het beeld: mimesis herbekeken
deel V: de wisselwerking tussen verschijning en mimetisch medium

hoofdstuk 5: in het middellijke beeld



INLEIDING

Bij middellijke mimesis is het mimetisch medium als zintuiglijk waarneembaar gegeven én veel tastbaarder dan én erg verschillend van de voorstellingen die het oproept. Het lijkt dus het autonoom medium bij uitstek. Toch loont het de moeite om te onderzoeken in hoeverre er ook hier sprake kan zijn van heteronomie, in hoeverre de verschijning zich aanpast aan het mimetisch medium zodat er pseudoheteronomie ontstaat, en in hoeverre er wisselwerking kan zijn tussen autonoom medium en (het beeld als) verschijning.

Vermits het hier gaat om middellijke en niet om onmiddellijke mimesis, houdt heteronomie van het mimetisch medium hier geen zintuiglijke gelijkenis in, maar integendeel het vermogen om transparant te worden - om bij de waarneming volkomen over het hoofd te worden gezien. Heteronoom zouden voorstellingopwekkende tekens zijn die onwaarneembaar zijn én in één oogwenk een volledige multisensoriële werkelijkheid zouden kunnen oproepen in al haar zintuiglijke dimensies, en in al haar parameters per zintuiglijk domein - zoals bij telepathie. Dat is - in afwachting van opwekken van voorstellingen via elektroden in de hersenen - onmogelijk. Alleen de mediumdragers zouden dan waarneembaar blijven.

Van de niet-verbale voorstellingopwekkende tekens moeten we hier alleen de tekens behandelen die, net zoals woorden, een louter willekeurige - niet-gemotiveerde, zie VIII, 4 - onderhouden met de opgeroepen voorstelling. En daar geldt hetzelfde voor als voor verbale, zodat we ze hier niet afzonderlijk moeten behandelen.


PARAGRAAF EEN: VERBALE VOORSTELLINGOPWEKKENDE TEKENS

Laten we eerst wijzen op enkele bijzondere eigenschappen van verbale middellijke mimesis.


DE ALOMTEGENWOORDIGE WAARNEMER

Om te beginnen verschilt de wereld van het verhaal aanzienlijk van de werkelijke wereld: terwijl we in de audiovisuele wereld alleen maar horen en zien, is de wereld van de opgeroepen voorstellingen idealiter een wereld die alle domeinen van het zintuiglijke waarneming bestrijkt, inclusief de innerlijke waarneming, niet alleen die van de verteller, maar ook die van alle mogelijke actoren, en wel niet achtereenvolgens, maar simultaan, We zien Hans Castorp in de sneeuwstorm niet alleen tegen een ondergesneeuwde hut leunen, we voelen met hem de kou, we horen hem denken en zien hem dromen. Het inzicht dat we ons bevinden in een zintuiglijke wereld die meerdimensionaal is en intersubjectief, wordt bemoeilijkt doordat, zoals hieronder nog uitvoerig wordt besproken, de zintuiglijke domeinen in het mimetisch medium achtereenvolgens worden doorlopen.



DE TIJD VAN HET TONEN OF OPROEPEN, EN DE TIJD VAN DE VERSCHIJNING

Vervolgens is het van belang te wijzen op de verschillen tussen de temporele eigenschappen van de oproepende woorden en die van de opgeroepen verschijningen. Daarbij moeten we duidelijk onderscheid maken tussen de tijd van het tonen of oproepen, en de tijd van de verschijning.

Bij onmiddellijke mimesis vallen de tijd van het tonen en de tijd van het verschijnen noodzakelijkerwijze samen. Men zal opwerpen dat er zoiets bestaat als versnelde of vertraagde opnames. Maar de versnelling of de vertraging is er alleen maar ten opzichte van het origineel in de werkelijkheid: het origineel is evenmin 'vertraagd' of 'versneld' als dat de Mona Lisa 'geïmmobiliseerd' zou zijn. In theater en film vallen de tijdsduur én de snelheid van het tijdsverloop van elk afzonderlijk enkelvoudige verschijning dus samen met de duur van het tonen. (Pas op het niveau van de relatie met de noumenale tijd kan er sprake zijn van afwijkingen, met name van analepsis of prolepsis, zie verder).

Bij middellijke mimesis liggen de verhoudingen anders. Het duurt immers een tijd vooraleer de woorden zijn uitgesproken die een bepaalde voorstelling oproepen. Bovendien kunnen vele verschijningen niet zomaar in één korte zin worden opgeroepen: er zijn meerdere (onderdelen van) zinnen nodig om de deelverschijningen op te roepen die met zijn alle een enkelvoudige voorstelling uitmaken. Daar komt bij dat, zoals we hebben besproken in IV, 1, er vaak verschijningen worden opgeroepen die al helemaal niet tot de multisensoriële voorstelling van het verhaal behoren, maar slechts dienen om met grotere nauwkeurigheid een verschijning op te roepen die er wel toe behoort. En - last but not least - zijn er tekstfragmenten die niet eens verschijningen oproepen, maar die wel bijdragen tot de concrete manier waarop de verschijningen worden ingevuld.

Dat houdt in dat er een aanzienlijk verschil is tussen de tijd van het oproepen en de opgeroepen tijd. Om te beginnen is er een haast principiële anachronie tussen beide: de woorden worden al uitgesproken vooraleer de verschijning verschijnt, en de verschijning kan blijven duren nadat de woorden zijn uitgesproken die ze hebben opgeroepen. Eenmaal opgeroepen blijft de verschijning in principe oneindig duren, maar in de praktijk duurt ze slechts tot een volgende enkelvoudige voorstelling wordt opgeroepen. Vervolgens valt de volgorde waarin de samenstellende deelverschijningen worden opgeroepen niet noodzakelijk samen met de plaats die ze innemen in de tijdruimte van een enkelvoudige verschijning, Een deelverschijning kan simultaan zijn met het oproepen ervan, maar vaker bestaat ze al vooraleer ze werd opgeroepen (het was de hele tijd stil geweest) en/of duurt ze voort nadat ze werd opgeroepen (het was stil). Een uitvoerige analyse daarvan vind je in onze tekst Schnee. Ook hier dus een haast principiële anachronie.Ten slotte nemen de instrumentele of discursieve passages een deel van de tijd van het oproepen in beslag, terwijl daar in de voorgestelde tijd geen duur aan beantwoordt. Geen anachronie ditmaal, maar asymmetrie. Er is dus geen sprake van een analoge punt-tot-puntverhouding tussen voorstellingopwekkende tekst en de opgeroepen voorstellingen, maar eerder van een netwerk van chaotische verbanden - anachronie of asymmeterie - tussen de tijd van het vertellen en de tijd van het verhaal als veranderlijk multisensorieel beeld.

Wijzen we er met nadruk op dat deze anachrone relaties tussen de tijd van de voorstellingopwekkende woorden - de tijd van het vertellen - en de tijd van de opgeroepen voorstellingen - de tijd van het verhaal - niets te maken hebben met wat in de literatuur prolepsis en analepsis heet (flashbacks en flashforward): bij een flashback is geen sprake van een relatie tussen voorstellingopwekkende woorden en opgewekte voorstellingen, maar tussen de opeenvolging van de opgewekte voorstellingen en de opeenvolging of duur daarvan in de noumenale tijdruimte (zie I, 6). Bij de relatie tussen voorstellingopwekkende woorden en opgeroepen voorstellingen komen er naast de beschreven anachronieën (die dus niet mogen gelijkgesteld aan prolepsis en analespis) ook merkwaardige relaties voor als 'beginnen voor het oproepen' en voortduren na het oproepen', om nog maar te zwijgen van van de 'zwarte gaten', die zich niet kunnen voordoen in de relatie tussen opgeroepen voorstelling en chronologische tijd.

Dat maakt in volle omvang duidelijk dat er een verschil is tussen de relatie tussen de tijd van het tonen/oproepen en de tijd van de verschijning die we hierboven beschreven, en de relatie tussen de tijd (opeenvolging en duur) van de verschijning en de tijd (de opeenvolging en duur) van de gebeurtenissen in de noumenale tijdruimte (Genettes 'temps narratif' en 'temps de la narration', recit en histoire, 'temps de l'univers représenté' en 'les temps du discours'). Het gevaar is groot dat men de tijd van vertellen gelijkstelt met de opeenvolging van de verschijningen in de film, en de tijd van het verhaal met de lokalisering van de gebeurtenissen in de noumenale tijd. In dat geval zou de tijd van het vertellen inzake de roman niet het verloop zijn van de woorden, maar het verloop van de verschijningen die erdoor worden opgeroepen. En dan moet men een andere term vinden voor het verloop van de woorden. Maar, vermits men geen oog heeft voor het bestaan van voorstellingopwekkende woorden, heeft men geen oog voor het verschil tussen voorstellingopwekkende woorden en opgewekte voorstellingen, en schakelt men ongewild beide gelijk. Niet alleen ziet men niet dat er inzake de roman drie niveaus zijn, men ziet ook het verschil over het hoofd tussen anachronie tussen woorden en verschijningen, en anachronie tussen het verschijnen van de verschijningen en hun objectieve plaats in de noumenale tijdruimte. Om verwarring te voorkomen moet men dus, zoals wij hierboven, spreken van de tijd van het tonen of oproepen (vertellen), de tijd van de fenomenale vertelling, en de tijd van de noumenale vertelling. In onmiddellijke mimesis zijn er drie niveaus waarvan er twee samenvallen. In middellijke mimesis zijn er drie niveaus, waarvan er twee door de literatuurtheorie (of de theorie van de vertelling in het algemeen) op één hoop worden gegooid. Daarbovenop is er ook nog een verschil tussen de tijdsduur van het (origineel in het) beeld en die van (het origineel in) de werkelijkheid: een beeld in tijdloep of de gecondenseerde tijd van het verhaal behoren tot het origineel in het beeld (tijd van het beeld en tijd van de werkelijkheid).

Pas nadat al deze verschillende lagen zijn onderscheiden wordt duidelijk dat bij middellijke, net zoals bij onmiddellijke mimesis, de duur van de opgeroepen (volledige enkelvoudige) verschijning samenvalt met de duur van het oproepen ervan: een voorstelling blijft duren tot een volgende wordt opgeroepen (nauwkeuriger: met de tijdspanne tussen de momenten waarop de betekenis van de achtereenvolgende zinnen tot ons doordringt). Dat houdt in dat de duur van de beschrijving toeneemt naarmate de beschrijving meer verzadigd is (naarmate er meer details worden beschreven), naarmate er achtereenvolgens meerdere verschillende zintuiglijke dimensies moeten worden opgeroepen zoals in Schnee, of als er verschillende simultane gebeurtenissen moeten worden beschreven die tot dezelfde enkelvoudige verschijning behoren (hij deed zijn jas uit, terwijl de hond intussen met zijn pantoffels aan de haal ging). Dat houdt ook in dat er bij middellijke mimesis een haast principieel verschil is tussen de tijd van de verschijning in het origineel en de tijd die de betreffende verschijning zou hebben in de werkelijkheid. Dat verschil is heel goed te meten door directe en indirecte rede te vergelijken. Bij 'hij hield een voordracht over de liefde' duurt die voordracht in de verschijning even lang als het uitspreken van de woorden die haar oproepen. Bij weergave van de voordracht in directe rede duurt ze even lang als het uitspreken van de woorden waaruit ze is samengesteld (zoals bij alle onmiddellijke mimesis). (De tijd van de tekens is niet alleen teken voor, maar ook belichaming van de tijd van de verschijning).


HET CONFLICT TUSSEN MIDDELLIJK MIMETISCH MEDIUM EN VERSCHIJNING

Bij middellijke mimesis is het medium per definitie autonoom: het is een reeks van tekens die we moeten waarnemen om de voorstellingen te kunnen opwekken. De autonomie is des te groter omdat het in de verbale taal bij uitstek gaat om ongemotiveerde tekens. Zeker, zoals uit onze omgang met spreken blijkt, zijn we in staat om over tekens heen te luisteren of te kijken, maar het gemak waarmee dat gebeurt hangt af van de manier waarop ze zijn gestructureerd. Er zijn drie variabelen die dat gemak beïnvloeden: de duur die nodig is voor het vatten van de betekenis als zodanig, de duur die nodig is om meerdere onderdelen van een enkelvoudige verschijning op te roepen of meerdere zintuiglijke dimensies van éénzelfde object, de duur die nodig is om een duur op te roepen. Onderzoeken we die drie variabelen achtereenvolgens.

Er is om te beginnen het probleem dat het überhaupt een tijd in beslag neemt vooraleer de betekenis van een zin duidelijk is. Zolang de betekenis niet duidelijk is, duurt de vorige voorstelling - of wordt de tijd van de verschijning tijdelijk onderbroken. Dat is bijzonder duidelijk wanneer de schrijver met woorden wil oproepen dat de ene gebeurtenis onmiddellijk op de andere volgt: 'Ja,' zei hij, en hij voegde er onmiddellijk aan toe: 'Maar...' Het probleem wordt hier geschapen door de combinatie met onmiddellijke mimesis: daar valt de tijd van het tonen immers samen met de tijd van de verschijning. Dat toont meteen hoe op dit vlak heteronomie kan worden bereikt: door ook bij de weergave van dialogen in de indirecte rede te blijven en te proberen gebeurtenissen op de roepen die kunnen duren tot de betekenis van de volgende zin is gerealiseerd (hij knikte een paar maal bevestigend en voegde er dan onmiddellijk aan toe dat ...).

Vervolgens is er het probleem van het oproepen van meerdere onderdelen van éénzelfde enkelvoudige verschijning, al dan niet in meerdere zintuiglijke dimensies: wat simultaan is gegeven moet successief worden opgeroepen. Hierin is de taal dus principieel autonoom:
Wel is het mogelijk om het origineel aan deze eigenschap aan te passen. Hoe meer zintuiglijke dimensies toegankelijk zijn, hoe groter het mogelijke conflict tussen het aantal gebeurtenissen dat zich in de verschillende dimensies kan voordoen, en het vermogen om de aandacht te verdelen over al die dimensies. Gesteld dat de tocht van Castorp zich in de werkelijkheid zou afspelen, dan zou een waarnemer die over dezelfde sensorische toegangspoorten tot het gebeuren beschikte als in het verhaal, niet weten waarop de aandacht te richten in de chaotische opeenvolging van elkaar overlappende uiterlijke en innerlijke waarnemingen. De schrijver moet dus de gebeurtenissen in deze simultane chaos zodanig over alle dimensies spreiden dat er telkens maar één gebeurtenis in één dimensie plaatsgrijpt, en dat de vele samenhangende gebeurtenissen die in elke dimensie over de tijd zijn gespreid, worden gegroepeerd in samenhangende, continue sequenties, zodat de chaos van indrukken wordt vervangen door een geordende opeenvolging van de uiteenlopende zintuiglijke domeinen. In 'Schnee' leidt dat tot het beschreven ostinato van alterende innerlijke en uiterlijke gebeurtenissen. Het verschaffen van de richtlijnen voor het produceren van de multisensoriële verschijning in de verhalende tekst, kan zodoende samenvallen met het verschuiven van de aandacht van de lezer over de verschillende zintuiglijke dimensies. Waar dat het geval is, is er op dat vlak sprake van pseudoheteronomie. Door het organiseren van de verschijning achtereenvolgens opgeroepen zintuiglijke dimensies neemt de intensiteit van de verschijningen in elke afzonderlijke dimensie toe - het equivalent van bv. het sluiten van de ogen als men de stilte van een landschap sterker tot zich wil laten doordringen. Als de gescheiden domeinen zich dan samenvoegen tot bv.det beschreven audiovisuele verschijning van het landschap is het resultaat een verschijning die veel indringender is dan de waarneming van de werkelijkheid. Daarbij benadert de 'plurisensoriële verschijning van de literatuur beter de werkelijkheid dan de continu audiovisuele verschijning van de film, waarbij ononderbroken informatie wordt gegeven in beide dimensies, al is ook dat een aangepaste verschijning.

Er is ten slotte het probleem dat de duur van de beschrijving en de duur van de verschijning niet noodzakelijk samenvallen. Als het gaat om onveranderlijk enkelvoudig beeld ('Grecian Urn') of om de onveranderlijke dimensies van een plurisensorieel tafereel (de stilte van een sneeuwlandschap), stelt dat geen problemen: de visuele dimensie blijft bestaan als de auditieve stilte wordt beschreven, die retroactief bij het voorlopig slechts visuele landschap wordt gevoegd. Maar het probleem wordt acuut als een proces of een handeling wordt opgeroepen. We weten immers dat de duur van het oproepen fungeert als analoog teken voor de fenomenale duur. Vooral als er meerdere processen of handelingen na elkaar worden beschreven, kan er een conflict ontstaan tussen de relatieve duur van de woorden die ze oproepen en de fenomenale duur. Pseudoheteronomie kan hier worden bereikt door de duur van de gebeurtenis aan te passen aan de duur van het oproepen ervan, of omgekeerd. De zin 'Ze dronken hun glas leeg', verwijst naar een schaal van seconden, de zin 'Ze wandelden nog de hele namiddag' naar een schaal van uren, en de zin 'Ze leefden nog lang en gelukkig', naar een schaal van jaren. Lees ik die drie zinnen achter elkaar, dan merk ik dat de tijdsloep steeds sterker uitzoomt, zodat de tijd steeds sneller lijkt te verlopen. Dat in de drie gevallen zinnen van grotendeels gelijke lengte worden gebruikt, versterkt het effect van dat inzoomen alleen maar. En dat komt omdat de duur van de gebeurtenissen niet wordt gemeten aan de chronologische tijd, maar aan de duur van het uitspreken van de woorden. Welke rol de duur van de oproepende woorden hier speelt, blijkt pas goed uit het feit dat de mate van inzoomen tevens wordt bepaald door de hoeveelheid woorden. In volgende door mij verkorte zin van Thomas Mann is te voelen hoe de tijdloep driemaal drastisch uitzoomt: 'Er stieß sich ab, schlürfte fort, fuhr hinunter, und trieb sich umher'. Maar in volledige versie neemt bij elke draai aan de tijdloep ook de hoeveelheid woorden toe: 'Er stieß sich ab, schlürfte auf seinen Kufen fort, fuhr am Waldrande den dicken Schneebelag der Schräge ins Neblige hinunter und trieb sich, steigend und gleitend, ziellos und gemächlich, weiter in dem toten Gelände umher'. Nog steeds wordt uitgezoomd, maar telkens minder drastisch, zodat bij elke slag de beschreven handeling in verhouding langer duurt. Dat woorden dat effect hebben, komt omdat de verbeelding niet langer beschikt over de maatstaven die bij de waarneming de ervaring van duur bepalen. Het is in de voorstelling niet anders dan bij het wandelen naast de gelijkmatig bruisende branding onder een eentonige, grijze hemel die Thomas Mann beschrijft in zijn 'Strandspaziergang': de wandelaar verliest de maatstaf voor het meten van de tijd. Bij ontstentenis daarvan, wordt de tijd gemeten aan de duur van de woorden die hem oproepen. Het leven dat het gelukkige paar nog heel lang en gelukkig leeft, duurt net zo lang als het uitspreken van de woorden 'Ze leefden nog lang en gelukkig'. Dat is zo waar dat het al tweemaal zo lang duurt als de woorden alleen maar worden gerekt: 'Ze leefden nog héééééél lang en héééél gelukkig. En het duurt nog veel langer als daarbovenop die levensduur wordt gestoffeerd met gebeurtenissen, zoals de geboortes van de kindjes van Papageno en Papagena. Bijkomend aanpassing van de duur van het oproepen kan door het inlassen van instrumentele voorstellingen die niet tot het opgroepen verhaal, en van evenzeer instrumentele discursieve passages die al helemaal geen voorstellingen oproepen. De autonomie wordt hier dus opgeheven door aanpassing van de verschijning aan he medium.


HET EFFECT VAN AUTONOME MEDIA OP HET ORIGINEEL

Al hebben voorstellingopwekkende tekens de neiging om pseudoheteronoom te worden, de woorden blijven niettemin altijd noodzakelijk, en hun transparant worden worden bijkomend verhinderd doordat we de gewoonte hebben om de verteller aan te kijken (zoals we met sprekers plegen te doen). Vandaar de onweerstaanbare neiging om bij het vertellen over te gaan tot onmiddellijke mimesis: de stemmen (of de geluiden) te laten weerklinken, en bijbehorende gebaren te vertonen.

Ook de gewoonte (vooral in de voorstellingopwekkende onderdelen van poëzie) om de oproepende woorden ook te voorzien van parasitaire tekens (zie VIII, 5) kan de autonomie van het mimetisch medium alleen maar versterken.

De vraag stelt zich dan hoe de dialectiek tussen autonoom medium en verschijning er hier uitziet. En het antwoord luidt dat het benadrukken van het mimetisch medium op zijn beurt het voorstellingskarakter van de verschijningen in de hand werk en ze doet verbleken in vergelijking met de waarneembare woorden.. Dat is er vermoedelijk de reden voor dat het verhalende aan de woorden op de achtergrond verdwijnt, waardoor ze dreigen te verglijden in discours. Omgekeerd heeft pseudoheteronomie het effect dat opwekkende woorden en opgewerkte voorstelling met elkaar worden gelijkgeschakeld, wat dan weer aan de oorsprong ligt van het idee dat een verhaal uit woorden bestaat, net zoals voorstellingopwekkende muziek vaak voor(muzikaal) geluid wordt gehouden, terwijl de opgeroepen voorstellingen niet noodzakelijk auditief zijn.


PARAGRAAF TWEE: MIDDELLIJKE AUDITIEVE MIMESIS

Hier moeten we drie mogelijkheden onderzoeken.

Voorstellingopwekkende muziek kan ontstaan doordat een auditieve nabootsing de bijbehorende visuele verschijning oproept - de voorstelling van dansers bij dansmuziek of de voorstelling van galopperende paarden bij (al dan niet) muzikale nabootsing van paardengalop. Er is dan gedeeltelijke heteronomie omdat - anders dan bij ongemotiveerde verbale tekens - het verloop van de tijd in de auditieve nabootsing perfect samenvalt het tijdsverloop van de visuele voorstellingen. Afgewien daarvan is er volledige autonomie: net zoals er geen relatie is tussen de woorden en de voorstellingen die ze oproepen, is er geen mimetische relatie tussen de auditieve nabootsing en de bijbehorende visuele verschijning.

Voorstellingopwekkende muziek kan ook ontstaan doordat (meestal analoge) bewegingopwekkende tekens visuele voorstellingen oproepen - denk aan op- en neergaande tonen die de beweging van golven oproepen of langgerekte tonen die de eindeloosheid van de steppe evoceren. Ook hier is er dan gedeeltelijke heteronomie wat de weergave van de tijd betreft. Afgezien daarvan is er een zekere pseudoheteronie vanwege de analogie tussen de auditieve en de visuele verschijning. De scalering van de continue beweging door gebruik van toonladders wordt opgeheven door suggestie van continuïteit. Pseudoheteronomie dus door suggestie.

Geheel anders liggen de zaken bij niet-gemotiveerde auditieve voorstellingopwekkende tekens: vaderlandse hymnes door elkaar worden geweven om verbondeneheid aan te geven, of tegen elkaar worden ingezet om strijd weer te geven,  is er sprake van onverbloemde autonomie van het medium, zoals bij woorden, die niet in pseudoheteronomie kan worden omgezet.


HET EFFECT VAN AUTONOME MEDIA OP HET ORIGINEEL

De heteronomie heeft hier, zoals bij verbale voorstellingopwekkende tekens, het effect dat de voorstellingen worden begrepen in termen van de voorstellingopwekkende tekens: als auditieve verschijningen (meestal als muziek). Dat effect wordt nog voorsterkt doordat de meeste voorstellingopwekkende auditieve beelden zelf auditieve beelden zijn van het audiovisuele origineel. Daarom is het hier zo tegendraads om hier te beweren dat voorstellingopwekkende muziek een vorm is van audiovisuele mimesis (met auditief onmiddellijk en visueel middellijk, zie III, 9).


PARAGRAAF DRIE: NIET-VERBALE VOORSTELLINGOPWEKKENDE TEKENS

Hier gaat het om ruïnes, plaatsen waar veldslagen hebben plaatsgegrepen, relieken, enz.


HET CONFLICT TUSSEN MIDDELLIJK MIMETISCH MEDIUM EN VERSCHIJNG

Vaak is er sprake van onvolledige duplicaten: alleen de kamer zonder de bewoner, alleen het slagveld zonder de soldaten. Er is dan sprake van gedeeltelijke heteronomie
, zoals bij de relatie tussen beweging van de dansmuziek en beweging van de dansers. Afgezien daarvan is er ook hier volledige autonomie; net zoals er geen relatie is tussen de woorden en de voorstellingen die ze oproepen, is er geen mimetische relatie tussen bunkers van de Atlantikwall en de voorstellingen van de invasie die ze oproepen.


HET EFFECT VAN AUTONOME MEDIA OP HET ORIGINEEL

Vooral als de ruïnes enz. intussen zijn vervallen, dragen ze bij tot het besef van het vergankelijke van de voorstelling die worden opgeroepen.

 
 
ontdek
mijn nieuwe e-boek:


zelfomslag

het zelfbeeld
tussen spiegel en dagboek