DE BEER
Of: Hoe een pasgeboren vader tot man wordt verkort
Na de geboorte van Betje is Joske zijn wereld helemaal aan het
herstructureren. We beschreven reeds zijn wending naar de mannelijkheid
(‘De robot. Of: hoe je man wordt’). Die wordt aangevuld door een
herschikking van zijn relaties. Nu zijn bevoorrechte plaats bij zijn
moeder is ingenomen door Betje, tracht hij een nieuwe plaats te veroveren
bij zijn vader. Maar, vermits hij nu een echte man is geworden, is
dezelfde vader door wie hij gekoesterd wil worden ook zijn voorbeeld.
Als echte man moet hij niet alleen zelf vader zijn, maar ook nog een
vrouw hebben die de moeder is van zijn kinderen. En dat levert zo zijn
problemen op voor een jongen van vijf jaar…
De gehele ontwikkeling wordt merkbaar in de veranderende rol die
‘Beeke’ begint te spelen, een beertje dat zijn grote halfzus op
straat had gevonden en hem cadeau had gedaan. Beeke fungeerde van
oudsher als zijn alter ego, dat hij alle gunsten liet wedervaren die
zijn moeder hem naar zijn smaak onthield.
Sinds de geboorte van Betje begint het een andere rol spelen. Zo moest ik
er onlangs een huis voor maken, uit een kartonnen doos. Eerst dacht ik:
hij speelt dat hij groot is en bijgevolg de ouderlijke woonst moet
verlaten om te verhuizen naar een eigen huis. Maar Beeke was blijkbaar
niet langer zijn alter ego, maar zijn kindje. Hijzelf speelde in het
spel de rol van vader. Een paar dagen later moest ik een wiegje maken,
waarin vader Joske met veel toewijding Beeke neerlegde en toedekte. En
de volgende dag was hijzelf aan de slag gegaan: hij was –naar het
voorbeeld van zijn oma - kleedjes aan het naaien voor Beeke. Het ging
hem niet goed af en mama heeft hem dan maar wat geholpen.
Een paar dagen geleden had hij in mijn werkkamer een ‘Stonehenge’
gemaakt met blokken. Er waren twee ringen. In de binnenste ring lag
Beeke, en in de buitenste ring stond, als een mythische wachter, een
indrukwekkende eekhoorn opgesteld, uit blokken gemaakt. Die moest Beeke
beschermen. Ik was zo onder de indruk van zijn zoveelste mooie
kunstwerk, dat ik nauwelijks aandacht besteedde aan de ‘Stonehenge’.
Die had hij al vaker gemaakt met blokken of melkdozen.
De volgende dag was hij in mijn werkkamer een heel nieuwe
‘Stonehenge’ aan het bouwen. De binnenste ring was vervangen door
een kring met poorten, ‘zoals in de echte Stonehenge’. In het midden
lag Beeke, met zijn armen opengespreid – ik moest meteen denken aan
het Kerstkind in de kribbe. Van de eekhoorn was ditmaal geen spoor te
bekennen. Ik vroeg hem waarom er zoveel poorten stonden, maar dat wou
hij niet vertellen. Ik drong aan. Tevergeefs: hij zou me het geheim pas
onthullen als ik eerst een zetel voor Beeke had gemaakt ‘met leuningen
aan’.
Er was een merkwaardige gedrevenheid in hem gevaren. Onder geen beding
mocht mama de ‘Stonehenge’ zien. Toen ze niets vermoedend toch
binnenkwam, begon hij bijna te wenen. Ik moest dadelijk een houten plaat
halen om het geheel met een deken te kunnen afdekken.
Hij ging meteen buiten fietsen. ‘Kijk eens hoe goed ik op twee wielen
kan rijden!’ ‘Hoezo, dat doe je toch al lang?’ ‘Ja, maar nu
fiets ik op grote wielen!’ Hij is zijn eerste kinderfietsje ontgroeid
en we hebben hem een grotere fiets opgekalefaterd. Waarmee hij nu
rondjes reed op de koer, zichtbaar trots over zijn kunnen. Maar ik zag
aan zijn doen dat hij weg wou. Hij was dadelijk enthousiast toen ik hem
voorstelde om te gaan fietsen. Hij vroeg waar we naartoe gingen en ik
zei dat hij zelf mocht kiezen. Hij reed meteen richting oma. Die hem de
eerste kleedjes voor Beeke had gemaakt, toen hij onlangs voor een
nachtje ernaartoe was ‘verhuisd’ ….
Langzamerhand begon het mij te dagen: papa Joske was op zoek naar een
echte vrouw die de moeder kon zijn van Beeke. Zijn echte mama kwam niet
in aanmerking, want die zorgt al voor zijn kleine zus. Hij dacht
klaarblijkelijk aan oma. Maar ook aan zijn halfzus: in het levensverhaal
van Beeke, dat hij me onlangs dicteerde, vertelde hij met veel nadruk
dat Beeke was ‘gevonden’ door zijn halfzus, en dat die hem van haar
had ‘gekregen’.
Die avond, bij het voorlezen, moest Beeke mee komen luisteren. Vader
Joske had van zijn mama een dekentje gekregen dat te klein was voor zijn
zusje Betje. Hij wikkelde Beeke erin, legde hem in de wieg die ik had
gemaakt en stelde het geheel naast ons op in bed. Om te weten of hij
zich wel degelijk papa voelde (en geen mama zoals wanneer hij vroeger
met Beeke speelde), zei ik: ‘Wat bij jij een lieve mama!’ Hij
verontwaardigd: ‘Nee, ik ben de papa. En jij bent de opa!’ Wat
alweer de vraag deed rijzen wie dan wel de mama zou mogen wezen….
Die aap kwam uit de mouw toen ik papa Joske toedekte om slapen te gaan.
Hij vertelde mij dat Beeke een zusje had: konijn. Ik vroeg hem wie de
mama was: ‘Apie natuurlijk!’ Apie is een blauw aapje met heel lange
armen, waarvan de handjes kunnen worden samengevouwen door klittenband:
een ware moeder met koesterende armen. Hij knoopt die armen vaak rond
zijn nek, zodat zijn ‘moeder’ hem overal omarmt. Hij was zich
blijkbaar een dierenwereld aan het fabriceren. Nu pas begreep ik wie de
eekhoorn was! Ik testte mijn vermoeden: ‘En wie is de papa?’ Zonder
aarzelen kwam het antwoord: ‘Eekhoorn!’
Joske leeft niet langer in één wereld, maar in twee werelden,
waartussen hij heen en weer pendelt. In de eerste wereld spelen reële
personen een rol. Hij is de vader van Beeke, ik ben de opa, en mama is
de oma. Maar in deze echte wereld is een echt kindje een probleem -
daarom is het vervangen door een beertje – evenals een echte vrouw die
moeder van zijn kind zou zijn. Zijn mama heeft immers mij (en Betje)
boven hem verkozen. Kort na de geboorte had hij wel het plan opgevat om
met Betje te trouwen, maar aangezien die zelf nog aan de borst hangt, kan
ze moeilijk als moeder van Beeke dienst doen. De twee resterende
alternatieven zijn: zijn halfzus die het beertje ‘gevonden’ heeft
– dat ‘vinden’ bespaart hem de bevruchting - en oma, naar wie hij
vaak mag ‘verhuizen’ en die de eerste kleedjes voor Beeke heeft
genaaid. Maar in het echte leven hebben die al een man. Tot overmaat van
ramp ‘heeft oma geen melk meer’. En ook dat met die bevruchting
blijft een probleem…
Een oplossing is op te gaan in een tweede, imaginaire wereld. Zijn echte
mama moet hem de laatste tijd almaar het liedje van mijnheer de uil
voorzingen: ‘Want dieren zijn precies als mensen, met dezelfde
mensenwensen en dezelfde mensenstreken….. ‘ In deze dierenwereld
zijn alle problemen opgelost. Niet hij, maar Eekhoorn is hier de papa
(zoals in de eerste Stonehenge), Apie de mama, Beeke het kindje, konijn
het zusje.
Deze interpretatie verklaart waarom het gebeuren in de tweede Stonehenge
voor zijn moeder verborgen moest blijven: zij mocht niet weten dat hij
haar als volwaardige man in de echte wereld ontrouw moet worden door op
zoek te gaan naar een moeder voor zijn kind…
Maar de kleine jongen die vader wil worden, moet noodgedwongen
vaststellen dat hij daarvoor nog niet mans genoeg is: dat hij
onvruchtbaar is - ‘gecastreerd’ - en dat de geschikte partners
overigens aan anderen de voorkeur geven. Pas dit inzicht maakt dat het
kind zich naast de echte ook nog een tweede imaginaire wereld begint te
scheppen. Het is immers fout om te denken dat het kind van meet af aan
in een fantasiewereld leeft en slechts stap voor stap de werkelijke
wereld ontdekt. Het omgekeerde is waar. Het kind leeft van meet af aan
als reëel wezen in een reële wereld. Maar het leert slechts stukje bij
beetje hoe die echte wereld in elkaar zit. Aanvankelijk lijkt er geen
vuiltje aan de lucht. Een baby die de vinger in de mond van zijn moeder
steekt is – in zijn eigen ogen – een echte ‘moeder’ die haar
echte ‘kind’ voedt: de rollen zijn perfect omwisselbaar. Slechts
geleidelijk wordt duidelijk dat moeder en kind niet elkaars spiegelbeeld
zijn, maar dat de ene uitsluitend ‘moeder’ is en de andere
uitsluitend ‘kind’. Na het inzicht in het verschil tussen volwassene
en kind komt het inzicht in de geslachtelijkheid. Het blijkt dat de
ouders geen twee ‘ouders’ zijn, maar een ‘vader’ en een
‘moeder’ die niet alleen het ‘kind’ maar ook elkaar
‘voeden’. Vervolgens leert het kind dat vader en moeder elkaar niet
alleen ‘voeden’ maar ook samenwerken en kindjes maken. En precies
dat kindjes maken blijkt de sleutel te zijn om de spiegelrelatie met de
ouders – de omkering van verhouding tussen ouder en kind - te
herstellen. Maar de vruchtbaarheid onthult ook dat er iets als tijd
bestaat : geboorte en dood met daartussen ‘groei’ en ‘rijping’.
Het kind zal pas het evenbeeld van zijn ouders worden als het groot is
geworden en vader of moeder. Pas als het kind met de vruchtbaarheid ook
de tijd als opeenvolging van de generaties heeft ontdekt, is het
neergedaald in een werkelijkheid, waarin het in afwachting van de
volwassenheid onbevredigend is om te leven. De eerste structurele wens
is geboren en daarmee ook een echte imaginaire wereld, die de werkelijke
ontkent.
Na zijn spaaklopende pogingen om te worden gelijk zijn vader, begint ook
Joske zich in een fantasiewereld terug te trekken. De volgende dag maak
ik hem de beloofde ‘zetel met leuning’. De zetel voor Beeke blijkt
al dadelijk een troon te zijn. Op een troon zit …een koning. Ik moet
er dan ook nog een tweede maken ….voor de koningin. En wie gaat daarop
plaatsnemen: Apie! In deze imaginaire wereld speelt de reële Joske niet
langer mee: hij is opgegaan in Beeke. Beeke op zijn beurt is niet langer
het kindje, maar de koning. Exit Eekhoorn: na de echte papa Joske
verdwijnt nu ook de imaginaire vader van het toneel. En Apie, die ten
tijde van Eekhoorn nog de moeder van Beeke was, is plots gewoon maar een
vrouw geworden, zij het dan een bijzondere: de koningin van de koning!
Nu ik de belofte om een ‘zetel’ te maken had ingelost, werd mij het
geheim van de poorten onthuld. In de echte Stonehenge stonden daar
mensen onder ‘die baden, want daarin woonden goden’. Ver van het
ontnuchterende gebeuren in de echte huiskamer: de troon in het paleis en
het altaar in de tempel. In deze heilige plaatsen is het onoverkomelijke
probleem van de uitgestelde weerspiegeling opgelost door een grandioze
verdichting: het kind is man geworden en zijn moeder vrouw. Geen
kinderen – geen problemen rond de vruchtbaarheid - verstoren de vrede
van dit goddelijke koningspaar…..
En zo’n mystiek huwelijk vraagt toch om een feest! Joske kondigt aan
dat Beeke en Apie gaan ‘verhuizen’! Ik moet een zaal maken om de
tronen in op te stellen. Ik wou echter gaan werken, en zei dat hij zelf
maar iets moest verzinnen. Als ik later kom kijken, heeft hij de
onderste helft van zijn stapelbed omgetoverd tot paleis. Vorstelijk
zetelen Beeke en Apie in de troonzaal. Het is er feest: alle dieren zijn
opgetrommeld en iedereen moet cadeautjes brengen. Eekhoorn zit er wat
verloren bij, helemaal op het uiteinde van een rijtje andere dieren, die
er voor de gelegenheid werden bijgehaald…
Als schijnbare tegenhanger van het mystieke gebeuren in de slaapkamer
duiken in de werkkamer nieuwe technologische schimmen op. Joske heeft
een nieuwe robot gemaakt, een met drie ‘zonen’. Van een kanon tussen
de benen is geen spoor meer te bekennen, en in de wijde omtrek valt geen
vrouw meer te bespeuren. De charme van een fantasiewereld heeft zo zijn
prijs….
De enthousiaste nederdaling van het kind in de realiteit stuit dus op de
rots van de onvruchtbaarheid. Het is de vraag hoe we – in afwachting
van de puberteit - het denken van het kind en het handelen dat daaruit
voortspruit, kunnen behoeden voor de mystieke en technologische weerbots
van deze val. Meer daarover een volgende keer …
© Stefan Beyst, augustus 2001

Reacties:
beyst.stefan@gmail.com
zie ook:
stefan beyst
over liefde: 'De extasen van eros'
Op
de hoogte blijven van nieuwe teksten: mailinglist
|