Eddy Daniëls
Wilfried Daems 
Boenders
Drs. N.P. Aders
Ilse Vanderhoeven
Prof. dr. Bo Coolsaet
Prof. dr. Ronald Commers 
Marcel Roggemans

 

zoek op deze zite

powered by FreeFind
Eddy Daniëls

DE MOOISTE VROUW WIL DE RIJKSTE MAN FRUSTREREN.

Volgens Stefan Beyst loopt het seksuele leven in onze samenleving niet mank door ‘zedenverwildering’, maar door frigiditeit. Hij legt de vinger op de wonde van de diepe tweespalt die zich openbaart in nogal wat ‘carrièrehuwelijken’. 

Toen ik eind jaren zeventig, begin jaren tachtig rondzwierf in de ‘alternatieve sien’ van de als erg avant-gardistisch bekend staande wereldstad Hasselt – voorstad overigens van de universiteitsstad Diepenbeek – was daar een soort discussiegroep actief, Scep genaamd. Die afkorting stond voor ‘Studiecentrum voor Pedagogie’.

Er werd onder andere gepalaverd over een verzoening van Marx met Freud – zo’n beetje in de Reichiaanse traditie dus (naar Wilhelm Reich, een leerling van Freud die communist werd) – en er werd geëxperimenteerd met anti-autoritair kleuteronderwijs volgens methodieken à la Summerhill (het komt er neer dat kinderen letterlijk alles mogen, zonder sociale controle). De groep werd opgeleid door een in mijn ogen pedante kerel, Stefan Beyst, genaamd, die als een klein goeroe een schare volgelingen rond zich had verzameld die naar zijn woorden luisterde als was het hemels manna.

Structuralisme voorbij.

Ik had het dus niet zo begrepen op deze Stefan Beyst. Ik heb me blijkbaar vergist – dat overkomt me wel eens meer. Want nu ligt daar dat boekwerk op tafel: ‘De extasen van Eros. Over liefde, lust en verlangen’. Een monument, want Beyst – docent kunstgeschiedenis en kunstfilosofie – probeert daarin het onmogelijke: hij koestert de ambitie de grondslagen te leggen voor een nieuwe wetenschap, erotica genaamd, die put uit elementen die verspreid liggen in filosofie, antropologie, psychoanalyse, sociobiologie, ethologie, seksuologie en zelfs – maar negatief dan – economie.

Belangrijk daarbij is dat hij de erotica historisch wil begrijpen, in strijd met de moderne antropologie. Een antropologie die – sinds het functionalisme van een Bronislaw Malinowsky en vooral sinds het volgens mij geestdodende structuralisme van een Claude Lévi-Strauss – de verschijnselen uit hun evolutie heeft gelicht. Zij wil de menselijke gebruiken en culturen – zo zegt Beyst – nog slechts geografisch, thematisch of sociaal bekijken, zonder hun ontstaan in de rekening te betrekken.

Dat zit, naar mijn gevoel, grondig fout. Het is alsof je de mens analyseert zonder je er rekenschap van te geven dat hij een geheugen bezit. Beyst volgt dit moderne waandenken niet. Een waandenken dat de menswetenschappen, mijns inziens, een paar decennia lang op het verkeerde pad heeft gestuurd en op dit ogenblik nog steeds de kern uitmaakt van hun intrinsieke zwakheid. Een eerste pluspunt voor Beyst dus.

Nog belangrijker is dat deze auteur de erotica niet herleidt tot het seksuele, maar haar ziet als een sluitstuk tussen twee andere liefdesvormen: de parentale en de communale genegenheid. Seksualiteit dus als een verbindingselement tussen de zorg voor de volgende generatie en behoefte om tot een bredere gemeenschap te behoren. Dit laatste denkbeeld zal centraal staan in zijn slothoofdstukken, die enerzijds over de orgie, anderzijds over de incest handelen. Maar zover zijn we nog, volgen even de gedachtengang van de hemelbestormende goeroe-docent uit Hasselt.

Oermoord en erfzonde.

Stefan Beyst vertrekt van een kritiek op de fascinerende theorie over mannelijke polygamie die Sigmund Freud ooit ontwikkelde in zijn waarschijnlijk meest controversiële werk, Totem und Tabu uit 1912. Even recapituleren: de oermens leeft, volgens de Weense grootmeester, in een horde. De mannelijke jaloersheid drijft de oervader ertoe zijn mannelijke nakomelingen te vermoorden, castreren of verjagen, zodat hij alleen alle wijfjes bezit. Verdreven zonen verenigen zich echter, vallen de oervader aan, vermoorden en verzwelgen hem in een kannibalistische orgie die uitloopt op een groepsverkrachting van hun moeders en zussen.

Na de extase volgt het berouw: de jongelieden komen tot bezinning, beseffen dat zij hun eigen vader hebben vermoord en opgegeten – volgens Freud een voorafspiegeling van de christelijke eucharistieviering – en ontzeggen zich vervolgens als straf zowel het geslachtelijke verkeer met de vrouwen van de horde, als het nuttigen van het vlees van een dier dat zij met de oervader identificeren. De Erfzonde is geboren, verwant vrouwen worden taboe en een bepaald dier groeit uit tot een totem die slechts tijdens rituele gebeurtenissen mag vermoord, geslacht en gegeten worden. 

Uiteraard sterft vervolgens de horde uit, tenzij één individu zich aan de taboeregels onttrekt, zijn rouwende rivalen doodt en zelf de nieuwe oervader wordt. Dit schema wordt ontelbare keren herhaald en gaandeweg groeit hieruit – steeds in de visie van Freud – het oedipoescomplex. Uiteindelijk wordt het dilemma – uitsterven of een nieuwe tirannie – overwonnen doordat de horde en andere horde ontmoet die hetzelfde trauma heeft doorlopen.

Men besluit dan tot een vrouwenruil (of wat waarschijnlijker is: een mannenruil). Waarna de beide clans verder samen leven in een exogame verhouding tegenover elkaar, die zich naar de buitenwereld toe voordoet als endogaam: geen man mag seksueel contact hebben met een vrouw van de eigen clan, maar elke vrouw van de andere clan is in principe zijn seksuele partner. Door verdichting ontstaat daaruit vervolgens de moderne monogamie.

God zelf aanvallen..

Beyst wijst er terecht op dat dit schema van oerpromiscuïteit – waarvan er beroemde antropologische varianten bestaan bij Jakob Johann Bachofen in ‘Das Mutterrecht’ en Henry Lewi Morgan in ‘Ancient Society’ – vaak met historisch onjuiste argumenten werd verdedigd: verhalen over promiscuïteit en polygamie uit een latere periode werden gebruikt als bewijsmateriaal voor een oerperiode enzovoort. De details van die kritiek ontwikkelen zou ons hier te ver voeren, maar globaal is zijn redenering, naar mij gevoel, juist.

Volgens Beyst doen de fenomenen waar Freud, en de andere verdedigers van de oerpromiscuïteit zich op baseren, zich pas in een latere historische fase voor. Haremopbouw en prostitutie zijn geen oervormen van menselijke seksualiteit, maar perversiteiten, net zoals – maar dat blijkt verdrop – de verkilling van de echtelijke liefde dat is. Eén element in zijn kritiek klopt echter niet: hij stelt dat de ouder wordende oervader het sowieso bijzonder moeilijk zou hebben om een zoon op afstand te houden die in de kracht van zijn jaren is.

Hierbij herleidt Beyst het vader-zoonconflict al te gemakkelijk tot een kwestie van fysieke kracht, terwijl het om een psychische kwestie gaat: de oerzoon kon de oervader niet aanvallen, tenzij in groep en ten koste van een zwaar psychisch trauma, omdat die oervader zijn jeugd had gedomineerd alsof hij een soort God was. De oervader was niet slechts een vader en onderdrukker, hij belichaamde alles wat heilig en bewonderens-
waardig was. Dat ziet Stefan Beyst onvoldoende. Daarom denk ik dat heractualisering van ‘Totem und Tabu’ aan de hand van de gegevens uit de sociobiologie door de weinig bekende Britse psychoanalyticus Christopher Badcock – die Stefan Beyst blijkbaar ontgaan is – op dit punt dichter bij de waarheid zit. Maar dat doet niets af aan de waarde van de rest van zijn redenering, waarbinnen dit gegeven naar mijn gevoel ook niet centraal staat. 

Hoe het ook zij, Stefan Beyst, ontplooit een beeld van het seksuele verkeer als een toneel in een amfitheater: beide geslachten tonen zich aan elkaar en hopen door een partner van het andere geslacht uitverkoren te worden. Ongeveer zoals in de lek gebeurt van sommige vogels in de bronsttijd, bij pauwen bijvoorbeeld.

De redenering van Beyst verloopt als volgt: in het denkbeeldige amfitheater dat onze maatschappij is, hebben alle mannen slechts oog voor één vrouw, voor de Mooiste Vrouw. Terwijl die vrouw slechts oog heeft niet voor de mannen zelf, maar voor het kijkgedrag van die mannen, en de economisch gunsten die daarmee verbonden zijn. De mannen zelf zijn voor haar abstracties, de antilopen die ze aan voeten leggen zijn dat niet.

De mooiste vrouw - Claudia Schiffer of Naomi Campbell – geniet van de blikken van alle mannen die op haar zijn gericht. Tegelijkertijd verlangt zij ernaar uitgekozen te worden, niet door de mooiste man, maar de economisch sterkste man, door de beste jager en in een latere fase door de meest succesvolle filmcineast of softwareontwikkelaar (of, als zij een presidentsweduwe is, door de meest gefortuneerde Griekse reder). De man daarentegen geniet niet zozeer van het kijken, maar van de droom van het wegvoeren van de bekeken vrouw.

Dat is de reden, volgens Beyst, waarom vrouwen zo graag dansen, maar hun mannen zo moeilijk op de dansvloer krijgen: de vrouw wil beken worden, terwijl zij ritmisch erotisch bewegingen maakt, de man wil de ritmisch erotisch bewegende vrouw wegvoeren uit het amfitheater om haar naar zijn grot te slepen en seksueel voor zich alleen te hebben.

Dat gebeurt ook: de Mooiste Vrouw en de Rijkste Man verlaten gezamenlijk en als eersten het erotische amfitheater. Dat heeft twee gevolgen: alle mannen en vrouwen die vervolgens samen het amfitheater verlaten, blazen de aftocht met een Tweede Keus. Zelfs als de tweedemooiste vrouw het toneel verlaat met de tweederijkste man, dan nog zit daarin een element van frustratie, want allebei scoren ze net iets lager dan hun ambitie hen voorschrijft. Die frustratie neemt toe naarmate wij de schoonheidsladder afdalen.

Latente frustratie.

Alle huwelijk drijven dus, per definitie, op een latente onvrede die nooit meer kan of mag uitgesproken worden, wil het huwelijk standhouden. Maar ook het Eerste Huwelijk drijft op frustratie: de Mooiste Vrouw verlaat het amfitheater immers tegen haar zin. Terwijl zij haar verlokkingen ten toon spreidt, geniet zij van de blikken van alle mannen die op haar gericht staan. Wanneer de Rijkste Man haar vervolgens wegvoert dan ervaart zij dat tegelijkertijd als een triomf en een bevestiging van haar schoonheid, maar ook als een ontvoering en verkrachting. Want voortaan zal zij haar schoonheid verbergen in de huiselijke kring van één en dezelfde relatie.

De uitnodiging van haar schoonheid wordt daardoor tot seksuele kilheid. De Liefdesgodin wordt, in de terminologie van Stefan Beyst tot Venus Frigida. Zij wordt de koele, onbereikbare schoonheid die de onverzadigbare oorlogsgod – Mars Insatiatis – tot wanhoop en tot steeds spectaculairder veldtochten drijft. Zijn hele verdere leven zal erin bestaan steeds meer rijkdommen aan haar voeten te leggen. Hij sleept antilopen en everzwijnen aan, slaven en slavinnen, balsem, wierook, zilver en goud, edelstenen, halssnoeren en Cartier-horloges, Ferrari’s, luxejachten en Concordes. Om steeds meer gefrustreerd te raken omdat de muur van haar frigiditeit niet meer te doorbreken is, gewoon omdat zij het amfitheater werd verwijderd.

Die frigiditeit spreidt zich vervolgens uit over heel de samenleving. De Maagd Maria wordt model voor de deugdzame vrouw: haar bevruchting gebeurt door een duif; haar echtge-
noot dient slechts als voedstervaderen niet als seksuele partner; en nadat haar zoon is overleden volgt zij hem ten hemel, naar de gemeenschap met een aseksuele Vader die tevreden is met koorgezang. De erotisch uitnodiging van de klassieke Venus zet zich dus om in de antiseksuele uitstoting door de kuise Maria.

Van de weeromstuit wordt in de heilige Jozef de workaholic geboren: de man klampt zich vast aan zijn baan, geeft het grootste deel van zijn loon af als zoenoffer aan haar frigiditeit en zoekt tussendoor vluchtig vertier met ‘de jongens van kantoor’ of ‘bij de meisjes van plezier’. En dit uit angst om te vroeg naar huis te moeten en daar weer de Kilte te ontmoeten.

Uiteraard gaat het hier om een vereenvoudigend schema waarop veel varianten en afwijkingen mogelijk zijn, maar ik maak me sterk dat nogal wat mannen en vrouwen uit carrièrehuwelijken sommige aspecten van hun wederzijdse relatie hierin zullen herkennen – Stefan Beyst heeft, volgens mij, op een zeer scherpzinnige wijze de vinger gelegd op een zeer diepe en nauwelijks besproken of bespreekbare beschavingswonde.

Maar Beyst beperkt zich daartoe niet. De seksuele liefde is voor hem slechts een scharniermoment tussen de parentale en communale liefde. De parentale dimensie maakt veel god van wat seksueel kapot werd geslagen. Zoals Jozef trouw bij Maria bleef in de gezamenlijk zorg voor Jezus, zo keert de workaholic elke avond trouw terug naar zijn echtgenote die altijd nét hoofdpijn krijgt als hij enig contact zoekt. Het paar blijft bij elkaar voor de kinderen.

De vrouw gaat vreemd. 

Maar de parentale dimensie alléén volstaat - in een vrijgevochten samenleving als de onze – natuurlijk niet meer om het paar blijvend verenigd te houden. De man wordt de castrerende uitbuiting - waar hij het slachtoffer van is, - gewaar, en de vrouw zelf blijft met verdrongen seksuele verlangens zitten die dateren uit de tijd dat zij de broederbende opzocht om aan vlees te raken.

Onderzoek in de kraaminrichtingen in Loverpool en Londen – de sociobioloog en wetenschapsjournalist Matt Ridley maakt daarvan melding in The Red Queen. Sex and the Evolution of Human Nature – onthult dat ongeveer 20 % van alle kinderen op basis van bloedonderzoek, genetisch niet afstammen van de wettige vader. Dat cijfer is enorm en werd ongeveer een jaar geleden bevestigd door onderzoek aan de RU Gent (ook aan een ander universiteit in ons land is er soortgelijk onderzoek uitgevoerd; zo weet ik uit goede bron; de resultaten liepen gelijk op; maar werden geheim gehouden uit vrees voor een maatschappelijk schandaal).

“Steeds meer ouder wordende mannen zoeken zich een jongere vrouw”

Dat betekent immers concreet dat één op vijf kinderen in onze samenleving afkomstig is van een slippertje door een meestal wettig gehuwde en als fatsoenlijk bekend staande vrouw, en dit zonder dat de man daar in de meeste gevallen zelfs maar een vermoeden van heeft. De vrouwelijke seksualiteit, en vooral haar latente behoefte aan stiekeme polygamie, is daarom – in deze emanciperend tijden waarin de bewegingsvrijheid van de werkende vrouw even groot is als die van de werkende man – een tijdbom die tikt onder de meest intieme band in onze samenleving – het gezin.

Met andere woorden: de parentale band volstaat niet meer om de seksuele wonden te helen die in zovele huwelijken worden geslagen. Het gevolg is dat de communale samenhorigheid in het gedrang komt. De golf van pornoconsumptie - virtuele liefde met de onbereikbare Mooiste Vrouw – en de opkomst van een fenomeen als de Chippendales – een terugkeer naar de Oerhorde waarbij vrouwen wegglippen voor een groepsverkrachting in ruil voor stevig vlees – zijn daarvan slechts uitingen.

Uiteindelijk biedt Stefan Beyst echter ook voor dit probleem een oplossing aan in zijn op één na laatste hoofdstuk, als hij het heeft over de Orgie. In dat hoofdstuk schetst hij een haalbaar alternatief voor de onvermijdelijke uitkomst die de pervertering van de echtelijke liefde kan ontwikkelen indien er geen uitweg wordt gezocht. Stefan Beyst wijst ons op de dubbele neiging tot incest die in onze samenleving aanwezig is,en die erg destabiliserend kan werken: moeders die hun ontgoocheling in hun echtgenoot sublimeren via een overdreven aanmoediging van hun zoon in zijn carrière als workaholic. Tot op het kruis toe als het moet.

En vaders die er steeds meer moeite mee krijgen hun frisse, opgroeiende dochter – waarin zij de mooie vrouw herkennen op wie zij ooit verliefd zijn geworden – af te staan aan ‘vreemde mannen’ op een mooie Pinksterdag. Dat leidt waarschijnlijk ook tot het verschijnsel dat Alxandra Colen van het Vlaams Blok nog recentelijk ter sprake bracht, en waarin zijn een verklaring zag voor de huidige aanvaarding van de homoseksualiteit. Zij kreeg een stroom van kritiek te verwerken, maar raakte wel degelijk een belangrijk fenomeen aan: de neiging van steeds meer ouder wordende mannen om, al dan niet in een tweede huwelijk, een beduidend jongere vrouw te zoeken.

Moeilijk maar mooi.

En dit in een soort geprojecteerde vader-dochterverhouding, met seksuele trekken. Mediafiguren als Erik Van Neygen, Paul Jambers, Willy Sommers en Jaques Vermeiren kunnen in dat opzicht bijna als rolmodellen fungeren (dat er daarnaast relatief veel homo’s voorkomen heeft natuurlijk niets te maken met het feit dat deze oudere mannen de huwelijksmarkt van de jongere vrouwen afschuimen, zoals mevrouw Colen beweert, maar wel met het gegeven dat er geen druk meer bestaat vanuit de biechtstoel om maar snel te huwen en op die manier van die ‘ziekte’ te genezen’).

Uiteindelijk heeft de gesublimeerde incest van al deze narcistische dirty old men – die soms bijna obsessioneel met hun lichaam begaan zijn en vaak ook de Eeuwige Jeugd najagen via body huilding en facelifting – natuurlijk iets krampachtig. Stefan Beyst pleit daarom voor een veel gezondere oplossing van het maatschappelijke spanningsveld dat zich ontwikkelt tussen seksuele, parantale en communale liefde, en wel via een soort institutionalisering van de orgie. Een fenomeen dat trouwens volop aan gang is in de voorzichtige trend tot seksclubs waar mensen in het publiek seksuele betrekkingen hebben en soms ook aan partnerruil doen. Volgen we nog even zijn redenering ter zake in een volgende aflevering ‘De orgie is vooral een gezond feest’.

Wat zijn boek zelf betreft, moet ik nog één opmerking maken: het is indrukwekkend, zij het moeilijk en moeizaam voortschrijdend. Maar daar waarschuwt de auteur in zijn inleiding al voor: ‘Ik schrijf voor de lezer die zijn kritiek in beraad houdt tot op de laatste bladzijde. Wie zomaar lukraak één hoofdstuk leest, zal veel ontgaan’. Daar heeft hij alleszins gelijk, al is de verleiding natuurlijk groot, vooral omwille van het soms smeuïg karakter van zijn titels en tussentitels.

Toch raad ik het eveneens af om het boek te hooit en te gras door te nemen. Niet slechts omdat zijn redenering zich dan niet in haar volle rijkdom ontplooien kan, maar vooral omdat je dan die wondermooi metaforisch opbouw van zijn betoog ontgaat die zich bijna als een caleidoscoop voor je oog ontvouwt. Normaal hou ik niet van metaforen – het zijn meestal camouflagetechnieken die moeten verbergen dat de auteur niets te vertellen heeft. Maar hier zijn ze niet gezocht of gekunsteld maar functioneel en daardoor meeslepend. Dat is dus niet alleen een interessant, dit is ook een mooi boek. Dat het moeilijk blijft, moeten we dan maar op de koop toe erbij nemen, vind ik.

Eddy Daniëls.
Intermediair, nr 14, 2 april 1997.



Antwoord Stefan:

De kritiek over het ‘respect’ van de zoon van de vader die hem zijn hele jeugd tiranniseerde gaat niet op. De tegenhanger daarvan is immers de angst en de schuld van de vaders. Niet alleen zonen hebben ‘psychologie’.

Wat Badcock betreft. ‘De extasen van Eros’ is geschreven in 1991-1992. Vanwege uitgeversperikelen (de problemen van Halewijk) raakte het pas uitgegeven in 1997. ‘Oedipus in Evolution’ is van 1990 en ‘Psychodarwinism’ van 1994. Overigens zal men het mij moeilijk kwalijk kunnen nemen dat ik niet alle boeken heb gelezen. Mag ik opmerken dat naar mijn mening geen nieuwe lectuur – zeker geen Badcock - mij noodzaakt om de basisstellingen van het boek te herzien. 

Wilfried Daems in ‘Leesidee’ april 1997.

Stefan Beyst is docent in de kunstfilosofie en kunstgeschiedenis. Met ‘De extasen van Eros’ wil hij drie doelstellingen verwezenlijken: de seksuele liefde in een breed evolutionistisch en historisch perspectief omschrijven, de seksualiteit in haar totaliteit bevatten en zo nieuwe inzichten verwerven, die hem dan toelaten een nieuwe wetenschap tot stand te brengen: de erotica. Zijn kerngedachte luidt dat de liefde pas authentiek en compleet genoemd kan worden wanneer zich ontplooit van verleiden, over het vrijen en dan via het ouderschap leidt naar economisch samenwerken van het echtpaar.

Elk van deze vier stadia zijn onontbeerlijk. Blijft mens teken in één ervan of ontbreken er één of meerdere, dan gebruikt de auteur de term ‘perverse liefde’. Vooral het laatste stadium vormt een originele invalshoek in zijn werk en wordt terecht zeer grondig uitgewerkt. Hij bedoelt met deze economische samenwerking vooral dat het paar de wederzijdse behoeften volledig kan vervullen. Het gaat hier wel degelijk om een economische drijfveer, het betekent ook economisch gelijkheid. De maatschappij is voor Beyst veel meer dan alleen maar een uiterlijke, aan de liefde vreemde kracht die op de seksualiteit inwerkt. De seksuele liefde omvat drie dimensies, die zich ergens op een continuüm situeren: de sociale dimensie strekt zich uit vanuit de wederzijdse monogamie via verscheidene tussen varianten naar wederzijdse polygamie. De tijdsfactor varieert van een heel leven samen naar slechts één kort moment van seksuele relatie. Inhoudelijk gezin kan je volledig de vier stadia doorlopen, maar – aan het andere einde van het continuüm – kan het seksleven beperkt blijven tot slechts één verschijningsvorm, waar men steeds maar terugkeert (bvb. enkel verleiden, frigiditeit, paraderen voor de vrouw, enkel vrijen voor de man ). Ten slotte onderscheidt dit basisschema drie liefdes: de seksuele liefde, de ouderlijke liefde (het gezin, de oergroep, de grootouders) en de communale liefde (gezin, de oergroep en de orgie). De menselijke liefde streeft via de vier stadia naar zijn volledige ontplooiing, naar levenslange voltooide monogamie. De visie van Stefan Beyst is evenwel dat dit streven noodzakelijk moet falen. Volgens de auteur kon deze paradijselijk, volledige liefde enkel in de prehistorie gerealiseerd worden. Immers, het laatste stadium dat de economisch drijfveer omvat, is verdwenen sinds de allereerst ontwikkeling van de handel tussen individuen. Op die wijze veroordeelt de auteur zich tot chronisch pessimisme, spijtig voor zijn nieuwe wetenschap. Slechts op twee plaatsen geeft hij een volledige beschrijving van de romantische, volledige liefde, o.a. “ Wellicht worden vrouwen ooit waarvoor ze bestemd zijn, de begeerlijkste aller schepsels te zijn, eerste beweegsters waarvoor alle mannen volgaarne in beweging willen komen”. Een tweede belangrijke factor die voor het falen van de menselijke liefde instaat, is enerzijds de schoonheidspiramide van de vrouw (er zijn slechts weinig heel mooie vrouwen), wat de mannen de indruk geeft dat hun vrouwelijke partner slechts tweede keus is. Tegenover deze piramide staat de mannelijke piramide van de rijkdom (toenemende economische ongelijkheid). De rijke (meestal oudere) man kan zich de mooiste vrouwen veroorloven; die voelen zich door hun rijke echtgenoot verkracht, maar buiten hem financieel uit. Ten derde is het de laatste jaren moeilijk te voorspellen hoe de geliefde zich zal gaan ontwikkelen in het beroepsleven (“Je hield van een dromerige kwetsbare jonge vrouw en je ligt jaren later in bed met een Boeingpilote”). Zoeken naar een geestesverwant betekent meer dan ook op zoek gaan naar een naald in een hooiberg. Verder is er de slechte relatie met de kinderen, die eveneens de authentieke liefde zal aantasten in zijn derde fase. Bovenop werken man en vrouw in verschillende gemeenschappen en onderhouden relaties met collega’s; daardoor vervaagt het gevoel van identiteit tussen hen meer en meer. De alzijdige identiteit tussen generaties zoals die in de oergroep bestond, is verdwenen. Dat Beyst de totaliteit van de seksualiteit vooral wetenschappelijk benadert, biedt verscheidene voordelen. Hij hoeft op geen enkel ogenblik een blad voor de mond te nemen, een feministe kan je dan gerust omschrijven als “ de penisnijderige karikatuur van de verminkte man”. Problemen als orgie, incest, ascese, celibaat, de onbevlekte ontvangenis, de goddelijke harem, kun je nuchter en doorgedreven analyseren alsook op een originele wijze de onderlinge samenhang tonen. Je kunt ook, zoals de auteur in zijn inleiding doet, de lezer vragen om geduld en doorzettingsvermogen. Hij schrijft namelijk voor wie zijn kritiek in beraad houdt tot op de laatste bladzijde. Nochtans is dit boek voor een breed publiek geschreven. Regelmatig worden de al verworven inzichten herhaald, op het einde is een zeer uitgebreid lexicon dat elk thema nogmaals overzichtelijk weergeeft. Ik heb wel de indruk dat Beyst ondanks zijn wetenschappelijke benadering nu en dan via woordkeuze te veel toegeeft aan zijn frustraties en ergernis, bvb. “net als op elke ontmaskering van een hysterisch symptoom een nieuwe maskering volgt, wordt elke gedaanteverwisseling van de man onthaald op nieuw afgrijzen of hoongelach van de vrouw”. ‘De extasen van Eros’ geeft een erg volledig evolutionistisch en historisch beeld van de menselijke seksualiteit.

.


Boenders in Humo 2-8 mei 1997 Humo 2956:

‘Ik wil iedereen instantelijk ‘De extasen van Eros’ van de kunsthistoricus Stefan Beyst aanbevelen. In dit boek bekijkt hij erotiek als een vorm van economie, als een belangenverkeer dat geregeerd wordt door de wet van vraag en aanbod. Een voorbeeld: dat zoveel oudere mannen een relatie aangaan met een jongere vrouw, heeft te maken met het feit dat schoonheid voor een vrouw en rijkdom voor een man momenteel goed in de markt liggen. Beyst gaat ook in op klinische erotische aspecten zoals impotentie en frigiditeit. Die ziet hij als een vorm van afdreiging, waarbij bijvoorbeeld de vrouw de man geen orgasme wil toestaan. Het is een heel geleerd maar luchtig geschreven boek, dat nu eens geen romantisch, optimistisch beeld van de liefde ophangt’. 


.


Drs. N.P. Aders: (21-05-1997)

‘De auteur, kunsthistoricus en gedragswetenschapper, analyseert menselijke liefde en seksualiteit in al haar aspecten. Hij onderscheidt daarbij drie vormen van liefde (seksuele, parentale en communale liefde), die alle met elkaar samenhangen. Vooral de seksuele liefde heeft hier de aandacht. Deze varieert op drie dimensies: sociaal (monogaam/polygaam), temporeel (kortdurend/levenslang) en inhoudelijk (verleiding/ontplooiing). De stelling van de auteur, die hij in dit boek onderbouwt, is dat de mens levenslang in monogamie tot volledige ontplooiing zou komen, als de maatschappij dit niet in de weg stond. Het ontstaan van economische tegenstellingen en arbeidsdeling heeft seksualiteit namelijk van haar economische basis beroofd. Diverse thema’s, zoals commune, ascese, celibaat, orgie en incest, maar ook verliefdheid en gezinsvorming, worden in dit licht besproken. De auteur streeft naar volledigheid op het gebied van liefde en seksualiteit, dat hij voor een zo breed mogelijk publiek inzichtelijk wil maken. Het resultaat is een omvangrijk, maar vrij ingewikkeld betoog, nauwelijks interessant voor anderen dan vakgenoten’.

Titelinformatie voor de Nederlandse Bibliotheek Dienst. 


.


Ilse Vanderhoeven. (Februari 1998)

Het boek – De extasen van Eros – is één van de beste boeken die ik ooit over het onderwerp las.

Ilse Vanderhoeven. Lezersbrief in Weekend Knack 1998 nr. 11. (zie ook ‘Brieven voor jonge minnaars’ voor volledige versie).


Prof. dr. Bo Coolsaet: (10 oktober 1999).

‘Lezers die zich in de liefde willen verdiepen, kan ik twee goede boeken aanbevelen: ‘De extasen van Eros’ van Stefan Beyst en ‘Liefde in tijden van eenzaamheid’ van Paul Verhaeghe’. Ik moet wel waarschuwen dat het geen eenvoudige boeken zijn. 

Uit: ‘Het masker is de ziel. Gesprekken over liefde’ Uitgeverij Van Halewyck, p. 145


Prof. dr. Ronald Commers in ‘De Val van Eros’ Houtekiet, 2000.

Uit de inleiding:

‘Behalve Jos Van Ussel ben ik vele anderen dankbaar voor hun inspiratie en lering. Jaap Kruithof zal in dit boek wellicht de voortzetting vinden van een van zijn meest gedurfde intellectuele ondernemingen, namelijk het door hem uitgewerkte verband tussen arbeid en lust. Stefan Beyst, een generatiegenoot, ging mij voor mij zijn beschouwingen over Eros en minne. Hubert Dethier, een collega en geestesgenoot, schreef misschien wel de mooiste wijsgerige bladzijden over de liefde. Hij sterkte me in mijn opvattingen en overtuigingen’ (p. 10).

In de bilbiografie: 

‘Hoofdstuk 7: Homo sexualis en homo economicus. Enkele bedenkingen over de relaties tussen economie en seksualiteit. De auteur gebruikt mijns inziens een wat duistere taal waarin psychoanalyse en een bepaalde wijsgerige lectuur (met de klemtoon op José Ortega y Gasset) worden verenigd. Er is ook een duidelijk verband met het werk van W. Reich., voor zover ook Beyst een beschouwing op lange termijn over de relatie tussen arbeid en seksualiteit geeft. Op dat punt is er een verband met mijn benadering’. 



  Marcel Roggemans: Review op Proxis op 30 november 2002

GENIAAL ! Om het in één woord te zeggen. Een zeer ernstige studie over alle mogelijke relatievormen. Het zou wat te simplistisch zijn om het te vatten in termen van monogamie en polygamie. Integendeel de variëteit die er kan, en ook bestaat, is meer dan indrukwekkend. Beyst geeft een duidelijk overzicht en staaft zijn persoonlijke visie door verbanden te leggen met de hele cultuurgeschiedenis. Het is geen eenvoudig werk maar wel een volledig beschrijving. Alle taboes worden er besproken. Hij laat geen betoog of hij staaft het met voorbeelden. Een uitstekend boek voor elk antropoloog, socioloog, psycholoog, sexoloog, enz..