het zelfbeeld tussen spiegel en dagboek
hoofdstuk 2

het auditieve zelfbeeld 




HET AUDITIEVE ZELF
'Da sprach Zarathustra zu seinem Herzen: ...'

'Daar sprak Zarathoestra tot zijn hart: ...'

Nadat we het zelfportret samen met het portret hebben ondergebracht in de meer omvattende categorie van het zelfbeeld, moet onze aandacht nu uitgaan naar het auditieve zelfbeeld. Want, naast het visuele zelfbeeld dat de visuele verschijning van de mens weergeeft, is er ook het auditieve zelfbeeld dat zijn auditieve verschijning weergeeft. Vooraleer daarop in te gaan, is het nodig stil te staan bij die auditieve verschijning - het auditieve zelf.

Zonder tussenkomst van beelden - van het aloude spiegelbeeld tot de recente foto - zien we van onze visuele verschijning alleen de onbelangrijke delen - bij uitstek de werkende handen die dingen manipuleren. Geheel in tegenstelling daarmee is onze auditieve verschijning altijd hoorbaar, in haar totaliteit, en wel onmiddellijk - zonder tussenkomst van beelden. Ook als er rondom ons niets is te horen of te zien, horen we niet alleen alle geluiden van onze lichamelijke verrichtingen en alle geluiden die we maken als we bewegen of werken, maar vooral ons eigen spreken. Veel meer dan onze visuele verschijning, waarvan we alleen onbelangrijke flarden te zien krijgen die deel uitmaken van de omgevende visuele wereld, lijkt daarom onze hoorbare verschijning voorbestemd om de drager te zijn van ons zelfbewustzijn.

Dat is ze ook, zoals blijkt uit onze neiging om te fluiten, te zingen, te spreken of hoorbaar te stappen in het donker - ons te vergewissen van onze eigen auditieve tegenwoordigheid als we ons als visueel lichaam niet meer aanwezig weten in de zichtbare wereld. Maar ze is dat niet alleen als hoorbare verschijning, maar ook - en vooral - als innerlijke stem. Want, net zoals niet elk van onze visuele verschijningen door vreemde ogen mag worden bekeken, is niet elk van onze gedachten voor andermans oren bestemd. Daarom hebben we een innerlijke stem ontwikkeld waarmee we onszelf horen spreken in een niet aflatende monologue intérieur, waarmee we onszelf aanspreken als aanmoedigende zelfopvoeders of als voorschrijvend of veroordelend geweten, of waarmee we spreken tot ingebeelde derden. Hoezeer de innerlijke stem in oorsprong luidop spreken is, blijkt als we ons alleen wanen in het donker, en dan luidop praten tegen onszelf, zoals kleine kinderen die het 'in zichzelf praten' nog niet hebben geleerd

Innerlijke stem tot zichzelf:

Ik was me niet. Waarom zou ik me wassen? Sta ik er dan beter voor? Zou ik iemand meer behagen? Zou ik een dag langer leven? Waarschijnlijk zou ik minder lang leven, want zich wassen is een verspilling van energie en warmte. Weet Steinlauf dan niet dat na een half uur kolenzakken elk verschil tussen hem en mij zal verdwenen zijn? Primo Levi, If this is a man.
Innerlijke stem tot voorgestelde derden:

Ihr wandelt droben im Licht
Auf weichem Boden, Selige Genien!

Jullie wandelen daarboven in het licht
Op zachte bodem, heilige Goden!
Schicksalslied, Hölderlin

Stem van de (ver)innerlijk(t)e opvoeder:

Was hast du mit dem Geschenk des Geschlechtes getan?
Wat heb je met het geschenk van je geslacht gedaan?
Kafka, dagboek, 18/01/1922

Stem van het geweten:

Je me disais : Gémis du crime dont tu t'es rendu coupable.
Ik zei tot mezelf: Jammer om de misdaad die je hebt begaan.
Rousseau, Confessions

Van die innerlijke stem is er geen tegenhanger in het domein van het visuele: er bestaat niet zoiets als een innerlijke visuele verschijning. Wat verborgen is aan onze visuele verschijning, blijft zichtbaar voor derden, zoals blijkt uit onze durende alertheid voor het alziende oog en de neiging om te begluren en te betrappen. In het domein van het auditieve is alleen het openbare zelf een uiterlijke, hoorbare verschijning: de gedachten die we openlijk uitspreken in dialoog met derden - van het diepgaande gesprek, over het gekeuvel ('das Gerede') en het gesprek volgens de regels van de beleefdheid, tot de regelrechte leugen. Vanwege deze asymmetrie tussen visueel en auditief zelf ontstaat er een rolverdeling tussen beide: de visuele verschijning wordt ervaren als de verschijning van het uiterlijke zelf - het lichaam - en de auditieve verschijning als die van het innerlijke zelf - de ziel. De indruk dat de visuele verschijning een uiterlijke verschijning is waar een innerlijk achter schuilgaat, wordt nog versterkt doordat het gelaat altijd zichtbaar is, terwijl de stem niet altijd spreekt - wat de vraag doet rijzen naar wat daar achter het gezicht - zo niet: achter het masker - in het innerlijk wordt gezegd en voor de buitenwereld wordt verzwegen. Zo wordt het onhoorbare auditieve zelf tot onzichtbare onstoffelijke ziel achter het zichtbare gelaat in het zichtbare stoffelijke lichaam. En zo komt het dat het alziende oog dat ons doen en laten bekijkt ontegensprekelijk het oog is van een derde dat ons vanbuitenuit bekijkt, terwijl de innerlijke stem - inclusief de stemmen van de innerlijke opvoeder en het geweten - wel degelijk onze eigen stemmen zijn, en wel stemmen die vanuit de onzichtbare ziel het zelf als zichtbaar lichaam toespreken.

Naast de beide soorten verbaal zelf - het verborgen auditieve zelf dat alleen in het innerlijk is te horen, en het openbare auditieve zelf dat onderdeel is van een dialoog met bijbehorende interactie - is er ook de gewone auditieve verschijning van ons handelen en onze lichamelijke verrichtingen, en die is, net zoals ons spreken niet alleen toegankelijk voor onszelf, maar ook - en zelfs bij uitstek - voor derden. Want, terwijl visuele verschijningen gemakkelijk kunnen worden verborgen - om een expressie te verbergen volstaat het ons aangezicht weg te draaien - zijn gewone auditieve verschijningen door allen (in de naaste omgeving) willens nillens hoorbaar. Ze kunnen alleen verstopt door het dempen ervan (op de tippen van de tenen lopen in plaats van gewoon te stappen, de deur behoedzaam sluiten, windjes zachtjes laten ontsnappen, boeren met gesloten mond) - of door het bijbehorende gedrag niet te stellen, zodat er helemaal niets hoeft te worden verborgen.

Merken we op dat we inzake de verbale auditieve verschijning onderscheid moeten maken tussen het spreken - in al zijn dubbelheid als produceren van klank én van betekenis - en de fenomenen waar het spreken eventueel naar verwijst of waarvan het eventueel de voorstelling oproept. Zowel het hoorbare spreken als de innerlijke stem hebben het vaak over de innerlijke gesteldheid, zoals wanneer de vriend verklaart Mi lanckt na di, gheselle mijn, of wanneer Brecht bekent Ik ben niet graag waar ik vandaan kom, ik ben niet graag waar ik heen ga. Deze woorden en hun betekenis behoren tot het auditieve zelf, maar ze roepen tevens de voorstelling op van de bijbehorende gevoelens in het innerlijk. In zoverre ze onhoorbaar worden gesproken behoren de woorden als auditieve dimensie tot datzelfde innerlijk waar, in de gevoelsdimensie, ook het niet graag zijn waar je vandaan komt thuishoort. Het innerlijk spreken is dus niet de hele ziel, maar slechts een - zij het centraal - onderdeel ervan: de ether of de ruggengraat.


HET AUDITIEVE ZELFBEELD (1): VERBAAL
Ze willen me horen onthullen wat ik van binnen ben,
waar noch hun ogen, noch hun oren reiken.

Augustinus, Confessiones, X.

Nu we weten wat een auditief zelf is, kunnen we onderzoeken welke auditieve zelfbeelden er zijn. Daar zijn er drie soorten van: het gewone, het verbale en het muzikale. Behandelen we eerst het verbale zelfbeeld.

Al is de innerlijke stem onhoorbaar, er zijn twee methoden om er beelden van te maken. Niets belet immers dat we onze innerlijke stem luidop laten weerklinken, zoals we zo vaak doen als we alleen zijn. Dat luidop spreken is nog geen auditief beeld, maar gewoon een auditieve zelfopvoering, zoals het visuele poseren. Om beeld te worden, moet er een geluidsopname van gemaakt, zoals van de visuele zelfopvoering een foto. Een tweede mogelijkheid - de meest gebruikelijke - is opschrijven wat de innerlijke stem zegt, om het vervolgens voor te dragen, luidop door een voordrager, of in stilte door een lezer. Dat voordragen is een opvoering te meer - een opvoering van een zelfopvoering. De meest bekende voorbeelden van zo'n opvoeringen van auditieve zelfopvoeringen zijn lyrische gedichten, die net zoals de vele vormen van de monologue intérieur monologen zijn.

Lex barbarorum

Geef mij een mes.
ik wil deze zwarte zieke plek
uit mijn lichaam wegsnijden.
ik heb mij langzaam recht overeind gezet.
ik heb gehoord, dat ik heb gezegd
in een huiverend, donker beven:
ik erken maar éen wet:
léven.
allen, die wegkwijnen aan een verdriet
verraden het en dat wìl ik niet.
H. Marsman
De wielwissel.

Ik zit op de berm van de weg.
De chauffeur wisselt het wiel.
Ik ben niet graag waar ik vandaan kom.
Ik ben niet graag waar ik naartoe ga.
Waarom bekijk ik de wielwissel
Met ongeduld? Bertolt Brecht
Bertolt Brecht
L'invitation au voyage:

Mon enfant, ma sœur,
Songe à la douceur
D'aller là-bas vivre ensemble!

Mijn kind, mijn zus,
denk aan de verrukking
van daar te gaan leven tesamen!

Baudelaire

'Mi lanct nach di, geselle min'

Al ontplooit het verbale zelfbeeld zich in de tijd, het geeft daarom nog geen beeld op het zelf als handelend wezen: het is alleen maar de keten van de woorden die zich in de tijd ontvouwt. De woorden waaruit het bestaat drukken in de regel een onveranderlijke gemoedstoestand uit - en zijn daarom evenzeer een stilstaand beeld als het visuele. Verbale auditieve zelfbeelden zijn daarom wel degelijk beelden van het zelf als toestand - zelfportretten - geen beelden van het zelf als handelend wezen - niet de zelfdrama's, waar we het in volgend hoofdstuk over zullen hebben.

Dan stelt zich de vraag in hoeverre we hier hebben te maken met zelfbeelden gemaakt door het zelf in het gedicht. Net zoals we bij het visuele zelfbeeld een onderscheid maakten tussen het produceren van de zelfopvoering - het poseren - en het maken van een beeld daarvan - het schilderen of fotograferen - moeten we inzake het auditieve zelfbeeld onderscheid maken tussen het produceren van de zelfopvoering - het (in stilte of luidop) aan het woord laten van de innerlijke stem, en het maken van het auditieve beeld daarvan - door een geluidsopname, of door het noteren van woorden die daarna worden voorgelezen. Maar, anders dan bij het stilstaande visuele beeld, dat door de kunstenaar kant en klaar wordt afgeleverd, levert de kunstenaar bij het auditieve beeld ofwel een opname die nog moet afgespeeld, ofwel een tekst die nog moet voorgedragen. In het laatste geval bestaat het maken van het auditieve beeld uit twee fasen: het neerschrijven van de woorden, en het voordragen ervan. Dat voordragen kan door de maker van het zelfbeeld - Bertolt Brecht die zijn eigen gedicht voorleest. Maar dat is eerder de uitzondering: al bij leven van de dichter wordt zijn gedicht vaak voorgedragen door derden - luidop door een voordrager in een zaal, of stil door de lezer van een poëziebundel. Anders dan bij het visuele zelfbeeld, zijn er bij het auditieve zelfbeeld dus twee varianten van het zelfbeeld gemaakt door het zelf in gedicht: het door het zelf in het gedicht neergeschreven én voorgedragen zelfbeeld, en het door het zelf in het gedicht neergeschreven, maar door derden voorgedragen zelfbeeld. Omdat we er, ook als een voordrager of wijzelf de woorden voorlezen, niettemin van uitgaan dat het Brechts woorden zijn die worden gesproken, kunnen we ook gewoon abstractie maken van de uitvoering, en spreken van een zelfbeeld gemaakt door het zelf in het gedicht als de woorden werden neergeschreven door degene die ze innerlijk uitsprak.

Meteen stelt zich de meer fundamentele vraag of degene die de woorden van de innerlijke stem neerschrijft - de dichter - ook de woorden van de innerlijke stem van een derde kan neerschrijven, zoals de fotograaf die het poseren van een derde fotografeert. De vraag is niet zomaar te beantwoorden, want, anders dan de visuele verschijning van een derde, is diens innerlijke stem niet hoorbaar - zodat niet meteen duidelijk is wie aan het woord is. Niets belet dat een auditieve zelfopvoerder door een derde laat opschrijven wat zijn innerlijke stem zegt, al is dat weinig waarschijnlijk omdat schrijven een triviale vaardigheid is geworden waar men geen derden voor mobiliseert. Nog minder belet dat de schrijver het innerlijke spreken van een imaginair personage opschrijft: juist omdat we niet kunnen weten wie aan het woord is, ligt het voor de hand dat de dichters niet zullen weerstaan aan de verleiding om zichzelf tot spreekbuis te maken van imaginaire zelven. Geven ze aan die verleiding toe, dan kunnen de beperkingen van de 'getrouwe weergave' opgeheven, en kan de vrije creatie zich ongestoord ontplooien. De lyrische dichter demonstreert niet langer zijn kunnen door, zoals de beeldende kunstenaar, de gelijkenis te treffen met een bestaande verschijning, maar door een zo sprekend mogelijk zelf te verzinnen. En omdat gelijkenis niet eens kan worden vastgesteld, kan alle aandacht uitgaan naar wàt wordt onthuld. Het zelfportret als zelfbeeld gemaakt door het zelf in het gedicht verliest zodoende alle charme ten voordele van het door derden gemaakte beeld van een imaginair zelf.

Niettemin valt ook niet vast te stellen of het verbale zelfbeeld een beeld is van het zelf van de maker, dan wel van een imaginair persoon. Dat zelfbeelden in de regel in de ik-vorm zijn geschreven doet de onbeslistheid nog toenemen. Want dat 'ik' kan de schrijver, die in feite spreekbuis is van een imaginair zelf, er alleen maar toe verleiden om zich met dat imaginaire zelf te identificeren. En die identificatie wordt alleen maar in de hand gewerkt als hij ook nog de neergeschreven woorden uitspreekt. Dat versterkt alleen maar de indruk dat we hebben te maken met een door het zelf in gedicht gemaakt zelfbeeld. Dat geldt ook voor de voordrager, of voor de lezer die het gedicht in stilte voordraagt: al te gemakkelijk waant die zich het zelf dat deze woorden uitspreekt. Pas als we deze identificaties ongedaan maken, wordt in alle omvang duidelijk dat verbale auditieve zelfbeelden bijna allemaal door derden gemaakte en door vierden uitgevoerde portretten zijn van het openbare of verborgen zelf van imaginaire personages.

Pas als we dat goed doorhebben, valt op dat het tegendeel opgaat voor het visuele zelfbeeld. Ook daar komen veel imaginaire zelfbeelden voor, maar dan is meteen duidelijk dat het niet gaat om zelfbeelden die zijn gemaakt door het zelf in het beeld, maar om door derden gemaakte beelden van een imaginair zelf, waarvan we meteen weten dat het niet bestaat - denk aan de nar van Piccart. Ongetwijfeld hebben visuele imaginaire zelfbeelden dezelfde voordelen als de auditieve. Maar daar staat tegenover dat, precies omdat alleen het visuele zelfbeeld kan worden herkend als het beeld van een bestaand zelf, alleen het visuele zelfbeeld onthullend kan zijn in een heel bijzondere zin: als de onthulling van de verborgen verschijning van iemand wiens openbare verschijning ons al te bekend was. Daarom is niet het auditieve, maar wel het visuele zelfbeeld de natuurlijke habitat van het eigenlijke zelfportret: het zelfbeeld - bij uitstek van het verborgen zelf - gemaakt door het zelf in beeld. Auditieve zelfbeelden moeten het dus meer hebben van wat het getoonde onthult als zodanig, niet van de zelfonthulling van de schrijver. Het opbod valt hier dan vooral op dat vlak te situeren.

Merken we op dat er in vele auditieve zelfbeelden later te bespreken narratieve elementen zijn gemengd. Zo beschrijft Brecht eerst waar hij zich bevindt en wat hij ziet - Ich sitze am Strassenhang. Der Fahrer wechselt dat Rad - om dan pas het eigenlijke verbale zelfbeeld te leveren: Ich bin nicht gern ... Dat is te vergelijken met de aanwezigheid van een achtergrond bij het visuele portret. We komen daarop terug in hoofdstuk VII.


HET LYRISCHE DAGBOEK

De onzekerheid over de identiteit van het verbale zelf valt weg bij het neerschrijven van wat de innerlijke stem vertelt in een monologe brief (zoals De profundis van Oscar Wilde) of in het lyrische dagboek - te onderscheiden van het in hoofdstuk IV te bespreken narratieve dagboek. Dat lyrische dagboek is, anders dan het gedicht, niet bedoeld om te worden gehoord of gelezen door derden, niet eens door een intimus zoals de monologe brief, maar is uitsluitend bestemd voor eigen gebruik - en als zodanig de auditieve tegenhanger van het spiegelbeeld. In principe kan men sinds de trivialisering van de geluidsopname de eigen stem opnemen bij het luidop denken. Maar dat is wat tegendraads, niet alleen omdat het niet eenvoudig is om opnames te corrigeren of om er passages uit te schrappen, maar vooral omdat rechtstreeks opgenomen zelfbekentenissen iets openbaars hebben, net zoals selfies. Anders dan een opname die rechtstreeks kan worden beluisterd, moet het neergeschreven woord eerst nog actief worden uitgesproken of gelezen vooraleer het de verschijning van iemands wezen wordt. En dat voorlezen na het opschrijven heeft een onschatbaar voordeel dat pas in zicht komt als we vergelijken met andere beelden. Visuele beelden tonen ons zelf alleen maar zoals het voor anderen zichtbaar is en zoals wij het nooit hebben gezien. Dat geldt al veel minder voor auditieve opnamen, maar daar horen we onszelf alsof we een ander waren, vanaf een andere plaats, een beetje zoals we onszelf als buitenstaander zien in de spiegel. Bij het lezen in een geschreven dagboek daarentegen, spreken we zelf de woorden uit die we vroeger hebben opgeschreven. Daarom is het pas in het geschreven lyrische dagboek dat we onszelf terugvinden zoals we ons ooit bij het innerlijk spreken hebben waargenomen, en dat we, sprekend op aanstichten van ons eigen schrijven, als het ware worden herboren.

Afgezien van de kostprijs van de drager - papier werd pas in de 19e eeuw goedkoop - is het dagboek al meer dan tweeduizend jaar in het bereik van allen die kunnen schrijven. Op de lotgevallen van de zelfonthulling in het dagboek - waarom er naast openbare ook geheime dagboeken zijn, waarom de laatste ofwel worden verborgen of versleuteld, ofwel juist uitgegeven - gaan we dieper in als we ook een andere vorm van het dagboek hebben bestudeerd, waarmee het meestal is vermengd: het narratieve. Beperken we ons hier tot een voorsmaakje:

Réduit à moi seul, je me nourris, il est vrai, de ma propre substance, mais elle ne s'épuise pas; je me suffis à moi-même, quoique je rumine, pour ainsi dire, à vide, et que mon imagination tarie et mes idées éteintes ne fournissent plus d'alimens à mon cœur.

Herleid tot mezelf, voed ik me, het is waar, van mijn eigen substantie, die maar niet uitgeput geraakt; ik ben mezelf genoeg, al herkauw ik als het ware de leegte, al laat mijn verbeelding het afweten, en al leveren mijn uitgedoofde gedachten geen voedsel meer voor mijn geest.
Rousseau, Les rêveries du promeneur solitaire.
The gods had given me almost everything. But I let myself be lured into long spells of senseless and sensual ease. I amused myself with being a flâneur, a dandy, a man of fashion. I surrounded myself with the smaller natures and the meaner minds. I became the spendthrift of my own genius, and to waste an eternal youth gave me a curious joy. Tired of being on the heights, I deliberately went to the depths in the search for new sensation. What the paradox was to me in the sphere of thought, perversity became to me in the sphere of passion. Desire, at the end, was a malady, or a madness, or both. I grew careless of the lives of others. I took pleasure where it pleased me, and passed on. I forgot that every little action of the common day makes or unmakes character, and that therefore what one has done in the secret chamber one has some day to cry aloud on the housetop. I ceased to be lord over myself. I was no longer the captain of my soul, and did not know it. I allowed pleasure to dominate me. I ended in horrible disgrace. There is only one thing for me now, absolute humility.

Oscar Wilde. De Profundis



HET AUDITIEVE ZELFBEELD (2): HET MUZIKALE ZELFBEELD

Het muzikale zelfbeeld bestrijkt het hele domein van de monologe muzikale lyriek. In de meest gebruikelijke variant wordt op de muziek ook een lyrische tekst gezongen: de (monologe) aria, het (lyrische) lied, gaande van het Lamento d'Arianna van Monteverdi, over het See'st thou not how stiff and wondrous old van de Cold Genius uit King Arthur van Purcell, Mozarts Der Vogelfänger bin ich ja, Du bist die Ruh of Nacht und Träume van Schubert, Casta Diva van Bellini, tot 'Ne me quittes pas' van Brel. Al gaat het hier eigenlijk om audiovisuele zelfportretten, omdat niet alleen in de aria, maar ook in het lied het aandeel van de visuele opvoering niet gering is, we behandelen ze toch hier omdat het visuele aandeel hier te zeer afhankelijk is van de uitvoering, terwijl dat bij de muziek veel minder het geval is. De visuele factor is principieel afwezig bij puur instrumentale muzikale lyriek, waarbij een melodie zonder woorden wordt gezongen op instrumenten.

Cold Genius

What power art thou, who from below
Hast made me rise unwillingly and slow
From beds of everlasting snow?
See'st thou not how stiff and wondrous old,
Far unfit to bear the bitter cold,
I can scarcely move or draw my breath?
Let me, let me freeze again to death.
(Purcell, King Artur)
lied (aanspreken van de nacht)

Heil'ge Nacht, du sinkest nieder;
Nieder wallen auch die Träume
Wie dein Licht durch die Räume,
Lieblich durch der Menschen Brust
Die belauschen sie mit Lust;
Rufen, wenn der Tag erwacht:
Kehre wieder, heil'ge Nacht!
Holde Träume, kehret wieder!
Tekst: Matthäus Kasimir von Collin. Muziek; Franz Schubert
(gebed: casta diva).

Pure Goddess, whose silver covers
These sacred ancient plants,
we turn to your lovely face
unclouded and without veil...
Temper, oh Goddess,
the hardening of you ardent spirits
temper your bold zeal,
Scatter peace across the earth
Thou make reign in the sky...

Moi je t'offrirai
Des perles de pluie
Venues de pays
Où il ne pleut pas
Je creuserai la terre
Jusqu'apres ma mort
Pour couvrir ton corps
D'or et de lumière
Je ferai un domaine
Où l'amour sera roi
Où l'amour sera loi
Où tu seras reine
Ne me quitte pas.
Jacques Brel

Het hoorbaar worden van de onhoorbare innerlijke stem in een auditief beeld wordt hier niet alleen gemarkeerd door het gebruik van de monoloog zoals in het lyrische gedicht, maar ook door het overschakelen op de gezongen modus of het spelen op muzikale instrumenten, waarbij niet alleen de melodische eigenschappen van het spreken worden benadrukt, maar ook bewegingopwekkende impulsen zoals maat en ritme. Dat maakt het onthullende karakter alleen maar indringender.

Terwijl innerlijk spreken iedereen is gegeven, ligt innerlijk zingen alleen binnen het bereik van componisten. Maar, al zijn er ook beelden van de innerlijke stem van echte zangers of muzikanten die worden gezongen door het zelf in het lied, zoals het 'Autoportrait' van Johnny Hallyday, het merendeel der muzikale zelfbeelden zijn, net zoals de verbale, zelfbeelden van imaginaire personages gemaakt door derden. Wie niet in staat is om een eigen lied te maken, kan zich identificeren met een van die imaginaire personages wier innerlijk zingen hij hoorbaar maakt door het zingen of spelen van een door componisten gemaakt lied: vandaar dat we onze innerlijke gesteldheid meestal ervaren langs door componisten voorgevormde banen.

Het is niet overbodig om eraan te herinneren dat zingen of musiceren als zodanig (al dan niet na voorbereidend innerlijk zingen of musiceren) - net zoals luidop denken - een gewone zelfopvoering is, geen opvoering van een zelfopvoering - dus geen (zelf)beeld. We komen daarop terug in hoofdstuk VI.


HET AUDITIEVE ZELFBEELD (3): HET GEWONE AUDITIEVE ZELFBEELD

Het verbale zelfbeeld dupliceert de (luidop uitgesproken) innerlijke stem, en het muzikale zelfbeeld het (luidop uitgevoerde) innerlijke zingen of spelen. Het gewone auditieve zelfbeeld daarentegen dupliceert de gewone geluiden van het zelf door het opnemen of het dupliceren van de eigen geluiden bij activiteiten allerhande (bv. stappen, zagen, tikken op het klavier, zich scheren), of van de geluiden die horen bij lichaamsverrichtingen (ademen, drinken, eten, spijsvertering, uitscheiding). Het hoorbare zelf kan het openbare zelf zijn, maar ook een verborgen zelf: bv. de geluiden van activiteiten die normaal worden verborgen zoals kreunen van genot of pijn, heimelijk wenen, enz. Aan het opnemen van geluiden is er weinig kunst, en, anders dan de verbale of muzikale, is de gewone auditieve verschijning zelden interessant of relevant voor een individu. Dat verklaart waarom er zo weinig gewone auditieve zelfbeelden zijn. Maar er zijn notoire uitzonderingen, zoals het 'Autoritratto nella notte' van Sciarrino. In dat werk worden de geluiden niet opgenomen, maar gedupliceerd op muziekinstrumenten. Net zoals een lyrisch zelfbeeld dat door vierden wordt gelezen of voorgedragen, wordt Sciarrino's zelfportret niet gespeeld door hemzelf, maar door muzikanten.


VAN HET BEKENNENDE NAAR HET BETRAPPENDE ZELFBEELD EN DE KARIKATUUR

De geluidsopname maakt ook hier het door derden gemaakte beeld van het verborgen zelf mogelijk (Watergate). Al vanouds was het herhalen van het verborgen, maar afgeluisterde spreken mogelijk, maar het maken van een opname sluit verdraaiing van de woorden uit - al is manipulatie uiteraard altijd mogelijk.

Evenzeer vanouds is er het ontwaardende nabootsen van andermans spreken, zeer geliefd bij kinderen, die dan meestal beginnen te 'zingen' en snuiten te trekken. Het genre was ook geliefd bij de madrigalisten: denk aan het nabootsen van Joden (nasale stemmen) in Adriano Banchieri's 'latrai nai' uit diens 'Barca di Venezia per Padova' of aan Orazio Vecchi's "tich tach toch" uit diens Amfiparnasso.


SAMENVATTING

Van het auditieve zelf bestaat er een openbare versie die hoorbaar is door zowel derden als onszelf, en een verborgen versie - de innerlijke stem - die alleen 'hoorbaar' is voor onszelf. Als 'innerlijke' ziel is de innerlijke stem de tegenpool van het visuele zelf, ons 'uiterlijke' lichaam dat voor onszelf grotendeels onzichtbaar is. Dit auditieve zelf wordt tot beeld door opname of door voorlezen. Het maken van een beeld bestaat hier uit twee fasen: de opname of het neerschrijven van de woorden, en het afspelen of voordragen. Die kunnen elk al dan niet door het zelf in het gedicht worden uitgevoerd, zodat we hier naast het door derden en het door het zelf in gedicht gemaakte zelfbeeld ook nog het door vierden of door het zelf in het gedicht voorgedragen zelfbeeld moeten onderscheiden. Al doet dat weinig ter zake, want, anders dan bij het visuele beeld, kunnen we bij het auditieve zelfbeeld niet nagaan of de stem in het gedicht gelijkt op de innerlijke stem. Daarom is het auditieve beeld bij uitstek het door derden gemaakte en door vierden uitgevoerde beeld van een imaginair zelf. Pas het lyrische dagboek voor eigen gebruik is een door het zelf in het dagboek gemaakt én voorgedragen zelfbeeld, met het bijkomende voordeel dat we met onze eigen stem de woorden uitspreken die we vroeger spraken. Pas zo'n openbaar gemaakt dagboek is de tegenhanger van het visuele onthullende zelfportret (al wordt het in de regel door de lezer voorgedragen). Dat alles geldt ook voor de muzikale auditieve zelfbeelden (liederen, aria's). Weergave van de gewone geluiden van het zelf zijn eerder zeldzaam want zelden interessant. Sedert de geluidsopname is ook het betrappende auditieve zelfbeeld mogelijk, en vanouds is ook het ontwaardende auditieve zelfbeeld geliefd.