|


mimesis* en
abstractie
over een dialectiek tussen
organische schijn en geometrische essentie
op de grens tussen kunst en design |
|
|
english version
Het probleem lijkt wat verouderd, maar is integendeel brandend
actueel - denk maar aan de recente hype rond Donald Judd. Overigens is
de ontwikkeling van abstracte kunst - één van de centrale uitingen van
de anti-mimetische woede in de twintigste eeuw - er verantwoordelijk
voor dat kunst en mimesis*niet langer als synoniemen worden begrepen,
maar als onverzoenbare tegenstellingen. In dit opstel zullen we enkele,
soms erg verrassende kanttekeningen moeten plaatsen bij dit inmiddels
onomstotelijk geworden a priori.
Beginnen we ons verhaal met een korte aanloop.
DE MENS EN ZIJN KADER
Als de mens verschijnt, verschijnt
hij graag in een gepast kader. Het kan hier gaan om een organische
omgeving, zoals wanneer de holbewoner opduikt in de opening van zijn
grot of wanneer de Boeddha gaat mediteren onder zijn bodhi-boom. Maar vaker structureert de mens zijn kader geometrisch, zoals wanneer de
koning zetelt tegen de achtergrond van een baldakijn - of het naakt zich
etaleert binnen de beslotenheid van het hemelbed in Urbino.
Het inkaderen van de menselijke figuur gebeurt niet alleen in de
verticale dimensie, maar ook in de horizontale. De centrale figuur
bevindt zich altijd in het midden van of vooraan in de ruimte en de
anderen worden errond gerangschikt in geometrische patronen: denk aan de
zitbanken in het amfitheater of de koorbanken in het koor. Ook in de
horizontale dimensie kan het kader een natuurlijk gegeven zijn, zoals de
heuveltop of Heideggers open plek in het bos. Maar bij uitstek in deze
dimensie organiseert de mens de omgevende ruimte geometrisch:
exemplarisch in de assen van een centrale koepelbouw of kruiskerk.
De assen stralen in de omgevende ruimte uit langs de wegen die naar de
plaats van het gebeuren leiden. Ook deze kunnen het natuurlijk verloop
van het terrein volgen, maar zo mogelijk worden ze volgens een
geometrische logica gestructureerd: denk aan de aanleg van de as tussen
het Louvre en de Arc de Triomphe in Parijs door Haussmann, of aan die
van het Sint-Pietersplein door Bernini.
Architectuur als zodanig is niet meer dan het structureren van zo'n
kader in de drie dimensies.
Zo wordt architectuur het gepaste kader voor het opvoeren van het
menselijk gebeuren -inclusief voor het optreden van Hitlers massa's in
geometrische formaties op het Zeppelinfeld.
DE VERBORGEN GEOMETRIE
Het bovenstaande geldt niet alleen voor echte mensen in de echte ruimte,
maar ook voor nagebootste mensen in de kunst: de rand van het
beschilderde oppervlak of de nis van het beeld fungeren hier als kader. Sedert de productie voor de markt wordt het kader veralgemeend tot wat
wij vandaag het kader in strikte zin noemen: het raam rond een meestal
rechthoekig schilderij.
Het kader zet zich vaak door als verborgen geometrische structuur waarin
de figuren zijn gevat. Als je op onderstaand schilderij met een passer
de helft van de bovenste lange zijde op de korte zijden projecteert,
markeer je op de zijkanten de gulden snede. Verbind je vervolgens de
twee gulden sneden op de zijkanten en laat je door het midden van de
bovenste zijde een loodrechte neer, dan worden twee vierkanten gevormd.
De vagina bevindt zich op het snijpunt tussen de loodrechte door de
helft van de bovenste zijde en de lijn die de twee gulden sneden op de
zijkant verbindt.
Bij de meer gesofisticeerde voorbeelden wordt ook de ruimte in de diepte
geometrisch gestructureerd. Op het centrale paneel uit Piero della
Francesca's polyptiek van de Misericordia zijn in de verticale dimensie
de figuren ingeschreven in een halve cirkel bovenop een vierkant,
terwijl in de horizontale dimensie het lichaam van Maria de centrale
spil is waarrond zich de halve cilinder van haar mantel ontwikkelt. Op
het grondvlak daarvan bevinden zich dan weer de kleine figuren - als
vormde de madonna op haar eentje een verborgen koepelkerk...
Het zou ons te ver voeren om hier nog meer gesofisticeerde voorbeelden
uit de doeken te doen.
Een verdere stap naar de verborgen organisatie van het beeld wordt gezet
als ook de figuren op het doek intern worden gestructureerd, zoals in da
Vinci's 'Vitruvian man':.
Ook complexe gehelen van figuren kunnen volgens een nieuwe interne
logica worden gestructureerd, zoals de wervelende spiraal die de
ruggengraat vormt van Rubens' 'Val van de engelen'.
Deze verborgen structurering komt neer op een abstraheren van de
concrete figu(u)r(en): hoofd, romp, armen en benen worden tot 'lengtes';
de doorkijk op een achterliggende kamer wordt een vierkant; de madonna
omschrijft een koepelkerk; de massa der afvalligen wordt een spiraal...
DIALECTIEK TUSSEN VERBORGEN GEOMETRIE EN MANIFESTE
FIGURATIE
Juist omdat de figuren op het doek worden ingepast in een
geometrisch kader kunnen ze zich vrijer gaan bewegen en ontplooien. Er
ontstaat een dialectiek tussen 'abstraherende' uniformering en een
'concretiserende' diversificatie. Deze dialectiek verleent het kunstwerk
een vaak ongekende interne dynamische spanning. Zo ontplooit zich in het
Laatste Avondmaal van da Vinci de diversiteit van de druk gebarende
figuren binnen het nauwe keurslijf van een groepering van de apostelen
in vier groepen van drie rond de centrale spil in Jezus.
Die opgedreven spanning versterkt alleen maar de neiging om achter de
schijnbaar ongestructureerde verscheidenheid te gaan zoeken naar de
verborgen structuur. De obsessie met de verborgen jenseitige
'essentie' achter de oppervlakkige diesseitige 'schijn' brengt velen in
de verleiding te denken dat het de kunstenaar eigenlijk om deze
verborgen geometrie was te doen. Anderen gaan nog verder, en willen het
beeld verlossen van het 'oppervlakkige omhulsel' rond de 'ware kern' en
brengen meteen de verborgen geometrische structuur van de dingen, hun
abstracte essentie in beeld - een beetje zoals
Hermann Nitsch alle drama wil herleiden tot het rituele slachten van
een os. Dat is het geval bij Mondriaan die de 'grondvorm' van het
zichtbare wil herleiden tot de tegenstelling tussen horizontaal en
verticaal, die zich uiteraard moeiteloos voegt in het rechthoekige kader
van het doek.
Zodra men zich tot de
'essentie' beperkt, valt de gelaagde structuur van het kunstwerk weg en
daarmee de dialectiek tussen verborgen geometrische eenheid en zichtbare
organische veelheid. Een ééndimensionaal beeld
komt in de plaats. Het volstaat om bovenstaande figuur van Mondriaan te
vergelijken met het reeds vermelde centrale paneel uit Piero della
Francesca's polyptiek van de Misericordia om zich ervan te vergewissen
hoezeer de spanning tussen verborgen structuur en oppervlakkige
verschijning daarbij verloren gaat..
NIEUWE DIMENSIES VAN MIMESIS* (1)
Tot ver in de negentiende eeuw was het hele pathos van de kunst erop
gericht om het zichtbare in al zijn rijkdom in beeld te brengen. Dat
verandert zodra in het midden van de negentiende eeuw de fotografie dit
streven tot een eerste hoogtepunt brengt en meteen ook automatiseert. De
schilderkunst reageerde daar immers op door nieuwe paden te betreden. De
meest vruchtbare reactie bestond erin de techniek niet langer zodanig te
perfectioneren dat hij geruisloos verdwijnt achter de natuurgetrouwe
weergave - zoals in de olieverfschilderkunst, de 'zwarte kunst' en de
fotografie. Men streefde er integendeel naar de sporen van het maken
zelf weer zichtbaar te maken. Zo grijpt Paul Gauguin in 'De Gele
Christus' terug op de meest primitieve manier van schilderen: eerst een
omtrekslijn tekenen om ze vervolgens in te kleuren. Niet de logica van
wat wordt afgebeeld, maar de logica van het maken komt op de eerste
plaats te staan: de natuurlijke beweging van de scheppende hand wordt
zichtbaar in de omtrekslijn, en bij figuren als Vincent Van Gogh ook in
de manier waarop het vlak wordt opgevuld (toets). Ook in 'De Schreeuw' van Edvard Munch is het
de beweging van de tekenende hand die het beeld een expressie verleent
die je vergeefs zult gaan zoeken bij echte wolken of een echte brug.
En dat is pas goed het geval bij de lijn zoals ze wordt gehanteerd in de
tekeningen van Judith Schils:
Het wordt meteen duidelijk dat een nieuwe
expressiviteit kan worden gewonnen door af te wijken van een
natuurgetrouwe ('fotografische') weergave.
En dat geldt niet alleen voor de lijn, maar ook voor de kleur. Men laat
ze niet langer ondergaan in het donker omwille van de weergave van
ronding, maar 'abstraheert' als het ware van de schaduw over de
objecten. Op het doek verschijnen dan alleen maar ongebroken kleuren
zoals op een glasraam. De band met de werkelijkheid wordt nog verder
doorgesneden als men ook nog 'abstractie maakt' van de 'natuurgetrouwe
kleur'. Dat doet Paul Gauguin als hij de huid van Jezus geel kleurt en
het gras rood, zoals op 'Het gevecht met de Engel'.
Daarbij ontstaat een geheel nieuwe wereld,
waarin andere wetten de ruimte en de vormen bepalen en waarin
'abstractie' wordt gemaakt van de kleur in de ons bekende wereld. Zoals
men niet-bestaande wezens (centauren, zeemeerminnen, draken...) kan
scheppen door onderdelen van bestaande wezens te combineren, kan men ook
nieuwe mensen in nieuwe omgevingen concipiëren door ze andere vormen en
andere kleuren te geven en ze in een ander soort ruimte te situeren. En,
laat er geen twijfel over bestaan: al wijken deze nieuwe wezens in
nieuwe ruimtes af van de wezens in de ons vertrouwde wereld, hun
weergave is niet minder 'natuurgetrouw' dan die van de vanouds
vertrouwde figuren...
Onder invloed van het mimetisch taboe interpreteerde men deze
ontwikkeling vaak als een afstand doen van de weergave van de
werkelijkheid - een breuk met nieuwe. Het schilderij zou niet langer
een venster op de werkelijkheid zijn. 'Abstractie' werd begrepen als de
ontkenning van mimesis*, niet als een bijzondere variant ervan. In
werkelijkheid bleef het schilderij een venster, maar dan een dat uitkeek
op een wereld die in toenemende mate van de ons vertrouwde begon te
verschillen.
Er is echter een grond van waarheid in deze misvatting. Het lijkt er
immers op alsof de kleur en de lijn zelf gaan spreken en alsof daarbij
het 'spreken' van de afgebeelde figuren verstomt. Maar dat is slechts de
halve waarheid. Want in bovenstaande voorbeelden ontlenen kleur en vorm
hun uitdrukkingskracht niet alleen aan zichzelf, maar ook aan het feit
dat ze niet 'natuurgetrouw' zijn - of correcter: dat ze afwijken van de
ons vertrouwde versies in de werkelijkheid. Als het boogje boven
Christus' oog niet langer een wenkbrauw is, verliest het heel wat van
zijn expressieve betekenis, en als het rood in 'Het gevecht met de
Engel' niet langer te zien is waar groen gras had moeten staan, verliest
het al zijn transcendentale glans. Hier is sprake van eenzelfde
dialectiek als bij het spanningsveld tussen verborgen geometrie en grote
organische verscheidenheid aan de oppervlakte.
Dat wordt pas goed duidelijk als men de navelstreng met de werkelijkheid
helemaal doorsnijdt en overgaat tot een puur spel met vormen en kleuren
die nergens meer aan doen denken - alleen maar zichzelf zijn.
Ongetwijfeld zijn zo'n vormen en kleuren expressief. Maar ze missen de
bijkomende spanning die wordt geschapen door de 'onnatuurlijkheid' van
de kleuren.
NIEUWE DIMENSIES VAN MIMESIS* (2)
Vooraleer de navelstreng volledig werd doorgesneden, ontdekten de
kunstenaars nog een nieuwe mogelijkheid. Tot nog toe waren er op
schilderijen alleen complexere organische wezens te zien: planten,
dieren en mensen. Meer elementaire vormen verschenen alleen in de wereld
van de design (denk aan keramiek, weefkunst, architectuur...). Daar
hadden ze meestal een geometrisch of rudimentair vegetatief/organisch
karakter. Vanaf het begin van de twintigste eeuw doen dergelijke
elementaire vormen hun intrede in de schilderkunst.
Aanvankelijk zijn ze organisch van aard omdat ze als het ware geboren
worden uit de lijnen of de toetsen van de tekenende of schilderende
hand. Het is alsof de schilders beginnen in te zoomen op de elementen
waaruit de figuur is opgebouwd: de aandacht voor het figuratieve geheel
verschuift naar het handgemaakte onderdeel ervan: lijn en toets. Al bij
van Gogh gaat de werking van het beeld meer uit van de' bezielde toets'
dan van de expressie van de figuur - weze het gelaat, cipres, landschap
of sterrennacht. Bij Kandinsky zie je voor de Eerste Wereldoorlog het punt waarop de onderdelen op
zichzelf staande gehelen worden.
Dit inzoomen op lijn en vlek was een tweede manier om het
anti-mimetische streven te bevredigen: het leek alsof de 'fotografische'
band met de werkelijkheid was doorgesneden. Maar ook hier geldt dat het
schilderij nog steeds een venster blijft, maar dan een dat uitkijkt op
nieuwe werelden, bevolkt door wezens die tot nog toe nooit in beeld
waren verschenen. Want de nieuwe 'abstracte', 'niet-figuratieve' vormen
worden ongetwijfeld als bezielde wezens ervaren - zij het dan als wezens
die eerder op de lagere trappen van een imaginaire evolutie moeten
gesitueerd: imaginaire 'anemonen', 'eencelligen', 'amoeben'.
Ook hier mag er geen twijfel over bestaan
dat, al wijken deze nieuwe wezens in nieuwe ruimtes af van de wezens in
de ons vertrouwde wereld, hun weergave niet minder 'natuurgetrouw' is
dan die van de vanouds vertrouwde figuren...
Niet altijd gaf de beweging van de hand het aanschijn aan nieuwe 'unidentified
painted objects'. Bij figuren als Jackson Pollock dreigt de toets tot
'schriftuur' te worden, tot teken, dat ons net zoals een handschrift,
iets vertelt over de aard en de toestand van de maker.
Al ontsnapt
Pollock aan dit gevaar doordat zijn schriftuur zich tot
figuratieve gehelen organiseert, die imaginaire weefsels in imaginaire
ruimtes oproepen.
NIEUWE DIMENSIES VAN MIMESIS* (3)
Dit soort 'organische' of 'lyrische'
abstractie was geen grote toekomst beschoren. Onder invloed van de
anti-mimetische trend keerde men zich hoe langer hoe meer af van
al te 'suggestieve' figuren. Voor de hand lag het zijn
toevlucht te nemen tot pure geometrische vormen. Al het kubisme begon de
complexere organische menselijke (en andere figuren) te vervangen
door meer eenvoudige geometrische vormen. Daarmee werd niet alleen de
complexe organische figuratie ontkend, maar ook de evenzeer
organische beweging van de hand. In het Russische Constructivisme ging
dat gepaard met een zich afkeren van de ambachtelijke werkwijze en het
verwelkomen van 'mechanische' 'industriële techniek'. Dat leidt heel
snel tot de triomf van wat men de 'geometrische abstractie' is gaan
noemen.
In tegenstelling tot wat de term suggereert, is hier helemaal geen
sprake van een breuk met mimesis* - al is zo'n breuk voor velen een
vaststaand feit. De mimetische duivel laat zich immers niet zomaar uit
het beeld drijven. Al zijn de acteurs niet meer herkenbaar, want herleid
tot puur geometrische grondvormen, nog altijd worden ze als bezielde
wezens gelezen. Wel horen ze ditmaal wel niet langer thuis op de lagere
trappen van een imaginaire evolutie, maar eerder op de hogere trappen
van een evenzeer imaginaire transcendentale wereld. Daar zweven ze overigens
even probleemloos gewichtsloos rond als engelen en geesten in
onstoffelijke lichamen die door geen schaduwen worden bevlekt. Het
volstaat om er Kandinsky's 'Über das Geistige in der Kunst' op na te
lezen om zich te realiseren hoezeer de 'abstracte' vormen als
expressieve wezens worden begrepen: een driehoek heeft een heel andere
persoonlijkheid dan een vierkant, dan een rechthoek, dan een cirkel, en
ga zo maar door.
En dat geldt niet alleen voor de afzonderlijke wezens, maar vooral
voor hun interactie - die al minder onherkenbaar is. Bij Lissitzky heeft ze nog een naam 'Versla de Witten met de Rode Wig'. Maar in werken zoals die van Frantisek wordt de interactie zelf weer 'geabstraheerd' door te
verwijzen naar de fuga in de muziek - die (ten onrechte) voor het paradigma
van een niet-mimetische kunst werd gehouden.
Geen wonder dat de anti-mimetische woede zich ook nog keert tegen dit
soort 'complexe'
geometrische abstractie. Ditmaal zorgt ze ervoor dat ook de al te
herkenbare interactie tussen onherkenbare geometrische vormen uit het
beeld wordt gebannen. Geen betere middel daartoe dan de veelheid van
interagerende vormen te vervangen door de op zichzelf staande
zelfgenoegzame eenheid van één enkele vorm - die echter juist in zijn
zelfgenoegzaamheid het narcisme belichaamt. Het mimetische taboe moet dan ook zijn toevlucht nemen tot een meer
radicale ingreep: wat beeld was wordt tot betekenend symbool*. En pas deze stap bezegelt de echte breuk met
mimesis*: pas
als symbool is het vierkant het zwarte gat waarin elke figuratie
verdwijnt.
Het merendeel van de zogenaamde 'geometrisch abstracte kunst' ontsnapt
echter aan deze symbolische valstrik en blijft daardoor behoren tot het
domein van de mimesis*. Maar het moet gezegd: in vergelijking met de
kracht die van vele voluit figuratieve werken uitgaat, ontbreekt het
vele van deze werken aan een interne dynamiek omdat de dialectiek tussen
verborgen geometrische vorm en oppervlakkige organische verschijning
wegvalt. De werken van Mondriaan en Malevitsj maken retroactief duidelijk hoezeer dat ook het geval is bij figuren als Vincent van
Gogh, Paul Gauguin en Edvard Munch. Omgekeerd valt het pas nu op hoezeer
ook geometrisch abstracte werken eendimensionaal zijn op vlak van kleur.
Nooit ontstaat de bijkomende spanning die
wordt opgewekt door de 'onnatuurlijkheid' van de kleuren. Al
bestaat er zoiets als kleuren die best bij bepaalde geometrische vormen
passen, een gele cirkel wordt nooit als afwijking gelezen van een blauwe
cirkel. Meer algemeen geldt dat de
expressiviteit van kleuren op zich altijd slechts de eigen - en dus
ééndimensionale - expressiviteit is:
nooit voegt ze haar kracht bij wat de figuren op zich te vertellen
hebben. Een zwakke echo van zo'n dialectische wisselwerking zien we op
een complexer werk als 'Versla de Witten met de Rode
Wig' van Lissitzky. Een welbepaalde verhouding tussen rood, wit en zwart als
kleuren op zich werkt agressief. Bij Lissitzky voegt dat agressieve
kleurakkoord zich bij de evenzeer agressieve interactie tussen de rode driehoek en de
witte cirkel. Maar het effect wordt alleen maar sterker naarmate het
onderwerp minder 'abstract' en meer 'figuratief' - concreet - wordt. Het
volstaat om te vergelijken met de Kronos van Goya, al hebben velen het
intussen verleerd om te wachten tot de kleuren oplichten uit wat in
vergelijking met de zuivere - of 'schreeuwende' - kleuren van de
geometrische abstractie - vaak als 'museumbruin' wordt afgedaan. De expressieve lading van Goya's Kronos is
des te sterker omdat het onderwerp hier precies de situatie ten tonele
voert waaraan het kleurakkoord zijn natuurlijke expressiviteit te danken
heeft: de dreigende muil met het wit van de tanden, het rood van het
vlees en het zwart van de holte waarin alles verdwijnt..
NIEUWE DIMENSIES VAN MIMESIS*
(4)
Kunstenaars bewandelden nog een andere weg om te ontsnappen aan de herkenbaarheid van
de wereld der verschijningen: ze concentreerden zich op het licht of de kleur
als zodanig. Het probleem
daarbij is dat - tenzij je een vlak puur monochroom opvult - er altijd vormen
vallen te detecteren - al hebben ze dan geen scherpe randen meer zoals
bij de geometrische abstractie. Daardoor
krijgen ook deze 'vormeloze' schilderijen een eminente mimetische lading.
Dat blijkt meteen in de schilderijen van Mark Rothko. Die vervangt het zwarte gat waarin Malewitsj elk beeld
liet verdwijnen
door het
verschijnen als zodanig, het oplichten van het zichtbare - de oervorm van
mimesis*.
En hoezeer juist hier bij uitstek sprake is
van mimesis*, blijkt meteen
als we de echo van de geometrische abstractie in deze werken laten
uitklinken. Want het
volstaat om de rechthoekige vormen van Rothko te vervangen door meer
organische vormen, om terecht te komen in de vertrouwde wereld van
vuur, wolken en zonsondergangen die de mens al van oudsher
fascineren. Het thema floreerde als achtergrond op schilderijen, of als
stralenkrans rond heiligen en goden. Da Vinci zag in de weergave van
dergelijke transparante werelden zonder begrenzend oppervlak - water,
vuur, mist, wolken - het eigenlijke domein van de schilderkunst (denk
aan zijn bekende tekeningen van de zondvloed), terwijl lichamen met
begrensd oppervlak eerder tot het domein van de beeldhouwkunst
behoorden.
Maar het is vooral in de fotografie dat het
thema - niet gehinderd door het mimetische taboe dat op de schilderkunst
rustte - tot ontwikkeling komt.
Door in te zoomen op de zonsondergang of door elke referentie naar het
landschap met zijn begrenzende oppervlakte op te heffen, wordt een nieuwe vorm van
'onherkenbaarheid'
verkregen.
Vergelijkbare effecten worden verkregen door
transparantie te fotograferen of te suggereren door lagen op elkaar te
leggen.
Ook hier leidt het verlies van herkenbaarheid
alleen maar tot de opgang in een nieuwe imaginaire wereld: de
wereld waarin het lichaam geen begrenzing heeft en als nevelige
lichtwolk of lichtende aura opgaat in een ruimte die geen buitenwereld meer is, maar een
alles omvattend innerlijk - een wereld waarvan de aura rond heiligen en
goden alleen maar de prefiguratie is.
VAN MIMESIS* NAAR DESIGN (1)
What you see is what you see
Frank Stella
De anti-mimetische 'abstraherende' trend is ook werkzaam op een
ander niveau. Ditmaal is het niet de herkenbaarheid die wordt geviseerd,
maar eerder het stoffelijke verschijnen van de
dingen zelf. Aanvankelijk hadden de geometrische vormen nog hun
driedimensionaal lichaam gemeen met de menselijke figuur.
Lissitzky verbant verschuivingen in kleur of lichtsterkte die aan schaduwen zouden
doen denken, waardoor zijn vormen iets 'onwerkelijks' krijgen.
Omdat de perspectivische lectuur van schuine hoeken diepte blijft
suggereren, laten
Mondriaan en Malewitsj ook nog het perspectief vallen. Zij beperken zich tot de weergave van tweedimensionale
figuren die zich binnen een gelaagde ruimte op parallelle vlakken
bewegen.
Met het wegvallen van het perspectief lijkt ook de zwaartekracht uit
deze wereld weg te trekken: er is geen bodem meer waarboven zich de
hemel verheft. De nieuwe abstracte figuren bewegen zich gewichtsloos in
een bodemloze ruimte zonder zwaartekracht.
Zo wordt de driedimensionale wereld die gevuld is met driedimensionale volumes geleidelijk vervangen door een
gelaagde wereld waarin tweedimensionale vormen zich parallel aan het vlak bevinden. De meerlagige ruimte van Malewitsj
implodeert bij Mondriaan tot
een tweedimensionale: doorheen het vlak van het kader kijken we uit op
de eenlagige ruimte erachter.
De aanwezigheid van deze tweede laag waardoorheen we vanuit onze werkelijke
wereld op de eenlagige imaginaire wereld daarbuiten uitkijken, is de laatste navelstreng
die de abstraherende ijver nog met
mimesis* verbindt. Wellicht daarom benadrukt Mondriaan dit element door het als ruit tegenover een
rechte hoek te stellen.
De navelstreng wordt finaal doorgesneden door figuren als Albers en Herbin,
Barnett Newman en Frank Stella.
Concentrische vierkanten onderscheiden zich in niets meer van het tapijt
of de tegelvloer: hier gaat mimesis* volledig op in (tweedimensionale) design. De anti-mimetische abstracte vormen behouden
hier uiteraard dezelfde expressieve waarde en bezieling als op het doek.
Het zijn echter niet langer voorgestelde vormen in een voorgestelde ruime,
maar reële objecten in een reële ruimte. Niet door de natuur, maar door
de mens gemaakt. Design dus.
VAN MIMESIS* NAAR DESIGN (2)
Als volume en ruimte imploderen tot
ééndimensionale wereld verglijdt mimesis* dus in design. Dat is ook het geval
als de volumes en de ruimte die op het doek slechts worden opgeroepen,
worden vertaald in echte volumes in de echte ruimte, zoals in de Lissitzky hieronder. En van deze oefening tot de villa van
Rietveld is maar een stap.
Deze stap uit de kunst naar de werkelijkheid is te vergelijken met het
vertalen van een schilderij in een 'tableau vivant', of beter nog: met
het omkeren van de beweging waarmee het echte model of het echte
stilleven werd omgezet op het doek. Het enige verschil is dat we hier
niet te maken hebben met herkenbare personen of met groenten en fruit,
maar met (combinaties van) geometrische vormen.
En dat maakt er ons attent op dat de parallel tussen schilderkunst en
beeldhouwkunst hier niet zomaar kan worden doorgetrokken. Terwijl er wel
zoiets bestaat als een abstracte schilderkunst, kan er van een abstracte
beeldhouwkunst geen sprake zijn. Juist omdat een kubus een door de mens
geschapen artificiële vorm is, bestaat hij immers ofwel als puur
niet-zintuiglijke idee, ofwel als vorm van een concrete stof.
Terwijl een tweedimensionaal weergegeven kubus de nabootsing kan zijn
van een echte driedimensionale kubus in een nader te bepalen materie, is
een driedimensionale kubus altijd echt: er is nergens een origineel
waarvan hij de nabootsing zou kunnen zijn, zoals een marmeren lichaam de
nabootsing kan zijn van een lichaam van vlees en bloed. Een houten kubus
daarentegen wordt nooit gelezen als de nabootsing van een marmeren kubus
of een kubus in metaal: dat zijn allemaal evenwaardige kubussen die
alleen maar samenvallen met zichzelf. Daarom zijn de kubussen van
Donald Judd
- in tegenstelling tot de geometrische figuren van Piet Mondriaan en
Kasimir Malewitsj
-
design en geen kunst. En dat geldt niet alleen voor driedimensionale
geometrische kunst, maar evenzeer voor de vormloze Rothko-varianten: echte
mistwolken in lichtshows hebben ongetwijfeld een charme die
vergelijkbaar is met die van een zonsondergang, maar het zijn nergens
nabootsingen van. Het zijn dus vormen van licht-design: light-shows..
Terwijl in de schilderkunst (of breder: op het tweedimensionale vlak) de
stap van kunst naar werkelijkheid wordt gezet op het ogenblik dat de
geometrische volumes en de ruimte imploderen tot vlak op het vlak,
grijpt de overgang in de beeldhouwkunst plaatsop het ogenblik dat de
driedimensionale vormen niet meer aan iets anders doen denken en
samenvallen met zichzelf. Bij Brancusi ligt de grens tussen de hanen en de oneindige
kolommen. Ook hier wil het mimetische taboe nog de
laatste mimetische echo's uitbannen die nog naklinken in de oneindige zuil.
Dat gebeurt door terug te grijpen naar puur met zichzelf samenvallende
geometrische vormen, waarmee de opgang van (beeldhouw)kunst in design
wordt voltooid. Deze stap werd nog eens dunnetjes overgedaan
door Donald Judd met zijn boxen. Al hebben die boxen nog te zeer deel aan het
idee van een lichaam als een door huid omsloten volume. Het mimetisch
taboe verzet zich niet alleen in de schilderkunst tegen elk herinnering
aan het lichaam, maar ook in de beeldhouwkunst: Tatlin en Naum Gabo
vervangen
de volumes die worden omsloten door het oppervlak van een huid door -
bij voorkeur transparante - vlakken, ja zelfs lijnen. Verwijzen we naar de
kubussen van Sol leWitt.
Van het menselijk lichaam naar de onstoffelijke geometrische vorm:
zover zijn we gekomen.....
VAN DESIGN NAAR MIMESIS* (2)
De tegendraadse beweging waarmee de schilderkunst zich krampachtig van
elke mimetische smet poogt wit te wassen om uiteindelijk tot pure design
te verworden, is tegengesteld aan de veel meer voor de hand
liggende beweging waarmee design al van oudsher mimetisch wordt
opgeladen - een beweging die zo sterk is, dat ze vermoedelijk aan
de wortel ligt van het ontstaan van de kunst. Al
op puur figuratief niveau wordt design mimetisch opgeladen als de poten van een stoel in de vorm van echte dierenpoten worden gesneden,
als een vaas wordt gelezen als het lichaam van een mens of een dier,
of als de kussens van een zetel als mond worden gevormd, zoals in de
fauteuil van Salvador Dali.
Dat is zozeer het geval dat kunstenaars als Picasso er zelfs een nieuwe
manier in zagen om kunst te maken, zoals wanneer hij het zadel en het
stuur van een fiets combineert om ze om te toveren in de kop van een
stier.
Maar de mimetiserende trend is ook en vooral werkzaam op het puur 'abstracte' niveau van de compositie van de
elementen. Puur vanuit een technische logica ontstane vormen krijgen al
meteen een mimetische dimensie, zoals wanneer een verdeelde zeshoek in drie
dimensies wordt gelezen als kubus. Het effect wordt
versterkt door een contrast tussen wit en zwart, dat al snel als schaduw
wordt gelezen. Dat effect wordt uitgewerkt door Albers en Op Art.
Ook verschillen in kleur
worden al heel snel gelezen als verschillen in diepte, vooral als de
plaatsing van de vormen een handje toesteekt. Dat geldt bij uitstek voor de
meer gesofisticeerde vormen van Op-art of kinetische kunst, waar naast
diepte ook beweging wordt gesuggereerd of kleuren die niet op het doek
te zien zijn.
Grensgevallen zijn werken als die van Ben Nicholson waarvan het
niet meteen duidelijk is of het bas-reliëfs of echte driedimensionale vormen zijn.
Op die manier ontstaat er een grensgebied tussen design en mimesis* waar
we niet altijd weten of er sprake is van kunst die op het
punt staat op te gaan in design, of van design die begint op te gaan in
mimesis*. Maar in alle gevallen gaat het slechts om een eerste
stadium van mimesis,
mimesis 'in statu nascendi' die zich in principe verder wil ontplooien tot
voltooide mimesis*. Nergens komt dat beter tot uitdrukking dan in het
tapijt, waar in de rand die het gemeen heeft met de omgevende
architectuur rudimentaire geometrische of organische motieven beginnen
te woekeren volgens eerder rudimentaire compositieschema's 'herhaling,
alternatie en dies meer, terwijl in het centrum volwaardige figuratieve
taferelen verschijnen.
Het zal intussen duidelijk geworden zijn dat
de schemerzone tussen design en kunst in het
driedimensionale niet ligt in het moment waarop de illusie van volume en
ruimte ontstaat, maar op de grens tussen het aan zichzelf identieke en
wat aan iets anders doet denken.
Zo zijn vele van
Andy Goldsworthy's creaties in de eerste plaats gehelen van eenvoudige
elementen die volgens doorzichtig regels worden geordend. Maar sommige
doen denken aan bestaande voorwerpen waar andere materialen volgens
gelijkaardige principes geordend zijn (oog, vogelnest...). Maar ook dit ‘doen denken aan’ is mimesis
'in statu nascendi'. Van voltooide mimesis onderscheidt ze zich doordat
we alleen maar ‘moeten denken’ aan iets anders. Zelden hebben we de
indruk iets anders te zien dan wat er is, zoals wanneer bij het zien van
gebeeldhouwde marmer het gevoel hebben voor een mens te staan. Eerder
krijgen we de indruk te zijn gestoten op constructies uit parallelle -
maar echte - werelden.
En dat geldt evenzeer voor de constructies van Anish Kapoor:
Deze beide laatste werken mogen er ons
overigens aan herinneren dat het woord 'design' geen scheldwoord is, wel
integendeel. Maar juist daarom wordt het tijd dat designers ermee
ophouden om als kunstenaar te poseren. Om in het prestige in de kunst te delen?
LE NON-PAINT
Bij de geometrische helderheid en klaarheid van bovenstaande
gedachtegang zullen velen alleen maar achteloos de schouders ophalen.
Liever leggen ze hun oor te luisteren bij meer gesofisticeerde geesten,
wier eerder labyrintische constructies jammer genoeg alleen
maar de overigens erg doorzichtige ideologie zijn die de bijbehorende anti-mimetische
praktijk moest
legitimeren.
Intussen ben ik de laatste om te ontkennen dat het anti-mimetische élan nieuwe
perspectieven heeft geopend in de kunst en vaak hoogstaande kunstwerken
heeft opgeleverd., Maar het is wellicht aan de
orde van de dag om de balans te maken en zich rekenschap te geven van
wat - hopelijk niet onherroepelijk - verloren is gegaan.
Of: om vol
heimwee te denken aan wat in de afgelopen eeuw zoal niet ongeschilderd
bleef...
©
Stefan
Beyst,
april 2005

* Het oproepen - nabootsen - van een al dan niet bestaande wereld. Zie 'Mimesis'
Reacties: beyst.stefan@gmail.com
zie ook:
stefan beyst over hedendaagse kunstenaars
Op
de hoogte blijven van nieuw teksten: mailinglist.
.
Als toegift:
een gedicht
van
Carlos
Barbarito
Op de stoffelijke resten, de open monden,
de open ogen
(afstandelijk,
tekent een god cirkels, driehoeken,
een meetkundige, geen vader) |
interessante links:
platform abstracte kunst |
| |

objet de
désir
© SB
|