home over kunst over kunstenaars besprekingen info/contact


DE PAPEGAAI.

Of: de eerste woordenvloed



Eindelijk is het zo ver: Betjes* tongriem is los! Maandenlang had Betje als het ware ter plaatse getrappeld. Ze leerde wel telkens nieuwe woordjes, maar gebruikte die slechts een paar maal. Afgezien van enkele vaste verworvenheden zoals ‘mama’ ‘dada’ ‘daj’ (voor dank u) en ‘paar(d)’, bleef ze zich vooral behelpen met gebarentaal. Maar sedert een paar dagen zijn we getuigen van een ware revolutie. Al de woordjes die we haar voorzeggen, zegt ze prompt na. Met als gevolg dat haar woordenschat zienderogen uitbreidt, en dat alle woordjes die ze de laatste maanden af en toe eens had uitgesproken om ze daarna weer op te bergen, allemaal in omloop komen. Na een eerste staalname over twee dagen, kon ik al een zestigtal woorden noteren, en elke dag komen er nieuwe bij. Het schaapje van enkele maanden geleden, dat de hele dag ‘m’ mekkerde, is veranderd in een papagaai die gretig elk woord napraat dat hij oppikt!

Het merkwaardigste is dat Betje al die woorden meteen goed uitspreekt. Analyse van het staal toonde aan dat ze vrij goed het onderscheid maakt tussen klinkers, en dat ze van de medeklinkers alleen de ‘t’, de ‘l’ en de ‘s’ niet kan uitspreken. Ook valt het haar moeilijk om een woord uit te spreken dat begint met een klinker: al haar woordjes zijn van het type: medeklinker / klinker (/medeklinker). Ze omzeilt de klip door met de medeklinker te beginnen: zo zegt ze ‘pa’ voor appel of ‘paa’ voor schaap. Als twee lettergrepen haar niet in de mond liggen, laat ze er gewoon een weg: zo worden opa en oma ‘pa’ en ‘ma’. Maar andere combinaties van lettergrepen kan ze moeiteloos aan: vaak zegt (en zei) ze soms een woord van twee of drie lettergrepen. Zo noemde ze ‘tandpasta’ eens ‘tptpte’ en paprika ‘patipa’.

Bij de meeste kinderen gaat aan de fase van woorden met meerdere lettergrepen een fase van ‘verdubbeling’ vooraf: zoals bij ‘papa’ en ‘mama’. Maar van zo’n fase was bij Betje nooit iets te merken. Zelfs bij woorden die daartoe uitnodigen, zoals ‘pompoen’ zegt ze niet ‘pompom’. Ze probeert ‘pompoen’ te zeggen, en als haar dat niet lukt, houdt ze het bij ‘pom’. Alleen bij woorden die van nature uit een herhaling bestaan, gunt ze zichzelf de lust die bij het herhalen van lettergrepen hoort. Zo zegt ze met zichtbaar plezier graag: jaja! - en natuurlijk ook 'papa' en 'mama'.

Zowel dat goede uitspreken als het weigeren van reduplicaties werpt een nieuw licht op wat haar al die tijd afremde om te spreken: als ze voelt dat ze het niet kan, zegt ze liever niets. Een vroege vorm van faalangst. Ik had al langer de indruk dat hier n van de oorzaken lag van haar ‘vertraagde’ ontwikkeling. Maar slechts geleidelijk stapelde het bewijsmateriaal zich op. Als ze hoorde dat haar ‘tptpte’ niet op ‘tandpasta’ leek en ‘patipa’ niet op paprika, gaf ze het gewoonweg op. Dat verklaart waarom zovele woordjes na hun eerste verschijnen voorgoed verdwenen. Tussenoplossingen waren haar te min. Toen ze ‘pompoen’ niet gezegd kreeg, dacht ik: ik zeg haar ‘pompom’ voor. Maar ze keek mij verbaasd aan van: ‘Wat zegt die daar nu voor geks!’ We stelden het dus eigenlijk verkeerd voor als we hierboven zeiden dat ze de woorden meteen goed uitspreekt. Eerder gebruikt ze alleen di woorden die ze goed kan uitspreken.

Dat blijkt ook uit haar omgang met klanknabootsingen. Terwijl ze voor paard al langer ‘paar’ zegt en voor duif ‘dui(f)’, duidt ze de gans steevast aan met een herhaalde hollandse ‘g’ (de nabootsing van haar dreiggeluid), de auto met een herhaald ‘brrrmm brrrmmm’ en de hond met herhaald hijgen. Al voelt ze al langer aan dat klanknabootsingen tweede keus zijn, als het uitspreken van ‘hond’ of ‘gans’ haar moeilijker viel dan de klanknabootsing, koos ze toch voor de gemakkelijkste oplossing. Aanvankelijk genoten die daarom zelfs haar voorkeur: ze trachtte te hinniken gelijk de paarden, te blaten gelijk het schaap, en te loeien gelijk de koe. Maar als het niet zo makkelijk bleek om het onderscheid aan te geven tussen het loeien van de koe en het hinniken van het paard, ging haar vertrouwen in de klanknabootsing aan het wankelen. Bovendien zijn klanknabootsingen vaak niet te onderscheiden van de overige geluidjes die kinderen voortdurend maken voor de lol. Al te vaak dachten we dat ze gewoon aan het ‘zingen’ was, terwijl ze eigenlijk ‘koe’ aan het zeggen was door te pogen haar loeien na te bootsen. Daarom schakelde ze bij het paard snel over van de klanknabootsing (hinniken en proesten) naar het woord: ‘paar(d)’. Bij de koe kon ze die overgang niet maken: ze kan de ‘k’ nog steeds niet uitspreken. Als ze wou aangeven dat ze naar de koeien wou, deed ze dat dan maar in de haar zeer vertrouwde gebarentaal: door met haar arm terug te wijzen als we er voorbij waren, of door ‘daar’ te zeggen en naar voor te wijzen als ze er naartoe wou. Voor de schapen, die haar de laatste tijd maar matig meer interesseren, probeerde ze eerst woordjes: nu eens ‘(schaa)p’, dan ‘(sch)aa(p)’, dan ‘mm’ (van m). Een tijdlang zei ze ‘paa’ in de plaats van ‘(sch)aap’ – als gevolg van haar problemen om woorden uit te spreken die beginnen met een klinker. Maar dat ‘paa’ begrepen wij dan weer als ‘paard’. Met als gevolg dat ze ook hier, net als bij de koeien, teruggreep op de gebarentaal. Zo komt het dat in Betjes wereld de koe en het schaap nog altijd naamloos zijn.

Maar ook een andere factor speelde een rol. Gisteren was ze in een folder aan het bladeren en ze zei almaar ‘Er!’ ‘Er!’. We zijn het niet gewoon dat ze iets zegt en reageren daarom niet altijd op haar geluidjes: soms denken we dat ze gewoon maar wat aan het frazelen of brabbelen is, of we denken dat ze aan het ‘zingen’ is zoals wanneer ze het loeien van de koe nabootste. Maar Betje bleef maar aandringen ‘Er!’ ‘Er!’. Tot mama merkte dat ze iets wilde zeggen en trachtte te achterhalen wat dat was. Al dadelijk bleek dat ze ‘Ernie’ van de Sesamstraat wilde aanwijzen! Toen haar mama enthousiast ‘Ernie!’ zei, keek ze verrast op, van: ‘Ze begrijpt wat ik wil zeggen’!

Dat zal zich vaker hebben voorgedaan de laatste maanden. Juist omdat ze de woorden ‘goed’ wil uitspreken, en als dat niet kan, dan maar de ‘slechte’ onderdelen’ weglaat of niets zei, is ze vaak moeilijk te begrijpen, zodat wij haar inspanningen – als we zal opmerkten tussen haar solistische brabbelen - te weinig beloonden door erop te reageren. Het toenemende succes van haar woordgebruik maakt overigens dat ze hoe langer hoe toleranter wordt tegenover haar eigen onvermogen. Ze krijgt zelfs ‘dada’ over haar lippen als ze ‘kaka’ wil zeggen.

En het is ten slotte ook haar ongelooflijke vaardigheid om zich niet-verbaal uit te drukken die haar toeliet om deze ‘koppige’ faalangst bij het spreken vol te houden. Terwijl ze bij de verovering van de verbale taal lange tijd ter plaatse trappelde, ging ze bij de verovering van de gebarentaal met rasse schreden vooruit. Ze werd er zelfs een ware virtuoos in. Hoezeer de gebarentaal in haar ontwikkeling een compenserende rol heeft gespeeld, blijkt uit het feit dat haar gebarentaal nu even snel achteruit gaat als haar spreken vooruit gaat. Sedert ze ‘pa(k)’ kan zeggen komt ze niet meer tegen ons leunen met opgeheven armen als ze opgepakt wil worden. Sedert ze ‘titi’ kan zeggen, tikt ze niet meer driemaal met de wijsvinger op mama’s borstbeen, zoals ze vroeger placht te doen. Alleen op emotioneel geladen moment grijpt ze terug naar haar oude gewoontes. Toen ik haar gisteren met aandrang iets verbood ging ze voor het verbodene staan, met haar armpje opgeheven en haar vingertje van links naar rechts heen-en-weer bewegend - stilzwijgend.

Zo zie je maar dat ook al heel kleine kinderen te kampen kunnen hebben met faalangst. En dat het niet altijd makkelijk is om de werkelijke oorzaken van een ‘probleem’ te achterhalen. De factor die we in ‘Het schaapje’ verantwoordelijk achtten voor haar ‘vertraagde’ ontwikkeling – haar , heeft alleen maar een tijdelijke rol gespeeld. Overigens is het mij een raadsel waarom de doorbraak juist nu plaatsvindt.

Intussen genieten wij, maar vooral Betje van de nieuwe vorm van communicatie. Telkens opnieuw is ze verbaasd als ze merkt wat ze met woorden kan bewerken en dat ze alles wat ze ziet met een woord kan verdubbelen. Elk nieuw succes is een aansporing om nog beter te spreken en nog meer woordjes te leren. Het is nu met spanning wachten op de volgende fase: de eerste tweewoordzinnetjes staan er aan te komen!

Stefan Beyst, oktober 2002

* 19 maanden.


Reacties: beyst.stefan@gmail.com







zie ook: stefan beyst over liefde: 'de extasen van eros'



Op de hoogte blijven van nieuwe teksten: mailinglist


zoek op deze site

powered by FreeFind