|

EEN,
VIER, VIJF
Tellen: een
leerstoornis...
Betje (32 maanden) kon al geruime tijd tellen, maar ze sloeg steevast de
twee en de drie over, om dan verder te gaan tot boven de tien. Ik schonk
daar niet veel aandacht aan, want vond het nog wat vroeg om met tellen
te beginnen.
Dat veranderde toen ze met de computer begon te spelen, want op
haar geliefde cd-roms stonden ook spelletjes met cijfers. Ik had de
neiging om die over te slaan, met als gevolg dat Betje ze juist wel wou
spelen. En ze was er dadelijk mee weg: ze telde de objecten op het
scherm en klikte weldra feilloos op het bijbehorende cijfer. En dat deed
ze ditmaal zoals het hoort: op de één volgden netjes de twee en de drie,
en zo ging het verder tot vijf. Ze deed het trouwens niet alleen goed op
de computer: ook bij het slapen gaan telde ze feilloos tot ver over de
tien. Ze deed het zo graag en zo goed, dat ik op het punt stond om op
haar computerspel naar niveau 2 te gaan, waar er niet langer tot vijf,
maar tot tien werd geteld.
De volgende dag gingen we op bezoek bij een neefje dat twee jaar werd.
Zij was een kop groter dan hem, en natuurlijk ook jaloers dat hij
verjaarde en een taart kreeg met twee kaarsjes op, en zij niet. We
probeerden haar te troosten met het vooruitzicht dat ze weldra ook zou
verjaren, en dat ze dan ook een taart zou krijgen. En wel met drie
kaarsjes erop, want zij werd geen twee, maar drie jaar! Maar dat wou ze
niet geweten hebben! Drie jaar! Dat hield in dat ze nu maar twee jaar
was, evenveel als dat zoveel kleinere neefje! ‘Dan word ik vier jaar’
bleef ze altijd maar herhalen. ‘Nee, Betje, jij bent nu twee jaar, en
binnenkort komt daar één jaar bij’. En we telden het voor op onze
vingers ‘Een, twee, drie’. Waarop Betje ons prompt verbeterde door op
haar drie vingers ‘één, vier, vijf jaar’ te tellen: ‘Ik ben vijf jaar!’
Haar onwil om te aanvaarden dat ze maar twee jaar was, evenveel als dat
kleine neefje van haar, had dus tot gevolg dat ze terugviel op haar oude
manier van tellen. Wie weet was die zelf al een reactie op verjaardagen:
want sedert ze naar school gaat in de voormiddagen, moet ze het vaker
meemaken hoe de peutertjes in haar klas drie jaar worden!
In de drukte van het feest was ik het probleem snel vergeten. Maar de
volgende dag werd ik er weer aan herinnerd als we aan het telspel op de
computer begonnen. Wat bleek? Betje kon ineens niet meer tellen! Of
beter: ze telde volgens haar eigen getallenstelsel: één, vier, vijf. En
als ik haar verbeterde, begon ze stelselmatig alles verkeerd te doen. Ze
wou een ander spel spelen. Uiteindelijk sloeg ze het rekenspelletje
systematisch over. En het kwaad breidde zich uit. Als ik probeerde om
haar ‘een, twee, drie’ te laten tellen alvorens samen ergens af te
springen telde ze zonder verpinken ‘een, vier, vijf’.
Dan maar het tellen even laten rusten. Maar zo had Betje het niet
begrepen. Ze begon integendeel te pas en te onpas te herhalen dat ze
‘één, vier, vijf jaar’ was. Aanvankelijk haalde ze daarbij met haar ene
hand achtereenvolgens drie vingers uit haar andere hand te voorschijn.
Maar – waarschijnlijk omdat dat tellen haar te zeer aan de verdrongen
waarheid herinnerde, begon ze weldra na het getal één iets
onverstaanbaars te mompelen, om dan meteen op vier te eindigen. En ten
slotte sloeg ze het tellen helemaal over: ze plooide duim en pink over
de handpalm, en met de drie overblijvende vingertjes triomfantelijk in
de lucht zei ze dan: ‘Ik ben vier jaar!’ En niet alleen zij was vier
jaar: ook haar broers en zussen, papa en mama waren vier jaar. Vier jaar
betekende zoveel als ‘volwassen zijn’. Alle leeftijden boven de drie
werden herleid tot dat éne vierde jaar!
Haar onwil om te tellen had dus alles te maken met het weigeren van het
idee van de geleidelijke groei. Aanvankelijk neemt het kind het verschil
tussen kind en volwassene niet waar: het construeert zichzelf naar het
beeld en de gelijkenis van de moeder *. In een volgend stadium
erkent het twee generaties: kinderen en volwassenen, groot en klein.
Maar het kind erkent dit verschil pas omdat het meteen een constructie
optrekt waardoor het weer wordt ontkend: ‘Als ik mama word, dan ben jij
het kindje’. De spiegel wordt omgezet in een omkering van de rollen. En
zoiets valt duidelijk niet te rijmen met het idee van geleidelijk groei
– het optellen van de jaren, één na één. Want al wordt het kind dan wel
groot, ook de ouders worden almaar groter: er wordt bij hen geen jaar
afgetrokken als er bij jou een wordt bijgeteld.
Betje zat dus nog duidelijk in de fase van ‘groot en klein’. In haar
ogen was zij ‘groot’ en haar neefje ‘klein’ – en dat viel duidelijk niet
te rijmen met de bewering dat zij ook maar twee jaar was. Omgekeerd was
zij ‘klein’ tegenover haar broers en zussen en haar vader en moeder die
‘groot’ waren – vier jaar. Haar lang verwachte verjaardag was dus niet
het moment waarop ze drie jaar zou worden, maar de dag dat ze groot zou
worden - 'vier jaar'.
En groot worden, dat wou ze ongetwijfeld! Want het werd hoe langer hoe
moeilijker voor haar om vol te houden dat ze een jongen was.
Geconfronteerd met het feit dat er bij haar papa en haar broer een penis
te zien was en bij haar niet, had ze eerst volgehouden dat die penis in
haar kutje zat. Nader onderzoek had haar geleerd dat zoiets niet het
geval was. Zodat ze zich een nieuwe verklaring had bedacht binnen het
wereldbeeld van de grote en de kleine mensen: als ik groot word, word ik
een papa! Met als tegenhanger: dan wordt papa klein, ofte een meisje.
Werk aan de winkel dus.
Op een eerste niveau liet ik personen naar wie ze opkeek allemaal op de
vingers tellen. En die zegden allemaal ‘Een, twee, drie’. Maar Betje
hield vol. Ook de computer kwam mij te hulp, want daar hoorde je vaak
een stem die ook telde van ‘een, twee, drie’ en als je het niet goed
deed, dan kreeg je te horen: ‘Probeer het nog eens opnieuw!’, terwijl ze
zo verzot was op de mededeling ‘Dat heb je goed gedaan!’. Maar Betje
hield vol.
Plots dacht ik eraan dat ze de ‘tw’ niet kon uitspreken: als ze dan toch
per ongeluk eens ‘twee’ zei, bleek het eigenlijk ‘pee’ te zijn. Wellicht
was ze ook daarom gaan mompelen tussen de één en de vier. Dan ook maar
dat obstakel uit de weg geruimd. Ik zei haar dat ze ook ‘pee’ mocht
zeggen als ‘twee’ te moeilijk was: ‘een, pee, drie’. ‘Zeg eens “pee”’.
Meteen herhaalde ze ‘pee’. Maar ‘een, pee, drie’ kreeg niet over haar
lippen.
Dan maar wat dieper gegraven. Ik herinnerde haar aan de
verjaardagsfeestjes in de klas. ‘Die kindjes zijn allemaal pee jaar,
zoals Betje, en als ze een, pee, drie jaar worden, dan krijgen ze een
feest in de klas. En in de lente krijgt Betje ook zo’n feest!’ Ik telde
niet zoals anders te beginnen met de duim, maar met de wijsvingers,
zodat ik bij drie de drie vingers liet zien die zij altijd naar voor
haalde om te tonen dat ze ‘vier’ jaar was. En ja hoor: op zekere dag zei
ze eindelijk: ‘Betje wordt drie jaar’. En geleidelijk begon ze mee te
tellen van ‘een, pee, drie’. En dat deed ze weldra ook als we samen het
bed af sprongen of zomaar begonnen te tellen.
Op een tweede niveau ging ik boekjes halen in de bibliotheek waarin de
groei van allerlei dieren stap voor stap stond afgebeeld. Ze was heel
geïnteresseerd. Hoewel ze die boekjes al vaker had gezien, leek pas nu
tot haar door te dringen dat je niet plots, maar geleidelijk, jaar na
jaar, groot werd. Ik maakte haar dat inzicht gemakkelijk door de weken
door jaren te vervangen: ‘Dat is een baby kuiken, dit kuikentje is één
jaar, dat kuikentje is twee jaar zoals Betje. Maar dat kuikentje heeft
al echte pluimpjes, dat is al groot, dat verjaart zoals Betje straks en
wordt dan drie jaar. En zo verder: 'Dat kippetje is acht jaar zoals
broertje. En zo verder tot de veertien jaar van grote broer, en de
achttien jaar van grote zus.
Mijn opdracht werd vergemakkelijkt doordat het lente was en de blaadjes
aan de bomen groeiden. Elke dag ging ik met haar kijken hoe ze weer een
ietsiepietsie groter waren geworden. Als ik haar vertelde over de grote
blaren die vorige zomer aan de bomen stonden, bleek ze zich dat goed te
kunnen herinneren.
De boekjes met de groeifasen, en de herinnering aan de grote bladeren
bij het zicht van de eerste ontluikende blaadjes, maakte het haar almaar
gemakkelijker om te aanvaarden dat ook zij slechts geleidelijk zou
groeien: eerst drie jaar worden, en dan vier, en dan verder tot de acht,
veertien en achttien van haar broers en zus. En, al moest ze het idee
opgeven dat ze op haar verjaardag een papa zou worden: binnen het nieuwe
wereldbeeld van de optelling is uitstel is nog geen afstel. Misschien
kwam de penis er wel op een volgende verjaardag. Zodat het probleem van
het aanvaarden van de geslachtelijke identiteit werd losgekoppeld van
het tellen.
Zoals gezegd liet het effect niet op zich wachten. Hoe langer hoe meer
begon ze normaal te tellen, zij het dan met een ‘pee’ in plaats van een
‘twee’. En nu ze dat kon, ging ik ook systematisch verder dan tien. Dat
vond ze heel leuk, want dan kon ze meetellen hoeveel keer ze kon op- en
neerwippen op de matras. Maar vooral omdat ze nu ook de veertien van
haar grote broer en de achttien van haar grote zus kon tellen! Ook de
computerspelletjes met tellen sloeg ze niet langer over, zodat ik verder kan gaan
met het koppelen van getallen aan cijfers.
Heel wat kleine leerstoornissen van kinderen hebben met dergelijke
problemen te maken. Al is het niet altijd gemakkelijk om te achterhalen
wat er precies aan de hand is, en al is de drang van het kind om te
leren in de regel zo groot, dat de probleempjes meestal na enige tijd
vanzelf verdwijnen.
©
Stefan
Beyst,
april 2004
* Zie:
'In de spiegel'
Reacties:
beyst.stefan@gmail.com
zie ook:
stefan beyst
over liefde: 'De extasen van eros'
Op
de hoogte blijven van nieuwe teksten: mailinglist
 |
| |
| |
|