Reeds Nietzsche ging in zijn ‘Genealogie van de moraal’ heftig te keer tegen degenen die de moraal willen grondvesten op het altruïsme (de naastenliefde, het medelijden). Hij stelt daartegenover dat moraal in de eerste plaats te maken heeft met de machtsdrang van de enkeling (‘Der Wille zur Macht’). Volgens hem zijn het de zwakken die de moraal van de naastenliefde hebben ontwikkeld om de voor hen destructieve levensdrang van de sterke in te dijken. Nu bestaat er inderdaad iets als de moraal - het recht - van de sterke. Niemand zal ontkennen dat het een deugd is om zijn talenten te ontwikkelen. Maar ‘ja’ zeggen tegen de eigen vermogens betekent zichzelf op de voorgrond werken, ten nadele van anderen die minder goed zijn uitgerust – minder ‘fit’ zijn. Daarom wordt de ‘moraal van de sterke’ bij uitstek als ‘immoreel’ ervaren. Maar dat mag geen aanleiding zijn om het gebied van het morele in te perken tot de moraal die de macht van de sterke poogt in te dijken. We moeten integendeel erkennen dat ook de moraal van de sterke een moraal is. Dan rijst de vraag waarom de moraal van ‘de zwakke’ tot ontwikkeling kon komen en zich als dé moraal wist op te dringen. In dit boek zullen we aantonen dat dit niets te maken heeft met de opstand van de zwakke (‘de opstand van de slaven’), maar alles met het ontstaan van altruïsme, samenwerking, groepsidentiteit, opvoeding en groepsgewijze agressie. Het zal dan nodig zijn verschillende moralen te onderscheiden (te weten: de moraal van de zelfvervolmaking, de moraal van de concurrentie, de moraal van het altruïsme, de moraal van de samenwerking, de moraal van de identiteit, en de moraal van de groepsgewijze agressie) en de onderlinge relaties tussen deze moralen te onderzoeken.. Erkennen dat er een moraal van de sterke bestaat, is een stap die ons meteen naar de kern van de problematiek van de moraal voert. Immers, om zich op de voorgrond te werken, hoeft de sterke de zwakke niet actief te benadelen of te elimineren. Het volstaat aanvankelijk dat allen gehoorzamen aan het gebod ‘gaat en vermenigvuldigt u’ dat is belichaamd in de bouw en het functioneren van hun organisme. Vermits de middelen om voort te bestaan schaars zijn, en vermits als gevolg van variatie* niet allen evenwaardig zijn, overleven de sterken en planten ze zich voort. Met als gevolg dat er steeds betere en andere, steeds meer onwaarschijnlijke overlevingsstrategieën - betere en nieuwe deugden - worden ontwikkeld. (Om het met Dawkins te zeggen: there are some tens of millions of ways of making a living). Het is dus niet noodzakelijk de sterke zelf die zich gedraagt volgens de ‘moraal van de sterke’, maar eerst en vooral de evolutie: variatie zorgt ervoor dat er sterken en zwakken zijn, en de selectie elimineert de zwakken. Er is zelfs sprake van ‘beloning’ en ‘straf’: alles wat goed is, wordt beloond met overleven en voortplanting, al wat slecht is, wordt 'gestraft' door te sterven vooraleer zich voort te planten of door er niet in te slagen zich voort te planten. Beweren dat de evolutie gehoorzaamt aan de moraal van de sterke stelt een dubbel probleem. Om te beginnen is de evolutie geen wezen dat handelt: er is geen ‘schepper’ aan het werk die zijn schepselen perfectioneert door de zwakken te elimineren. In een eerste fase is het perfectioneren het werk van een ‘onzichtbare hand’, het ongewilde resultaat van de levensdrang van elk individueel dier (het streven van de genen naar replicatie) en de eigenschappen van het milieu. Moraal lijkt ons echter iets te zijn dat ten grondslag ligt aan het gedrag van individuen. Het kan dan niet van toepassing zijn op een blind proces dat het ongewilde gevolg is van de actie van ontelbare actoren en factoren. Het tweede probleem is dat er niet alleen geen handelend subject is, maar ook niemand die de morele voorschriften oplegt. Er is niemand die de evolutie (de ‘schepper’) voorschrijft dat zij zich moet gedragen volgens de moraal van de sterke, dat zij levende wezens moet verbeteren door de slechte varianten te elimineren. Als er al sprake is van een voorschrift, dan is het van de opdracht ‘gaat en vermenigvuldigt u’ die ten grondslag ligt aan de bouw en het gedrag van de levende wezens die met zijn allen het proces gaande houden. Dat voorschrift is geconcretiseerd in de talloze programma’s voor de bouw van organen en de afloop van gedrag (zoals: ‘eet’, ‘beweeg je naar het voedsel toe en van gevaren weg’ enz.). In combinatie met de gegeven schaarste volstaat dit in de organismen ingebouwde, maar door niemand opgelegde voorschrift - deze drift, dit instinct, dit ‘programma’ - om het gehele scheppingsproces – de evolutie - te laten plaatsgrijpen volgens de regels van de ‘moraal van de sterke’. Het ziet er naar uit dat we alleen in metaforische zin kunnen spreken van een ‘moraal van de sterke’, waaraan de evolutie gehoorzaamt. De echte moraal lijkt ons een geheel van verboden en geboden te zijn die handelende wezens opleggen aan elkaar. Het is dan de vraag wanneer gebod en verbod ontstaan. Een heel oude vorm van verbod verschijnt zodra de sterke niet langer onbedoeld de zwakke uitroeit, maar hem daadwerkelijk verjaagt - of om te besparen op de krachtmeting die daaraan voorafgaat: hem bedreigt. Dit komt neer op het uitspreken van een verbod : ‘Raak niet aan wat mij toekomt, want ik ben de sterkste’. De zwakke gehoorzaamt aan dit gebod door te vluchten of door zijn aanspraken op te geven. Hier hebben we wel degelijk te maken met een verbod dat door een handelend subject wordt opgelegd aan een ander handelend subject dat gehoorzaamt aan dat verbod, en niet met voorschriften die nergens vandaan komen en alleen maar een blind proces besturen. Dat betekent niet dat hier de oorsprong ligt van de moraal. Een verbod is immers niet de moraal zelf, maar alleen een manier om ze op te leggen. Aan het verbod ’raak niet aan wat mij toekomt’ ligt een moraal ten grondslag: de moraal van de sterkste. Dat blijkt alleen al uit het ‘argument’: ‘of ik zal u verjagen’. Dat de dieren voortaan verbieden (of gebieden), betekent slechts dat zij de moraal (eigenhandig) beginnen op te leggen, niet dat zij die hebben geschapen. De moraal die ze opleggen is nog steeds de moraal die ten grondslag lag aan het blinde proces van de evolutie. Sterker nog: dat ze die moraal nu eigenhandig opleggen en uitvoeren, is zelf het gevolg van dat blinde proces: het zorgde ervoor dat er dieren tot ontwikkeling kwamen die in staat waren om elkaar te verjagen en/of te bedreigen. Dit verjagen is alleen maar een verfijnde - tot handeling geworden - manier om te elimineren. De ‘blinde’ moraal van de sterke werd geamendeerd: het gebod ‘gaat en vermenigvuldigt u’, werd aangevuld met het dubbelgebod ‘verdrijf de zwakke’ en ‘geef voorrang aan de sterke’ en dit amendement wordt uitgevoerd doordat de sterke met zijn dreigen de zwakke verbiedt om zijn privileges aan te tasten. De moraal blijft dus wat ze was: een door niemand – te weten: de evolutie - geschapen geheel van voorschriften. Het bevat nu alleen maar een nieuw voorschrift: onderwerp elkaar aan de moraal van de sterke. Het blinde proces van de evolutie heeft zichzelf dus alleen maar een uitvoerend subject geschapen in de sterke die verbiedt. Dat de moraal van de evolutie een subject krijgt - een uitvoerder en uiteindelijk ook een woordvoerder - is een eerste stap in een proces dat zal leiden tot het verwoorden van geboden en verboden (van dreigen naar het uitspreken van een verbod ‘tast mijn recht niet aan’) en uiteindelijk tot het verwoorden van de morele regels zelf (de sterke heeft recht op privileges) en tot het achterhalen van hun hiërarchie (de tien geboden) en samenhang (moraalfilosofie). Hier pas wordt de moraal ook nog tot een geheel van regels in de echte zin van het woord: de door de mens verwoorde voorschriften die ten grondslag liggen aan het proces van de evolutie. Alleen in deze zin - dat de mens een ‘moraalfilosofie’ ontwikkelt - is de mens ‘het morele dier’. Geen van deze volgende stappen maakt immers dat de moraal iets anders wordt dan wat ze altijd was: een geheel van voorschriften dat het blinde proces van de evolutie beheerst en door niemand werd opgelegd. Het is dus helemaal geen metafoor als we beweren dat er een ‘moraal’ aan de evolutie ten grondslag ligt: de moraal van de evolutie is de ene en enige moraal. Nietzsche stelde dus wel de fundamentele vraag van de moraal: ‘Warum ist überhaupt Moral?’ Maar zijn antwoord impliceert dat er een premorele fase is in de evolutie. Dat blijkt al uit het feit dat hij een ‘Genealogie van de moraal’ schreef. Moraal ontstaat echter niet, ze is coëxistent met de levende wereld. Een ‘genealogie van de moraal’ - om het moderner uit te drukken: een evolutie (en geschiedenis) van de moraal - is er alleen (1) als de geschiedenis van het steeds meer uitgebreide geheel van regels dat de bouw en het gedrag van de levende wezens regeert (genetische programma’s voor elke diersoort, hun driften en instincten), (2) als de geschiedenis van het ontstaan van de verschillende domeinen van de moraal (soorten moraal) die we verder in het boek - als een van de belangrijke nieuwe bijdragen ervan - zullen onderscheiden: de moraal van de zelfvervolmaking, de moraal van de concurrentie, de moraal van het altruïsme, de moraal van de samenwerking, de moraal van de identiteit (of de conventie), (en de moraal van de groepsgewijze agressie) (3) als de geschiedenis van de manier waarop de evolutie de individuele dieren tot uitvoerder en woordvoerder van haar moraal maakt – het ontstaan van gebod en verbod, beloning en straf, het geweten, en (4) als geschiedenis van de manier waarop de mens probeerde de regels van de moraal te verwoorden. Het is dus een vergissing om te stellen dat de moraal (of het opleggen daarvan via geboden of verboden) zich tegen de ‘natuur’ keert. Moraal is de wet van het leven zelf. Dat wordt al duidelijk als het blinde proces van variatie en selectie leidt tot het uitvaardigen van het verbod door de sterke. Dat de zwakke daaraan gehoorzaamt door te vluchten of zijn aanspraken op te geven, ligt evenzeer in het verlengde van de ‘natuur’: hij bespaart zich daarbij het ergere lot van onmiddellijk te worden geëlimineerd en dat levert hem wellicht nieuwe overlevingskansen op - elders of later. En ook de moraal van de samenwerking is slechts een verfijnde manier om de moraal van de sterke te realiseren: eendracht maakt immers macht. Men ziet de continuïteit tussen solistische en eendrachtige - coöperatieve - concurrentie gemakkelijk over het hoofd als men zich blind staart op het aspect eendracht en alleen de moraal die daaraan ten grondslag ligt als moraal beschouwt. Dan pas lijkt de ‘moraal van de samenwerking’ zich te verzetten tegen de ‘moraal van de sterke’. Maar dat is kortzichtig: samenwerkende partners onderdrukken de onderlinge concurrentie alleen maar om beter te kunnen concurreren met (solistische of samenwerkende) concurrenten. Onderdrukken is dus alleen maar een middel om beter te kunnen bevredigen. Staart men zich blind op het middel, dan ziet men niet dat de natuur alleen maar ‘nee’ fluistert om daarna des te luider ‘ja’ te kunnen roepen. Dat neemt niet weg dat ‘neigingen’ (of driften, instincten en programma’s) met elkaar in botsing kunnen komen, zoals wanneer een hongerig dier moet stoppen met eten om te vluchten voor een roofdier. Vooral bij de mens wordt het conflict structureel doordat hij zich een sociaal milieu schiep waarin dezelfde personen verschillende, onderling tegenstrijdige rollen kunnen spelen (het probleem van Antigone tegenover Kreon: is Polyneikes haar broer of een staatsburger?). Dat neemt evenmin weg dat wezens die voor het inschatten van een situatie afhankelijk zijn van hun verstand een situatie verkeerd kunnen beoordelen, of ze verkeerd voorstellen aan degenen wiens gedrag ze willen beïnvloeden. Zo kunnen ze er de voorkeur aan geven hun partner als concurrent te beschouwen (te bedriegen), en voelen dan de moraal van de samenwerking (die trouw voorschrijft) als een belemmering aan van hun ‘natuurlijke neiging’ - te weten: zich te gedragen volgens de moraal van de concurrentie. En dat laatste voorbeeld herinnert er ons aan dat ten slotte ook de driften van de ene in botsing kunnen komen met die van de andere - zoals wanneer de sterke de zwakke verdrijft of wanneer een partner ontrouw wordt. Maar in geen van deze gevallen staat ‘moraal’ tegenover ‘natuur’ of ‘drift’: alleen driften staan tegenover elkaar (binnen eenzelfde individu, of vanuit twee verschillende individuen, organismen). En vermits driften niet meer zijn dan de manier waarop een moraal werkzaam wordt - daarom heten ze ook ‘driften’: ze dwingen ons om iets te doen - kunnen we met evenveel recht beweren dat moraal tegenover moraal staat. Moraal tegenover moraal dus, of natuur tegen natuur. Maar moraal tegen natuur: dat is een sofisme. Men kan moraal alleen tegenover natuur stellen, als men uitsluitend de moraal van de samenwerking ‘moraal’ noemt, en elke andere moraal (die van de zelfvervolmaking, van de concurrentie en van het altruïsme) tot natuur (drift, instinct) reduceert. De prijs die men daarvoor betaalt, is dat men vergeet hoezeer de moraal zelf natuur is.
©
Stefan
Beyst, augustus 2001
|