CARLOS BARBARITO


achtergrondstraling
© Carlos Barbarito 2005





best bekeken op volledig scherm (F11)

klik telkens op
o om het volgende gedicht te zien







A María y Cecilia
A la memoria de Czeslaw Milosz


Si un animal hiciera por espíritu lo que hace por instinto
para la caza y para advertir a sus camaradas
que se ha encontrado o perdido la presa,
mejor hablaría de cosas más afectas a él,
como para decir:
Roed esta cuerda que me lastima,
donde no puedo alcanzar.
Pascal, Pensées, III, 1, 260.























Aan María y Cecilia
In memoriam Czeslaw Milosz


Si un animal faisait par esprit ce qu'il fait par instinct,
et s'il parlait par esprit ce qu'il parle par instinct,
pour la chasse, et pour avertir ses camarades
que la proie est trouvée ou perdue,
il parlerait bien aussi pour des choses ou il a plus d'affection,
comme pour dire:
"Rongez cette corde qui me blesse, et ou je ne puis atteindre'
Pascal, Pensées, III, 1, 260.

o

1



¿Y ahora qué
hace? Su duda
se anticipa a cualquier otra cosa.
Incluso hasta la propia muerte
debería, si se presentara, esperar.
¿Le da la razón a las cenizas
y se olvida que de algún modo,
por alguna vía, por quién sabe qué ardid,
pudo ser feliz y nada hizo al respecto?
(El fuego, le dijeron, siempre tiene roto el extremo.
No lo entendió entonces, sigue sin entenderlo.)
¿Enfermo de un mar curable
y sin embargo mortal, plantará
un cyclamen en la estepa
sabiendo que no tardará en marchitarse?
(Le dijeron: no tendrás nunca una casa,
cuando quieras ver el día será tarde, será de noche.)
Ecos remotos, cada vez más inaudibles:
Tigris y Eufrates, emenagogo,
creosota, Es como un alto en la vida,
un súbito miedo a despertar, Jeremías en San Vincenzo,
el Evangelio de Nicomedo, las flores
de Leonardo, virgen de oro, camafeo...
¿Se llama a sí mismo y no asiste,
yerra y todo renace, acierta
y todo sigue bajo el lodo,
se llama a si mismo y asiste, desnudo,
sucio de tiempo y cenizas?



Wat nu? Zijn twijfel
anticipeert op iets anders.
Zelfs zijn eigen dood.
zou, kwam hij er aan, moeten wachten.
Legt hij zich neer bij de as
en vergeet hij dat hij op een of andere manier,
langs een of andere weg, door wie weet welke list,
gelukkig had kunnen zijn, maar er niets voor over had?
(Het vuur, zegden ze hem, stokt altijd op zijn einde.
Toen begreep hij het niet, deed verder zonder het te begrijpen.)
Ziek als hij is van een geneeslijke zee
toch dodelijk, zal hij
een cyclamen planten in de steppen
wetende dat haar verwelken niet zal uitblijven?
(Ze zegden hem: nooit zul je een huis hebben,
als je de dag zult willen zien, zal het avond zijn, zal het nacht zijn),
Verre echo's, almaar meer onhoorbaar:
Tigris en Eufraat, emmenagoog,
creosoot. Het is als een hoogtepunt in het leven,
een plotse angst om wakker te worden, Jeremias in Sint Vincentius,
het evangelie van Nicomedes, de bloemen
van Leonardo, maagd van goud, camee...
Roept hij zichzelf en komt hij niet opdagen,
vergist hij zich en wordt alles herboren, heeft hij gelijk
en gaat alles door onder de modder,
roept hij zichzelf en komt hij niet opdagen, naakt,
vuil van de tijd en de as?

o


2






Hacia el fin del mundo,
a bordo de un tren inmóvil.
Polvo de tiza en los párpados,
en las manos. Hacia
el fin de lo conocido, medido y pesado,
ante un paisaje que miente
cielos de lluvia y luego cielos azules,
campos sembrados y luego baldíos.
¿De qué noche es esta falacia?
¿De qué muerte se compone esta vida,
que no se refleja en espejo alguno,
fija en el centro de un ojo no humano,
de perro, oso, caballo?







Tot het einde van de wereld,
aan boord van een stilstaande trein.
Kalkstof in de oogleden,
op de handen. Tot
het eind van wat is gekend, gemeten en gewogen,
bij de aanblik van een landschap dat misleidt,
hemels vol regen en dan blauwe hemels,
bezaaide velden en dan braakliggend land.
Van welke nacht is deze begoocheling?
Uit welke dood is dit leven gebrouwen
dat niet wordt weerkaatst in een spiegel,
onbewogen midden in een niet menselijk oog,
van een hond, een beer, een paard?


o

3





Qué espera, qué no espera,
empujado a otro destierro. El ojo
hacia alguna hora,
abierto a medias: cae,
al fondo de la escena,
un piano, en ralentí,
en un mar sin olas se hunde.
Qué vive, qué muere,
del lado ajeno, confuso,
un pez desgarra la superficie,
impide con su acto toda belleza.
Y no lo sabe. No sabe
cuanto arrastra la luna en su órbita,
hacia dónde se inclina
el relámpago cuando queda vacío,
si basta o no con encender un fuego
y arrojar al fuego el eco y la sombra.
Y está el tiempo, el óxido,
lo que despacio se deshace;
un rato antes se desnudan,
por un instante son menos ásperos,
oyen una música, se huelen
entre sí y lo que huelen
se presenta ancho y verdadero.
Pero, ¿cuánto dura? Enseguida
cruje la madera de la puerta,
se arruga la tela que cubre la tierra,
tercian el ganado,
el sismo, la malaria. Lo afín
se separa, se tuerce la plomada,
sólo huelen los perros
que buscan alimento
bajo montañas de hojas secas.






Wat verwacht hij, wat verwacht hij niet,
gedreven naar een ander ballingsoord. Het oog
tot een zeker uur
halfopen: valt,
op de achtergrond van de scone,
in vertraagde beweging, een piano,
verzinkt in een zee zonder golven.
Wat leeft, wat sterft,
aan de onbekende kant, verward,
een vis doorklieft het oppervlak,
belet door zijn doen alle schoonheid.
En hij weet het niet. Hij weet niet
wat de maan meesleurt in haar omloop,
tot waar de bliksem
buigt als hij hol blijft,
of het volstaat of niet om een vuur aan te steken,
en in dat vuur te gooien de echo en de schaduw.
En het is de tijd, de roest,
wat langzaam ontbindt;
een ogenblik tevoren ontbloten ze zich,
voor één ogenblik zijn ze minder onbehouwen,
ze horen muziek, ze ruiken
aan elkaar en wat ze ruiken
lijkt weids en waarachtig.
Maar hoe lang dat duurt? Plots
kraakt het hout van de deur,
verkreukt het doek dat de aarde bedekt,
komen tussen het vee,
de aardbeving, de malaria. Wat verwant is
gaat uit elkaar, het schietlood wijkt af,
ruiken doen alleen honden
die voedsel zoeken
onder hopen droge blaren.

o




4





Por el suelo, en el aire,
al borde de las grietas,
en las ramas de los árboles.
Solitarios, en colonias, livianos,
Pesados. Ablandan con jugos
lo duro o lo perforan,
aún en lo oscuro noche
ven las invisibles líneas de los pétalos.
Frotan sus alas, raspan sus patas traseras,
cantan, captan ese canto
desde muy lejos.
Vuelan, corren, saltan,
desaparecen en la arena,
caminan sobre el agua de los lagos,
patinan, se emparejan en pleno vuelo, de a dos,
unos con otros en nutridos enjambres.
Como nosotros, parecen
estar en todas partes,
da la impresión de que nada les es ajeno,
que todo les pertenece.
Pero, como nosotros,
no pueden respirar bajo el mar
y el fuego no tarda en abrasarlos.






Op de grond, in de lucht,
op de rand van de spleten,
in de takken van de bomen.
Eenzaam, in zwermen, licht,
zwaar. Met vochten maken ze
het harde zacht of boren erdoorheen,
nog in de donkere nacht zien ze
de onzichtbare lijn van de meeldraad.
Ze schuren hun vleugels, krabben hun achterpoten,
tsjirpen, en haalden deze zang
van heel ver.
Ze vliegen, lopen, springen,
verdwijnen in het zand,
wandelen op het water van meren,
glijden, paren in volle vlucht, met zijn tweeën,
de ene tegen de andere, in overvloedige zwermen.
Zoals wij lijken ze
overal te zijn,
het geeft de indruk dat niets hun vreemd is,
dat alles hun toebehoort.
Maar, zoals wij,
kunnen ze niet ademen in de zee
en het vuur zal ze weldra verteren.

30-7/4-8-04

o


5





(Modigliani)

Bebe porque tiene sed
y porque tiene sed se mancha.
Su dios es pequeño,
muere cada otoño antes que las hojas.
En cada tela, un desnudo.
La cabeza hacia un lado.
Golpea el vidrio un viento:
¿quién detendrá su furia,
quién acariciará la frente de ese potro,
quién tocará una a una las cuerdas,
un sonido en progreso
en dirección a cierto amor,
a cierta isla cimentada en calma?






(Modigliani)

Hij drinkt omdat hij dorst heeft
en omdat hij dorst heeft, maakt hij zich vuil.
Zijn god is klein,
sterft elke herfst vóór de blaren.
Op elk doek, een naakt.
Het hoofd genegen.
Een windstoot tegen het raam:
wie zal zijn woeden stoppen,
wie zal het voorhoofd aaien van dit veulen,
wie zal één voor één de snaren beroeren,
een klank in voortgang
naar een zekere liefde toe,
naar een zeker eiland verankerd in de kalmte?

11-8-04

o



6





(A Denise Levertov)

Los animales vienen a su encuentro.
Le ladran, mugen, balan,
gruñen, pían, chillan.
Le lamen las manos y la cabeza.
Algunos, los que tienen brazos, la abrazan.
Otros le pasan sus lomos por las piernas.
Un sueño de niño, sin sobresalto.
La vida tal cual es, desnuda, sin artificio.







(Aan Denise Levertov)

De dieren komen het tegemoet.
Ze blaffen, loeien, blaten,
grommen, piepen, krijsen het toe.
Ze likken het de handen en het hoofd.
Sommige, die armen hebben, omhelzen het.
Andere strijken hun flank tegen zijn benen.
De droom van een kind, zonder angst.
Het leven zoals het is, naakt, zonder kunstgreep.

o






7





Es otra vida, temprana.
Es otra fruta, jugosa, ingrávida.
Desnuda, ágil,
en un amplio teatro de formas,
siempre la misma escena
nunca repetida.
No es idea,
es tal vez preludio,
perfil angélico,
un raro fulgor en los arbustos.
Y nueces, salmodia, oro entre nubes,
suave desmayo que deja estela.
Ahora la respiro,
bosque o limbo,
dejo sobre sus hombros
amoroso, inocente pasado,
tal vez Chardin, Watteau, Boucher...







Het is een ander leven, pril.
Het is een andere vrucht, sappig, zonder gewicht.
Naakt, beweeglijk
op een ruim theater van vormen,
almaar dezelfde scone
nooit herhaald.
Het is geen idee,
wellicht een prelude,
profiel van een engel,
een zeldzame schittering in het struikgewas.
En walnoten, psalmodie, goud tussen wolken,
zoete bedwelming die een spoor achterlaat.
Nu adem ik haar in,
woud of voorgeborchte,
leun op haar schouders,
verliefd, onschuldig verleden,
wie weet: Chardin, Watteau, Boucher...

19-10-04

o



8





(Albrecht Dürer, 1502)

¿A quién ofrecerle este oro?
Una música larga, tañida, pulsada,
una larga soga de techo a techo
de la que cuelgan, sin ser movidos,
aunque sople, por el viento,
papeles manchados por un aliento puro,
un amor casi puro,
bermellón, terracota. ¿Y esa liebre?
¿Esa virgen rodeada de animales?
¿A quién ofrecerle el desnudo,
las manos antes de la malaria,
la altura que no precisa de puentes,
la mirada puesta en aguas que se componen
y se descomponen, alas
que rasgan la superficie
y, abajo, la misma, eterna sed
de proporciones y perspectivas.
¿A qué médico, a cuál vida
o hacia qué muerte, linfa, enjambre,
aliento de lobo marino,
arena?







(Albrecht Dürer, 1502*)

Aan wie dit goud schenken?
Eindeloze muziek, getokkeld, pulserend,
een lang koord van dak tot dak
waaraan hangen zonder te worden bewogen,
ook al waait hij, door de wind,
vellen papier
bevlekt door een zuivere adem,
een haast zuivere liefde,
vermiljoen, terracotta. En die haas?
Die maagd omringd door dieren?
Aan wie het naakt schenken,
de handen tegen de malaria gekeerd ,
de hoogte die geen bruggen nodig heeft,
de blik rustend op wateren die zich binden
en ontbinden, vleugels
die langs het oppervlak scheren
en, daaronder, dezelfde eeuwige dorst
naar proporties en perspectieven?
Aan welke dokter, aan welk leven
of tot welke dood, lymfe, zwerm,
adem van zeewolf,
zand?

30-8-04

o

(In dat jaar stierf Dürers vader en tekende hij zijn haas)


9





No es posible que esto no nos afecte.
Sé que va a herirnos, tal vez a matarnos.
No podemos andar por aquí sin ser lastimados.
No podemos besar sin ser mordidos
como no podemos amar sin ser arrastrados,
calle abajo, hacia el fondo más oscuro.
Pregunto: ¿qué ropa nos salva de estar desnudos?
¿qué desnudez nos pone desnudos,
nos lleva lejos, hasta lo azul y puro?
A salvo están los ángeles –dice alguien.
La tierra para nosotros siempre tiembla,
vibra, finalmente se abre y nos traga.
Nos lavamos y seguimos sucios.
Nunca somos del todo niños,
aun cuando lo somos.
Aun cuando no sabemos que tenemos una boca,
un pie derecho y un pie izquierdo,
que hay un mundo más allá del jardín y la casa.






Het kan niet dat dit ons onberoerd zou laten.
Ik weet dat het ons zal verwonden, misschien zelfs doden.
We kunnen hier niet komen zonder te worden gekwetst.
We kunnen niet kussen zonder te worden gebeten
zoals we niet kunnen liefhebben zonder te worden meegesleurd,
de straat af, tot in de diepste duistere afgrond.
Ik vraag: welke kleren redden ons van de naaktheid?
Welke naaktheid stelt ons bloot,
neemt ons mee, ver, tot aan het blauwe en pure?
Veilig zijn de engelen - zegt iemand.
De aarde, voor ons beeft ze,
trilt ze, scheurt open uiteindelijk, en slokt ons op.
We wassen ons en blijven vuil.
Nooit zijn we helemaal kind,
al zijn we het.
Al weten we niet dat we een mond hebben,
een voet rechts en een voet links,
dat er een wereld is ver buiten de tuin en het huis.

o


10





Marca en la carne, indeleble,
sumergida la inocencia, bajo el agua
la luz del sol, la mañana abierta
hacia lejanos depósitos de amantes y amados.
Un día, una muerte, o dos,
el diente en lo blando,
la hoja filosa, de perfil, en lo puro.
¿Puro? ¿Alguna vez
desnudos, al viento, la música?
¿O nunca, nunca
y siempre sucios, ceniza, hollín y sangre?
Lo poco que tenemos -me dijo-
se consume. Se agota
el aceite en la lámpara,
el agua en los charcos.
Ahora el mundo es viejo.
La tierra y el mar son viejos.
La fruta es vieja, se pudre.







Brandmerk op het vlees, niet uit te wissen,
vergaan de onschuld, onder het water,
het licht van de hemel, de open morgen,
tot verre bezinksels van minnaars en minnaressen.
Op een dag, een dode, of twee,
de tand in het zachte,
het scherpe blad, in profiel, in het zuivere.
Zuiver? Soms
naakt, in de wind, muziek?
Of nooit, nooit
en altijd vuil, as, roet en bloed?
Het weinige wat we hebben - zeg ik tot mezelf -
wordt verteerd. Op raakt
de olie in de lamp,
het water in de plassen.
Nu is de wereld oud.
De aarde en de zee zijn oud.
De vrucht is oud, en rot

o

11





(Balthus, Thérose Rêvant , 1938, a Delphine Eggly )

Del mundo sólo conozco un nombre.
Sombra de luz sobre fugaces ecos.
Espejo puesto en lo más profundo del suburbio
para que en él se miren
los que huérfanos de piedad
se sientan cada noche entre pajas, detritus.
¿Qué dicen ese nombre, esa sombra,
ese espejo? Tal vez deseo, máscara quemada,
signos de vida contra arenas, lastimaduras,
tijeras que cortan la soga
que ata a la criatura con su roto animal
bajo la lluvia. ¿Con qué sueña ahora,
con anémonas, corales,
perdidos puertos donde esperan,
confiados, los niños, los ignotos, los desnudos?







(Balthus, Thérose dromend, 1938, aan Delphine Eggly )

Van de wereld ken ik slechts een naam.
Schaduw van licht over vluchtige echo's.
Spiegel opgesteld in een uithoek van de voorstad,
opdat in hem worden weerspiegeld
zij die, wezen van het medelijden,
elke nacht gaan zitten tussen vuil en afval.
Wat zeggen die naam, die schaduw,
die spiegel? Wellicht verlangen, verbrand masker,
tekens van leven ondanks zand, wonden,
scharen die het touw doorknippen
dat het schepsel bindt aan zijn gebroken dier
onder de regen. Van wat droom ik nu,
van anemonen, koralen,
verloren havens waar wachten
vol vertrouwen, de kinderen, de onwetenden, de naakten?

o

12





Al fondo, destellos. A cada destello,
un ángulo, una perspectiva, luego oscuro.
A cada sorbo, un nombre.
A cada soplo, una bestia mansa.
A cada mirada, entre parpadeo y parpadeo,
un poco de miga en un plato.
Luego, carga de roca de luna en la espalda.
El rostro se sumerge y emerge la máscara.
Emerge leño ciego, árbol quemado por arriba.
Pez visto sólo por afuera.
Ola detenida un instante antes de ser ola.
Entre los escombros, emerge una flor,
débil y blanca. Ya la aplastan patas, cuerpos,
lluvias, venas, metales, el tiempo.






Op de bodem, flitsen. Bij elke flits
een hoek, een perspectief, dan duisternis.
Bij elke slok, een naam.
Bij elke adem, een tam beest.
Bij elke blik, tussen oogknip en oogknip,
wat broodkruimels op een bord.
Dan een lading maanrots op de rug.
Het gelaat verdwijnt en het masker doemt op.
Doemt op een blinde stronk, een boom verbrand in de top.
Een vis alleen van buiten gezien.
Een golf weerhouden op het punt van golf te worden.
Tussen het puindoemt op een bloem,
zwak en wit. Meteen vertrappelen haar poten, lichamen,
regens, aderen, metalen, de tijd.

o

13





Contra el muro, un lento respirar sin aire.
Una suerte que no disfruta de hierba,
de pasto blando, apenas
la sombra de un remoto engaño:
hubo un gran pecado, un tajo en la carne.
La página marcada se extravía.
¿Qué es seguro, sólido,
desnudo sobre desnudo,
entre uno y otro bruñido y antimonio?
Hay una luz grave, un idioma sucio.
Alumbra fantasmas, repite
lo dicho, alguna vez,
al borde de la sangre,
cerca del que, despertó
y abrió los ojos justo con el último relámpago.











Tegen de muur, een langzaam ademen zonder lucht.
Een lot dat niet geniet van gras,
van zacht voedsel, nauwelijks
de schaduw van een verre begoocheling:
er was een zware zonde, een keep in het vlees.
De gemerkte bladzijde gaat verloren.
Wat is zeker, staat vast,
naakt op naakt,
tussen een of andere glans en antimonium?
Er is een hevig licht, een vuile taal.
Ze wekt fantasmen op, herhaalt
het gezegde, soms,
aan de rand van het bloed,
dicht bij wie wakker werd
en de ogen opende juist bij de laatste bliksem.

o

14





(A Ana Plenasio)

¿Todo se reduce a rimar polifonía
con apoplejía? ¿Nada más?
Entonces, si es así, ¿para qué
crecen las hojas en las ramas,
para qué maduran los frutos,
cercados de insectos,
para qué las bocas los muerden
sin saber si son acres o dulces?










(Aan Ana Plenasio)

Komt alles neer op het rijmen van polyfonie
met apoplexie? Op niets meer?
Dan, als dat zo is, waarom
groeien er blaren aan de takken,
opdat de vruchten rijpen
temidden van insecten,
opdat monden erin bijten
zonder te weten of ze zuur zijn of zoet?

o

15






Lavan una y otra vez
su carne antes de que se rompa,
sola, bajo la tierra.
La visten antes del atardecer
y gritan para atemorizar
a los que quieren llevarse
uno de sus brazos
para que los proteja de las tormentas,
los relámpagos, las sombras.
La sepultan y en el suelo recién removido
plantan una rama reseca.
Se sientan y esperan,
confiados, que reverdezca.






Ze wassen almaar weer
haar vlees alvoor het vergaat,
alleen, onder de aarde.
Ze kleden haar alvoor het donker wordt
en schreeuwen om af te schrikken
wie een van haar armen
willen opheffen
opdat zij hen zou beschermen tegen de stormen,
de bliksems, de schaduwen.
Ze begraven haar en in de pas omgewoelde aarde,
planten ze een dode tak.
Ze gaan zitten en hopen,
vol vertrouwen, dat zij wordt herboren.

o

16






(Mallarmé)

¿Si esto, incluso
lo que todavía no veo ni palpo,
fuese nada más que superstición?
¿si en todo poema,
aun al que la razón en extremo refina,
hubiese siempre una falta de ortografía,
oculta, inalcanzable?







(Mallarmé)

Als dat daar, ook
wat ik nog niet zie of voel,
niets anders was dan bijgeloof?
Als er in elk gedicht,
zelfs dat wat de rede tot het uiterste zuivert,
altijd een schrijffout bleef staan,
verborgen, onbereikbaar?

o

17





(Camel, Cobh)

¿Aleta de pez para la hora torcida,
mujer para el minuto tortuoso?
El humo asciende desde la tierra,
por un momento creemos ver
el incendio que lo produce.
Engaño. Ninguna razón
para lo que sube,
para la sombra que desciende,
sin cuerpo, entre sombras y ramas.
El pez pregunta, queda entre redes.
La mujer pliega su pañuelo,
siempre, al pie de la lluvia,
cuando nada ni nadie puede ser,
a sus ojos, animal, poliedro puro, niño.






(Camel, Cobh)

Vissenvin voor het gebogen uur,
vrouw voor de bochtige minuut?
De rook stijgt op vanuit de aarde,
een ogenblik geloven we
de brand te zien waar hij uit opstijgt.
Begoocheling. Geen grond
voor wat opstijgt,
voor de schaduw die neerdaalt,
zonder lichaam, tussen schaduwen en takken.
De vis vraagt, blijft in de netten.
De vrouw vouwt haar zakdoek,
altijd, bij het begin van de regen,
als niets of niemand in haar ogen
kan zijn: dier, zuivere polyeder, kind.

o

18






Hay que dejar una huella de este viaje que la
memoria olvida, hay que, cuando es imposible,
escribir sin responder a las invitaciones novelescas
del dolor, no aprovecharse del sufrimiento como
de una música, hacerse atar la estilográfica al
pie si es necesario.

Cocteau, Opio.



Se agita el último sello del cuerpo
y luego cae y queda un espacio sin sol
ni luna y una especie de peste única
bestia junto a bestia
cada una con su avena que no comparten
(dice el mal es fácil, hay una infinidad
relámpagos contra postigos,
fatiga de la tierra, de las escamas)
y el mar que no devuelve lo que se lleva
y ella bajo el agua, ahogada
antes de saber de ovillos,
de penachos, de enteros y jirones,
de escudos, de charcas, de metales;
qué sino todo ahora se ennegrece,
resiste al torno, triunfa
sobre embates y embustes de amor,
estaca, pellejo, sí,
no fruta, memoria, galaxia.

















Het laatste zegel van het lichaam roert zich
en dan valt het en er blijft een plaats zonder zon
noch maan en een soort van enige pest,
beest naast beest,
elk met zijn haver die niet wordt gedeeld
(hij zegt het kwaad is makkelijk, er is er oneindig veel,
bliksems tegen luiken,
moeheid van de aarde, van de schubben)
en de zee die niet weergeeft wat ze tot zich neemt
en zij onder het water, verdronken
vooraleer ze weet had van bollen garen,
van pluimen, van hele getallen en flarden,
van schilden, van poelen, van metalen;
haast alles wordt zwart nu,
weerstreeft het draaien, triomfeert
over de streken en de leugens van de liefde,
nagel, vel, ja,
geen vrucht, geheugen, sterrennevel.

o

19






No sé a qué hora, en qué lugar
pero sé de qué modo:
me dolerá y gritaré y mi grito resonará
en días que se contarán de a uno
hasta ser innumerables, en olas
que sólo serán espejos,
inmenso y extenuado mar
sin puertos ni náufragos.







Ik weet niet op welk uur, op welke plaats,
maar ik weet hoe:
ik zal pijn hebben en schreeuwen en mijn kreet zal weerklinken
in dagen één voor één te tellen
tot ze ontelbaar worden, in golven
die slechts spiegels zullen zijn,
immense en uitgeputte zee
zonder havens of schipbreukelingen.

o

20






Ni esperanza. O una esperanza
que apenas asiste,
en mera beneficencia casi burla;
en una pantalla,
juegos oscuros, indescifrables,
sombras que dialogan sin subtítulos
y, al fondo de cada escena,
un mundo sumergido:
(luces frías, en reflujo,
edad que vacila, tiembla y no pulsa,
manos que revocan un muro
que se alza sin base, consistencia
ni propósito)












Zelfs geen hoop. Of een hoop
die nauwelijks houvast biedt,
pure, haast bedrieglijke welwillendheid:
op een scherm,
duistere spelen, onontcijferbaar,
schaduwen die gesprekken houden zonder ondertitels
en, op de achtergrond van elke scone,
een verzonken wereld:
(koude lichten, bij eb,
een seizoen dat aarzelt, beeft en niet pulseert,
handen die een muur pleisteren
die zich verheft zonder fundering, stevigheid
noch doel)

o

21





(Cyclamen)

Allí brota en el frío
del suelo oscuro
que no se resigna
a ser dispersado por el viento;
y serán horas, y noches,
y días. Allí estoy yo, estamos,
libres, posesos,
viles, virtuosos, desnudos,
desde el fondo hacia lo alto.
¿Perfume de amantes,
alimento para las bestias?
Una u otra cosa, tal vez,
ambas; de todos modos,
como siempre, habra un cielo indiferente,
una escarcha decidida
a quemar. Y lo que tenga que suceder,
sucederá en silencio.






(Cyclamen)

Daar kiemt, in de kou
van de donkere aarde,
wat er geen genoegen mee neemt
te worden verspreid door de wind;
en het zullen uren zijn en nachten
en dagen. Daar ben ik, zijn wij,
vrij, bezeten,
gemeen, deugdzaam, naakt,
van de diepte tot in de hoogte.
Geur van de minnaars
voedsel voor de dieren?
Het ene of het andere, misschien
beide; in elk geval,
zal er als altijd een onverschillige hemel zijn,
een vrieskou besloten
te branden. En dat wat moet gebeuren,
zal zich voltrekken in stilte.

o

22






¿De qué noche es este rito? Carneados,
puestos cada uno sobre una piedra distinta,
atados a las piedras con la sangre
todavía caliente, chorreando.
El amor es aquí ajeno, todo deseo:
gritan, se retuercen,
hablan en lenguas, ven visiones.
Entran al agua roja, su óxido y su espuma,
al barro, al sexo abierto de la tierra
y en el fondo, ningún mar,
ninguna infancia.
¿De qué noche
o día o relámpago o niño sin ojos
empujado desnudo hacia las llamas?
Cae el cielo sobre el mundo.
La tierra invade las aguas.
Se mezclan y confunden.






Van welke nacht is deze rite? Geslacht,
elk op een andere steen gelegd,
plakkend aan de stenen met bloed
dat nog warm is, druipt.
De liefde is hier vreemd, een en al begeerte:
ze schreeuwen, ze kronkelen,
spreken in talen, zien visioenen.
Ze gaan het rode water binnen, zijn roest en zijn schuim,
in de modder, in de open vagina van de aarde
en op de bodem, geen zee,
geen kindsheid.
Door welke nacht
of dag of bliksem of kind zonder ogen
naakt naar de vlammen gedreven?
De hemel valt op de aarde.
De aarde dringt de wateren binnen.
Ze mengen zich en versmelten.

o

23






Ansía penetrar, hundirse, desaparecer
entre los últimos pliegues. Morir, no morir:
hay un descanso - se dice a si mismo-
en la peor de las fatigas. Así
como la sangre es espesa y roja,
y el deseo conforma animal con dos espaldas,
la presa huye de lo que, acaso,
con sus garras y dientes, podría salvarla.
Un sol sucio deriva por el agua.
Alumbra cuanto pare el fruto más amargo.
En un rincón oscuro, nueces y sogas.
Las horas roen la madera, el papel
que fuera carta desde El Havre
ahora confirma que el mundo
está irremediablemente sumergido.
Pregunta, nos pregunta: ¿existe
imitación, falsedad, copia,
una moral para la materia del relámpago,
sabiduría que no sea hija
o nieta de traición o acoplamiento?







Hij verlangt om binnen te dringen, te verzinken, te verdwijnen
tussen de ultieme plooien. Sterven, niet sterven:
er is opluchting - zegt hij tegen zichzelf -
in de zwaarste der vermoeidheden. Zoals
het bloed dik is en rood,
en het verlangen het dier vormt met twee ruggen,
vlucht de prooi weg van wat haar misschien
met zijn klauwen en tanden zou kunnen redden.
Een vuile zon drijft op het water.
Licht op wat de bitterste vrucht baart.
In een duistere hoek, noten en touwen.
De uren knabbelen aan het hout, het papier
dat een kaart was uit Le Have
bevestigt nu dat de wereld
onherroepelijk is verzonken.
Hij vraagt, hij vraagt ons: bestaat er
nabootsing, vervalsing, kopie,
een moraal voor de materie van de bliksem,
wijsheid die geen dochter
of kleindochter is van het verraad of de paring?

o

24






Anda desnuda bajo los puentes.
No logra contener aquello que la habita.
Se desborda, se ahoga
con lo que de ella misma sale a borbotones.
Abraza, se deja abrazar, grita.
Algún día será escombros,
hoy es tierra siempre seca
que pugna por la lluvia.
¿Qué nombre darle
si la veo siempre de espaldas,
no veo su rostro, y ya son años,
respiración que ninguna ancla sujeta,
dios que creo demonio y viceversa?






Ze wandelt naakt onder de bruggen.
Ze slaagt er niet in te bevatten wat in haar huist.
Ze loopt over, verdrinkt
in wat uit haar gutst met stromen.
Ze omhelst, laat zich omhelzen, schreeuwt het uit.
Op zekere dag zal ze stoffelijk overschot zijn
vandaag is ze almaar droge aarde
die vecht om regen.
Welke naam haar geven
als ik haar altijd maar van achteren zie,
niet te zien krijg haar gezicht, en dat al jaren,
ademhaling die geen anker kan bedwingen,
god die ik duivel waan en omgekeerd?

o

25






¿Sobrevivirán la materia perforada,
el paisaje que el ojo entrevé
y por cuya superficie repta una sombra?
Nacerá el hijo del muslo
-cala palabra por su propio peso-
caen los hoteles, sus pasillos,
sus lámparas siempre encendidas.
Un hijo torpe, sin nombre ni ojos.
En otra parte, se parten los mundos,
los patios con sus hojas,
las hojas que la luz atraviesa,
desnudez, impiedad, nervadura.
Se lavarán de a dos, estará oscuro.
Números en cada puerta,
ventanas con relámpagos,
nudos de nervios en láminas delgadas,
dioses flacos, venidos a menos,
incapaces de crear tan sólo un insecto.
¿Y la arena, las arenas, esta boca,
esas otras bocas, palos, cometas, dientes?
El hijo lo ignora, despierta, se viste.









Zullen ze de doorboorde materie overleven,
het landschap dat het oog ontwaarde
en over het oppervlak waarvan een schaduw kruipt?
Geboren zal worden de zoon uit de schoot
- het woord dringt door vanwege zijn eigen gewicht -
de hotels vallen, hun gangen,
hun altijd brandende lampen.
Een onnozele zoon, zonder naam noch ogen.
Op een andere plaats, gaan de werelden uiteen,
de binnenplaatsen met hun bladeren,
de bladeren waar het licht door schijnt,
naaktheid, goddeloosheid, nerven.
Ze zullen zich wassen met zijn tweeën, het zal donker zijn.
Nummers op elke deur,
vensters met bliksems,
zenuwknopen in dunne schijfjes,
zwakke goden, aan lager wal geraakt,
niet in staat om zelfs maar een insect te scheppen.
En het zand, de woestijnen, deze mond,
deze andere monden, stokken, kometen, tanden?
De zoon weet het niet, wordt wakker en kleedt zich aan.

o

26






Ahí van, esposados,
por el último suelo
antes de la noche y su azar:
¿quién los oye sino el sello
del libro, el tallo enroscado
en la madera con que, otros,
apuntalan la casa que cede?
Flujo, reflujo, ¿y el perdón,
la ventura, el caracol
sobre el vidrio, el bodegón, la marina?
Comerán solos, como las plantas.
Tal vez, como ellas, crecerán
hacia la luz, darán fruto.











Hier gaan ze, pas getrouwd,
over de laatste aarde
voor de nacht en zijn toeval:
wie hoort ze behalve het zegel
van het boek, de stam gewikkeld
in het hout waarmee, anderen,
het huis stutten dat het begeeft?
Vloed, eb, en de vergiffenis,
het avontuur, de slak
op de ruit, de bar, de vloot?
Ze zullen alleen eten, als de planten.
Misschien zullen ze, net als zij, groeien
naar het licht, vrucht dragen.

o





27






Desnuda y con sudor.
Se acopla, gime, tiembla.
Ante ella, su acto,
toda memoria resulta cansancio,
otoño. El mundo todo
parece ahora una mancha
sobre un papel liso y blanco.
¿Qué hubiese dicho Mallarmé,
con qué lámpara hubiese iluminado
la porción de espacio
donde tal océano se revuelve?
Buscarás oro entre piedras -cada cosa
es útil por sí misma,
sin necesidad de otra-
Y el viajero llega a Finisterre.









Naakt en bezweet.
Ze paart, kreunt, beeft.
Bij haar aanblik, die van haar daad
wordt elk geheugen vermoeidheid,
herfst. De hele wereld
lijkt nu een vlek
op een glad en wit papier.
Wat zou Mallarmé hebben gezegd?
Met welke lamp zou hij hebben verlicht
het deel van de ruimte
waar zo'n oceaan zich roert?
Je zult goud tussen de stenen zoeken - elk ding
is nuttig omwille van zichzelf,
zonder behoefte aan iets anders -
En de reiziger komt aan in Finisterre

o

28






Se encienden luces a lo lejos,
allá donde alcancé una vez
y ya no alcanzo.
Bailan desnudos,
borrachos, antes de la tormenta.
Yo voy en contra del viento,
que arrastra papeles y hojas
por el pavimento.
Recuerdo que tuve memoria,
una amplia plaza en Venecia
donde se oían voces de niños
que cantaban.
Altos tilos,
peces veloces, fugaces fiebres,
París en una mañana de invierno,
mayólicas, escayolas, terracotas.
Una rama se quiebra,
alto, sobre mi cabeza.
El ruido del viento
cubre todo otro ruido;
oscurece cuanto puede oscurecerse,
el libro se deshace,
sus páginas se desparraman
sin nada que las sujete.

(Atardecer del 30 de setiembre, 2002)







De lichten gaan aan in de verte,
waar ik ooit geraakte
maar niet meer geraak.
Ze dansen naakt,
dronken, vóór de storm,
Ik ga tegen de wind in
die papier en blaren
over het plaveisel sleurt.
Ik herinner me dat ik een herinnering had,
een weids plein in Venetië
waar je kinderstemmen hoorde
die zongen.
Hoge lindebomen,
snelle vissen, vluchtige koortsen
Parijs op een wintermorgen,
majolica, stuc, terracotta.
Een tak breekt,
hoog, boven mijn hoofd.
Het geluid van de wind
overstemt elk ander geluid;
al wat donker worden kan wordt donker,
het boek valt uit elkaar,
de bladzijden dwarrelen her en der,
zonder dat iets ze op hun plaats zou houden.

(Avond van 30 November, 2002)

o

29






Ya no partículas infinitas y diversas,
grandes, pequeñas, lisas,
rugosas, cóncavas, convexas:
apenas un continuo agrisado
por el que transitan sombras
que existen en espejo
y hablan en eco.
Ya no viajeros a Egipto
en pos de la geometría,
a la India tras los filósofos descalzos.
Se detienen en la orilla.
El mar es interminable, oscuro y compacto.








Geen partikels meer, oneindig en verschillend,
groot, klein, glad,
ruw, concaaf, convex:
slechts een grijs continuüm
waar schaduwen door schuiven
die bestaan als spiegelbeeld
en praten in echo.
Geen reizigers meer naar Egypte
op zoek naar de geometrie,
naar Indië op weg naar filosofen op blote voeten.
Ze stoppen aan het strand.
De zee is oneindig, duister en compact.

o

30






Inmóviles átomos sin anzuelo
(papel en blanco la razón,
tabla negra el sueño.)
Vela el animal, no el número.
No es intenso sino lo tenso,
que se estira un poco y se rompe.
Nada es antiguo, entonces
no se nace, se come con las manos
lo que la boca rechaza.
Y quien habla
huye del conjunto,
y contra el muro del jardín desierto
la inocencia concluye
y se hace tarde.







Onbeweeglijke atomen zonder haken
(onbeschreven blad de rede
zwarte tafel de droom.)
Wakker het dier, niet het getal.
Niets is intens, behalve het gespannene
dat zich wat uitrekt en breekt.
Niets is oud, en dus
wordt niets geboren, men eet met de handen
wat de mond uitspuwt.
En wie spreekt
valt uit de samenhang,
en tegen de muur van de verlaten tuin
wordt de onschuld begraven
en het is laat.

o


31






Encenderán fuegos, andarán
hasta olvidarse de qué están hechos,
que frágil azar los sostiene.






Ze zullen vuren aansteken, ze zullen voortgaan
tot ze vergeten waaruit ze zijn gemaakt,
welk broos toeval hen in stand houdt.

o

32






Se hizo la luz
como se hizo el polvo.
El silencio retumba
y por el agua, cuanto se desea
y se olvida y se rechaza.
Bajo la tierra, cava el minero;
su hijo, bajo el sol,
duerme y sueña
y en el sueño sangra.
Pero todo concluye
en libro, como tal neutro,
fósil. Quien lo escribe
se pierde como criatura,
pierde los párpados.






Het werd licht
zoals er stof kwam.
De stilte weergalmt
en over het water, al wat wordt verlangd
en vergeten en verworpen.
Onder de aarde graaft de mijnwerker;
zijn zoon, in de zon,
slaapt en droomt
en in zijn droom bloedt hij.
Maar alles eindigt
in het boek, als zodanig neutraal,
fossiel. Wie het schrijft
verdwijnt als creatuur,
verliest zijn oogleden.

o


33






¿El gran guionista? En su escrito,
¿mi alumbramiento? ¿aquello,
aquél que va a matarme?
En el polvo en el aire, un pasaje
se vuelve polvo antes de significar algo.
¿Hay un secreto, una confidencia
de amante a amada, entre los bulbos?
No lo sé. Apenas sé que no comeré
el alimento reservado a quienes aun sin ojos
verán la luz del día.
¿Qué es mío,
entonces? ¿Qué será mío
en esta franja extendida de horror a piedad?
Un rostro desconocido
se lanza contra el mío. Y
lo que una tarde sepulté
no deja de ser hija, y lágrima, y humana.







De grote scenarioschrijver? In zijn script,
mijn geboorte? wat
of wie mij zal doden?
In het stof, in de lucht, een passage
vergaat tot stof nog voor ze iets betekent.
Is er een geheim, een bekentenis
van minnaar tot minnares, tussen de bloembollen?
Ik weet het niet. Ik weet slechts dat ik niet zal eten
van het voedsel bestemd voor wie nog zonder ogen
het licht van de dag zullen zien.
Wat komt mij toe,
dan? Wat zal mijn toekomen
in deze strook gestrekt tussen verschrikking en medelijden?
Een onbekend gezicht
schiet op het mijne toe. En
wat ik op een namiddag begroef
houdt niet op dochter te zijn, en traan, en menselijk.

o

34






(Rávena)

Cuando no se lo espera, gira el viento.
Contra los viejos muros,
los viejos mosaicos.
El viento.
Atardece seco en la memoria.
Anochece en la camisa del débil
que lleva mi nombre
y sabe que jamás llegará a Oriente.
Alguna vez infancia, hollín,
creosota, sábanas.
Un temblor
de agua en el agua.
Y alguien que corría
porque ya era la hora.
Porque algo, abismal, invisible,
lo llamaba.






(Ravenna)

Als men het niet verwacht, keert de wind.
Tegen de oude muren,
de oude mozaïeken.
De wind.
Het wordt plots laat in het geheugen.
Het wordt donker op het hemd van de zwakkeling
die mijn naam draagt
en weet dat hij nooit zal aankomen in het Oosten.
Eens kindsheid, roet,
creosootolie, lakens.
Een beven
van water in het water.
En iemand die liep,
omdat het al tijd was.
Omdat iets, afgrondelijk, onzichtbaar,
hem riep.

o

35






(A Miguel Ocampo)

Tal vez mañana deje de tener sentido
la poesía. Será entonces
todo semejanza, tendremos
los ojos abiertos, respiraremos.
Un papel de fino cobre flotará en el agua
y ya no será sombra la de la carne
a la luz del mediodía.
Crujirá una madera y se diseminará el eco
hasta más allá de nombre y peso.
¿Será el final? ¿Y el alumbre,
la geometría, el jugo de las frutas,
la fosforescencia de los peces en el abismo,
el número de oro del muslo,
el tiempo?






(A Miguel Ocampo)

Misschien houdt ze morgen op zin te hebben
de poëzie. Dan zal alles
gelijkenis zijn, onze ogen zullen
open zijn, we zullen ademen.
Een papier van fijn koper zal drijven op het water
en het zal geen schaduw meer zijn, die van het vlees
in het licht van de middag.
Het hout zal kraken en de echo zal zich verbreiden
ver voorbij naam en gewicht.
Zal dit het einde zijn? En de aluin,
de geometrie, het sap van de vruchten
de fosforescentie van de vissen in de afgrond,
de gulden snede van de schoot,
de tijd?

o

36






¿Hay algo afuera,
detrás de la última piedra
más allá de los altos tallos
que crecen sobre el horizonte?
Aquí se levanta el árbol atado,
la boya que alumbra las monótonas ondas
en la superficie.
¿Allá acaso otro ámbito,
otra iluminación,
otro viento sobre la hierba,
sin error ni ceniza?






Is er iets daarbuiten,
achter de laatste steen,
verder nog dan de hoge stammen
die groeien boven de horizon?
Hier verheft zich de boom, diep geworteld,
de boei die de eentonige golven verlicht
op het oppervlak.
Wellicht is daar een ander klimaat,
een andere soort licht,
een andere wind over het gras,
zonder fout noch as?

o

37






Detrás de la pared,
una región gris, sometida
a una respiración de buey,
sin centro de razón o misterio.
Adentro, un mapa ajado y erróneo,
una mano persigue la luz
como un colérico la sombra.
En el patio, el árbol podrido
apenas respira por la corteza;
el viento sopla
y no renueva el aire.






Achter de muur,
een grijs gebied, overheerst
door de ademhaling van een os,
zonder kern van rede of mysterie.
Binnen, een landkaart, vergaan en verkeerd,
een hand volgt het licht
zoals een cholericus de schaduw.
Op de binnenplaats ademt de vergane
boom moeizaam doorheen de schors;
de wind waait
en de lucht wordt niet vernieuwd.

o


38






Voy adonde hace frío,
ruedo sobre lo que quedó de mí.
Atrás, los días en puntas de pie,
el límite del bordado,
el olor a sombra,
el sueño vaciando de sueño a la lógica.
No se desnuda el cuerpo
ni se salva la errata
en la química del mundo.
Voy hacia donde todo se ovilla,
pierde su extremo,
disuelve su centro.






Ikga naar waar het koud is,
zwerf over wat rest van mij.
Daarachter, de dagen op de toppen van hun tenen,
de rand van het borduursel,
de geur met schaduw,
de droom die de logica van de droom berooft.
Het lichaam ontbloot zich niet
noch redt zich de vergissing
in de chemie van de wereld.
Ik ga tot waar alles zich terugplooit op zichzelf,
zijn uitersten verliest,
oplost in zijn kern.

o

39






Arrecian el silencio, la herrumbre.
De lado a lado, por
un hueco de mundo, este viento
o dolor o arte de insectos.
Ahora es sólo el juicio de la sal,
el parecer del óxido,
la razón o locura del tiempo
que comerá sin jamás saciarse.
¿Adentro, tal vez, ecos,
reverberaciones de pasos,
voces, secretas y apuradas cópulas,
órdenes y vientos y altos oleajes,
que se harán más y más inaudibles
hasta desaparecer?










Almaar erger worden de stilte, de roest.
Van de ene kant naar de andere, door
een leemte van wereld, deze wind
of pijn of kunst van insecten.
Thans is er alleen het oordeel van het zout,
het verschijnen van roest,
de rede of waanzin van de tijd
die zal eten zonder ooit te zijn verzadigd.
Binnen, misschien echo's,
weerkaatsingen van stappen,
stemmen, geheime en haastige paringen,
ordes en winden en hoge zwellingen,
die almaar meer onhoorbaar worden
tot ze verdwijnen?

o

40






Arde el papel donde se transfigura el mundo
y se disipa un amor tras su lado en sombra.
Envases donde hubo ansia,
ahora vacíos.
Y es crujido en la noche,
formas huecas en lo hueco del silencio,
hierba creciendo del aire que nadie enrarece,
del agua que nadie ensucia.






Het papier brandt waarop de wereld zich transfigureert
en er verdwijnt een liefde achter de donkere kant.
Flessen waarin begeerte was,
thans leeg.
En er is een kraken in de nacht,
holle vormen in de holte van de stilte,
gras groeiend van lucht die nooit schaars wordt,
van water dat niemand bevuilt

o



41






(Wagner, Preludio de Lohengrin)

Desnudo, cae quien supo ver el mañana
en el vuelo de las aves,
como cae también cuanto debiera alzarse
sobre el ciego manto de las cenizas.
Adelante, frío y mar extenso y desolado.
¿Parirás con dolor, jurarás
con la mano puesta sobre una piedra,
derramarás llanto y orina
en la tierra donde ya no crece la hierba?
¿Qué es música, deseo,
luz en el parador de los inocentes,
qué no es cometa, polvo?
¿Cuál es el cuerpo y cuál la sombra,
cuál la madera y cuál el resabio,
hasta dónde la cifra y hasta dónde la pena?
¿Qué nos ata a este lugar
que poco nos da y casi todo nos quita?






(Wagner, Vorspiel totLohengrin)

Naakt valt hij die de toekomst kon lezen
in de vlucht van vogels,
zoals valt ook al wat had moeten verrijzen
uit de blinde laag van assen.
Voor de boeg: kou en een uitgestrekte, troosteloze zee.
Zul je baren in smarten, zul je zweren
met de hand op een steen,
zul je tranen en urine storten
op een aarde waar al geen gras meer groeit?
Wat is muziek, verlangen,
licht in de herberg der onschuldigen,
wat is geen komeet, stof?
Wat is het lichaam en wat de schaduw,
wat het hout en wat de nasmaak?
Tot waar het cijfer en tot waar het leed?
Wat bindt ons aan deze plaats
die weinig ons geeft en haast alles ons afneemt?


o

42






Vestigio, sueño puesto del revés,
cierta sombra incierta
recortada sobre arena blanca.
Fue cosa, llena o hueca.
Fue órgano, fluencia, mecánica.
Apena débil nota en infinita música
que progresa en grandes olas hacia el rojo.
Le hablo, no responde.
O responde por él, o ella,
no el cuerpo sino su imagen,
no el ansia sino lo que del ansia
se separa del mundo y se asfixia.







Overblijfsel, omgekeerde droom
zekere schaduw onzeker
afgetekend op het witte zand.
Het was een ding, vol of hol.
Het was orgaan, vloeien, mechaniek.
Slechts een zachte toon in een oneindige muziek
die voortschrijdt in grote golven naar het rood.
Ik spreek ertegen, maar het antwoordt niet.
Of het antwoord hem, of haar,
niet het lichaam, maar zijn beeld,
niet de begeerte, maar wat van de begeerte
zich losmaakt van de wereld en versmacht.

o

43






De la vida huye el poco aire
que queda bajo las hojas,
nada lo retiene. Asfixia,
cordón que aprieta,
el cuerpo que pende,
inmóvil,
sobre aislados vestigios de amor,
de mundo.





Uit het leven ontsnapt het weinige aan lucht
dat achterbleef onder de bladeren,
niets houdt het tegen. Stikken,
koord dat aanspant,
het lichaam dat hangt,
onbeweeglijk
over eenzame resten van liefde,
van wereld.

o


44






El cuerpo quemado, la verdad en remolinos,
la mentira, la mujer desnuda ante sí misma,
ante el sulfuro, la redención, el cólico,
lo que se desvanece, lo que se encarna,
la eternidad que pasa, una mosca,
la rotación, bóvedas, un vapor, sollozos
todo a precio, a poco, a menos que nada





Het verbrande lichaam, de waarheid in draaikolken,
de leugen, de vrouw ontbloot voor zichzelf,
voor de zwavel, de verlossing, de koliek,
dat wat verdwijnt, dat wat incarneert,
de eeuwigheid die voorbijgaat, een vlieg,
de rotatie, gewelven, een stoomboot, snikken,
alles voor een prijs, voor weinig, voor minder dan niets.

o

45






(Eusapia Palladino, Abruzzos, 1862 )

De pronto, desde todas partes,
puntos fosforescentes, manos
despojadas de cuerpo,
lejanos llantos de hombres y mujeres,
ruidos de olas sin océano a la vista.
Está sola, entre formas, voces y figuras,
hasta que ya no puede más,
cierra los ojos, llora, tiembla
y grita. Afuera,
sin saber lo que sucede,
alguien pasa montado en un burro,
alguien vende panes y verduras
y, en las montañas,
dos se abrazan y se besan,
se prometen lo imposible.









(Eusapia Palladino, Abruzzos, 1862).

Plots, van alle kanten,
lichtgevende punten, handen
losgekomen van het lichaam,
ver geween van mannen en vrouwen,
geluid van golven waar geen oceaan te bekennen valt.
Ze is alleen onder de vormen, stemmen en figuren,
tot ze niet meer kan,
de ogen sluiten, weent, beeft
en het uitschreeuwt. Buiten
zonder te weten wat er gebeurt,
komt iemand langs gezeten op een ezel,
verkoopt iemand brood en groenten,
en in de bergen
omhelzen geliefden elkaar
en beloven elkaar het onmogelijke.

o

46






(Pasolini)

La razón casi se licúa
ante un mundo apenas entrevisto:
la piedra antes de la piedra
y el sueño después del suplicio.
Una sombra nace con el relámpago.
La nombran y el nombre
describe una curva sobre el asfalto
adonde van a dar,
desnudos e inocentes, los culpables.
Se aman, se matan.
Por ellos, no por otra voluntad,
amanece, crece la planta,
viene la sed que sacia, y no, el agua.




(Pasolini)

De rede wordt haast vloeibaar
bij de aanblik van een nauwelijks te onderscheiden wereld:
de steen voor de steen
en de droom voor de marteling.
Een schaduw wordt geboren met de bliksem.
Ze geven hem een naam en de naam
beschrijft een curve over het asfalt
waarover ten offer gaan
naakt en onschuldig, de schuldigen.
Ze hebben elkaar lief, ze doden elkaar.
Voor hen, niet voor een andere wilsbeschikking
ontluikt, groeit de plant,
komt de dorst die laaft, en niet het water.

o





Gedichten:
Copyright © Carlos Barbarito 2004

Vertaling:
Copyright © Stefan Beyst




Heeft deze gedichtenbundel je aangesproken?
Stuur dan het adres van deze pagina door naar je vriend(inn)en!


Wil je worden verwittigd als er nieuwe gedichten verschijnen?
Stuur dan een mail met de vermelding: 'barbarito'


Laat een boodschap aan de dichter achter in het gastenboek !
Wij vertalen ze voor hem in het Spaans.




zoek op deze site

powered by FreeFind