home over kunst over kunstenaars besprekingen info/contact


DE STEENEZEL

Joske is de hele namiddag druk doende geweest met de waterspuit in de zandbak. Etenstijd komt eraan en ik verwittig hem: ‘Binnen vijf minuutjes gaan we eten, maak je je klaar om te stoppen?’ Als het zover is, kom ik hem roepen. Hij wil niet vanwege nog te verdiept in zijn spel. Ik dring aan, en met een lang gezicht komt hij dan toch. Ik zeg hem dat hij eerst zijn voeten moet afspuiten. En dat was net iets teveel: ‘Jij moet mijn voeten afspuiten!’ Ik: ‘Nee, Joske, wat je zelf kan, moet je zelf doen.’ Hij zet een keel op: ‘Ik kan dat niet, jij moet mijn voeten afspuiten!’ Ik herhaal nog eens ‘Joske, wat je zelf kan, moet je zelf doen!’ Nog luider schreeuwt hij: ‘Jij moet dat doen!’.

Niet van plan deze boeiende dialoog verder te zetten, ga ik naar binnen. Ik bereid me al voor om me niets aan te trekken van de koppige zeurpartij die zoonlief bij dergelijke gelegenheden nogal eens ten beste pleegt te geven. Maar het wordt stil buiten en ik verkeer in de mening dat hij eindelijk toch zijn voeten is gaan afspuiten. Na een poosje hoor ik hem aankomen met mama. Die wist van het hele gebeuren niets af en was blijkbaar inschikkelijker geweest dan mij. Maar dat was alleen uitstel van executie. Als ze hem een handdoek geeft om zijn voeten af te drogen, begint hij opnieuw: ‘Ik kan mijn voeten niet afdrogen, jij moet dat doen’. En dan is het mama’s beurt: ‘Nee, Joske, dat kun je zelf.’ ‘Nee, ik kan niet tussen mijn tenen met die handdoek.’ Ik kom naar buiten en vertel wat er is gebeurd. We laten hem maar buiten staan tot hij zijn voeten heeft afgedroogd.

We beginnen te eten. Gezellig is anders: al doen we ons best om ‘gewoon’ te doen, we moeten noodgedwongen zijn dwingende gezeur aanhoren. Na een poos zien we de klink naar beneden gaan. Ik vraag: ‘Zijn je voeten afgedroogd?’ De deur gaat weer dicht en het gezeur gaat verder, tot het na een tijdje verstilt: ‘Ik kan niet binnen komen, de deur is op slot’. ‘Heb je je voeten afgedroogd?’ ‘Ja’ ‘Kom dan maar eten.’ ‘Ik kan niet, de deur is op slot.’ Hij wist natuurlijk maar al te goed dat de deur niet op slot was, want hij had ze pas nog op een kier geopend. Als wij het vertikken om hem nog te antwoorden, komt hij eindelijk binnen, en gaat aan tafel zitten. Om zijn eer te redden, kijkt hij ons met een verontwaardigd gezicht aan: ‘Het water was te koud!’ We proesten het bijna uit van het lachen, en - opgelucht als we zijn dat de escalatie is gestopt - gieten we geen nieuwe olie op het vuur. Nu heeft hij ook een punt…

Vele ouders zullen dat soort taferelen wel eens hebben meegemaakt. Het zijn reacties op de niet aflatende stroom van inperkingen die de ouders hun kinderen opleggen. Vooral met de klok heeft Joske veel moeite: tijd om te eten, tijd om naar school te gaan, tijd om te gaan slapen. En dat altijd op het moment dat hij juist nog dit of dat was begonnen. Om te pil te vergulden, verwittig ik hem altijd wat op voorhand dat hij zijn spel moet afmaken en vooral niet aan iets nieuws moet beginnen. Maar de dag is hem altijd te kort en nadat hij eindelijk had aanvaard dat mensen nu eenmaal moeten slapen, begon hij elke morgen vroeg op te staan om nog ‘van alles’ te kunnen doen voor hij naar school moest…

In dit opstel willen ik het niet hebben over de manier waarop je op het moment zelf moet reageren op dergelijke krachtmetingen. Wel wil ik dieper ingaan op de vraag hoe het komt dat Joske juist vandaag zo onredelijk reageert op de vraag om te komen eten. Al kan hij bij gelegenheid een echte ‘steenezel’ zijn, het is niet zijn gewoonte. Wel pruttelt hij soms wat tegen of laat hij zich nog een keer roepen, maar vandaag liep het dus mis. Hoe komt dat?

Als we ’s avonds nog eens op dit voorval terugkomen, valt het ons op dat hij de laatste dagen wel vaker van die onredelijke koppigheidsaanvallen heeft. De oorzaak moet dus niet gezocht in de concrete aanleidingen. En dan herinneren we ons dat hij de vorige nacht plots op zijn mama had geroepen na het ontwaken uit een droom. Voor hem is dat is heel ongewoon. Hij slaapt al lange tijd helemaal alleen beneden in zijn kamertje, is helemaal niet bang van het donker, en nachtmerries zijn hoogst zeldzaam. Hij is trouwens een paar dagen geleden naar boven verhuisd, naar zijn nieuwe slaapkamer tegenover die van ons. Dat hij nu dichter bij ons ligt, maakt zijn nachtelijke angst alleen maar opvallender.

Maar we herinneren ons ook dat hij nu ’s morgens bij ons aan bed komt staan in plaats van meteen te gaan spelen in de living, zoals vroeger zijn gewoonte was. Nu hij boven slaapt, krijgt hij pas goed door dat zijn zusje bij ons in bed ligt, terwijl hij alleen slaapt. Niet dat hij dat niet wist: het is al zo van bij de geboorte van zijn zus. Maar dat was nog niet echt tot hem doorgedrongen. Vroeger kwamen wij ’s ochtends altijd naar beneden met zijn zus op de arm, en wij verwelkomden hem in de living waar hij al aan het spelen was. Wat er zich boven afspeelde viel dus buiten zijn ervaringsveld. Als hij nu wakker wordt, is hij getuige van het gebeuren in de ouderlijke slaapkamer: hoe Betje wakker wordt, haar eerste borst krijgt en daarna nog wat met ons speelt in bed. En dat is natuurlijk een heel nieuwe ervaring, die zijn gevoel van uitgesloten te zijn aanwakkert. Maar die ervaring was niet goed doorgedrongen, noch bij hem, noch bij ons: ze was een neveneffect bij de verhuizing zelf, waar alle aandacht naar was uitgegaan. Vandaar dat de reactie pas ’s nachts kwam: wakker worden en op mama roepen. Het is de aloude reactie van kinderen die de ouders bij hen in bed willen krijgen of zelf in het bed van de ouders willen gaan liggen.

Eenmaal het probleem tot ons doorgedrongen, lag de oplossing voor de hand. Als Betje wakker werd, zou ik voortaan af en toe eens naar Joskes kamer gaan en lekker bij hem in bedje kruipen. Mama bij de zus, papa bij de broer: dat zou een eerlijker verdeling zijn. Als ik dat de volgende morgen deed, voelde hij zich de koning te rijk. Hij nestelde zich heerlijk in mijn schoot en liet zich eens lekker knuffelen. Als het tijd was om op te staan, huppelde hij welgezind de trap af…

En van koppigheid was de volgende dagen niets meer te merken. Hij was integendeel heel beminnelijk. En vooral: veel verdraagzamer tegenover zijn zus. Ze mocht in de zandbak zowaar in de buurt van zijn bouwsels komen zonder meteen te worden afgesnauwd.

Als ik ’s avonds nog eens op zijn gedrag van gisteren terugkom, voelt hij zich wat verveeld. Ik zeg dat hij zo’n lief jongetje kan zijn, en dat hij moet proberen om ‘die steenezel in hem’ maar op stal te laten staan. Hij komt heel dicht bij mij zitten en we zoeken in het verhalenboek de plaats waar we gisteren waren gebleven.

Zo zie je maar dat ‘koppigheid’ niet zomaar een verschijnsel is eigen aan een bepaalde leeftijd, een hebbelijkheid die wel vanzelf zal verdwijnen. En evenmin is het een slechte karaktertrek die van een of andere ouder of voorouder is gerfd. Zeker, het ene kind wordt geboren met de glimlach en het andere met de pruillip. Maar, al heeft Joske meer dan andere kinderen de neiging om zich koppig en verongelijkt terug te trekken, dat moet alleen maar een aansporing zijn om des te meer de verharding van deze neiging tot durende karaktertrek tegen te gaan. Door steeds opnieuw op zoek te gaan naar de vaak onvermoede oorzaken ervan…

Stefan Beyst, mei 2002





Reacties:
beyst.stefan@gmail.com






zie ook: stefan beyst over liefde: 'de extasen van eros'



Op de hoogte blijven van nieuwe teksten: mailinglist



zoek op deze site

powered by FreeFind