het beeld: mimesis herbekeken
deel V: de wisselwerking tussen verschijning en mimetisch medium

hoofdstuk 6: bij menging van onmiddellijk en middellijke beeld



HET CONFLICT TUSSEN MEDIUM EN VERSCHIJNING BIJ MENGING VAN ONMIDDELLIJKE EN MIDDELLIJKE MIMESIS

De autonomie of heteronomie van de samenstellende elementen laten we hier buiten beschouwing: die is al besproken in vorige delen. Hier moeten we ons concentreren op wat autonoom of heteroom is aan de combinatie als zodanig. Daarvan kan sprake zijn op twee domeinen:

1. Op vlak van de combinatie tussen waargenomen en voorgestelde verschijning:

Er is om te beginnen de verhouding tussen het gecombineerde mimetisch medium en de verschijning als zodanig. Om heteronoom te zijn zou ook de verschijning een combinatie moeten zijn van waarneming en voorstelling. Dat is het geval bij elk lyrisch gedicht waar de spreker voorstellingen oproept, zoals in 'Je me souviens/des jours anciens/ et je pleure (Verlaine). De weergave daarvan in een auditief beeld van het uitspreken van voorstellingopwekkende woorden is heteronoom. Autonoom daarentegen is de weergave in Brechts 'Das kleine Haus unter Bšume am See. Vom Dach steigt Rauch. Fehlte er, wie trostlos dann wšren Bšume, Haus, und See'. In dat gedicht wordt eerst de voorstelling opgeroepen van wat het lyrisch subject waarneemt, en daarna de bijbehorende, luidop uitgesproken gedachte. Vermits wat in het echt een waarneming is in het beeld een voorstelling is, is dit beeld autonoom. Heteronoom zou een visueel onmiddellijk beeld zijn van het huis onder de bomen in combinatie met het een auditief beeld van het luidop denken. Heteronomie zou kunnen worden bereikt door het origineel aan te passen - door de waarneming van het huis door een herinnering te vervangen.

Bijzondere aandacht moet hier uitgaan naar voorstellingopwekkende auditieve beelden. Standaardvoorbelden zijn hier de vogelzang die het visuele beeld van de vogel oproept, of dansmuziek die wordt opgevoerd in afwezigheid van dansers. De muziek zelf kan dan worden beschouwd als een auditief beeld van de audiovisuele dansers dat tegelijk voorstellingopwekkend teken is voor de visuele voorstelling ervan ( zie III, 8 en 9). Dat geldt ook voor alle bewegingopwekkende muziek die meteen is bedoeld om voorgestelde - en dus afwezige - bewegende fenomenen op te roepen: ook deze muziek kunnen we beschouwen als de auditieve nabootsing van (veelal gemuzikaliseerde) audiovisuele verschijningen waarvan het onmiddellijke auditieve beeld het voorgestelde visuele beeld oproept (exemplarisch in de golven van Liszt).

Er is vervolgens de heteronomie of autonomie van de onderdelen. Pas als beide onderdelen heteronoom zijn, is de combinatie heteronoom.
De combinatie is autonoom als ťťn of beide onderdelen autonoom zijn. Aangezien voorstellingen mediumloos zijn, bestaat hier alleen de mogelijkheid dat het onmiddelijke beeld autonoom is. Van autonomie is er sprake bij de combinatie tussen onveranderlijke visuele verschijning en veranderlijke auditieve voorstelling in het Laatste avondmaal van da Vinci. Idem bij de voorstellingen die Michelangelo's Mozes ziet: het marmerem beeld van de Mozes is onveranderlijk, de visuele voorstelling van de dans rond het gouden kalf is veranderlijk. Pseudoheteronomie kan hier worden bereikt door aanpassen van de verschijning: als de onmiddellijke verschijning de verschijning is van een onveranderlijk origineel zoals wanneer we de Mozes zouden doen verstarren.

Ten slotte is er een hiŽrarchie tussen waargenomen en voorgestelde verschijning. Door de combinatie met waarneming wordt de voorstelling telkens ontkracht, zodat ze als zwakker wordt ervaren dan de waargenomen verschijning. Zo worden in een stripverhaal de centrale audiovisuele verschijningen onmiddellijk weergegeven, terwijl de perifere naar de voorstelling worden verwezen. Ook in de verhalende modus wordt alles gecentreerd rond de monologen of dialogen. Vermits in de werkelijke wereld niet altijd de audiovisuele of auditieve verschijning het belangrijkste zintuiglijke domein is, gaat het hier om mimetische media die autonoom zijn qua dragend zintuiglijk domein. De autonomie kan worden opgeheven door aanpassing van de verschijning; selecteren van de audiovisuele (stripverhaal) of auditieve (roman) dimensie als de 'dragende'dimensie.


2. Op vlak van de combinatie van waargenomen verschijning en waargenomen teken.

Nadat we de combinatie van waargenomen en voorgestelde verschijning hebben bestudeerd, moet onze aandacht nu uitgaan naar de combinatie in de waargenomen dimensie van onmiddellijk beeld en eveneens waarneembaar voorstellingopwekkend (en/of voorstellingopwekkend) teken.

Er is in de eerste plaats het conflict tussen het onmiddellijke beeld dat moet worden waargenomen, en de voorstellingopwekkende tekens, die slechts moeten worden waargenomen om voorstellingen op te wekken, en die dus eigenlijk uit het beeld zouden moeten verdwijnen.

Bij de combinatie van gesproken woord en auditieve nabootsing kan de principiŽle autonomie van de bewegingopwekkende woorden worden verdoezeld als ook het waargenomen beeld een monoloog of dialoog is, en dus ook uit woorden bestaat. Dat geldt al voor het verhaal. Bij het lied wordt de gelijkgeschakeling versterkt doordat de woorden kunnen worden gezongen op dezelfde melodie en hetzelfde ritme. De vraag is hier of we van ehte pseudoheteronomie moeten spreken, en niet veeleer van verdoezeling van de autonomie.

Bij combinatie van gesproken woord met visueel beeld kan pseudoheteronie worden gerealiseerd door het gesproken woord op te wekken door uitvoeringopwekkende tekens (geschreven tekst), die als visuele configuraties kunnen worden gecombineerd met het visuele beeld (en evenvtueel met door letters opgeroepen verbaal beeld), zoals in het stripverhaal. Die visualisering laat ook toe het conflict te verdoezelen tussen de stilstaande verschijning en het in de tijd verlopende vertellen: doordat de letters onbeweeglijk lijken, ontstaat pseudoheteronomie met het stilstaande beeld.

In alle gevallen blijft het gesproken woord een vreemd element ten overstaan van zowel waargenomen als voorgesteld beeld. Die autonomie kan alleen worden weggewerkt door over de woorden heen te horen, en het bewustzijn te concentreren op de verschijningen die ertoe doen. Bij combinatie met audiovisueel beeld (theater, opera, rollenspel van kinderen) wordt dat bemoeilijkt doordat in de auditieve dimensie zowel nabootsend als voorstellingopwekkend woord voorkomen. Bij combinatie met het visuele beeld (verteller bij prenten, zoals op de kermis vroeger) wordt dat vergemakkelijkt doordat het vertellen zich afspeelt in de auditieve dimensie en het waarnemen van het beeld in de visuele. Bij gebruik van uitvoeringopwekkend schrift kan het over de letters heen kijken worden vergemakkelijkt door de tekst onderaan in apart vlak 'buiten beeld' aan te brengen.


HET EFFECT VAN AUTONOME MEDIA OP HET ORIGINEEL

Vermits de neiging bestaat om de voorstellingopwekkende tekens over het hoofd te zien, of ze pseudoheteronoom te laten opgaan in het waargenomen beeld, ontstaat hier geen echte wisselwerking tussen autonome lectuur en heteronome. De waarneming van het verdonkeremaande mimetische medium oefent niettemin een grote invloed uit op de verschijning in haar geheel.

Als een auditief beeld (monoloog of dialoog) wordt gecombineerd met een gesproken verhaal, zoals wanneer een verteller een verhaal vertelt met monologen of dialogen (of dito lied of oratorium), dan lijkt het niet alleen alsof we uitsluitend met een onmiddellijke auditief beeld hebben te maken, maar krijgt dit auditief beeld precies omdat het telkens uit een voorgestelde achtergrond opduikt, extra hoorbaar te zijn vanwege het contrast. Het effect is eerder omgekeerd als het verhaal wordt gelezen. De monologen en dialogen worden dan in stilte uitgesproken en lijken dan voorstellingen te zijn onder de talrijke andere - ze worden als het ware minder hoorbaar.

Als bij een visueel beeld een narratieve tekst wordt voorgedragen of geschreven, lijkt de visuele verschijning de centrale dimensie: de wereld van de voorstellingen lijkt slechts een instrumenteel omhulsel dat de beelden met elkaar verbindt (of aanvult), en dat we bij al ons kijken niet eens meer horen. Daarom lijkt dit gemengd medium een monosensorieel visueel ('beeldend') medium te zijn.

Bij combinatie van een audiovisuele verteller met audiovisuele beelden (acteur), zoals in het theater of in de opera, lijkt het wel alsof we ons bevinden in een puur waarneembare, audiovisuele wereld, waarin niet alleen de voorstellingen over het hoofd worden gezien, maar ook nog de woorden van de verteller zijn opgelost. Nergens blijkt dat duidelijker dan tijdens Isoldes Liebstod: we hebben de indruk toe te kijken op de audiovisueel gebeuren, terwijl we in feite een combinatie horen van verbale en auditieve voorstellingopwekkende tekens, die een audiovisuele voorstelling van de hemelvaart van Tristan oproepen ...

Al deze voorbeelden leren meteen hoe tegendraads de combinatie van voorstelling en waarneming wel is, en hoe sterk de neiging om over te gaan tot ofwel uitsluitende waarneming, ofwel uitsluitende voorstelling.

 
 
ontdek
mijn nieuwe e-boek:


zelfomslag

het zelfbeeld
tussen spiegel en dagboek