Joaquín Mª Aguirre




CARLOS BARBARITO LA LUZ Y ALGUNA COSA
Carlos Barbarito, La luz y alguna cosa, Buenos Aires, Ediciones Último Reino, 1998, 78 pp. ISBN: 950-804-062-9


Als de roman zich beweegt in het spanningsveld tussen taal en wereld, beweegt de poëzie zich in het spanningsveld met het menselijke. Droevig lot van de dichtkunst: het doelloos te moeten uitschreeuwen in een kakofonische wereld zonder glans. Gedichten maken - ja, gedichten màken! - staat vandaag gelijk met verzinken in de wanhoop van sociale stilte. Als de dichtkunst verschijnt, doet ze het op de toppen van de tenen, en vol schaamte in een wereld van neonlicht en publicitaire fanfares. Ver van het schandaal van de gebeurtenissen - het domein van de roman - buigt de poëzie zich over het schandaal van het zijn, en nauw daarmee verbonden, het schandaal van de taal die getuigt van de kloof. Want er is geen groter schandaal dat het schandaal te bestaan, en erger nog, het bewust bestaan, waarvan de poëzie rekenschap geeft.

Zo, op de tippen van de tenen, verschijnt het werk van een groot dichter of het grote werk van een dichter, wat op het toneel van de taal op hetzelfde neerkomt. Vanuit Argentinië bereikt ons een ingebonden geschenk, een weldaad voor wie in staat is ontroerd te worden door het woord. La luz y alguna cosa is waarachtige poëzie. Zoals Walt Whitman zei over zijn werk: wie ermee in contact komt, komt in aanraking met een mens, met het vlees.

Het boek bestaat uit drie delen: La luz y alguna cosa (25 gedichten), Dispersos (9 gedichten) en Bosques del dia y dal noche (17 gedichten). Veeleer dan een poëzie van antwoorden is de dichtkunst van Carlos Barbarito een poëzie van vragen gesteld aan de mens, het wezen dat gedoemd is om te sterven. Bij gebrek aan antwoorden wordt de mens geconfronteerd met het eeuwige lijden van het vragen en het zich vragen stellen.

Twee aspecten springen in het oog, vooral in het eerste deel. Om te beginnen is er het spel van afstand scheppen dat hij realiseert door de tegenstelling van termen van nabijheid en termen van verte, van een hier en een daar, van een binnen en een buiten, van een ruimte waarin men zich bevindt in het aanschijn van een andere die zich heeft overgegeven of door wie men werd uitgestoten. In dit deel gaat de aandacht vooral uit naar de manier waarop de kinderjaren worden opgevat - het kind verschijnt als terugkerend element in vele gedichten - de kinderjaren als een ver verwijderde ruimte, een verloren ruimte. De kinderjaren worden niet zozeer begrepen als de periode waarin men volwassen wordt, als een stadium, dan wel als een andere dimensie van het zijn, als een totaal verschillende toestand.

Als we het goed voorhebben, sterkt die dimensie zich uit tot in het moederlichaam ("de warme zak waarin ik werd gedragen"), het voorgeborchte van de irrationele wereld vol lijden waarin de mens is geworpen

... onlangs opgedoken
uit een mond van mysterie, waarin
hij hoorde stem en gehuil,
en van waaruit hij vroeg,
in een andere taal, zonder antwoord te krijgen:
wat is toch dit voorgevoel
van naalden, van ogen, van eters?

Uitgestoten, op de wereld geworpen, beweegt de mens zich in een wereld van ruïnes die hem alleen maar kan doen verlangen naar de terugkeer, met inbegrip van een omkering van de geschiedenis - "het lot achterstevoren", zoals de dichter schrijft.

Het andere element dat opvalt in de poëzie van Carlos Barbarito is zijn vermogen om fundamentele, primordiale ruimtes te scheppen. De verscheidenheid wordt herleid tot de elementaire vormen van alles: vuur, water, aarde. Als voorbeeld moge dienen volgend gedicht:


Van het lichaam blijft niet veel over,
een echo, een bijna uitgewist spoor,
een schaduw, niet eens de meest omlijnde,
niets eraan heel en vol
om een zekere genade te vinden bij het vuur
enige vergiffenis van de wind,
een zweem van verlossing
gefluisterd uit de monden van het water

Of nog een ander

Nog
heeft de wind geen taal,
heeft het vuur geen huis,
vindt het water geen bron,
geen kruik.
Nog
is alles gebroken en verspreid,
gebroken en verspreid.

De aarde, het vlees, de modder van het leven, wij begrijpen dat het hier gaat om het eigen menszijn, dat van het poëtisch subject, het werkelijke schouwtoneel van het conflict, dat in het aanschijn van de economie van de middelen, de dimensies van een eeuwig conflict verkrijgt, wordt opgeheven tot mythisch niveau.

Het is niet gemakkelijk om een eigen poëtisch universum te scheppen, zeker niet als men zich daarbij wil beperken tot een primordiaal schematisme zoals Carlos Barbarito. Maar dit reductionisme, deze economie van de penseelstreek, de afwezigheid van retoriek ten voordele van de gebroken lijn, verleent zijn dichtkunst een grote expressieve kracht, een directheid die de lezer in zijn naaktheid aangrijpt.

In een tijd waarin de poëzie zich in zichzelf terugtrekt om zich te verheffen tot 'metapoëzie', verbaast ons de afwezigheid van poëzie als thema. Slechts één van de gedichten - ¿para qué más, para qué caer en el narcisimo romántico? - concentreert zich op de figuur van de dichter als zodanig. In het gedicht - een zeer mooi gedicht - wordt de figuur van de schrijver gedepersonaliseerd tot op het punt van zich te verliezen in beelden van het zwarte, in de poëtische kronkels van het onzegbare:

Nathalie Sarraute

als ik schrijft,
zegt ze,
weet ik niet of het een man is, een vrouw,
of een slang. Of
wat hetzelfde is, zeg ik,
zij en wij allen die schrijven
zijn niemand en al deze dingen
tezelfdertijd.
En toch andere dingen,
die de rede of de waanzin
kan opnoemen:
de aal
in het duistere water, een klomp steenkool,
een heuvel die langzaam inzakt,
het amulet op de borst van de veroordeelde...
En ook deze roeispaan of deze riem
die in het water slaat tot het schuim wordt,
datzelfde schuim dat in het water voortbestaat
of in het water oplost.

Wij gaan doelbewust niet in op het natrekken van invloeden. De dichtkunst van deze auteur is persoonlijk genoeg om haar eigen authentieke koers te volgen over de zeeën van de poëzie: antiretorisch, uitgezuiverd, direct, en in laatste instantie humaan, herinnert deze dichtkunst ons aan de waarachtige kwaliteit van de dichtkunst, aan de alchimie van het woord: het vermogen om de modder, het menselijk leed, de menselijke breekbaarheid ("Wat/ aan mij, vraag ik mij af, is niet breekbaar,/blijkt niet kwetsbaar, verdeelbaar, breekbaar?") om te zetten in het goud van de taal.

Maar we krijgen niet de indruk dat er iets is als een verlossing door de taal in de poëzie van deze auteur. De poëzie is niet langer het Prometeïsche vuur, de balsem op de wonde. Veeleer een gebroken kreet, de getuigenis van een nederlaag.

Hoe te leven als alles afstevent op de dood?

Als voorbeeld voor dit existentieel karakter, van het wezen geworpen in het absurde, het niets, de paradox, volgend gedicht bijna helemaal op het einde van de bundel:

We graven allen met de handen
tot vanwaar een wenen te horen is.
Vandaag
weten we niets van de zee,
van de golven, van het licht van de verre schepen,
niets weten we van de hemel,
van de wolken en van de zwermen,
van het kwijl van de duivel meegevoerd op de wind.
We weten alleen te graven.
Voor de rest
(de nagels gebroken,
de vingers bebloed,
de adem stokkend,
dringende en angstige monosyllaben)
van de rest weten we vandaag niets,
niets

La luz y alguna cosa, een werk dat iemand de waardigheid van een dichter verleent, is een poëtisch eiland in een zee van saaie windstiltes. In een landschap van creatieve droogte is het altijd een vreugde om te stuiten op bladzijden die ons voeren naar de duistere uithoeken van de menselijke ziel, die ons ertoe aanzetten om onszelf te hervinden in het diepste van ons wezen.

© Joaquín Mª Aguirre Dpto. Filología Española III -UCM 4/01/99

Reacties gastenboek

Oorsponkelijk gepubliceerd op http://www.ucm.es/info/especulo/numero10/c_barbar.html

zoek op deze site

powered by FreeFind