algemeen menselijk standpunt. In afwachting dat er opnieuw iets zou ontstaan
als (de avant-garde van) een meer omvattend collectief subject - een
mensheid zonder heidenen, buitenlanders of prooidieren, lijken de mensen wel vast besloten om zich niet
langer als universeel subject, maar wel degelijk als particulier
collectief subject te begrijpen: nadat 'het proletariaat' als
voorbode van een klassenloze maatschappij naar het rijk van de
fantasmagorieën werd verwezen, lijkt de wereld wel één groot wingewest
geworden waarin allen prooidier willen zijn, zich daarbij zonodig
bedienend van nationale formaties allerhande, om nog maar te zwijgen van de inmiddels wat
provinciaal geworden wereldgodsdiensten. Geen wonder dat
bij uitstek de beeldende kunsten zich daarom steeds meer afkeerden van
het 'historietafereel' in zoverre het de daden verheerlijkt of
bekritiseert van dergelijke formaties, om zich te verschansen in een
uiteindelijk tot loos ritueel geworden 'kritische' houding die alleen
maar een schijn van universaliteit hoog houdt.
Het beeld van Piccart is een belangrijke stap om deze dubbele
- inhoudelijke en technische - patstelling te doorbreken.
In de eerste plaats ontsnapt het aan de valstrikken van de vermeende
zichtbaarheid - het perspectivische en/of documentaire beeld.
In vele politieke historietaferelen onttrekt - al sedert de slag om Issus bij Altdorfer -
de blik op het krijgsbedrijf het zicht op het waarom
van de strijd, zodat het historietafereel dreigt te ontaarden in een
'genretafereel', waarin de strijdende partijen overigens inwisselbaar
zijn.
In plaats daarvan voert Piccart een gebeuren op aan de rand van het
spektakel, gebeuren dat overigens eerder een niet-gebeuren is, een
pauze, die des te sterker de ploertige onverschilligheid van de krijgers in de
verf zet, die alleen maar wordt overtroffen door de beate onwetendheid
van de overlevenden in wier naam de gehele onderneming is opgezet.
Pas daardoor kan dat gebeuren onderdeel worden van een meer omvattend
synthetisch beeld. De beelden van deze killers
staan immers niet tegenover vijanden, maar schouder aan schouder
met een andere tegenstelling: het vredige bedrijf van de
cultuur. Daardoor wordt pas het onzichtbare zichtbaar: de echte daad die
de misdaad is van dit tijdsgewricht - de keuze voor het particuliere,
voor het zich inkapselen dat de agressie intern weet te beperken,
alleen maar om ze naar buiten toe ongebreideld haar gang te laten gaan. Daarmee wordt - zoals al aangekondigd in het
'panoramische formaat' - het historietafereel op een hoger en zeitgemäss niveau getild:
hoger omdat de aandacht verschuift van het heldhaftige of gewraakte
geweld naar het particularisme dat eraan te grondslag ligt, en
zeitgemäss, omdat daardoor vanuit het standpunt van de mensheid als
zodanig duidelijk wordt hoezeer de mens zich hier tegen zichzelf keert.
En juist omdat dit beeld tegelijk zo onwezenlijk en onhistorisch lijkt,
is het de weerspiegeling van het actuele Westerse, bij uitstek West-Europese bewustzijn. De val van het
IJzeren Gordijn leek voor velen met het einde van de strijd tussen
'kapitalisme' en 'communisme' het einde van alle tegenstellingen te
hebben ingeluid. In
plaats daarvan bleken zowel in Europa met de Balkanoorlog als in de
Verenigde Staten met 9/11 tegenstellingen springlevend te zijn geworden die velen
dood en begraven hadden gewaand, maar die al al sedert het oplossen van
de Franse Revolutie in nationale revoluties in volle opmars zijn. Omdat
de verdeling van de wereld in een 'totalitair' en een 'democratisch'
blok ons wat blind had gemaakt voor deze opmars, zijn de killers op Piccart's
beeld wel degelijk revenants, waarop velen wat verweesd en
geparalyseerd toekijken.
Veeleer dan vanuit een of ander particulier standpunt te
verheerlijken of te bekritiseren, stelt dit beeld
ons dan ook een indringende vraag: of wat het toont 'erhaben' is
in de zin van nu eenmaal behorend tot de aard van het beestje -
zodat ons niets anders rest dan er met alle middelen voor te zorgen dat
we zullen
behoren tot de overlevenden, dan wel of niet eerder
omgekeerd juist de afkeer voor wat ons in dit beeld zo schokt het
'erhabene' is - onze ware aard, die wellicht voorgoed zal bezwijken
onder het gewicht van onze minder eerbiedwaardige - allzumenschliche -
eigenschappen.
© Stefan Beyst, juni 2012.