|

Guillermo Pilía
WAAROM BARBARITO
Omtrent Naakte materie
Al vele jaren kom ik bevestigen dat Carlos Barbarito een van de
beste dichters is van de generatie die velen
“die van '80” noemen, maar die ik liever “die van '78” zou
noemen, om redenen die hier niet terzake doen. Ik weet niet of
mijn oordeel van enige waarde is of enige autoriteit bezit, maar
het is in elk geval een zeldzaamheid, omdat ikzelf tot deze
generatie behoor, en omdat het goede gewoonte is geworden de
verdiensten te prijzen van dichters die ofwel ouder zijn ofwel
jonger, maar bijna nooit van degenen met wie men in dezelfde
koers loopt. Afgezien daarvan, geloof ik dat Naakte materie
heel goed kan dienen als paradigma om mijn oordeel op een
enigszins objectieve manier te funderen.
Om te beginnen is de dubbelzinnigheid van de titel een kenmerk dat
je overal terugvindt in de poëzie van Carlos Barbarito. Naakte
materie is zowel datgene waaruit wij bestaan - de basis van
ons existentiële kwetsbaarheid - als de naakte materie van
de poëzie, 'het naakte woord' in de betekenis van ontoereikend en
onvoldoende, maar ook in de betekenis van ontdaan van elke
materie, van elke vorm van gekunsteldheid die afbreuk zou kunnen doen
aan een naakte visie op de werkelijkheid. Het woord is halfweg
tussen het niets/en het stof, wat net zo goed op de mens van
toepassing is, en de dichter weet niet of het in staat zal zijn
het diffuse te vatten, om de opening die bloedt te stelpen. De
dubbelzinnigheid, dat voortdurend vragen 'wie' of 'wat', is geen
loos stijlmiddel, maar vloeit voort uit een welbepaalde visie op
de realiteit.
De realiteit - het citaat van Fichte wijst ons erop - is niet de
chaos die ons omringt, maar de frele architectuur die de dichter
optrekt om geen schipbreuk te lijden temidden van droge
onschuld,/
de zijde op drift, marge, periferie',
temidden van de nevelgordijnen waarin hij rondtast. Door dat
'bitter/ is het brood dat mij voedt. En troebel is het water dat ik
drink./ En de stem die ik hoor, of meen te horen/ lijkt afkomstig
van de andere kant van de wereld'. De dichter construeert, maar
het beroep dat ik uitoefen is nauwelijks weerkaatst licht,
misleiding, het is een voortdurend bevragen: bestaat er
een ruimte van de kalmte, golf op het oppervlak,/
aardse of hemelse rots, vrucht van Eden, van Matisse /op dit doek uitgestrekt onder het oog van de regen?,
dromen van een sneeuwbui waar nooit sneeuw was,
van een regen waar altijd woestijn was?
En de antwoorden bestaan niet: Een antwoord/vragen - ontploffing van vuurwerk,/
een ingenieuze hypothese,/
een stof in het gezicht dat haast alleen meer bot is?
Misschien is er in het ontstaan van poëzie van Barbarito veel
irrationalisme, veel dionysische dronkenschap. Maar meer dan naar
de logische zin van elk gedicht komt het erop aan te zoeken naar de
emotionele zin van het geheel, want elk van zijn bundels
is opgebouwd als een mozaïek, door opstapeling van woorden en
beelden met een emotionele betekenis. Vandaar dat de dichter over
de tijd heen een geestelijke verwantschap voelt met Hiëronymus
Bosch, die in zijn Tuin der lusten en zijn Muzikale hel
misschien niet zozeer een vertekend beeld van de werkelijkheid
ophangt, dan een verdacht luciede visie. Want Bosch is de
schilder aan wie hij vraagt: 'Is er een weg, waarheid, woord,
regenboog, onder de hooiberg die op alles weegt?'
De dichtkunst van Barbarito, zegden we, is er een van vragen, van
dubbelzinnigheid, van irrationalisme. Maar soms, rijst midden in
de fries een beeld op dat suggestief lichamelijk is, rationeel,
historisch, een uitspraak met het gewicht van een zin - de
aarde wordt ziek van een zware kwaal
- profane profetieën - Gij zult lijden, gij zult lijden
aan een kwaal/
vreemde vrouwen zullen balsems aanvoeren/
en de schuld geven aan de liefde,/de bliksem.
- zekerheden van de onherleidbaarheid van het geheugen: Ongeacht de tijd die sindsdien is vervlogen,/
het leed en het werk, het beleefde/
en voorvoelde, het beminde en gehate,/
keer ik elke stormnacht terug naar dat huis,/
ben ik opnieuw het kind met de gesloten ogen.
Een langzame, meditatieve, maar voor alles gevoelde lectuur van
Naakte materie kan misschien duidelijk maken waarom Carlos
Barbarito naar mijn mening een van de beste dichters is van de
generatie van '78. Wij die tot deze generatie behoren hebben in
onze lendenen een wonde die maar niet wil dichtgaan, in de zij een
wonde die niet stopt met bloeden, maar haar zwarte mond
blijft tonen. Ver van enige anekdotische verwijzing, van enige directe
allusie, herschept de wereld van Barbarito - in de etymologische
betekenis van opnieuw scheppen - een wereld van angst, zonder de
angst te noemen, van verlatenheid en ellende die niet uitgaan van
het concrete, maar van wat de woorden uitwasemen:
Hij ruikt de verlaten hond, de lompen in het donker,
hij ademt lucht in die anderen al ademden,
hij wordt ziek van de trage regen,
van verre geluiden, van ogen die loeren,
hij ruikt een hoop schaafsel,
het naakt dat niet meer vraagt,
hij ademt blinde materie in, zonder plaats op de Tafel,
hij slaapt op zijn zij of gezeten
met één oog open en het andere oog
naar binnen gekeerd, naar zijn harde verstarde lava,
hij wordt ziek van niets, van leegte.
.©
Guillermo Pilía
2004

|