home over kunst over kunstenaars besprekingen info/contact


WINNEN EN VERLIEZEN

Het was mooi weer en, op zoek naar wat variatie in onze zomeractiviteiten, besloten we pétanque te spelen. We doen dat vaker met Joske, maar deze keer deden zijn grote zus en zijn grote broer ook mee. Dat was zonder de waard gerekend! Want als Joske alleen met ons speelt, doen we niet altijd ons uiterste best, zodat hij af en toe wint. Maar deze keer was het menens! Met als gevolg dat hij het moest afleggen, juist op het ogenblik dat hij zijn kunnen wou demonstreren! De hel brak los! Tegen alle evidentie in beweerde hij dat zijn ballen dichter lagen, dat de winnaars een fout hadden gemaakt of dat iemand hem had geduwd. En als we daar voorzichtig vraagtekens achter zetten, gooide hij zijn ballen zomaar in het rond. Op de duur wou hij al helemaal niet meer spelen. Kortom: er was geen huis mee te houden!

Het is al een oud zeer. Al bij de eerste gezelschapsspelen kon Joske aanvankelijk niet ‘tegen zijn verlies’. Bij het damspel leerde hij slechts geleidelijk verdragen dat wij hem een pion afhandig maakten. Het duurde een hele tijd voor hij aanvaardde dat er regels waren. En als hij het bestaan daarvan al erkende, veranderde hij ze steevast als ze zich tegen hem keerden. Bij het voetballen moest hij al mijn ballen kunnen stoppen, terwijl al zijn ballen altijd raak moesten zijn.

Joske is niet het enige kind dat niet tegen zijn verlies kan. Het loont om een en ander in een breder perspectief te bekijken. Aanvankelijk presteren kinderen vooral om de lol van het te kunnen en/of om groot te zijn zoals de ouders en de grote broers en zussen, om niet meer afhankelijk te zijn. En daar genieten ze danig van. Zodra Joske zich enigszins drijvende kon houden in het zwembad, mocht zijn moeder hem niet langer vasthouden: hij zou het wel op zijn eentje klaren! Maar deze medaille heeft een keerzijde. Zelfstandig worden houdt in dat je niet meer wordt verzorgd en gekoesterd. Daarom willen kinderen ook vaak ‘klein’ willen blijven. Zo stuitte ik op hevige weerstand als ik Joske aanmaande om eindelijk eens zelf zijn boterhammen te smeren: hij genoot er altijd van om zijn moeder voor zich te kunnen opeisen.

Maar de lol om groot te zijn, wordt weldra vervangen door het verlangen om de beste te zijn. Presteren is immers in de eerste plaats een manier om iemands gunst te winnen, en als er meerdere kandidaten zijn – concurrenten – komt het erop aan om de beste te zijn. Degene in wiens gunst men wil komen, is voor het kleine kind lange tijd de geliefde ouder. Pas geleidelijk wordt diens plaats ingenomen door het (meest begeerde) lief. De omschakeling voltrekt zich in een eerste – meestal onopgemerkte fase – op het einde van de kleutertijd (zie: De robot), om pas vanaf de puberteit steeds opvallender op de voorgrond te treden.

Zolang het de geliefde ouder is wiens gunst het kind wil winnen, komt het erop aan beter te zijn dan de concurrerende ouder en de andere kinderen. Hoezeer het kind ook zijn best doet, het zal nooit in staat zijn om het leeftijdsverschil met een oudere broer of zus ongedaan te maken. En ook als het de oudste is, zal het nooit kunnen wat de concurrerende ouder wel kan: zijn (ge)lief(de ouder) een kind schenken. Het wordt daarom des te gevoeliger voor zijn ‘onvruchtbaarheid’ op andere terreinen. Elk nieuw tekortschieten herinnert aan dat ene fundamentele onvermogen, dat alleen de tijd kan opheffen: wacht maar tot ik groot ben! Het arme kind, dat al moest aanvaarden dat het verwekt was en sterfelijk, dat het eerst moet groot worden om mee te tellen, dat het onherroepelijk tot één enkel geslacht behoort, krijgt nu ook nog te slikken dat het niet altijd de beste is.

Geen wonder dat de concurrentiestrijd geleidelijk verschuift naar de krachtmeting met leeftijdgenootjes: de latere concurrenten om het lief. Het overtreffen van leeftijdsgenootjes lijkt schadeloos te stellen voor het steeds meer in het oog springende onvermogen om de concurrerende ouder van de troon te stoten. Vandaar het grote succes van competitiespelen, waarbij het erop aan komt de winnaar duidelijk van de verliezers te onderscheiden. Al wordt de uiteindelijke beloning - het worden uitverkoren door het meest begeerde lief - voorlopig vervangen door een prijs, of gewoonweg: ‘de eer’.

Nu is winnen natuurlijk heel leuk voor de overwinnaar, maar niet voor de verliezer. Temeer omdat kinderen danig genieten van hun overwinning en hun triomf niet onder stoelen of banken steken. Ze kunnen er maar niet genoeg van krijgen om hun superioriteit te bewijzen en dagen hun zwakke tegenstrevers keer op keer uit om ze keer op keer meedogenloos te kunnen afmaken. Ouders zijn heel wat toegeeflijker en laten hun kinderen vaak winnen: ze voeren de dosis verlies slechts geleidelijk op. Tot de kinderen dat door hebben en – in hun kruis getast – erop aandringen dat je ‘echt’ speelt. Wat dan weer tot gevolg heeft dat ze vaker verliezen. Tenzij het gaat om krachtmetingen waarin ze echt superieur zijn – zoals bij om ter verste pissen (zie: de Robot).

Wat te doen als je verliest? De meest voor de hand liggende reactie kennen we al: ‘Wacht maar tot ik groot ben!’ Daarin wortelt elke aandrang om te groeien en te leren. Maar deze eerste vorm van ‘tegen zijn verlies kunnen’ wordt al meteen op de proef gesteld. Alle kinderen zijn immers bezig met ‘groot worden’ en in afwachting meten ze zich aan elkaar. En daar herhaalt zich het probleem. Er blijkt immers zoiets als ‘aanleg’ te zijn: hoezeer alle kinderen zich ook inspannen om te ‘groeien’ en te ‘leren’, al tijdens de koers springt meteen in het oog wie zal winnen. Waarom dan nog verder meelopen?

Gelukkig zijn er tal van vaardigheden, zodat de winnaar in de ene arena vaak de verliezer is in een andere. En dat is voor de verliezers een troost: straks zullen ze winnen in een andere koers. Dat komt tot uiting in de talloze vuistregels. ‘Wie niet sterk is, moet slim zijn’ is wellicht de meest populaire formule (zie: ‘De ridder en de monnik’). Er zijn bovendien vele manieren om sterk te zijn en vele manieren om slim te zijn: ‘Al is hij zwak in wiskunde, het is een echte talenknobbel!’ of ‘Hij kan wel goed voetballen, maar van zwemmen heeft hij geen verstand!’. En wie zelfs na de toenemende verkaveling van de arena’s niet aan zijn trekken komt, kan zich nog altijd beroepen op het gezegde: ‘Niet het resultaat telt, maar de inspanning’ – waarmee allen die door de natuur niet met de benodigde talenten werden bedeeld ook nog aan hun trekken komen. En zelfs als dat niet helpt, zijn er nog de vele uitwegen, die voortborduren op de hele waaier van voordelen die je kunt putten uit 'klein' blijven.

In afwachting dreigt door de opdeling van de competitie het gevaar dat kinderen helemaal geen inspanning meer doen op de terreinen waarop ze niet uitblinken. Dat is een probleem als het gaat om activiteiten die belangrijk zijn om de band met de groep te onderhouden of om vaardigheden die levensbelangrijk zijn. Daarom is het goed de kinderen in eerste fase te helpen in het vinden van een terrein waarop ze uitblinken. Maar in een tweede fase komt het erop aan te verhinderen dat ze hun andere talenten niet braak laten liggen.

Tegen deze achtergrond krijgen we een heel andere kijk op de hysterische reactie van Joske op zijn verlies bij de pétanque duidelijk. Nadat hij het thuis uiteindelijk tegen zijn vader moest afleggen (zie: ‘De robot’ en ‘De beer’) werd hij des te gevoeliger voor de vergelijking met zijn leeftijdsgenoten. Al van in de eerste kleuterklas bepaalde zijn plaats in de rangorde zijn ‘humeur’. Aanvankelijk onderscheidde hij zich doordat hij als eerste kon fietsen zonder wieltjes. Elke morgen kwam hij triomfantelijk aangereden en plaatste met veel omhaal zijn fiets in de stalling. Maar een voor één haalden de andere kinderen hem in. En bij het voetballen op de speelplaats werd hij uiteindelijk opzij gedrongen. We probeerden hem te helpen door thuis te oefenen en hem voetbalschoenen en -handschoenen te kopen. Dat hielp. Hij mocht op de speelplaats zelfs af en toe in de goal gaan staan. Maar anderen bleven daar de show stelen. Toen zijn grote broer een nieuwe fiets had gekregen, erfde hij de oude: een fiets met versnellingen! Dat leverde hem een tijdlang een nieuw prestige op in de school en tijdens onze fietstochten bleef hij telkens weer achter om ons vervolgens met veel brio in te halen. Maar zijn echte alternatief werd zwemmen. Zijn mama had hem ingeschreven in de zwemles. Gelukkig deed hij het daar in vergelijking met de andere kinderen erg goed. Met als gevolg dat zijn aandrang om op te klimmen in de hiërarchie op de speelplaats geleidelijk verdween. Met des te meer ijver legde hij zich toe op duiken en baantjes zwemmen in die buitenschoolse arena: het zwembad.

Maar het is vooral de formule ‘wie niet sterk is, moet slim zijn’ die hem drijvende hield. Wat op de speelplaats niet lukte, zou hij wel goedmaken in de klas. Reeds in de kleuterklas had hij het nodige prestige weten te ontlenen aan zijn taalvaardigheid en zijn kennis. Juist omdat hij daar in de kleuterklas successen mee boekte, liet hij zich thuis gretig ‘voltanken’. Hij keek mee naar het nieuws, was verzot op documentaires allerhande, maar kon vooral niet genoeg krijgen van informatieve boeken, en in toenemende mate ook… mythologie. Ook aan zijn kunstwerken ontleende hij het nodige prestige. Zij het dan alleen thuis en in de familie, want in de school golden op dat vlak andere waarden.

Hoe dan ook, al onze inspanningen en zijn drang tot zelfbevestiging leidden ertoe dat hij uit de eerste concurrentiestormen tevoorschijn kwam met een voldoende - zij het erg kwetsbaar - zelfvertrouwen. Op het einde van het schooljaar vertrouwde hij me eens zelfverzekerd toe: ‘Mijn voetballen zit in mijn voeten, mijn knutselen in mijn handen en mijn lezen in mijn kop’.

Maar pas in het eerste studiejaar beleefde hij nieuwe triomfen. Omdat hij al kon lezen, mocht hij meteen in de leesgroepen van de volgende jaren mee. In één klap was hij de ‘eerste’ in de klas. En dat heeft een zelfversterkend effect: hij doet beter zijn best en wordt ook op andere terreinen geacht de beste te zijn. Hij klapt zelfs niet meer dicht als hij ergens tekort schiet. Zo haalde hij bij het schrijven maar magere resultaten. Aanvankelijk wilde hij geen oefeningen maken. Het begon weer van: ‘Ik kan dat niet’. Maar zijn mama wist hem over de drempel te halen. Als dat was gelukt, deed ik er een schepje bovenop. Ik daagde hem uit voor een wedstrijd: ik beweerde dat ik mooier kon schrijven dan hem. En meteen ging hij aan het oefenen: hij liet er zelfs zijn geliefde voorleesuurtje voor.

Het effect van deze rangverhoging was dus spectaculair. Gedaan met zijn humeurigheid en zijn ‘moeilijk karakter’. Elke morgen staat hij welgezind op, fietst telkens weer vol enthousiasme naar school, laat tijdens de middagpauze geen stoom meer af thuis en maakt ’s avonds extra huiswerk. Wat natuurlijk tot gevolg heeft dat wij ook veel liever worden voor hem. Kortom: de spiraal begon geleidelijk de positieve kant op te draaien.

Het is nu zaak deze gunstige wending ten volle te benutten om hem allerlei onhebbelijkheden af te leren die zich hebben ontwikkeld als gevolg van zijn eerste ‘falen’ en vele nieuwe positieve kwaliteiten te ontwikkelen die horen bij een toegenomen zelfvertrouwen. Maar vooral moeten we bedacht zijn op de nieuwe moeilijkheden die zich weldra zullen aandienen. Net zoals de andere kinderen hem met de fiets inhaalden, zullen ze dat ook met lezen doen. Het valt alleen maar te hopen dat hij op de onvermijdelijke rangverlaging die hem te wachten staat ditmaal beter en anders zal reageren dan op zijn eerste onttroning.

© Stefan Beyst, oktober 2002






zoek op deze site

powered by FreeFind



Reacties: beyst.stefan@gmail.com


zie ook: stefan beyst over liefde: 'de extasen van eros'




Op de hoogte blijven van nieuwe teksten: mailinglist