INLEIDING
In dit artikel willen wij onderzoeken op welke wijze de relatie tussen
groepen door de psychoanalyses benaderd wordt. We zullen dat doen aan de
hand van de studie van de psychoanalyse als beweging. We gaan vervolgens
na op welke manier de psychoanalyse haar eigen geschiedenis analyseert.
We komen dan tot conclusies over de bruikbaarheid van psychoanalytische
inzichten bij de analyse van maatschappelijke verschijnselen. Deze
studie levert zijdelings heel wat belangrijke inzichten op voor de
wetenschapstheorie.
Merken we op dat het niet onze bedoeling is een oordeel uit te spreken
over de geldigheid van de door de verschillende psychoanalytische
strekkingen verdedigde standpunten.
HOE DE PSYCHOANALYTICI ZICH ONDERLING VERSCHEUREN
De geschiedenis van de psychoanalyse is één aaneenschakeling van
splitsingen en de daarmee gepaard gaande persoonlijke animositeit. Geven
we een kort (en onvolledig) verslag daarvan. S. Freud richtte in 1907 de
'Psychoanaytische Gesellschaft' op die in 1910 werd uitgebouwd tot
'Internationale Psychoanalytische Vereinigung'. In 1911 wordt Adler
uitgestoten. Hij richt de 'Vereinigung für freie Psychoanalyse' die
kort daarop tot 'Individualpsychologie' wordt herdoopt. In 1913 volgt
Jung, die in 1933 (!) president wordt van de 'Allgemeine Ärtzliche
Gesellschaft für Psychotherapie'. Er ontstaan moeilijkheden rond
Ferenczi en Rank in 1923. Terwijl Ferenczi geleidelijk inbindt,
publiceert Rank in 1923 zijn 'Trauma der Geburt', wat zal leiden tot een
formele breuk in 1926. Rank richt in 1933 een eigen centrum op te
Parijs. Moeilijkheden ontstaan eveneens rond Reich die officieel wordt
uitgestoten in 1934. In Engeland ontstaan er spanningen rond de figuur
van M. Klein. Deze resulteren na de aankomst van A. Freud in 1939 in
fractievorming binnen de Engelse groep en hevige discussies in
1943-44. Een 'middengroep' centreert zich rond Winnicott. De
strekking van A. Freud levert een groep 'ego-psychologen' op:
Hartmann, Kris en Loewenstein. In de Verenigde Staten wordt Horney wordt
uit de officiële vereniging gestoten in 1941. Ze richt in 1941 de
'Association for the Advancement of Psychoanalysis' op met Fromm,
Sullivan, Kardiner en Rado als leden. In 1942 verlaten Kardiner en Rado
de rangen en in 1943 Fromm en Sullivan af. Horney richt dan het
'American Institute for Psychoanalysis' op in 1944. Eveneens in de
Verenigde Staten concentreert Reich Wolfe en A. Lowen rond zich. Deze
laatste richt in 1956 zijn eigen 'Institute of Bioenergetic Analysis'.
Perls sticht in 1952 het 'Institute of Gestalt Therapy' op en Frankl de
'Society of Existential Psychiatrists and Psychologists'. Vooral in de
Verenigde Staten begrijpen vele therapeuten zich als psychoanalytici
zonder nog binnen de officiële vereniging werkzaam te zijn. Dat is het
geval met de groep Davanloo-Sifneos en Malan (uit Balint) evenals
met ondertussen niet meer bij te houden strekkingen zoals de
'Transactionele analyse' van Berne, de 'Primal Scream' van Janov enz.
Binnen de officiële vereniging wordt een synthesepoging tussen
verschillende strekkingen ondernomen door Kernberg. Kohut krijgt in 1977
problemen met de publicatie van 'The Restauration of the Self'. In
Frankrijk zijn er moeilijkheden met Lacan, die ondertussen zelf weer
stamvader van een wijd vertakte stamboom van organisaties is geworden.
Niet zonder reden schrijft Eysenck (1985) met veel leedvermaak: 'It has
been estimated that in New York at the moment there are about a hundred
different schools of psychoanalysis, all engaged in internecine war' (p.
18).
ES IST EINE ALTE GESCHICHTE, DOCH BLEIBT SIE IMMER NEU
Dergelijke ontwikkeling is geen privilege van de psychoanalyse. Freud - die zelf maar een stuk van dit verhaal moest meemaken
-
merkt naar aanleiding van het uittreden van Adler en Jung op: 'Wie
andere wetenschappelijke bewegingen onderzocht heeft, zal weten, dat
zich ook daar analoge "Störungen und Misshelligkeiten" plegen
voor te doen' (G.W. X, p. 92)
Ook buiten de wetenschap zijn dergelijke verschijnselen de regel. We
zouden het kunnen hebben over de 'Misshelligkeiten' tussen Jezus en het
jodendom, tussen Mohammed en het Christendom, tussen de katholieken en
de orthodoxen in 1054, tussen de vele stichters van kloosterorden en hun
voorgangers, tussen Luther en de paus enz. In de politiek hoeven we
slechts te verwijzen naar de geschiedenis van het liberalisme die zelf
weer het aanzien gaf aan de hele waaier van socialistische denkers. We
kennen allen het verhaal van de Socialistische Internationales met de
uitstoting van de anarchisten rond Bakoenin, de losscheuring van de
derde Internationale onder Lenin, het schisma van de IVe internationale
onder Trotzky. In de kunst is er van oudsher sprake van kunstenaars die
zich tegen elkaars stijl afzetten.
In het licht van deze summiere opsomming, die naar believen tot elk
terrein van de menselijke activiteit doorheen de gehele geschiedenis kan
aangevuld worden, kunnen we ons niet van de indruk ontdoen dat we hier
wellicht te maken hebben met een verschijnsel dat kenmerkend is voor de
relaties tussen menselijke groepen als zodanig. De geschiedenis van de
mens bestaat formeel gezien uit de eindeloze opeenvolging van groei en
splitsing op allerhande terreinen.
MISHELLIGKEITEN?
Freud is wat vaag als hij het heeft over 'Störungen und
Misshelligkeiten'. Het gaat in de psychoanalyse over meer dan dat. De
controverses in de psychoanalyse eindigen immers alle op min of meer
dramatische afscheuringen en stichting van nieuwe verenigingen,
waarbinnen het verhaal zich herhaalt. Ze beperken zich dus niet tot
verbale oorlogen.
We moeten dus een aantal varianten van splitsing (schisma)
onderscheiden. Bij een eerste reeks 'informele' splitsingen verschijnt
er gewoon een nieuwe variant op het toneel en de aanhangers ervan gaan
elkaar gewoon uit de weg. Bij een tweede reeks splitsingen gaat het om
verschillen tussen groepen van mensen die zich in een formele
organisatie hebben verenigd. Controverse leidt hier tot fractievorming
of formele uitsluiting, al dan niet gevolgd door de oprichting van een
nieuwe vereniging. Dat was inzake psychoanalyse het geval met Adler,
Jung, Rank, Reich, Klein, Horney, Lowen, Lacan. Een variant is dat men
van meet af aan een eigen vereniging opricht. In nog andere gevallen
worden de grove middelen ingezet: schijnprocessen, gevangenschap,
verbanning, moord op de leider of uitroeiing van de gehele groep. Hier
volstaat het te verwijzen naar de vervolging van de Christenen onder
Nero of de Inquisitie door de christenen, de Joden door Hitler, de
dissidenten onder Stalin enz. Nog duidelijker is het verhaal bij
politieke bewegingen, wat geen verwondering hoeft te wekken vermits
politiek berust op het hanteren van geweld.
Op deze scala zijn de controversen tussen de psychoanalytici inderdaad
eerder onbeduidende faits divers "Misshelligkeiten"'.
AD HOMINEM
Het schisma is dus geenszins een kwalijke eigenschap van de
psychoanalytische beweging: groei en splitsing zijn eigen aan de
menselijke groep als zodanig. Van psychoanalytici verwachten we dat ze
goed op de hoogte zijn over de diepere motieven die aan dit proces te
grondslag liggen. We gaan dan ook bij hen te rade om te weten wat ze met
name over de groei en splitsing van de eigen beweging denken.
VOORUITGANG
Vele dissidenten rechtvaardigen hun doorbreken van de orthodoxie in
termen van wetenschappelijke vooruitgang. Waar Freud het Oedipoescomplex
centraal stelde wijst Melanie Klein op het belang van de 'depressieve
positie', Rank op het 'geboortetrauma', Fodor (en velen in zijn
voetspoor) op het 'intraüterine', ja zelfs 'conceptionele' trauma. Het
wachten is alleen op het 'reïncarnationele trauma'. Andere auteurs
wijzen op de noodzaak de psychoanalytische inzichten in eenklank te
brengen met de ontwikkeling in andere wetenschappen. Dergelijke auteurs
gaan dan ook vreemd: Adler bij het socialisme, Jung bij gnosis en
alchemie, Reich bij biologie en Marxisme, de jonge Lacan bij
Gestaltpsychologie (later bij Hegel en de linguïstiek en Lévi-Strauss), Binswanger bij
de fenomenologie. Vooral na de Tweede Wereldoorlog wordt op een
dergelijk 'aggiornamento' aangedrongen door de Ego-psychologen,
figuren als Kernberg (genetische psychologie), Perls (Gestalt), Lacan
(linguïstiek) enz.
Los van de vraag in hoeverre een dergelijke aanpassing werkelijk nodig
was of inderdaad gerealiseerd werd - waarop we in dit artikel
niet ingaan - blijkt alleen reeds uit de weg die zowel bij de
interne als de externe aanpassing wordt ingeslagen, dat er andere
factoren in het spel moeten zijn. Dit soort verklaring is dus in het
beste geval slechts een halve waarheid. Wat mag de andere helft dan wel
zijn?
DE OERVADER
In zijn kort na de eerste 'feiten' geschreven 'Geschichte der
Psychoanalytischen Bewegung' (1914) verwijst Freud onder meer naar
persoonlijke ambitie. Adler zou in het aanschijn van de Weense groep
verklaard hebben: 'Gelooft U soms dat ik het een aantrekkelijk
vooruitzicht vind, mijn hele leven lang in Uw schaduw te moeten leven?'
(G.W. X, p. 94). Freud voegt er onmiddellijk aan toe: 'Ik heb er niets
op tegen, als een jonge man openlijk uitkomt voor zijn ambitie, waarvan
men sowieso vermoedt dat ze één van de drijfveren van zijn activiteit
is' (p. 94-95). Volgens Freud beroept Jung zich op het
'cultuurhistorische recht van de jeugd zich te bevrijden uit de ketens
waarin de tirannieke, in haar opvattingen verstarde oudere generatie
haar zou willen vastklinken' (p. 103). Iets verder heeft hij het over
'Ein befreiender Jugendtat' (G.W. X, p. 105).
Lezen we aandachtiger, dan blijkt dat Freud nog andere motieven in zijn
achterhoofd heeft. Hij geeft ze slechts tussen de regels prijs, ongeveer
zoals volgens hem eenzelfde wens in verschillende dromen van één nacht
zich onder telkens andere facetten kenbaar maakt en zich onder telkens
nieuwe vermommingen verhult. Bij formuleringen zoals 'ein befreiender
Jugendtat' en de 'tyrannieke oudere generatie' kunnen we er ons niet van
weerhouden aan de vadermoord te denken. En we herinneren ons dat 'Totem
und Tabu' - waarin het verhaal van deze moord beschreven wordt - gepubliceerd werd in 1912 (na de afscheuring van Adler en kort
voor die van Jung).
Heel wat andere passages wijzen in dezelfde richting. Freud (1914) heeft
het over het spektakel 'wie sich die Psychoanalytiker untereinander
zerfleischen' (G.W. X, p. 92): we herinneren ons hoe de oervader na de
vadermoord door de zoons opgegeten werd. Freud beschrijft hoe Adler zich
door hem 'verfolgt' wist: in 'Massenpsychologie' (1921) gebruikt Freud
dezelfde term voor de verhoudingen in de oerhorde waarin alle zonen zich
'vom Urvater verfolgt wussten' (G.W. XIII, p. 139). De betekenis van
deze 'Verfolgung' wordt duidelijk als Freud deze beschuldiging ontkent
door erop te wijzen welke belangrijke posten hij aan zijn discipelen
toekende. Deze 'Verneinung' van Freud is echter weinig overtuigend.
Weliswaar trok Freud zich terug om Jung en Adler op de organisatorische
troon te zetten, maar zelf bleef hij onaangetast de ideologische scepter
zwaaien. We kennen immers allen de bekende passage uit de 'Vorlesungen'
(191617) waarin Freud het heeft over drie krenkingen van de
eigenliefde van de mens: de eerste door Kopernikus die beweerde 'dat
onze aarde zich niet in het middelpunt van de kosmos bevindt', de tweede
door Darwin, die de mens 'wees op zijn afstamming uit het dierenrijk en
de onuitroeibaarheid van zijn dierlijke natuur' en de derde door 'door
het huidige psychologische onderzoek... dat het ik erop wijst, dat het
niet eens baas is in eigen huis, maar dat het aangewezen is op karige
berichten over wat zich onbewust in zijn zieleleven afspeelt' (G.W. XI,
p. 294295). Kopernikus, Darwin, Freud, voorwaar een
indrukwekkende 'Selbstdarstellung Freuds'.
Blijkens deze zelfsituering beschouwde Freud (1930) zichzelf als een van
die 'grosse Führerpersönlichkeiten' die 'tijdens hun leven door de
anderen bespot, mishandeld of zelfs op gruwelijke wijze uit de weg
geruimd worden, zoals ook de oervader pas lang na zijn gewelddadige dood
als God herrees' (G.W. XIV, p. 502). We kunnen aannemen dat Freud
zichzelf beschouwde als degene die de mensheid (inzake
menswetenschappen) in het tijdperk van de wetenschap zou leiden, zoals
Mozes de mensheid de weg gewezen had naar het monotheïsme, en daarvoor
- volgens de reconstructie van Freud - door zijn
tijdgenoten gruwelijk werd voor mishandeld. Dezelfde Freud neemt het
Adler kwalijk dat hij zich als Messias laat voorstellen 'op wiens
verschijnen de mensheid door talloze voorgangers voorbereid werd' (GS X.
p. 104). Ook Jung (1963) beweert dat Freud hem ervan verdacht 'een
profeet te willen zijn' (p. 177).
Wij zijn niet de eersten om deze suggestie te doen. Robin Ostow meende
dat Totem en Taboe gelezen moet worden als: 'an allegory about Freud,
his disciples and the psychoanalytic movement'. 'The personal
characteristic of the primal father represent many of Freud's own
traits. Some of the basic trends of the primal drama are observable in
both the evolution of the psychoanalytic movement and in Freud's fears
and fantasies for his personal future and that of this theory and his
organization. Adler and Stekel were two of the growing sons whom Freud
exiled from the horde. Freud's fantasy of being dismembered and being
incorporated by these creative, aggressive young men seems to contain
some fear and a certain amount of masochistic pleasure. He sees his
ultimate re-emergence, with unprecedented personal control over a
group of now coöperative, affectionate, and remorseful but still
unindivualized spiritual sons. Freud imagines himself to be the totem of
later generations of psychoanalysts; they would call themselves
"Freudians'", they would rever him, and they would function in
an orderly organization' (Eysenck p. 190, geen bibliografie in Eysenck).
Ook E. Wallace verwijst naar de problemen met Jung.
WEERSTANDEN
Freud hanteert echter nog een tweede model om de splitsingen te
verklaren: weerstand tegen inzicht. Uit het
Kopernikus-Darwin-Freud-citaat blijkt dat Freud van
mening was dat belangrijke inzichten op weerstand stuiten. Hij spreekt
in dat verband van 'twee grote krenkingen van de naïeve eigenliefde'
(p. 294), waarvan het inzicht in het bestaan van het onbewuste de derde
was. Na dit citaat klaagt Freud dat hij 'de vrede van deze wereld nog op
een andere manier moest verstoren' (p. 295), namelijk door de leer van
de verdringing en die van de seksualiteit, die samen met het onbewuste
de drievuldigheid der psychoanalytische dogma's '(Grundfpleier')
uitmaken. Voor details verwijzen we naar 'Die Widerstände gegen die
Psychoanalyse' (G.W. XIV p. 100-107).
Dit 'weerstandsmodel' wordt door Freud niet alleen gebruikt om de
reactie van de buitenwereld te verklaren, maar ook om de geschiedenis
van de psychoanalyse zelf te begrijpen. Reeds in 'Geschichte der
Psychoanalyse' vermeldt Freud (1914) dat Jung en Adler afscheurden
tijdens hun analyse, daarbij opmerkend dat patiënten soms elke
aanvaarding van de theorie opgeven bij hernieuwde weerstand. Ook
psychoanalytici zijn daar niet immuun tegen. In datzelfde opstel
beschrijft Freud hoe de theorieën van Adler en Jung bestaan uit drie
onderdelen: 'goede bijdragen', overbodige maar toelaatbare 'vertalingen'
in een nieuw jargon, en - last but not least - uit
'Entstellungen und Verdrehungen' (G.W. X, p. 96). Afgezien van
vertalingen en vernieuwingen is het wezenlijke kenmerk van vele theorieën
dus dat ze een afweer zijn op andere: 'De leer van Adler wordt niet
zozeer gekenmerkt door wat ze beweert, dan wel door wat ze verloochent'
(G.W. X. p. 96). Freud ziet in deze 'ontkenning' geenszins een moment in
een bv. Hegeliaans dialectisch proces, maar integendeel een
'restauratie': 'Alsof er nooit epigonen bestaan hadden, reacties en
restauraties na elke revolutie, geslachten die verzaken aan de
verworvenheden van een vroegere generatie' (G.W. X, p. 105). Freuds
model is dus niet dat van voortdurende splitsing, maar van een
revolutionaire hoofdstroom die zich - steeds overweldigender - een weg baant doorheen talloze retrograde tegenstromen.
In latere versies van de 'weerstandstheorie' figureert naast het
onbewuste, de verdringing en de seksualiteit ook nog de 'doodsdrift':
'De hypothese van een doods- of destructiedrift stuitte zelfs in
kringen van analytici op weerstanden' (GS, XIV, p. 478). 'Ik herinner
mij aan mijn eigen afweer, wanneer de idee van een destructiedrift voor
het eerst in de analytische literatuur opdook, en hoe lang het duurde
vooraleer ik er ontvankelijk voor werd' (GS XIV, 479).
ZONEN OVER HUN
VADER
Freud is natuurlijk niet de enige psychoanalyticus die over deze balk in
het psychoanalytisch oog heeft nagedacht. Het zou ons te ver voeren de
opvattingen van alle psychoanalytici na te gaan. Beperken we ons tot
Jung, Reich en Lacan (Girard).
Jung rechtvaardigt zijn afsplitsing in termen van waarheid: 'Ik was
bekommerd om het onderzoek naar de waarheid, niet om kwesties van
persoonlijk prestige' (p. 181). Volgens hem lagen de problemen bij
Freud, die weerstanden ontwikkelde tegen nieuwe inzichten. 'Mijn beste
Jung, beloof me nooit de seksuele theorie op te geven. Dat is het
essentieelste. We moeten er een dogma van maken, een onwankelbaar
bolwerk' moet Freud tegen Jung gezegd hebben, waarop deze hem vroeg:
'Een bolwerk - waartegen?', 'Tegen het zwarte tij van de
modder.... van occultisme' (p. 173). Freud wilde van zijn leer een dogma
maken dat elke vernieuwing de pas afsneed. Freud poogde 'de kerk te
overtreffen en de theorie te canoniseren' maar beschuldigde er
ondertussen Jung van 'een profeet te willen zijn' (p. 177). Bij Freud
wordt de weerstandtheorie gebruikt om de restauratie te verklaren, bij
Jung verklaart ze daarentegen de stagnatie. 'Ik observeerde bij Freud de
doorbraak van onbewuste religieuze factoren. Het was duidelijk dat hij
rekende op mijn hulp om een dam op te werpen tegen deze dreigende
onbewuste inhouden' (p. 174). Hier is het dus niet de seksualiteit die
verdrongen wordt, maar... de religie.
We wezen er reeds op dat Freud ook 'hernieuwde weerstand'
verantwoordelijk achtte voor het gedrag van Jung. Jung (1963) deelt ons
mee waarover het gaat: doodswensen tegenover Freud (vgl. vadermoord).
Niets daarvan, meent Jung: 'Zijn vriendschap betekende heel wat voor
mij. Ik had geen reden om hem dood te wensen (p. 188). In plaats daarvan
heet het: 'Ik besefte dat het hoofdstuk "Het offer" het offer
van mijzelf betekende (p. 192). Tegenover de vadermoord staat hier het
offer van de zoon...
Ook Reich denkt in termen van het weerstandsmodel, met die bijkomende
merkwaardigheid dat Freud zelf de weg naar de verdringing van zijn eigen
theorie zou hebben ingeslagen. Reich (1969) beschrijft de reactie op
'Das Ich und das Es' (1923) als volgt: 'De seksualiteit werd wezenloos,
het begrip "libido" verloor elke seksuele inhoud en werd tot
een zegswijze... Men begon de neurosenleer te vertalen in het jargon van
de "ik-psychologie". De lucht klaarde op...' (p. 111).
'Men nam nog wel het woord "seksualiteit" in de mond, maar
bedoelde er niet meer hetzelfde mee' (p.111).
Reich hanteert echter ook nog een tweede model, dat ook op andere
'soziale Bewegungen' van toepassing is: de nefaste gevolgen van
institutionalisering. 'Het formele overwoekerde de inhoud, de
organisatie haar eigen opgave... zoals het oerchristendom tot kerk
degenereerde en de marxistische wetenschap tot fascistische dictatuur,
zo werden weldra vele psychoanalytici de ergste vijanden van hun eigen
zaak' (p. 112). Ook deze theorie is niet nieuw: het volstaat om te
denken aan Christus die de kooplieden uit de tempel verjaagt.
Beide modellen worden verenigd in het beeld van een organisatie die geen
weerstanden wil opwekken: 'De wereld kon het feit van het onbewuste
zieleleven niet langer loochenen. Daar begon hij zijn oude verderfelijke
spel te spelen. Hij schonk Freud vele leerlingen die aan de gedekte
tafel kwamen aanzitten en geen problemen hadden met de stof. Zij
brachten hun conservatieve bindingen met de wereld in de organisatie...
De ene na de andere offerde de libidotheorie op en vervlakte ze' (p.
187). Gelijkaardige verwijten werden door de IIIe Internationale aan het
adres van de sociaal-democraten gericht, terwijl wij vandaag maar
al te goed op de hoogte zijn over de exploten van hun opvolgers.
Ook Lacan (1953) heeft het in eerste instantie over de structuur van
instellingen en hun 'formalisme dat het initiatief ontmoedigt door het
risico te bestraffen, en dat van de heerschappij van de geleerden het
principe maakt van een slaafse voorzichtigheid' (p. 239). De
'Association Internationale de Psychoanalyse' (A.I.P) is immers een hiërarchie
van wat Lacan ironisch 'Les Suffisances', 'les Petits Souliers''les Béatitudes',
en 'les Bien-Nécessaires' noemde (p. 75 ff.). Net zoals bij
Reich worden hier dus de gevolgen van institutionalisering gelaakt. We
kunnen ons afvragen hoe Lacan deze gevaren in de van hem uitgaande
organisatie meende te kunnen bezweren.
Voor Lacan spelen echter nog andere factoren een rol. Op de vlucht voor
Hitler spoelde een hele lading psychoanalysten in de Verenigde Staten
aan, een land dat volgens Lacan gekenmerkt wordt door een 'a-historisme,
bepaald door de verlangde assimilatie' (p. 402). 'De conjunctuur was te
gunstig, de geboden kansen te verleidelijk, om niet te bezwijken voor de
verleiding'(p. 403). De psychoanalysten werden 'managers van de ziel'
(p. 403). In 'La chose Freudienne' heet het dat de therapie 'in de
Amerikaanse atmosfeer zodanig verworden is tot een middel om
"succes" te hebben en om de levensstijl van de
"happiness" te realiseren, dat erop moet gewezen worden dat we
hier te maken hebben met een verloochening van de psychoanalyse' (p.
416). 'Car depuis que la chose psychoanalytique est devenue chose reçue
et que ses servants vont chez la manicure, le ménage qu'ils font
s'accomode de sacrifices au bon ton' (p. 420). Het gaat hier om een
reeks 'culturele' verwijten die samengevat kunnen worden in het
scheldwoord 'Amerikaans'. Hiertoe behoort ook een 'forme mentale très
autochtone" die onder de naam van behaviorisme zodanig de
Amerikaanse opvatting over psychologie bepaalt, dat zonder meer
duidelijk wordt dat ze de freudiaanse inspiratie in de psychoanalyse
verstikt' (p. 245).
Minder nadrukkelijk hanteert Lacan de weerstandstheorie: 'De
psychoanalytische benadering ontwikkelt zich hier in de richting van
aanpassing van het individu aan zijn sociale omgeving' (p. 245). Het is
echter - net zoals bij Jung - niet de seksualiteit die
verdrongen wordt. Lacan meent - let op het chiasme: 'C'est cet abîme
ouvert à la pensée qu'une pensée se fasse entendre dans l'abîme, qui
a provoqué des l'abord la résistance à l'analyse. Et non pas comme on
le dit la promotion de la sexualité dans l'homme' (p. 522).
LE RETOUR A FREUD
De benadering van Reich en Lacan - en dat is de reden waarom we
ze uitverkoren hebben - laat ons toe een bijzondere variant van
het schisma te analyseren: de 'retour à', die geenszins pas sedert
Lacans 'retour à Freud' op het toneel verscheen. Hoe vaak is niet reeds
teruggekeerd naar de bronnen van het ware socialisme? Naar die van het
'eerste christendom'? Enz. Alsof 'oorsprong' en 'waarheid' iets met
elkaar te maken zouden hebben.
Opdat er teruggekeerd kan worden, moeten er eerst verraders geweest
zijn. En de stichter moet dan uit de klauwen van de verraders gered
worden, ongeveer zoals Nietzsche Christus uit de klauwen van Paulus
redt. Paulus kan overigens ook model staan voor diegenen die bij Reich
'aan de gedekte tafel kwamen aanzitten en geen moeite hadden met de
stof' en voor degenen die bij Lacan 'vont chez la manicure'. Was hij het
niet die op weg om de Christenen te vervolgen plots bekeerd werd tot
datzelfde Christendom. Waarlijk: 'In hoc signo vinces!', in dit teken
zal je overwinnen. Of moeten we schrijven: slagen?
Vooraleer op de echte 'retours' in te gaan moeten we eerst de verkorte
voorvorm ervan onderzoeken: de zoon die het ware wezen van de vader
realiseert. We wezen er reeds op hoe Jung vaststelde dat de seksualiteit
voor Freud een dam was tegen de religie. Jung meent nu dat Freud 'in de
grond wilde verkondigen... dat... seksualiteit spiritualiteit omvatte en
dat ze een intrinsieke betekenis bezat' (p. 175). Freud kon niet tot dit
inzicht komen vanwege zijn 'concretistische terminologie' (p. 175). Jung
meent dan ook dat Freud inging 'tegen zijn eigen doel en tegen zichzelf;
er bestaat geen grotere bitterheid dan die van iemand die zijn eigen
grootste vijand is' (p.175). Jung beschouwt zich als de enige ware
opvolger van Freud, de miskende, uitverkoren - maar zoals gezien
geofferde - zoon: 'Terugblikkend kan ik beweren dat alleen ik de
twee problemen uitwerkte die Freud het meest interesseerden: het
probleem van de herinneringen uit de oertijd en het probleem van de
seksualiteit'. 'Mijn grootste bekommernis bestond uit het onderzoek van
de spirituele en numineuze betekenis van seksualiteit, naast die van
haar persoonlijke betekenis en haar biologische functie, om duidelijk te
kunnen maken waardoor Freud zo gefascineerd werd, zonder het te kunnen
vatten' (p. 192).
Reichs verhaal is iets gecompliceerder. Vermits Freuds discipelen én
Freud zelf de psychoanalyse verraden hadden, was het Reichs opdracht de
terugkeer naar de 'roots' in te luiden. En overeenkomstig het
'weerstandmodel' (voor de ontwikkeling) kon dat niet anders dan de
hernieuwde weerstand oproepen. Reich (1969) beschrijft de reactie van de
psychoanalytici als hij in 1923 de rol van de 'genitaliteit' in de
economie van de neurose ter tafel legt: 'Er heerste een ijzige stilte in
de zaal' (p. 91).
Doorgewinterde Freudianen zal het echter niet ontgaan dat de 'retour'
van Reich slechts de 'Verneinung' is van een 'détour'. Reich verwerpt
immers niet alleen de latere Freud, maar heeft ook de nodige opmerkingen
bij de eerste Freud. Reich had het immers over de rol van het genitale - en dus per definitie post-oedipale
- orgasme bij
het in stand houden van de neurose. Hij introduceerde in dat verband de
term 'orgastische potentie' om ze wel degelijk te onderscheiden van de
slechts 'fallische' potentie. De seksuele stuwing die bij orgastische
impotentie ontstaat is de 'Aktualneurotische' kern (de biologische
motor) die elke 'Psychoneurose' onderhoudt. Deze seksuele stuwing - niet een onbewuste strafbehoefte
- is verantwoordelijk
voor het voortbestaan van de neurose en de 'negatieve therapeutische
reactie' (p. 8485). Reich verweet de psychoanalyse -
Freud - niet grondig genoeg het wezen van de seksualiteit
doorgrond te hebben: 'Roheim definieerde potentie zowaar als het
vermogen van een man, om met een vrouw zo te vrijen dat haar schede
ontsteekt' (p. 93). En: 'Het seksueel-economisch verschil tussen
clitorale en vaginale opwinding was onbekend' (p. 91). Reich wijst
daarbij met nadruk op het 'biologische fundament van de psychische
functies' (p. 124).
Om het in termen van Freud (Freuds oervaderverhaal) te zeggen: een
'retour' na een 'détour' komt neer op de doorbraak van de positieve
strevingen nadat in de vadermoord de agressie is bevredigd. Freud
construeerde de oervadermythe om het ontstaan van het geweten te kunnen
verklaren. Alsof we het über-Ich voor onze ogen zien ontstaan,
zien we de piëteitsvolle Reich schrijven: 'Freud wist hoe moeilijk het
is de libidotheorie te verdedigen. Maar hij mocht in het belang van het
zelfbehoud van de beweging niet uitspreken, wat hij in een eerlijker
wereld zeker zou verdedigd hebben. Hij was met zijn wetenschap ver boven
het geestelijk niveau van de traditionele burgerij uitgestegen, maar
zijn school trok hem weer naar beneden' (p. 187). En: 'Ik kon me niet
van de indruk ontdoen dat Freud zijn eigen werk op wrede wijze onrecht
aandeed en dat hij de tragiek van deze contradictie pijnlijk aanvoelde'.
De houding tegenover de vader is hier dezelfde als die van Jung. Zoals
Jung het had over de 'bitterheid van iemand die zijn eigen vijand is',
zo heeft Reich het over de tragiek van Freud die zichzelf onrecht
aandoet. Bij Jung ging het echter niet over genitale seksualiteit, maar
integendeel over religie. Freud was blijkbaar een complexe
persoonlijkheid...
Enigszins afwijkend van Freuds verhaal is echter de manier waarop Reich
beweert van de vader de toestemming gekregen te hebben om hem te
vermoorden: 'Als ik Freud tegensprak en mijn argumenten naar voren
bracht, zei hij me, dat ik ofwel ongelijk had, ofwel ooit "helemaal
alleen het zware lot van de psychoanalyse"' zou moeten
dragen'(186). Reich voegt daar zelfvoldaan aan toe: 'Vermits ik gelijk
had, kwam zijn voorspelling uit' (p. 186). Reich vatte de laatste zin
van 'Das Unbehagen' op als een geheime zegen van Freud: 'Freud leek met
in 1930 na de zware conflicten en debatten heimelijk geluk toe te
wensen'. Freuds laatste zin luidt: 'Het valt te verwachten... dat de
eeuwige Eros een inspanning zal doen om zich in de strijd met zijn even
onsterfelijke tegenstrever door te zetten'(G.W. XIV, p. 506). Reich
leest deze laatste zin - wist hij reeds van Lacans 'signifiant
pur'? - als: 'Alleen de bevrijding van het natuurlijke
liefdesvermogen van de mens kan zijn sadistische destructiviteit aan
banden leggen' (p. 196). Terwijl Jung als 'ware erfgenaam' van Freud
moet begrepen worden, kan de houding van Reich wellicht beter gevat
worden in termen van de relatie tussen Wotan en Siegfried bij Wagner.
Hier is het de (klein)zoon die de daad kan stellen die de (groot)vader
zich alleen maar kon wensen én moest verbieden. Hoe het ook weze, Reich
werd uitgestoten: een bewijs te meer dat inzicht op weerstand stuit?
Gelijkaardige motieven zien we bij Lacan (1953), die onder meer in het
feit dat de psychoanalytische vereniging het naliet de honderdste
verjaardag van Freuds geboorte met een 'plaque mémoriale' te herdenken
een 'défaillance symptomatique' meent te mogen herkennen, voldoende
aanleiding om een 'retour à Freud' (ook letterlijk: als Weense afdeling
der Lacanianen, een waardiger cadeau!) te proclameren (p.
401-402).
Ook Lacans 'retour à Freud' is dan ook een niet zomaar een terugkeer:
'De zin van een terugkeer naar Freud is de terugkeer naar de zin van
Freud' heet het, alweer in een chiasme (p. 405). Dat deze retour een
'retour au sens' - en dus niet naar de letter (mogelijk door
letter als signifiant pur te beschouwen) - moet zijn komt omdat de
stand van de wetenschap in Freuds tijd hem niet toeliet zijn inzichten
op adequate wijze te formuleren. 'Freud kon niet op de hoogte zijn van
de moderne linguïstiek... maar wij beweren dat de ontdekking van Freud
aan betekenis wint doordat hij op haar formules wist te anticiperen' (p.
688). Verwijzend naar de Saussure en Jakobson schrijft Lacan: 'Genève
1910, Pétrograd 1920 vertellen genoeg waarom Freud niet kon beschikken
over dit instrument' (p. 799). Het was dus aan Lacan om ons het door
Freud miskende echte wezen van Freud (ondertussen reeds het derde in de
reeks) te reveleren. Net zoals Reich sedert 'Das Ich und das Es' de
seksualiteit, ziet Lacan vanaf 1920 het symbool verdwijnen, wat 'voor
onze discpline beantwoordt aan niets minder dan een verandering van
object' (p. 271).
Lacan deelt geenszins Freuds geloofsbelijdenis in zijn voorganger Darwin
die de mens wees op 'onze afstamming uit het dierenrijk en de
onuitroeibaarheid van onze dierlijke natuur' (p. 295). Hij heeft het
over 'de positivistische omkering die, door de menswetenschappen
bovenaan de piramide van de experimentele wetenschappen te plaatsen, ze
er in feite aan onderschikt' (p. 284). 'Het onbewuste is noch het
primordiale, noch het instinctuele, en elementair eraan zijn alleen de
elementen van de betekenaar' (p. 522). De 'Drei Abhandlungen' zijn
slechts 'voor de massa ingekleed in pseudobiologische glossen'
(p. 519). Over de oervadermoord uit 'Toten und Tabu' - terzake
dus - schrijft Lacan: 'Comment penser, sinon que Freud dût
courber la tête sous la force d'un témoignage qui dépassait ses
prejugés, qu'un savant du XIXe siècle ait tenu plus qu'à tout dans
son oeuvre à ce Totem et tabou, devant lequel les ethnologues
d'aujourd'hui s'inclinent comme devant la croissance d'un mythe
authentique?' (p. 519). Freud verzette zich op het einde van 'Totem und
Tabu' nadrukkelijk tegen een dergelijke interpretatie. De slotzin
(alweer...) van Freuds boek is immers Goethes omkering van de de
aanvangsregel van het evangelie van Johannes 'In den beginne was het
woord': 'Am Anfang war die Tat'. Lacan meent daarentegen: 'Ainsi le
renversement goethéen de sa présence aux origines: "Au commencent
était l'action", se renverse à son tour: c'était bien le verbe
qui était au commencement' (p. 271). Ingewikkeld, maar signifiant?
Niet? .
In 'La Chose Freudienne' bespreekt Lacan de - nochtans duidelijke - uitspraak van Freud 'Wo Es war, soll Ich werden'. Lacan echter
wil - conform aan zijn opvattingen over 'la vertu du signifiant
pur' - 'forcer un peu en français les formes du signifiant pour
les aligner au poids que l'allemand reçoit mieux ici d'une
signification encore rebelle' en komt dan tot volgende vertaling: 'Là
ou c'était, peut-on dire, là ou s'était, voudrions-nous
faire qu'on entendit, c'est mon devoir que je vienne à être' (p. 418).
In 'La science et la Vérité' heet het iets bondiger: 'là ou c'était,
là comme sujet dois-je advenir' (p. 864). (Hoe dubbelzinnig is
deze tekst niet te lezen: waar Freud was, moet ik worden).
'Uit de manier waarop men er de freudiaanse concepten gebruikt, lijkt
overduidelijk dat hun betekenis er niets toe doet'(p. 486) schrijft
Lacan over de A.I.P. .'En toch is het aan niets anders dan aan hun
aanwezigheid te danken, dat de vereniging nog niet uiteengevallen is om
onder te gaan in Babylonische spraakverwarring' (p. 486). We denken
daarbij onvermijdelijk aan Reich: ' Men nam nog wel het woord
seksualiteit in de mond, maar bedoelde er iets anders mee’. Maar
vragen ons meteen af op grond waarvan Lacan zich van deze analyse
uitsluit?
De openbaringen van het ware wezen van Freud en de terugkeer naar Freud
doen ons denken aan de jager uit Roodkapje die de vader wil bevrijden
uit de maag van de wolf die hij zelf was.
DE HORDES
Vooraleer we echter op dit 'rationele' aspect van de zaak ingaan moeten
we eerst even stilstaan bij het merkwaardige feit dat Freud over theorieën
en hun verwerping denkt in termen van 'hordes'. Dat is ongetwijfeld
ingegeven door het feit dat inzichten verwerven plaatsgrijpt met het oog
op het propageren ervan, tot het werven van 'aanhangers', tot het
verzamelen van een 'horde' rond een 'oervader' die de nieuwe inzichten
bezit. Waarheid verplicht immers, zoals negatief blijkt uit Freuds
uitspraak over de 'onbewijsbare' godsdienstige leerstellingen: 'Niemand
mag gedwongen worden ze voor waar te houden' (G.W. XIV, p. 354).
We beschreven reeds in de inleiding hoe niet alleen Freud, maar ook vele
van zijn dissidenten een schare aanhangers rond hun ideeën wisten te
verzamelen. Over de eigen beweging schrijft Freud: 'De Psychoanalyse,
waarvan ik twintig jaar geleden de enige vertegenwoordiger was, kreeg
sedertdien vele belangrijke en ijverig werkende aanhangers' (GW XIV, p.
101). Ook over zijn 'zonen' denkt hij in termen van 'hordes': hij heeft
het 'Adlers aanhangers' (G.W. X, p. 104) en 'die Schweizer' (G.W. X, p.
103) en over de 'vele psychologische strekkingen, die de psychoanalyse
vijandig gezind zijn' (G.W. X, p. 96) enz.
Dat geldt niet alleen voor de psychoanalytische vereniging als
organisatie van therapeuten, maar ook voor de psychoanalyse als
gemeenschap van geanalyseerden en geïnteresseerde 'leken'. Voor deze
tweede kring van ‘aanhangers’ schreef Freud de 'Vorlesungen zur Einführung
in die Psychoanalyse'. In 'Das Unbehagen' schrijft Freud: 'Het Über-Ich
van een Kulturepoche... berust op de indruk die "grosse Führerpersönlichkeiten"
nalaten...' (G.W. XIV, p. 502). We weten dat Freud zich op één rij
plaatste met Copernicus en Darwin, die - volgens Freud -
elk een nieuwe 'Kulturepoche' hebben ingeluid. We kunnen dus invullen
dat Freud zichzelf als 'Führerpersönlichkeit' van een volgende periode
in de geschiedenis zag waarin de psychoanalyse de godsdiensten en
bewegingen zoals het socialisme/ marxisme zou opvolgen, al moet erop
gewezen dat Freud in 'Die Zukunft einer Illusion' daar de nodige
kanttekeningen bij maakt (zie ook de beschrijving van het socialisme in
Das Unbehagen, p., 473). Naast de strikte organisatie van therapeuten is
er dus ook de bredere 'beweging'. Lidmaatschap wordt in beide gevallen
verkregen door een eigen inwijdingsritueel: de analyse. Voor 'leken' kan
eventueel heil verwacht worden van een psychoanalytische opvoeding of
van een mildering van de culturele eisen onder invloed van het nieuwe
Kultur-über-Ich. Jung (1963) kon dus met recht beweren
dat Freud 'was trying to outdo the church' (p. 177). .
Niet alleen Jung maakte de vergelijking met een kerk. Eysenck heeft het
over de psychoanalyse zelfs als over een 'Imperium' waarvan hij met
vreugde de ondergang beschrijft. ' De psychoanalyse was een cultus, die
vijandig stond tegenover alle buitenstaanders, resoluut elke kritiek
afwees en aandrong op een initiatierite die bestond uit een analyse van
vele jaren bij leden van de kring (p. 25). 'Alle biografieën zijn
geschreven door hagiografen - heldenvereerders die niets verkeerds in
hun leider kunnen zien en voor wie elke vorm van kritiek heiligschennis
is (p. 25).
Kennis verwerven heeft dus een sociale dimensie. En wat meer is: elk
gedachtenstel zorgt ervoor dat de aanhangers ervan zich aan elkaar
verwant voelen. Lacan heeft het voortdurend over 'L'expérience qui nous
unit'. Opvallender dan de verenigende kracht van een gemeenschappelijk
gedachtengoed is de manier waarop het het koren van het kaf scheidt.
Deze distantiëring heeft duidelijke narcistische trekken: de aanhangers
voelen zich verheven boven de buitenstaanders. Freud schrijft bv.: 'Want
de kindjes horen niet graag dat de aangeboren neiging van de mensen tot
het "slechte"', tot agressies en tot destructie ter sprake
komt' (G.W. XIV, p. 479). 'Und diesen Streit der Giganten wollen unsere
Kinderfrauen beschwichtigen mit dem "Eiapopeia vom Himmel"'
(G.W. XIV, p. 481). Op dezelfde wijze heeft Reich het minachtend over de
'viele Schüler, die zum gedeckten Tisch kamen' (p. 187), Lacan over
'servants' qui 'vont chez la manicure'.
Ook als leden van andere gemeenschappen dan hun eigen psychoanalytische
strekking gaan de psychoanalytici nogal tekeer. We herinneren aan de
wijze waarop Lacan zich opstelt tegen de 'Amerikanen'. Overigens moet
Lacan ook begrepen worden als de Franse Freud: Fransen nemen niets over
tenzij ze een eigen versie hebben. Hegel kunnen ze slechts verteren via
(19e eeuw) en Kojève, Freud via Lacan, Heidegger via Levinas enz. En
wat moeten we denken over enormiteiten als deze (uit de mond van de
meester zelve): 'Het is wellicht geen toeval dat de eerste
vertegenwoordiger van de psychoanalyse een jood was. Wie zich aan haar
wilde wijden, moest bereid zijn het noodlot van de vereenzaming en de
oppositie op zich te laden, noodlot dat de joden vertrouwder is dan
anderen' (G.W. XIV, p. 11O). Om nog maar te zwijgen over dit kalf van
Jung: 'De werkelijk bestaande, en verstandige mensen reeds lang bekende
verschillen tussen de Germaanse en de joodse psychologie, moeten niet
langer verdonkermaand worden. Dat kan de wetenschap alleen maar ten
goede komen' (Reich, 1969, p. 133).
SCHILD EN VRIEND
Mensen gebruiken hun inzichten blijkbaar als een soort vlag waarrond ze
zich in gemeenschappen organiseren die zich afzetten tegen andere
gemeenschappen rond andere vlaggen. Als vlaggen functioneren daarbij
niet alleen gedachtenstelsels: alle aspecten van de menselijke
verschijning kunnen dienstdoen, bij voorkeur deze die niet strikt
genetisch zijn vastgelegd en dus in principe willekeurig kunnen en
moeten ingevuld worden.
Het inzicht dat gedragingen of producten van mensen een bijzondere
gedaante krijgen om gemeenschappen intern te binden en extern van elkaar
af te grenzen is reeds oud. Ons trof nogal de benadering van Herder
(1770). Deze auteur beschrijft hoe de taal van de mens bij diens
spreiding over de continenten tot 'Proteus auf der runden Oberfläche
der Erde' wordt. (II, 3). Hij wijst daarbij op het merkwaardige
verschijnsel dat de talen van naburige 'volkeren' vaak opvallend van
elkaar verschillen, veeleer dan varianten van elkaar te zijn. Hij
verklaart dit uit de 'gegenseitiger Familien- und Nationalhass'.
'Dezelfde liefde tot de familie die, naar binnen gericht, de sterkte en
de eendracht van een stam oplevert, veroorzaakt naar uiten gekeerd de
sterkte van de tweedracht, haar tussen de families' (II, 3). Naburige
groepen beschouwen zich als superieur ten opzichte van elkaar. Herder
koppelt daar een belangrijke gedachte aan: 'Wie zou iets gemeen willen
heen met de verachtelijke barbaar?'(II,3). Op deze wijze ontstaat uit
een 'adamische oertaal' de babylonische spraakverwarring. En dat lot
treft niet alleen de taal, maar ook de gehele cultuur.
In 'Massenpsychologie und Ich-analyse' beschrijft Freud op
gelijkaardige wijze hoe groepen op buitenstaanders neerkijken: de ene
familie op de andere, de ene stad op de andere, het ene kanton op het
andere. Hij heeft het over de relatie tussen Schotten en Engelsen,
tussen Spanjaarden en Portugezen enz. 'Dat er bij grotere verschillen
een nauwelijks te overwinnen afkeer bestaat, van Galliërs tegenover
Germanen, van Ariërs tegenover Semieten, van Blanken tegenover Zwarten,
verwondert ons niet meer (G.W. XIII, p. 111). 'In deze onverbloemde
afkeer van naburige vreemde kunnen we de uitdrukking van eigenliefde
ontwaren, die zelfbevestiging nastreeft en zich zo gedraagt, alsof het
voorkomen van een afwijking van zijn individuele verschijning een
kritiek daarop zou zijn, een eis om ze te veranderen. Waarom mensen zo
gevoelig zijn voor de details van deze differentiëring, weten we niet.
Het valt echter niet te betwijfelen dat zich uit dit gedrag van de
mensen bereidheid tot haat en agressiviteit lijkt, waarvan de herkomst
onbekend is en waaraan men een elementair karakter mag toeschrijven'
(G.W. XIII, p. 111). In ‘Der Mann Mozes und die monotheistische
Religion’ bespreekt Freud het voorbeeld van de besnijding en de haat
van de Moslims voor de onbesneden ‘christenhonden’ (XVII, 115).
Elders past Freud dit model toe op de godsdienst: 'In de grond is elke
godsdienst zo’n godsdienst van de liefde voor allen die hij omvat, en
elke godsdienst is geneigd om wreed en intolerant te zijn tegenover
buitenstaanders' (GS, XIII, 107). Ook op het marxisme en de wetenschap:
'Als een andere soort groepsvorming de religieuze vervangt, waarin de
socialisten lijken te slagen, dan zal zich dezelfde intolerantie
tegenover buitenstaanders ontwikkelen als in het tijdperk van de
godsdienstoorlogen, en wanneer de verschillen tussen wetenschappelijke
theorieën ooit een betekenis zouden hebben voor de massa’s, dan zou
dat ook gelden voor de wetenschap' (GS. XIII, 108).
Ook bij dit 'narcisme van de kleine verschillen' (GS XIV, 474) moeten we
onweerstaanbaar denken aan de geschiedenis van de psychoanalyse. Freud
maakt daar nergens toespelingen op, maar verwerpt deze theorie om ze in
1930 te vervangen door de theorie van de strijd tussen Eros en Thanatos,
waarbij Eros de agressie binnen steeds groter wordende groepen indijkt
om ze naar buiten af te voeren: 'Het is steeds mogelijk een groter
aantal mensen in liefde aan elkaar te inden, als er maar andere
overlijven om er zijn agressie op te botvieren' (G.W. XIV, p. 472). Het
'Kulturprozes' is 'een proces ten dienste van Eros, waarbij eerst
afzonderlijke menselijke individuen, later families, stammen, volkeren,
naties tot een eenheid samengevat worden' (G.W. XIV, p. 482). 'Tegen dit
programma van de cultuur verzet zich de natuurlijke agressie van de
mensen, de vijandigheid van de enkeling tegen allen en van allen tegen
de enkeling' (G.W. XIV, p. 481).
WEERSTANDEN TEGEN INZICHT
We kunnen ons afvragen waarom Freud deze versie niet toepast op de
psychoanalyse in haar verhouding tot andere bewegingen. Freud was zich
wel degelijk bewust van de agressie van andere groepen naar zijn 'horde'
toe. Na zijn reeds geciteerde 'Selbstdarstellung' heeft hij het -
onvertaalbaar, welsprekend dus - over 'de algemene weerstand
tegen onze wetenschap, het opschorten van alle regels van academische
welvoeglijkheid en het opheffen van alle beperkingen opgelegd door een
onpartijdige logica' (p. 295). Omgekeerd ontbreekt het inzicht in de
wederzijdsheid van deze houding. De minachting van Freud tegenover de
'Kindlein' en hun 'Kinderfrauen' wordt door hem niet als irrationeel
ervaren, omdat hij ze gelegitimeerd weet door het besef van de
'waarheid' van zijn inzicht. In tegenstelling tot de houding van andere
'scholen', is die van hem te begrijpen als die van de wetenschappelijke
avantgarde die op de voorgeschiedenis en de restauratie terugkijkt. 'De
mensen gedroegen zich tegenover de psychoanalyse als massa op dezelfde
wijze als de individuele neuroticus' (G.W. XIV, p. 108). Freud is echter
niet neurotisch in zijn gedrag tegenover anderen. Het door Freud zelf
beschreven mechanisme wordt dus bij hemzelf verdrongen. En niet alleen
bij Freud, zoals we nog zullen zien.
In dit licht is het niet onbelangrijk te wijzen op een merkwaardige
eigenschap van deze sociale theorie. Onderzoeken we de wijze waarop
Freud de ontwikkeling van sociale structuren begrijpt, dan merken we dat
hij een vooruitgang ziet van het individu, over de familie, naar steeds
grotere gehelen.
De werkelijkheid laat een heel ander beeld zien. In de eerste plaats
kunnen we niet aanvaarden dat er - net zo min als bij Hobbes,
Adam Smith of Rousseau - ooit losse individuen hebben
rondgelopen, die zich vervolgens op grond van libidineuze verwachtingen
met elkaar tot gezinnen verenigden, die zich vervolgens weer tot stammen
organiseerden enz. In werkelijkheid is er van meet af aan een sociale
organisatie geweest: deze is immers voorwaarde voor de realisatie van
individuele banden. Bovendien volstaat het om te verwijzen naar de
geschiedenis van de psychoanalyse om zich ervan te vergewissen dat er
inderdaad telkens groei van gemeenschappen is, maar dat deze groei
onverbrekelijk verbonden is met splitsing, en dus relatieve vermindering
van het aantal leden. De ontwikkeling van de psychoanalyse is zoals die
van elke beweging het verhaal van het ontstaan van een nieuwe stroming
door oppositie tegen een andere, die gevolgd wordt door steeds nieuwe
splitsingen. De bijbelse wetenschap geeft daar in haar mythe van Babel
beter rekenschap van dan Freuds psychoanalyse. De oude 'hordes' blijven
daarbij min of meer lang naast de nieuwe voorbestaan: het Egyptische
polytheïsme naast het joodse monotheïsme, het jodendom naast het
Christendom, het Christendom naast Islam, het katholicisme naast de
Reformatie, Calvijn naast Luther, de empiristen en rationalisten naast
de gelovigen enz. Liberalisme, nationalisme, socialisme en fascisme
naast godsdiensten, de psychoanalyse naast al deze andere laïciserende
stromingen en de psychoanalytische strekkingen naast elkaar. Er schuilt
enige waarheid in de uitspraak vanT.H. Huxley: 'De geschiedenis leert
ons dat nieuwe waarheden beginnen als ketterijen en eindigen als
bijgeloof.
Het is dus niet zo - zoals Freud het stelt - dat het
nieuwe uiteindelijk het oude verdringt. Al is het geocentrisme misschien
uitgestorven, velen (ook binnen de rangen van de psychoanalyse, getuige
Lacan) verzetten zich - vandaag wellicht heftiger dan ooit - tegen het geloof in de in wezen dierlijke natuur van de mens.
Freud geeft zich alleen rekenschap van het voortbestaan van
'voorbijgestreefde' opvattingen als hij in 'Die Zukunft einer Illusion'
vaststelt dat vele mensen wel nooit in staat zullen kunnen zijn om hun
goden ten grave te dragen. Freuds visie op de opeenvolging van grote
'Kulturepochen' beantwoordt aan een illusie die elke groep kenmerkt: dat
hij ooit wereldomvattend zal worden. De droom van de
'wereldgodsdiensten', de droom van het socialisten, fascisten
(neo-)liberalen, de droom van Freud....
Het is niet zo moeilijk om de waarheid aan het oervaderverhaal -
de agressie tegen de 'vader' - te verbinden met de waarheid aan
het verhaal van de agressie tussen groepen. De 'zonen' die zich tegen de
'vader' (of tegen onbehaaglijke kuluuurüberichs of
groepsidealen) afzetten, doen dat niet door de vader te vermoorden om
hem vervolgens als über-Ich in zich weer op te richten, maar
door de vader te verlaten en een nieuwe horde rond zich op te richten:
een groep die zich via de nodige tekens des onderscheids van de oude
weet af te grenzen. Andere zoons (de ‘petits souliers’ van Lacan),
schikken zich in hun lot en dienen de conservatie. En deze theorie kan
zonder problemen op de ontwikkeling van de psychoanalyse toegepast
worden.
WENSEN
We kunnen ons de vraag stellen waarom Freud - die overigens geen
problemen had als erom ging om de genese van structuren te concipiëren
- deze voor de hand liggende 'massapsychologische' structuur niet
wist te vatten. In het licht van het voorgaande kunnen we aannemen dat
Freud deze stap niet zette omdat deze impliceert dat de drijfveer voor
vernieuwing inzake denken en de inhoud ervan niet noodzakelijke met
waarheid te maken heeft, maar (veel) alles met de beschreven
werkzaamheid van communale liefde en - agressie.
Bovendien is vanuit deze theorie elke kans op het stichten van een
'Kulturepoche' in de aard van de wereldgodsdiensten of politieke
bewegingen zoals marxisme en fascisme uitgesloten (zoals dat -
dromerijen over de eenheid van vervlogen of toekomstige tijdperken ten
spijt - ook altijd geweest is). Het naast elkaar voortbestaan van
de beide versies liet Freud ten slotte toe de mythe van de moord op de
oervader te handhaven in plaats van de werkelijkheid van de splitsing
onder ogen te moeten zien. Splitsing sluit immers vadermoord uit: Mozes
trekt niet ten strijde tegen het Egyptische polytheïsme maar laat
Egypte links liggen en trekt naar het beloofde land op.
GELOOF, HOOP EN LIEFDE
We weten nu wat de andere helft van de waarheid over de groei en
splitsing van de psychoanalytische beweging is. Algemeen gesproken zijn
er twee drijfveren zijn om nieuwe gedachtenstelsels te lanceren: de
drang naar kennis en de drang (neiging)naar om een nieuw ideaal te creëren
waarrond mensen zich in een nieuwe gemeenschap kunnen organiseren.
Het is niet overbodig in het kort in te gaan op de drang naar kennis. Er
zijn twee bronnen van kennis: fylogenetisch en ontogenetisch verworven
kennis. De laatste werkt alleen binnen de grenzen van de fylogenetische
'hardware'. Ontogenetisch verworven kennis kan zelf weer opgesplitst
worden in individueel of traditioneel verworven kennis. De mens heeft
zoveel te leren dat noch fylogenetisch noch door individueel leren
verworven kan worden, dat de rol van individueel leren in belangrijke
mate geneutraliseerd moet worden door traditioneel leren.
De schepper heeft natuurlijk dit probleem voorzien toen hij ons
stervelingen schiep als nabootsers van onze ouders, als leerlingen van
onze leraars. Traditioneel leren betekent dat men niet leert uit eigen
ervaring, maar dat men dat men gelooft op grond van gezag. De
kennisinhouden van zo'n geloof zijn 'dogma’s'. Vermits denken ook als
teken des onderscheids dient om een groep samen te houden en van andere
te onderscheiden, moest de schepper er niet alleen voor zorgen dat we
ergens in geloofden, maar ook nog dat allen zich bij de keuze van hun
autoriteit tot dezelfde autoriteit wenden. En daarom fundeerde de
schepper het geloof ook nog eens in de liefde: wie gelooft wordt bemind,
en wie niet gelooft wordt uitgestoten. 'Credo quia amo' was dus de leus,
'ik geloof omdat ik liefheb'. Of om het anders te zeggen: dogma's zijn
ook heilig! Aantasten ervan komt neer op aantasten van de samenhang in
de gemeenschap. Menselijke kennis is dan ook dubbel ongefundeerd: ze is
niet alleen niet op individuele ervaring gebaseerd, maar ze moet ook nog
resistent zijn daartegen.
De tegenhanger van dit heilig geloof is een even heilige veroordeling:
verdringing van de (intellectuele én sociale) aantrekkingskracht van
andere dogma's. Freud spreekt terecht van weerstanden tegen het
aanvaarden van zijn theorie, maar koppelde deze ten onrechte aan de
intellectuele component ervan, daarmee de sociale verdringend. Elk
geloof stuit op weerstand...bij buitenstaanders, en het verschilt daarin
niet van 'miskende' kunst. Terecht kon Jung Freud ervan verdenken dat
hij het religieuze verdrong. We hadden het reeds over het seksuele
bolwerk Freud volgens Jung tegen 'the black tide of mud... of occultism'
wilde oprichten. Jung meent naar aanleiding van dit verhaal zoals
vermeld over het 'doorbreken van onbewuste religieuze factoren'
waartegen een dam moest opgeworpen worden' (p. 174). Het weerstandsmodel
dat bij Freud naast het oervaderverhaal wordt gebruikt en waarvan in de
later verworpen theorie van het narcisme van de kleine verschillen
rekenschap werd gegeven ('alsof het voorkomen van een afwijking van zijn
individuele verschijning een kritiek daarop zou zijn') heeft dus in
eerste instantie niets te maken met de waarheid (de kleur van de vlag)
maar wel met haar semiotische functie (het betekenisvolle verschil van
deze kleur met een andere.
DOGMA EN WAARHEID
Maar hoe zit het dan met het waarheidsgehalte van deze theorieën en
eventuele weerstand daartegen? Vermits er vele groepen zijn, moeten er
evenveel dogma's zijn als groepen. En deze kunnen niet alle 'waar' zijn,
al mogen ze niet onwaar genoeg zijn om het overleven en de leefbaarheid
van de gelovigen dramatisch in het gedrang te brengen. Of om onze
parafrase op de christelijke leer te vervolledigen: Geloof wordt door
liefde in stand gehouden en draait op de hoop dat het waar genoeg mag
zijn.
Wie het dogma op zijn gegrondheid zal willen toetsen zal zich dus dubbel
tegen zijn natuur moeten verzetten: hij zal zich moeten verzetten tegen
zijn neiging om te geloven op grond van gezag én hij zal zich moeten
wapenen tegen de 'Misshelligkeiten' die hem te beurt zullen vallen, al
wordt dit laatste gecompenseerd door de verlokking zelf 'oervader' voor
liefhebbende 'zonen' te mogen worden. Dit is een algemene weerstand
tegen het verwerven van eigen inzicht als zodanig. Zelfstandig denken is
een tegennatuurlijke bezigheid.
TEN STRIJDE TEGEN DE VALSE
DOGMA'S
Stel dat we op deze manier gewapend het dogma te lijf willen gaan. We
worden dan al dadelijk geconfronteerd met de gevolgen van de sociale
functie van waarheid. Deze is er verantwoordelijk voor dat de theorieën
zich naar hartenlust opstapelen, dat ze sedert de uitvinding van het
schrift nog bewaard worden ook, en sedert de uitvinding van de
boekdrukkunst ook nog eens vermenigvuldigd worden. In welk van de
talloze tradities moeten wij ons inschrijven?
Om weer eens ad hominem te zijn vraag ik elke psychoanalytisch geörienteerde
lezer van dit artikel of hij van alle auteurs die in onze inleiding
vermeld staan enkele van de belangrijkste werken gelezen heeft.
Ongetwijfeld, het leven is eindig. En wie kruipt het schaamrood niet tot
achter de oren als hij le 'non-lu' voor zich ziet opdoemen?
Op grond waarvan hebben wij dan onze keuze voor één of meerdere
strekkingen in deze beweging gemaakt en de andere als 'quantité négligeable'
links laten liggen? Dat wij een keuze maakten, getuigt reeds van een bij
traditioneel lerende wezens passende bescheidenheid om zich geen Adam te
wanen: we gingen eerst bij 'les pères penseurs' te rade. Maar, tot
welke leermeesters moet ik me wenden? Om daar zelf te kunnen over
oordelen heb ik misschien reeds een eerste mensenleven nodig om me door
honderden meters boeken heen te lezen. Er zal dus niets anders
overblijven dan zich ook nog bij de keuze van het model op de ervaring
van anderen te vertrouwen: mensen waarin ik om een per definitie niet
terzake doende reden veronderstel dat zij mij kunnen leiden. Laten wij
onszelf immers niet in het ootje nemen. Tenzij deze gidsen zelf een
aantal van hun vorige levens in bibliotheken hebben doorgebracht kunnen
zij mij alleen maar hun eigen ongemotiveerde keuzes aanpraten. Het
gevaar is dan ook niet denkbeeldig dat het ons zal vergaan zoals de
student van Popper die het verzucht: 'I have learned the jargon as well
as anybody. It is very clever and captivating. In fact, it is
dangerously captivating: for the simple truth about the matter is that
it is much ado about nothing - just a lot of nonsense' (1964, p.
73). En dat geldt niet alleen voor boeken, maar ook voor de experimenten
van de natuurwetenschappers, al verloopt bij deze laatsten de
ontwikkeling iets anders, omdat ze zich afspeelt in de cenakels van
geleerden en niet in arena's waarin talloze leken tot de toeschouwers
behoren, zoals het geval is met vele menswetenschappen.
Dat is dus het drama van de homo sapiens: van nature reeds voorbestemd
om te geloven op grond van gezag en om te geloven wie hij bemint en te
verwerpen wie hij haat, schept hij zo'n berg van overtuigingen dat hij
niet anders kan dan zich blindelings ergens aan vast te klampen.
Niet anders vergaat het de denkers die al deze kilometers (of gigabytes)
lectuur produceren. Zij kunnen onmogelijk nagaan of hun theorieën
'beter' zijn dan andere, tenzij dan de weinige theorieën die zij
kennen. Heeft men zich ooit wel eens de vraag gesteld waar denkers het
lef - de hubris? - vandaan halen om de toren van Babel van
weer een nieuwe verdieping te voorzien, zonder hem eerst van onder tot
boven doorlopen te hebben? Zou Freud zich ooit de moeite getroost hebben
om het latere werk van Jung en Adler te lezen, Pavlov en Watson, of om
het wat breder te stellen, om 'Das Kapital' van Marx te bestuderen?
Lectuur van dit werk zou hem wellicht op een beter spoor hebben gebracht
bij het zoeken naar het antwoord op de vraag waarom groepen - al
beginnen ze niet met het paar - inderdaad steeds groter worden,
dan een beroep op de mythische eenmakingskracht van Eros. De beslissing
om zelf op zoek te gaan naar een nieuwe waarheid is dus rationeel gezien
steeds prematuur, pure hybris! En deze beslissing zou niet zo vaak
genomen worden indien de bedoeling van denken inderdaad het achterhalen
van de ' waarheid' was. Waarom wordt deze stap dan zo vlug en zo vaak
gezet?
IN HOC SIGNO VINCES!
Net zoals kennis die uit individuele ervaring verworven wordt alleen
veranderd kan worden onder invloed van nieuwe andersluidende ervaring,
kan geloof alleen veranderd worden door uitblijven van liefde. En,
anders dan de vaststelling dat er iets gedacht moet worden - die
het doorlopen van talloze windingen van de toren van Babel
vooronderstelt - is het gevoel onbemind te zijn snel opgedaan.
Gebrek aan liefde is, zoniet de 'mother of all battles', dan toch de
moeder van de twijfel ‘mother of all doubts’, en daarmee ook van een
nieuw geloof: Wie zich uitgestoten voelt kan andere verschoppelingen
bergen in een nieuw geloof.
Dat nieuwe geloof wordt net zo min als het oude uit de ervaring geput.
Het onderscheidt zich van het oude op basis van semiotische logica
(opposities of scala's): het komt erop aan een teken des onderscheids te
vinden dat discriminerend is, niet alleen ten opzichte van de groep
waaruit men afsplitst, maar ook ten opzichte van andere groepen. Freud
zelf beschrijft het mechanisme, maar onbewust, niet gereflecteerd, en
terug aansluitend bij zijn 'narcisme van de kleine verschillen': 'Men
krijgt de indruk dat de tegenstelling tussen de mozaische en de
Egyptisce godsdienst gewild is en doelbewust verscherpt; zoals wanneer
elke magie en alle toverwezens ten strengste veroordeeld worden, die in
de andere godsdienst woekerden. Of wanneer de onuitroeibare neiging van
de Egyptenaren om hun goden in klei, steen en erts te belichamen
getroffen wordt door het verbod om elk levend of gedacht wezen in een
beeld te vatten’ (XVII, 117).
Zoals in de mode korte rokken zich onderscheiden van lange staan bij
gedachtenstelsels cultuur tegenover natuur, nature tegenover nurture,
ratio tegenover empirie, geest tegenover materie, dogma tegenover
'wetenschap', 'psychology as natural science and psychology as
hermeneutics’ (Eysenck, 193).'sciences expérimentales' tegenover
'sciences conjecturales' (Lacan, 284), om slechts enkele van de
betekenisvolle tegenstellingen op te sommen. Concreter: Adler plaatste
machtsdrang tegenover seksualiteit en Jung (1963) meent vervolgens dat
'Eros en de "Wille zur Macht" in zekere zin de dissidente
zonen van één enkele vader zijn, of de producten van één enkele
motiverende psychische kracht, die zichzelf empirisch onder
tegengestelde gedaantes manifesteert' (176). Ziedaar de
ontstaansgeschiedenis van 'Wandlungen und Symbole der Libido' in een
notendop. We zouden de reeks gemakkelijk kunnen aanvullen met elke
volgende psychoanalytische theorie. Hegel onderkende deze 'dialectiek'
van de ontwikkeling van het denken beter dan moderne
wetenschapstheoretici, al ontging hem uiteraard de sociale drijfveer
ervan.
Pas deze laatste verklaart het 'irrationele' moment bij het verkrijgen
van inzicht, dat alleen maar de subjectieve ervaring is van een -
door onbewuste sociale (communale liefde) drijfveren bewogen -
semiotische logica. Reeds Plato beschrijft hoe gedachten als hinden uit
het struikgewas komen opgedoken. Niet anders verging het Freud. In diens
'Unbehagen' heet het: 'Ergens gedurende mijn onderzoek drong zich het
inzicht op, dat de cultuur een bijzonder proces is dat zich aan de
mensheid voltrekt, en wie zijn nog steeds in de ban van deze idee' (GS,
XIV, 481). Jung (1963) beschrijft hoe hij tot het inzicht kwam dat Freud
'op de plaats van de jaloerse god die hij verloren was...een ander
dwingend beeld, dat van seksualiteit plaatste' (p. 174). Hij omschrijft
het opduiken van deze onderscheidende basisgedachte van zijn leer in
volgende termen: 'Like flames suddenly flaring up, these thoughts darted
through my mind' (175).
En niet anders vergaat het de lezer. Deze is niet alleen op zoek naar de
waarheid, maar ook naar het juiste teken dat hem zal vrijwaren van
gemeenschap met de barbaren (van wie hij zich a priori wil
onderscheiden) en dat hem de toegang zal verschaffen tot de gemeenschap
van zielsverwanten. Elke intellectueel zal zich wel herinneren hoe hij
bepaalde boeken met kloppend hart gelezen heeft en in het groeiend besef
van: dit is het wat ik denken wil.
De 'goddelijke inspiratie' van groepsstichters allerhande is dus de
tegenhanger van de 'bekeringservaring' van hun aanhangers. De
geschiedenis van onze intellectuele (of anderssoortige) ontwikkeling is
dus niet de geschiedenis van een leerproces, maar de neerslag van ons
sociale liefdesleven, van onze groepsbindingen. Welk geloof men aanhangt
wordt bepaald door externe - toevallige - factoren. Aanvankelijk bezit
men het zoals men een taal spreekt of zijn moeder bemint: uit
geboorterecht. Het verandert om dezelfde reden als waarom men van taal
verandert: om zich in een nieuwe gemeenschap te integreren. Men is
Freudiaan, Adleriaan, Jungiaan, Kleiniaan, Kernbergiaan, Kohutiaan,
Lacaniaan of een coctail daarvan, ongeveer om dezelfde reden als waarom
men Nederlands of pidgin spreekt. En op sociaal vlak gezien is de
geschiedenis van denken in de eerste plaats de geschiedenis van de wijze
waarop mensen zich in steeds nieuwe gehelen wisten te organiseren.
FUNDERING VAN HET DOGMA
Deze blindheid van onze kennis werd vroeger nauwelijks verdonkeremaand.
Men geloofde omdat de vaders dat ook zo deden. Hoogstens beriepen de
stichters zich op hogere machten, zoals Mozes die zijn stenen tafelen
uit de bergen meebracht. Naarmate er meer profeten uit meer bergen
kwamen neergedaald begon men deugdelijker geloofsbrieven te eisen.
Sedert de Grieken, maar vooral sedert de moderne tijden pretenderen de
nieuwe denkers over middelen te beschikken om zekere kennis te
verwerven. Dat zoiets een ijdele bewering is blijkt telkens opnieuw
wanneer een als zekerheid verkochte waarheid verkondigd wordt: pas is ze
uitgesproken of ze wordt reeds door een andere zekerheid van de troon
gestoten. Dat blijkt overduidelijk uit de geschiedenis van de filosofie,
en inzonderheid uit de geschiedenis van de psychoanalyse die we kort in
de inleiding schetsten.
De reden daarvan is in de eerste plaats dat ook de wijze van legitimeren
zelf weer tot een systeem van vlaggen wordt die een steeds groeiend
aantal kampen scheidt. In de tweede plaats blijft elke vorm van
legitimatie berusten op laatste vooronderstellingen, die zelf weer
dogma's zijn.
Zo rekende Freud zich in de strijd om de juiste geloofsbrieven tot de
denkers die wetenschappelijk te werk gaan. Freud (1927) voert als
verschil tussen godsdienst en wetenschap aan dat de leerstellingen van
de godsdienst geen 'neerslag zijn van ervaring of eindresultaat van
denken', maar 'Illusionen' (G.W. XIV, p. 352). Godsdienstige
leerstellingen zijn 'onbewijsbaar, niemand mag gedwongen worden ze voor
waar te houden' (G.W. XIV, p. 354). En op Popper vooruitgrijpend voegt
hij eraan toe 'en net zozeer als ze onbewijsbaar zijn, zijn ze
onweerlegaar' (G.W. XIV, p. 354). Freud geeft daarbij - een
beetje in de stijl van de Engelse Empiristen - het voorbeeld van
de manier waarop hij staande op het Parthenon plots besefte 'Het is dus
werkelijk zo, zoals we het in de school geleerd hebben' (G.W. XIV, p.
347). Dat neemt niet weg dat Freud er meer moeite mee zou hebben om ons
ergens naar een berg te leiden vanwaar we de libido zouden kunnen zien
stromen of naar een onderwereld om Thanatos aan het werk te zien. Is er
dan wel een verschil tussen de stenen tafelen die Mozes uit de bergen
meebracht en de drie dogma's - verdringing, seksuele aetiologie,
het onbewuste - die Freud uit zijn observaties meent te kunnen
puren?
Freuds zelfsituering in het kamp van de wetenschap kon hem dan ook niet
beschermen tegen de aanval van zijn zonen en vele anderen die er andere
stijlen van legitimatie op nahielden.
Sartre (1940) meent dat 'het bestaan van een psychisch fenomeen en de
betekenis die het heeft voor het bewustzijn één en hetzelfde zijn. Wij
er ons bewust van dat deze vaststelling ons ertoe dwingt om het bestaan
van een onbewuste met klem af te wijzen' (II, 1). Eysenck (1973) - die door zijn in 1952 ingezette offensief een niet
onbelangrijke rol speelde in de door Lacan gewraakte ontwikkeling van de
psychoanalyse - is kortweg van mening dat 'het geloof in Freud
gebaseerd was op geloof in plaats van op bewijzen' (p. XI). In (1985)
meent hij dat het bestaan van talloze splitsingen 'een gevolg is van de
zwakheid van het Freudiaanse credo: vermits het volkomen subjectief is
in zijn bewijsvoering, kan het geen enkele methode opleveren om te
kiezen tussen twee alternatieve theorieën’ (p. 18) Lacan beschermde
zich tegen dit soort aanvallen door te bevestigen dat de psychoanalyse
‘la science du particulier’ is. In tegenstelling tot Eysenck meet
Popper (1963) dat juist het feit dat de werkelijkheid 'vol was van
verificaties van de theorie' de zwakte van Freud en Adler uitmaakt (p.
35): 'Voor wat betreft Freuds verhaal van ik, es en Über-Ich,
het kan evenmin aanspraak maken op wetenschappelijke status dan Homerus
vertelling over de Olympus. Deze theorieën beschrijven feiten, maar op
de wijze van mythen. Ze bevatten erg interessante psychologische
suggesties, maar niet onder toetsbare vorm' (p. 38). Auteurs als
Gruenbaum (1984) menen dat psychoanalyse wel degelijk falsifieerbaar is
en dat daarom andere criteria zoals gebrek 'logical inadequacies' 'and
its failure to generate factual support' moeten gehanteerd worden om
haar de status van wetenschap te ontzeggen'. Kuhn (1962) zou zich
ongetwijfeld de vraag stellen 'welke delen van de sociale wetenschap op
dit moment ook maar één paradigma hebben verworven' (p. 30) en daarmee
de gehele psychoanalyse naar het pre-paradigmatische stadium
verwijzen. Feyerabend (1975) zou zich wellicht verheugen over deze
'steeds groeiende oceaan van onderling onverenigare (en zelfs
incommensuraele) alternatieven', maar wellicht zijn twijfels moeten
krijgen over zijn stelling dat 'elke afzonderlijke theorie, elk
sprookje, elke mythe die deel uitmaakt van de verzameling, elke andere
ertoe dwingt zich eter te articuleren' en dat ze 'allen samen via deze
competitie ijdragen tot de ontwikkeling van het menselijke ewustzijn'(2,
p. 30)'.We zouden ons met Goodman (1978) van de zaak kunnen afmaken door
te beweren dat 'de wetenschapper die veronderstelt dat hij zich toelegt
op het zoeken naar de waarheid zichzelf in het ootje neemt... He seeks
system, simplicity, scope; and when satisfied on these scores he tailors
truth to fit' (p. 18). Deze benadering verschuift het werkelijke
probleem alleen maar: want de een zijn eenvoud is niet die van de ander.
Wie de kracht heeft opgebracht om zich te verzetten tegen zijn neiging
om te geloven op grond van gezag én wie zich wist te wapenen tegen de
'Misshelligkeiten' die hem daarbij te beurt vallen, wordt dus
geconfronteerd met twee nieuwe problemen: dat toetsen bemoeilijkt wordt
door de proliferatie van onderling onverenigbare maatstaven, die in
niets moet onderdoen voor de proliferatie van de te toetsen theorieën,
en voor alles door het besef dat het in laatste instantie onmogelijk is.
HET EINDE VAN DE REIS
Voor ons ligt nu het heilige der heiligen, waar we zouden kunnen
vaststellen welk van deze theorieën - inclusief de onze -
uitverkoren zou mogen worden. We hadden echter afgesproken om deze
tempel - zou er wel een beeld in staan? - niet te
betreden.....
©
Stefan Beyst, maart
2001

LIJST VAN DE GECITEERDE
WERKEN:
CIOFFI, F.: 'Freud and the Idea of PseudoScience' in: R. Borger
and F. Cioffi: 'Explantions and the Behavioral Sciences, Cambridge
University Press, 1970).
EYSENCK H.J.: 'Decline and Fall of the Freudian Empire', Viking 1985,
(geciteerd uit Pelican 1986).
EYSENCK H.J. en WILSON G.D. ed.: 'Freudian Theories', Methuen, 1973.
FEYERABEND P.: 'Against Method', 1975 (Geciteerd uit Verso Edition,
1978).
FREUD S.: 'Totem und Tabu', 1912.
FREUD S.: 'Zur Geschichte der Psychoanalytischen Bewegung', 1914 (G.W.
X).
FREUD S.: 'Vorlesungen zur Einführung in die Psychoanalyse',
19161917, GW. XI.
FREUD S.: 'Massenpsychologie und IchAnalyse', 1921, G.W. XIII.
FREUD S.: 'Die Widerstände gegen die Psychoanalyse', 1924, G.W. XIV.
FREUD S.: 'Die Zukunft einer Illusion', 1927, G.W. XIV.
FREUD S.: 'Das Unbehagen in der Kultur', 1930, G.W. XIV.
HERDER J.G.: 'Abhandlung über den Ursprung der Sprache' (1770).
JUNG C.G.: 'Erinnerungen, Träume, Gedanken', 1963 (geciteerd uit
'Memories, Dreams, Reflections', Random House, 1961).
GOODMAN N.: 'Ways of Worldmaking', Harvester Press, 1978.
GRUENBAUM A. : 'The Foundations of Psychoanalysis, Berkeley, University
of California Press, 1984.
KUHN T.S.: 'The Structure of Scientific Revolutions', 1962 (geciteerd
uit Boom Meppel, 1970).
LACAN J.: 'Ecrits', Seuil, Paris, 1966.
POPPER K.R.: 'Conjectures and Refutations', Routledge & Kegan Paul,
1963.
1969.
SARTRE J.P.: 'L'Imaginaire' 1940 (geciteerd uit Gallimard 1986).
© Stefan Beyst, 1991.
Reacties:
beyst.stefan@gmail.com
Stefan
Beyst is ook de auteur van
'De extasen van Eros'
Op
de hoogte blijven van nieuwe teksten: mailinglist
zie ook:
stefan beyst over hedendaagse kunstenaars
referrers:
planeet
|