|
|
|
|
Jo Blommaert
Ilse Vanderhoeven
Joannes Késenne
Mark Vlaeminck
Ronald Commers
zoek op deze site
|
1.
JO BLOMMAERT (februari 1998, Weekend Knack nr 10 1998).
‘De coïtus de coïtussen’.
Sommige mensen beginnen aldus : ‘Liefste minnaars, coïteren
betekent samen optrekken. Je gaat dezelfde weg op, in hetzelfde tempo
en met gelijke tred. Dat doe je niet alleen als je vrijt, maar ook als
je samenwerkt en geestelijk omgaat met elkaar. Ook de seksuele,
economische en spirituele coïtus moeten op elkaar afgestemd worden
(…). Dat wil wel eens mislopen,en daarom schreef ik de volgende
reeks brieven over de coïtus de coïtussen’.
Nou, van zo’n intro moet een mens toch even gaan verliggen. Van deze
briefschrijver verscheen vorig jaar het boek ‘De extasen van Eros’,
een dikke pil waarmee docent kunstfilosofie en kunstgeschiedenis
Stefan Beyst een bijdrage wilde leveren aan het tot stand komen van
een nieuwe wetenschap, met name de “erotica”. Met ‘Brieven aan
jonge minnaars’ opteren auteur en uitgeverij (Hadewijch) nu voor een
vlot leesbaar boekje dat zich volgens de achterflap tot de brede
doelgroep der “verliefden” richt. Bizar is dat van de auteur enkel
naam en geboortedatum worden vermeld, zodat voor argeloze lezers
onduidelijk blijft vanuit welke “deskundigheid” deze lessen in de
liefde worden gedoceerd. Vanuit de kunstfilosofie dus.
Het boek begint met een aantal praktisch vrijlessen. Het zijn
erotische tafereeltjes die vooral vanuit mannenperspectief zijn
beschreven. De jonge minnaar krijgt zéér gedetailleerde vrijadviezen,
terwijl de jonge minnares weliswaar bovenaards geniet maar alles toch
voornamelijk lijkt te ondergaan.
Opmerkelijk is dat in dit liefdesspel de coïtus centraal staat en dat
dat volgens Beyst ook zo hoort. Niks tegen de coïtus, maar hadden we
ondertussen niet geleerd dat er variaties bestonden op dat thema en
dat die al eens tegemoet konden komen aan de wensen van de vrouw?
Volgens Beyst is het “niet voor niets”’ dat mannetje meestal
boven vrouwtje belandt, maar elke verdere uitleg voor die vage
bewering ontbreekt, zodat we alleen maar kunnen vermoeden dat het zijn
eigenste preferentiële standje is.
In ‘Het penseel van de liefde’ wijst Bo Coolsaet er als deskundig
androloog op dat vrouwen vaak juist het omgekeerde waarderen, en
bovendien legt hij uit waarom. Stefan Beyst kan uiteraard het bestaan
van de clitoris niet ‘(meer) ontkennen en besnijden is in onze
streken ook een beetje uit de tijd, maar in zijn brieven kan hij wel
doen alsof er niks anders bestaat dan een vaginaal orgasme. Het
gezamenlijke orgasme blijft volgens hem ook het na te streven ideaal.
Schreef Maurleen Luyens, als deskundig seksuologe met 25 jaar ervaring,
in ‘Liever vrijen’ niet dat juist dit soort verwachtingen tot zo
onnoemelijk veel leed leiden?
Van de seksuologie over naar de economie. Huishoudelijk werk wordt
bejubeld omdat het “uit liefde” wordt verricht, beroepsarbeid
geminacht omdat dat “om het geld” draait. Wie voor de liefde kiest,
kiest dus voor het huishouden en zal dit werk niet zomaar uit handen
geven. “Onzinnig is het een Thaise kindermeid in huis te halen om
verhaaltjes te vertellen aan je kinderen. Denk ook tweemaal na voor je
de kinderen afstaat aan een onthaalmoeder of kindercrèches”. En
opgepast voor schoonmaaksters: ‘zij doen het immers altijd, zoals
hoeren, alleen voor het geld, niet uit liefde”’.
De auteur pleit ervoor dat elk de helft van het huishoudelijk werk op
zich zou nemen en elk de helft van het werken voor geld. Mooi
uitgangspunt is dat. Maar. Volgens Beyst bestaat er zoiets als
“geslachtsgebonden taken”. Uit het feit dat alleen een vrouw kan
zogen, volgt uiteraard de stelling dat “het toch verschil maakt of
je eten krijgt van een vader of van een moeder”. En verder moet
eenieder maar die dingen doen waar hij of zij goed is in. Rara, wie
zou nu toch waar het beste in zijn? Zou daar niet al ooit eens een
studie over verschenen zijn?
Verder luidt het dat “ als de ene aanmerkelijk meer verdient dan de
andere, hij beter meer kan werken en de ander in ruil wat meer
huishoudelijk werk op zich kan nemen”. Tiens, tiens. Hebben we daar
ook al niet eens een rapport over gelezen? En wie verdiende er nu ook
weer het meest?
We hebben al lang begrepen waar die economische coïtus van Beyst op
uitdraait: verschraalde wijn in bedrieglijk nieuw uitziende zakken.
Rest ons nog de spirituele coïtus, die bereikt kan worden door
onderlinge verschillen zoveel mogelijk uit te vlakken. Geliefden doen
zoveel mogelijk samen, hebben dezelfde mening en dezelfde smaak.
Ideaal is dat ze ook nog samen werken, in dezelfde kamer…
Opgelet, dit alles is toekomstmuziek. Volgens deze nieuwe
“wetenschap” leven we nog in de prehistorie van de liefde en zijn
we op weg naar het tijdperk van de voltooide liefde. In de huidige
overgangsperiode blijven scheidingen en relaties van beperkte duur dan
ook onvermijdbaar. Een wel heel vreemde kronkel doet Beyst besluiten
dat jonge minnaars er in deze fase al bij al het beste aan doen om
voor een ouder partner te kiezen. Zou hij als man van in de vijftig
misschien ook bij dit zinnetje vooral aan zichzelf hebben gedacht?
Weekend Knack nr 10 1998.
ANTWOORD VAN ILSE VANDERHOEVEN.
LEZERSBRIEF.
Aan Jo Blommaert, en andere teleurgestelde lezers,
Uw kritiek op de schrijver Stefan Beyst in Weekend-Knack nr 10 is
onterecht. Maar een klassiek geschoold man, kunst- en
geschiedeniskenner en filosoof kan inderdaad niet voldoen aan de eisen
van een feministisch geëmancipeerde visie. Het boek – De extasen
van Eros – is één van de beste boeken die ik ooit over het
onderwerp las en zijn trefkracht was de filosofische inslag. Dit is
een aartsmoeilijk onderwerp. En of men eros tot een wetenschap wil
verheffen, (niet meer dan een ongelukkige pretentie) en of men nu een
patent wil nemen op het eigenlijk menselijk kunnen, of men wil gewoon
leren omgaan met eros, zeker en vast draagt Stefan Beyst bij tot de
‘ontwikkeling van het denken’ hierover.
Maar als u opteert voor seksuologie en voor andrologie en ik weet niet
welke rapporten, om te proberen wetenschappelijk te maken hetgeen nu
eens juist niet wetenschappelijk gemaakt mag worden dan is dat uw goed
recht.Ik ben er zeker van dat indien u wat meer respect voor geschiedenis en
kunst zou kunnen opbrengen, voor mannen en vrouwen, en deze taal en
mogelijkheden zou begrijpen, dat u niet zulk een loopje nam met dit
boek. En zou u zich niet zo gepatronaliseerd hoeven te voelen. Door
niet in te zien dat Stefan Beyst juist niet de deskundige uithangt,
maar wijselijk veel meer plezier beleeft aan dit onderwerp dan u doet.
En daarom begrijpt u niet dat Brieven aan jongen minnaars een leuk en
logisch vervolg is op de Extasen van Eros.
Maar aan strijders is filosofie en haar kracht nog niet besteed,
helaas. Maar misschien kan het voor u een uitdaging zijn dit onderwerp zo
origineel te benaderen als Stefan Beyst doet, maar dan eens in een
vrouwenperspectief. Zeker na Weekend-Knack vol te duwen met mode, met
foto’s van kleurrijke vrouwen en kleurrijke kinderen en drie
bladzijden voor de mannen. Een blad over schoenen, eentje over
kostuums en eentje over hemden. Zo kunnen we wel veder zeker?
En als deze visie nu eens een laatste bladzijde verdient? Dat zet u er
maar een mooie foto van David van Michelangelo naast.
Maar misschien ziet u liever Golkonda van René Magritte?
Vriendelijke groeten,
Ilse Vanderhoeven
|
|
|
|
JOANNES
KESENNE, origineel voor K&C: 1998.
‘BRIEVEN AAN JONGE MINNAARS’
Een ode aan de liefde van Stefan Beyst.
Wat zegt een minnaar tegen zijn geliefde na hun vierde orgasme op rij?
Een macho buldert triomfantelijk: ‘Alstublieft’!
Maar Stefan Beyst fluistert hees in haar oor: ‘Dankjewel, liefje’.
Beter kan ik het jongste boek van Stefan Beyst niet samenvatten. Deze
auteur zal nu eenmaal het noodlot moeten dulden altijd en overal
verkeerd te worden begrepen. Ook de Heilige Stefan is tenslotte de
gewijde geschiedenis ingetuimeld als martelaar. Vorig jaar beviel
Beyst nog van een volslanke baby onder de naam: ‘De extasen van Eros’.
Tot op vandaag zwijgt de ernstige kritiek als vermoord over dit
zoveelste ‘grote verhaal’. Wie weet nam de pastoor van het
postmodernisme, Jean-François Lyotard, de verzamelde ‘kleine’
verhalen wel mee in het graf. Maar inmiddels ligt de dikke pil van
Beyst toch maar te beschimmelen op het nachtkastje van de overwerkte
criticus zonder noemenswaardig liefdesleven. En wanneer vandaag een
‘draaglijke Beyst’ met zijn ‘penseel van de liefde’ neerpent
wat op zijn hart ligt, verdenken de godinnen van de nieuwe kuisheid’
(al die mietsmetten welteverstaan) hem wederom van mannenpraat. Lees
de preek van Jo Blommaert in Weekend Knack nr. 10 er maar op na. Maar
niets is minder waar. Wat wel waar is: het verhaal van Beyst past
gewoon niet in de modieuze grootstedelijke levenswijze waarbij koppels
zich gedragen als roodborstjes in een biotoop van vleermuizen. Jammer
voor de vleermuizen.
Toen Ovidius in jezukes tijd zijn ‘Ars Amatoria’ (‘Minnekunst’)
neerschreef, paste dit ook al niet in de publieke moraal van het
Romeinse rijk. Keizer Augustus had in 18 voor de huidige tijdrekening
al een wet uitgevaardigd tegen overspel. Een keizerlijke decreet
weerde Ovidius’ boek uit de bibliotheken. En de man zelf mocht zijn
verder leven gaan herkauwen in een onooglijk Roemeens verbanningsoord.
Maar Beyst heeft het, net zoals keizer Augustus, niet zo begrepen op
al dat geflikflooi en gescharrel op de publieke agora van café of
kantoor. Wie er de minneliederen van onze middeleeuwse mystica
Hadewijch op naleest, komt dicht in de buurt van Beysts boodschap:
‘ Mer minnen te sine verhoechtn al’ (Maar liefde te zijn gaat
boven alles). Want zoals Hadewijch de ‘zaligheid van de eenwording
met de godheid’ bezingt, zo weet Beyst dat minnaars ‘volledig
willen opgaan in één enkel lief’. En de droom van de eeuwige
liefde noemt Beyst zelfs ‘ een heilige opdracht’. De Beystiaanse
minne is, in één adem, tegelijk beestig en zielsverwant. Beyst
draagt het liefdesideaal hoog in het vaandel en eist onvoorwaardelijk
trouw aan een liefdesband waarin seksuele, economische en
wezensverwante verlangens tot volledige bevrediging komen. Slik. Zijn
pleidooi dat een kroostrijk gezin, monogamie en daadwerkelijke trouw
een geloofsbrief voor het gelukkig leven inhoudt, kan de cvp misschien
nog tot een nieuwe verruimingsoperatie motiveren. Maar uiteindelijk is
het Beyst allemaal dààr niet om te doen. Want deze essentialist
heeft het natuurlijk over de ‘ware’ monogamie die - van wetswege
uit – in geen enkele ‘werkelijk bestaande’ monogamie bestaat.
Zijn verhaal gaat fors in tegen een hedendaagse trend waarin het
liefdesnestje door individualisering, carrièrisme en consumptie-
gedrag
wordt uitgehold. Vergeten we niet dat in onze literatuurgeschiedenis
inmiddels prachtige traktaten gepleegd werden over de liefde, denk
maar aan Stendhal en Flaubert. Maar in de nadagen van onze eeuw is het
inderdaad ronduit triest gesteld met het menswetenschappelijke geblaat
over onze minnekunst. Het ‘deskundig’ geouwehoer waarmee
seksuologen of psychologen de media afschuimen, haalt vandaag
nauwelijks het niveau van : ‘Vraag het oma’. Omdat
schriftgeleerden verleerd hebben de onbewuste toedracht van impotentie
en frigiditeit te lezen, vallen ze terug op erotische etiquette, rauwe
worteltjes en afrodisiaca. Zo breidt de ideologie van ‘ongewenste
intimiteiten op het werk’ zich zelfs uit tot de slaapkamer.
Uitermate ergerlijk is dat onder het label’ menswetenschappelijk
onderzoek’ je reinste gezagsargumentatie schuilgaat: statistisch
cijfermateriaal voorziet de vooroordelen van de onderzoeker van
parlementaire onschendbaarheid. Geef mij dan maar liever de ongezouten
vooroordelen van een Stefan Beyst. Want Beyst neemt zich de moeite om
het schuldgevoelens, waaraan overspelige echtelieden en carrière-ouders
van verwaarloosde kinderen gebukt lopen, te analyseren. Graag maak ik
even een korte, maar illustratieve ex-cursus om de Beystiaanse
gedachtegang ten voeten uit te expliciteren: ‘Elk liefdeskoppel wil
orgastische bevrediging (vrijblijvende vooropstelling). In
tegenstelling tot de idee dat de dwang om dit te willen tot mislukking
aanleiding geef, is precies het schuldgevoel geen orgasme te kunnen
schenken aan de partner oorzaak van het opgeven van het liefdesideaal’
(eigen reconstructie). Op eenzelfde manier verdringen carrièrevrouwen
hun verlangen naar kinderen, hetgeen op zich geen probleem is, wanneer
ze zich maar voldoende realiseren dat ze om - goede redenen - aan
hun verlangen verzaken. Ziedaar de Beystiaanse redenering. Op zijn
naturalistische vooropstelling na, is er uiteraard geen vuiltje aan de
lucht. Deze denkwijze bezondigt zich echter aan een ongeoorloofde
generalisering van verlangens, die naar Plato, Paulus, Mohammed,
Boeddha, Machiavelli en Heidegger ruikt. Maar zo hebben tenslotte ook
bollebozen als een Marx of een Freud op para-academische wijze gewoon
‘hun gedacht gezegd’. En Marx is niet wat Stalin of Mao ervan
bakte, net zomin als Freud overleeft in de bedenkelijke verdunningen
van bizarre psychiaters en psychotherapeuten allerhande. Zeker weten:
inmiddels likken sociologen of psychologen uit onze nieuwste tijd niet
eens aan de hielen van deze meesterdenkers.
Kennistheoretisch gaat Beyst even naïevelijk als
intellectueel-eerlijk uit van de vooropstelling dat we leven in een
wereld van ware essenties en naturalistische determinaties. Van een
dergelijke prekantiaanse onschuld blijft uiteraard niet veel overeind
na de ‘Strenge Wissenschaft’ die een filosofische kritiek beoogt.
Maar wanneer we dit grondslagendebat – met veel goodwill - in de
koelkast zetten en onbevangen toekijken wat Beysts metafysica ons wél
kan doen zien, dan strekt zich in alle heerlijkheid het beloofde land
van passioneel leven voor ons uit. Want Beysts betoog beweegt zich,
traag maar doelgericht – zoals een karavaan Toaregs dwars doorheen
de Sahara – in de richting van beeldschone levenswaarden waarvan
onze tijdsgenoten nauwelijks durven dromen. Zijn boek ‘Brieven aan
jonge minnaars’ laat zich op die manier lezen als een heikele proeve
van ethiek. Beyst is op zijn paasbest wanneer hij de slappe
verhaaltjes doorprikt die menswetenschap-
pers – en ook andere mensen
– zich wijsmaken om hun stiekeme verlangens te verdringen.
Kunstenares Jenny Holzer beeldde in 1991 op billboards het krachtige
statement uit: ‘Protect me from what I want’ (nvdr: mannen, onthou
het, dit is een veilige liefdesboodschap aan het adres van je eigenste
minnares!). Beyst en Holzer verwoorden daarmee een lacaniaans inzicht.
Het is pas tegenover zijn intiem verlangen dat elke mens
verantwoording verschuldigd is. Dit vormt het drijfzand van elke
rationele ethiek. Dat ons mensdom kost wat kost het paradijs van Eros
wil verdienen, bewijst het succes van christendom en islam in de
cultuurgeschiedenis ten overvloede. Maar ontdaan van de genots- en
levensvijandige moraal die deze godsdiensten kenmerkt, is enig
Beystiaans messianisme ten voordele van een liefdevolle
lichaamscultuur – in tijden waarin god ons verraadt – toch mooi
meegenomen. Want gevoelens van grote liefde brengen troost en
bemoederen. Maar in weerwil van de mannenpraat waarvan Beyst verdacht
wordt, houdt deze man integendeel de herinneringen aan vergeten
meisjesdromen levendig. Het arcadië van Beyst is de winkeletalage
waarin romantische bruidsklederen worden uitgestald voor de ogen van
zevenjarige nimfijnen. Beyst blijft de lijfelijke eed van de laatste
huwelijksnacht trouw. Niet ter wille van de huwelijksmoraal, maar ter
wille van de vernieuwing van het eeuwigdurend verbond tussen moeder en
kind dat zich tenslotte in elke penetratie herhaalt. De verwording van
de psychoanalytische theorievorming na Freud heeft voldoende
fantasietjes opgeleverd om dit te bewaarheden: Otto Rank over het
geboortetrauma, Wilhelm Reich over het ideale orgasme, Gustav Jung
over archetypen. Amerikaanse egopsychologen over het ‘Goede’
narcisme, en ga zo maar door. De ‘erotica’ van Beyst schrijft zich
– hoe onbedoeld en ongewenst ook – in binnen deze kleurrijke
intellectuele traditie. De lacaniaanse traditie volgt integendeel de
vaderlijn: de talige, symbolische orde als een breuk met de
moederliefde. Beyst volgt de moederlijn: in het liefdesleven telt niet
het verbod op incest, is het geen kwestie van verliefd te worden (men
is het altijd en overal), maar integendeel van het te ‘blijven’!.
Dat is alleen al maar afleesbaar aan de talrijke projecties van het
orale vocabularium op de vaginale zones: ‘De eikel blijft de
baarmoedermond kussen en ervaart daarbij een heerlijke nalust’. Elke
moeder verwacht tenslotte altijd een ‘volmaakt’ kind. Geen enkel
particulier kind kan daaraan voldoen. Vooruit dan maar: op zoek naar
de ideale moeder in ‘een’ vrouw!
Kant schreef drie fundamentele kritieken: één op de kennis, één op
de moraal en één op de schoonheid. De denker Beyst nam
achtereenvolgens al kennis (‘De extasen van Eros’, Hadewijch) en
moraal (‘Brieven aan jonge minnaars’ Hadewijch) op de korrel. De
schalkse foto’s waarmee Johan Cuypers zijn teksten opvrolijkt, doen
de lezer al verlangen naar meer: zijn kritiek op de esthetische
waarheden. Tenslotte de thuishaven van deze kunsthistoricus.
Joannes Késenne.
|
|
|

|
MARK
VLAEMINCK. De Gentenaar, 14-15 februari 1998.
DE STEEKVLAM VAN DE LIEFDE.
Prille minnaars zijn slechte vrijers, al ervaren ze de kleinste vonk
als een steekvlam. Dat schrijft Stefan Beyst in zijn nieuwe boek
‘Brieven aan jonge minnaars’. Wie rond Valentijn wil lezen over de
liefde, vindt hier ideeën.
Liefde is zoals een zonsopgang. Ze bestaat al zo lang als een mens
zich kan herinneren, alledaagser bestaat er niet, maar voor wie er
onbevangen naar kijkt, blijft ze steeds verbazen. Aan de liefde krijg
je kop nog staart, ze rationeel verklaren is een riskante onderneming
waar je beter niet aan begint, een formule voor de liefde of een
sluitend programma moet nog worden uitgevonden en toch is er geen
onderwerp dat zoveel inkt doet vloeien als diezelfde liefde. Van de
viriele helden bij Homros tot de Lolita’s op de grens van de
eenentwintigste eeuw. Van gefundeerde filosofische traktaten tot
waterdunne stationsromannetjes. Het jonge Vlaamse boek over dat
eeuwige thema dat liefde heet, is ‘Brieven aan jonge minnaars’. Auteur Stefan Beyst (50) is een kunsthistoricus die over erotiek en
liefde al de dikke turf ‘De extasen van Eros’ publiceerde, voor
hij nu een praktische geschrift uitbrengt.
Nu geeft hij antwoord op vragen die verliefde mensen zich stellen. Hoe
lang kan verliefdheid duren? Word je altijd verliefd op iemand van het
andere geslacht? Van dezelfde leeftijd? Hoe belangrijk is vrijen? Hoe
vaak doe je het? Welke plaats ruim je in voor kinderen? Kan je elkaar
ontrouw gunnen? Welke plaats geven we binnen een relatie aan seksuele
fantasieën? En wat als de verliefdheid en de liefde mislukken? Kunnen
we scheiden uit liefde?
“Voor een goede relatie heb je drie soorten coïtus nodig” zo
luidt Beysts uitgangspunt: “de seksuele coïtus, de economische coïtus
en de spirituele coïtus’. Waarbij even mag herinnerd worden aan het
taalkundige feit dat coïtus in wezen niets anders is dan een manier
van samengaan. Ire is Latijn voor gaan en co-ire is dan samen gaan.
Samen opstappen. Wat een seksuele coïtus is, dat behoeft geen
tekeningetje. Maar wat is een economische coïtus dan wel? Beyst:
‘zorgen dat je het samen goed hebt. Meer niet. Maar wel belangrijk
voor een harmonieuze relatie”.
INTUITIE
Spirituele coïtus verwijst naar de noodzakelijke geestesverwantschap
die minimaal aanwezig moet zijn om het samenleven gevoelsmatig en
intellectueel aantrekkelijk te maken. De intuïtie van de geestelijke
verwantschap. Stefan Beyst schrijft over liefde in mooie zinnen waarvan je sommige
zo kan uitknippen voor een bloemlezing. Zoals: ‘Liefde is
blindelings kunnen rondlopen in je zelfgeschapen omgeving, langs paden
die je al eeuwen had willen bewandelen.” Of: “De tafel is niet te scheiden van het bed.”
Of nog: “Ook heel wat prozaïscher huishoudelijk taken besteed je
niet zomaar uit aan schoonmaaksters, kokkinnen of tuinmannen. Je geeft
dan belangrijke onderdelen van de economische coïtus uit handen en
verliest een belangrijk middel om je liefde te uiten. Het huis is vaak
netter als je een schoonmaakster op de rommel loslaat en het eten
smaakt lekkerder in een restaurant. Maar de essentie ontbreekt.
Schoonmaaksters en koks doen het immers altijd, zoals hoeren, alleen
voor het geld, niet uit liefde.”
Bij de ideeën van Stefan Beyst staan foto’s van Johan Cuypers. Lief
en speels. Met een flinke greep humor, een gevoelen dat in de tekst
wel eens ontbreekt. “Waar ik voor pleit”, zegt de liefdesauteur, “is voor een
veelvoudige verschijning van de liefde in al haar variaties. Ik heb
geen enkel bezwaar tegen het klassieke huwelijk, maar het mag toch wel
duidelijk zijn dat die vorm van liefde niet de enig zaligmakende is”.
“Want dat veel huwelijken spaak lopen, heeft ook te maken met het
feit dat er zoveel getrouwd wordt. Weet je dat op het einde van de
negentiende eeuw in Duitsland niet meer dan een derde van de huwbare
vrouwen ook effectief trouwden? Maar eigenlijk hebben die cijfers niet
zo veel belang. De “essentie is geluk en dat mensen verliefd zijn en
elkaar graaf zien. Daar gaat het over. Daarom herhaal ik het: “De kern van verliefdheid is het gevoel dat
het in alle opzichten seksueel en economisch bevredigd zult worden en
dat je op een wezensverwant(e) gestoten bent’”.
|
|
|
4.
Prof. dr. Ronald Commers in ‘De Val van
Eros’ Houtekiet, 2000.
In de bibliografie van dat boek staat:
‘Zeven hoofdstukken over aspecten van de minne:
vrijen, ‘economisch bevredigen’, geestelijke verwantschap,
ouderschap en de moeilijkheden van het liefdesspel. De auteur spreekt
over de coïtus van de coïtussen (= het op elkaar afstemmen van drie
verschillende liefdes; cf. het zogenaamde liefdeskruis van Beyst).
Boeiend zijn de overwegingen over de breuken in de liefde (ruzie,
ontrouw, macht en liefde, echtbreuk, etc.).
|
|