het beeld: mimesis herbekeken
deel V: de wisselwerking tussen verschijning en mimetisch medium

hoofdstuk 4: in het plurisensoriŽle beeld




INLEIDING


In tegenstelling tot wat onze intuÔtie ons influistert, ligt monosensoriŽle omgang met de wereld meer voor de hand dan plurisensoriŽle. Het is waar dat bij omgang met de werkelijkheid in principe alle zintuigen zijn betrokken, maar dat zijn ze slechts elk om de beurt en elk op het gepaste moment. Het begrip plurisensorialeit moet inzake de waarneming van de werkelijkheid dus eigenlijk begrepen worden als een opeenvolging, niet zozeer als een gelijktijdigheid.

Dat dreigt aan onze aandacht te ontsnappen omdat ook hier het audiovisuele beeld onze perceptie van de gewone werkelijkheid beÔnvloedt: we zijn geneigd om de wereld te percipiŽren als een wereld waar permanent zowel iets is te horen als te zien, en we worden onrustig als er in een film niets is te horen. Terwijl we in de werkelijke wereld niets horen bij een berg of een burcht (tenzij achtergrondsgeluiden die we weghoren), moet daar in de film steevast heroÔsche muziek bij. En dat komt omdat de mogelijkheid om simultaan geluid en klank weer te geven blijkbaar aanleiding is om beide domeinen permanent te stofferen, zoals bij beelden uit de ruimte of bij dierendocumentaires over microscopische wezens - waar in beide gevallenin de werkelijkheid niets is te horen. We bespraken al in I, 7 (en in IV, 5 aanschouwelijkheid) hoe deze eigenschap van het mimetisch medium aanleiding was tot het creŽren van een nieuw soort wereld waarin alle zintuigen simultaan worden aangesproken, zoals in het Gesamtkunstwerk van Wagner. Dat neemt niet weg dat deze permanent audiovisuele wereld niet continu in zijn volle omvang door oog en oor kan worden waargenomen: onze bewuste aandacht gaat altijd altijd maar uit naar ťťn zintuiglijke dimensie tegelijk, al blijft er subliminale waarneming van of herinnering aan de andere dimensie.


HET CONFLICT TUSSEN ONMIDDELLIJK MIMETISCH MEDIUM EN PLURISENSORIňLE VERSCHIJNING BIJ ONMIDDELLIJKE MIMESIS

Hier moeten we onderscheid maken tussen eigenlijke autonomie-heteronomie - puur inzake de plurisensorialiteit als zodanig - en oneigenlijke autonomie-heteronomie- afhankelijk van de autonomie-heteronomie in de samenstellende onderdelen.

Er is oneigenlijke heteronomie als niet alle samenstellende mimetische media heteronoom zijn - autonome tekenfim met heteronome geluidopname van de dialogen en geluiden.

Er is eigenlijke heterononie als het aantal domeinen dat wordt bestreken door het mimetisch medium beantwoordt aan het aantal domeinen van de verschijning: een audiovisueel mimetisch medium dat past bij een audiovisuele verschijning.

Onderzoeken we beide mogelijkheden achtereenvolgens.

1. Heteronomie en autonomie qua plurisensorialiteit als zodanig.

Een bloem of een mooi lichaam kunnen het perfect stellen met weergave in een monosensorieel visueel mimetisch medium, en een auditieve expressie zoals lachen met weergave in een monosensorieel auditief medium. Heel anders is het gesteld met de visuele weergave van fenomenen die geluid maken (treinen, auto's, vliegtuigen), bij uitstek als de productie van het geluid daarbij onontkoombaar in beeld komt zoals bij lachende, schreeuwende, wenende, of sprekende mensen: het ontbreken van de auditieve dimensie springt in het oog, bij onbeweeglijke, maar bij uitstek bij beweeeglijke beelden - niet voor niets spreekt men van 'stomme film'. Wil men zich beperken tot een monosensoriŽle weergave dan kan heteronomie alleen bereikt door te kiezen voor verschijningen die geen geluid maken - of minstens voor verschijningen waarbij het geluid probleemloos kan worden geneutraliseerd. Dat laatste gebeurt al van nature bij visuele verschijningen die geluid maken, maar zich op afstand bevinden (treinen in de verte, of Nietsches zeilboot), of in gevallen waar het geluid niet ter zake doet, zoals bij het openen van een slot. Als men opteert voor auditieve weergave, zal men geluiden moeten kiezen die het kunnen stellen zonder de visuele component. Oplossen door suggestie is hier niet mogelijk, want de suggestie waar we het hier over hebben is niet langer intrazintuiglijk, maar interzintuiglijk (en die is, zoals gezien in I, 4, niet fenomenaal, maar noumenaal). Ook oplossen door neutraliseren is hier niet denkbaar - als het mogelijk was bij een visueel beeld een neutraal geluid te laten horen, dan kon men evengoed de bijpassende geluiden weergeven. Waar aanpassing in monosensoriŽle richting niet mogelijk is kan heteronomie alleen worden bereikt door gebruik van een audiovisueel medium. Autonoom zijn dan de monosensoriŽle weergaven van plurisensoriŽle verschijningen - exemplarisch in de stomme film.

Anderzijds zijn plurisensoriŽle media autonoom in de zin dat alle zintuiglijke dimensies altijd aanwezig zijn, terwijl er niet altijd in al die dimensies iets gebeurt. Deze autonomie wordt opgelost door aanpassing van de verschijning: we beschreven hoezeer in de film een eerder onwerkelijke permanent audiovisuele wereld wordt geschapen. Dat doet zich niet voor bij tactilovisuele media, omdat wat voelbaar is, ook altijd zichtbaar is.

2. Heteronomie en autonomie van de samenstellende verschijningen.

Los van de vraag of een plurisensorieel mimetisch medium heteronoom of autonoom is, kunnen de onderdelen op zich autonoom of heteronoom zijn.

Alleen plurisensoriŽle media die heteronoom zijn qua sensorisch domein ťn heteronoom op de afzonderlijke samenstellende media, zoals de standaard audiovisuele film en het theater, zijn heteronoom.

Autonoom zijn plurisensoriŽle media die heteronoom zijn qua sensorisch domein, maar ofwel autonoom in het ene samenstellend medium en heteronoom in het andere, ofwel autonoom in beide onderdelen:

- het stripverhaal waar een onveranderlijke visuele verschijning wordt gecombineerd met (uitvoeringopwekkende tekens voor ) veranderlijk auditief spreken (merken we op dat de combinatie van stripverhaal en dialoog, voor zover deze laatste wordt gelezen, en dus innerlijk uitgesproken, ook nog heteronoom is vanwege het contrast tussen waargenomen en voorgesteld, waarover meer in volgend hoofdstuk V ,6).
- een portret of beeld waarbij een onveranderlijke tweedimensionale nabootsing wordt gecombineerd met een opname van het spreken van de geportretteerde, zoals wanneer gene bewegend beeld beschikbaar is van de reporter ter plaatse op TV, of het sprekende beeld van Hegel.
- tekenfilm die visueel pseudoheteronoom is maar auditief heteronoom (opname van gewone geluiden en dialogen).
- de stomme film die visueel pseudoheteronoom is, maar niet-muzikale geluiden muzikaal nabootst.

Waar er autonome onderdelen zijn, of waar alle onderdelen autonoom zijn, wordt pseudoheteronomie gerealiseerd door aanpassing van de verschijning.
Zo stellen we ons onwerkelijke stripfiguren voor met werkelijke stemmen. Zo stellen we ons in de opera mensen voor die zingen.


HET EFFECT VAN AUTONOME MEDIA OP HET ORIGINEEL

Voor de afzonderlijke media geldt wat aldaar werd gezegd. Hier komt bij dat de eigenheid van elk medium extra in de verf wordt gezet door contrastwerking.

Voor het effect van eigenlijke autonomie geldt dat ze gewoonweg storend werkt, tenzij ze wordt opgeheven door de voorstelling van geluid bij zingende engelen van Jan van Eyck, de Laokoon, de schreeuw van Munch, of stomme film met sprekende mensen.

Waar er permanente plurisensorialiteit is, zoals in de film en de opera, ontstaat de indruk van een zintuiglijk oververzadigde wereld.


.


 
 
ontdek
mijn nieuwe e-boek:


zelfomslag

het zelfbeeld
tussen spiegel en dagboek