CARLOS BARBARITO

straal onder water
© Carlos Barbarito 1992





best bekeken op volledig scherm (F11)

klik op o om het volgende gedicht te zien






















A María
A Carlos Rodríguez Murúa







Aan María
Aan Carlos Rodríguez Murúa

o






Qué retumbe en silencio lo que se escribe,
para que el silencio retumbe largamente, antes
de volver a la paz inmóvil entre la que sigue
velando el enigma.
Maurice Blanchot, La escritura del desastre.

Pero también llega, en función de la libertad,
el momento en que un alma se reconquista, y
puede decirse a sí misma con el asombro de un
convaleciente: Dios mío, ¿qué he podido hacer
durante todos estos años?
Giles Deleuze, El pliegue.





















o

1






Sale de una grieta en la tierra.
Respira y crece; crece y respira;
crece porque respira; respira porque crece.
De átomo de lodo en el lodo
a fruto en cuyo centro
una visión madura y se perfecciona.
Crece hasta no dar más de conciencia
De cópula, de minutos,
de leves y densas maquinarias de aire y de tierra.

Entonces habla.







Hij komt te voorschijn uit een barst in de aarde.
Hij ademt en groeit; groeit en ademt
hij groeit omdat hij ademt; en hij ademt omdat hij groeit.
Van atoom van modder in de modder
tot vrucht in de kern waarvan
een visioen rijpt en zich vervolmaakt.
Hij groeit tot er niet méér bewustzijn kan zijn.
meer paring, meer minuten,
meer lichte en dichte mechanismen van lucht en aarde.

En dan spreekt hij.

o



2





El lobo muerde a la palabra conejo.

Ni grito, ni dolor, ni sangre.









De wolf bijt in het woord konijn.

Geen kreet, geen pijn, geen bloed.

o



3





Yo por debajo del Poeta,
el Poeta por debajo de mí,
yo por debajo del Poeta con excepción de mi oficio,
el Poeta por debajo de mí con excepción de su oficio.








Ik onder de Dichter,
de Dichter onder mij,
ik onder de Dichter afgezien van mijn beroep,
en de Dichter onder mij afgezien van zijn beroep.

o



4





Muerto de miedo, me contestaba: nada.
Sartre.

Ningún padre es bueno y no tengo visiones.

Araño la tierra y el nudo de la tierra.
Arranco madejas de venas
de los feroces animales que gritan de noche.
Vivir, morir no basta
pero no hay otro fuego, otro hielo.
Un humo sube desde la sangre
y atrae ángeles y cuervos,
entre ese humo y esas alas voy
queriendo saberlo todo u olvidarlo todo
y no puedo.

Ningún padre es bueno y he leído demasiado.









Doodsbang antwoordde hij mij: niets
Sartre.

Geen vader is goed en ik heb geen visioenen.

Ik krab in de aarde en in de knoop van de aarde.
Ik ruk strengen van aders
uit de wilde dieren die huilen 's nachts.
Leven, sterven volstaat niet
maar er is geen ander vuur, geen ander ijs.
Damp stijgt op uit het bloed
en trekt engelen en raven aan,
tussen deze damp en deze vleugels ga ik
zoekend alles te weten en alles te vergeten
en ik kan niet.

Geen vader is goed en ik heb teveel gelezen.

o



5





The day is in the sea, the night grows cold.
John Brinnin.

No siempre estamos desnudos, a veces
nos cubre el trapo negro que nos arroja el mundo:
un entierro sin ceremonia
de un corazón de ciervo, todavía palpitante,
una súplica por la devolución
de los propios huesos,
la muerte ajena sin un relámpago en el cielo,
sin un mísero resplandor de una luz de fósforo
contra el vidrio de una ventana.
No siempre oímos el rumor del agua
bajo los puentes, por las canaletas
cuando cae la lluvia, a veces
trepa desde el fondo hasta nosotros
un grito ahogado que no acaba,
apuñala toda música,
nos hiela la sangre,
las manos.






De dag is in de zee, de nacht wordt koud.
John Brinnin.

Niet altijd zijn we naakt, soms
bedekt ons het zwarte doek dat de wereld over ons gooit:
een begrafenis zonder ceremonie
van een hertenhart, nog kloppend,
een smeekbede voor de teruggave
van het eigen gebeente,
de dood van een ander zonder een bliksem in de hemel,
zonder de schamele schijn van een lucifervlam
tegen de ruit in het raam.
Niet altijd horen we het ruisen van het water
onder de bruggen, in de goten,
als de regen valt, soms
stijgt uit de diepte tot ons op
een gesmoorde kreet die niet ophoudt,
elke muziek overstemt,
ons het bloed doet stollen,
onze handen verkilt.

o



6






El polvo cubre los frutos,
La carne se desgasta en semanas huecas, oscuros trabajos.










Het stof bedekt de vruchten.
Het vlees vergaat in holle weken, duistere werken.

o


7





Algo calla y ya no llama desde la carne
y la tierra. Ahora entre tu respiración y la mía
hay otra respiración parecida a la muerte,
más temible que la muerte (al fin
y al cabo morir es seguir conversando con el Misterio,
salvo que más lejos.) Sombra
que nos abraza y nos dice al oído:
ayer el humo cubrió el árbol junto a la ventana,
la orilla blanca de enfrente.

Ahora entre nosotros se apagan aquellas preguntas
(¿qué es este sueño de membranas opacas
el sendero de sangre de cabra, de cordero?
¿dónde el fermento y dónde el reposo?)
y nos recostamos contra una pared
con los ojos cerrados, del lado de la oscuro.









Iets zwijgt en roept niet meer vanuit het vlees
en de aarde. Tussen jouw ademhaling en de mijne
komt nu een andere ademhaling gelijkend op de dood,
veel verschrikkelijker dan de dood (tenslotte,
uiteindelijk, is sterven doorgaan met praten tot het Wonder
maar dan veel verder). Schaduw
die ons omhelst en ons in het oor fluistert:
gisteren omhulde rook de boom naast het venster,
de witte oever aan de overkant.

Nu verstommen tussen ons die vragen:
wat is die droom over ondoorzichtige vliezen,
de weg van bloed van de geit, van het lam?
waar is de gist en waar de rust?
en we gaan slapen tegen een muur
met de ogen gesloten, aan de kant van het duister.

o

8





¿El alma es lo suficientemente fuerte?
no llega casi nunca con su mirada a lo más temido,
a lo más terrible y secreto:

retrocede temblando,
como un niño ante su propia sombra
en medio de un corredor vacío.








Is de ziel het voldoende sterke?
haast nooit dringt ze door met haar blik tot het meest gevreesde,
het meest verschrikkelijke en geheime:

ze deinst terug, bevend
als een kind voor zijn eigen schaduw
in het midden van een lege gang.

o


9





(Valéry, Eupalinos)

Un día le habla a Dios y no obtiene respuesta.
Un día lo sorprende la respuesta grabada a punta de
navaja en la corteza de un árbol.
Un día es una criatura débil y ciega.
Un día aguanta el peso del mundo en su espalda
y ve fuegos en la noche del espacio.
Un día cifra vida y muerte en teoremas y logaritmos.
Un día sale a la calle con una olla de carbones
encendidos mientras el viento disemina el olor de la
peste o pasa horas sentado en una ciénaga haciendo
gestos, riendo a carcajadas porque otro viento lo ha dispersado.
Ha nacido, como todos, varios,
Y, como todos, morirá sólo uno.








(Valéry, Eupalinos)

Op een dag sprak hij tot God en kreeg geen antwoord.
Op een dag verraste hem het antwoord
gegrift met de punt van eenzakmes in de schors van een boom.
Op een dag is hij een schepsel, zwak en blind.
Op een dag torst hij de last van de wereld op zijn rug
en ziet hij vuren in de nacht van de ruimte.
Op een dag berekent hij leven en dood in theorieën en logaritmen.
Op een dag gaat hij de straat op met een kit brandende kolen,
terwijl de wind de geur verspreidt van de pestof brengt hij uren door
gezeten in een moeras, druk gebarend en uitbarstend in lachen
omdat een andere wind hem heeft verspreid.
Hij is, zoals allen, als velen geboren,
En zoals allen zal hij sterven, slechts één.

o



10





(Levítico 15,25)

Sangra. Una mano contra la pared
y otra mano en el vientre.
Se derrama. En gotas densas, repetidas.
Hacia el centro de lo oscuro,
oscuridad finita pero sin límites.
Se inclina. Mira en el agua:
lo impuro se mezcla con lo puro,
en una tosca vasija de barro.
Lejos del Eje,
del Milagro.








(Levítico 15,25)

Zij bloedt. Een hand tegen de muur
en een andere hand op de buik.
Het vloeit. In dichte druppels, de een na de ander.
Naar het kern van het duister,
een duisternis die eindig is maar zonder grenzen.
Zij buigt zich voorover. Zij kijkt in het water:
Het onzuivere mengt zich met het zuivere
in een ruwe kruik van klei.
Ver van de As,
van het mirakel.

o


11





...la noche ofrece sapos, perros negros
y cadáveres ahogados...

Kawabata.

Una mujer se lava cada noche
con un agua pura, imperiosa,
así sople el fuego o el hielo,
así echen abajo las puertas
y entren a la casa con perros y linternas, así
no venga nadie y un violín se parta,
una estrella se rompa,
así un hombre, cualquier hombre, se desangre en el fondo
de un pozo,
y la sangre manche los lomos de los caballos,
y los caballos galopen hacia la fiebre y el espanto.
Se lava y tiembla
como quien rueda entre sapos, perros negros
y cadáveres de ahogados, y grita,
antes de ser tragado por la tierra.







... de nacht brengt padden, zwarte honden
en verdronken kadavers...

Kawabata.

Een vrouw wast zich elke nacht
met zuiver water, onverbiddelijk,
zelfs als het hitte waait of kou,
zelfs als ze de deuren instampen
en het huis binnendringen met honden en lampen, zelfs
als er helemaal niemand komt en een viool barst,
een ster breekt,
zelfs als een man, eender welke man, doodbloedt op de bodem
van een bron
en het bloed de rug bevlekt van de paarden
en de paarden galopperen naar de koorts en de angst.
Ze wast zich en beeft
zoals iemand die zich wentelt tussen padden, zwarte honden,
en verdronken lijken, en het uitschreeuwt
vooraleer te worden opgeslokt door de aarde.

o
.

12





(Por Sylvia Plath)

I

Hay una única fe que sopla ahora entre nosotros:

La que antes del primer humo,
tenue y gris sobre algún techo,
antes aún del primer muro cubierto de moho
y del primer atardecer
bajo lluvias de guijarros,
tomó cera,
hizo de nuestros rostros
a imagen y semejanza de los racimos
que penden y oscilan sobre las tierras
rasguñadas por el viento,
y luego de soplarnos en las narices
nos dijo:
Ya es tarde.











(Por Sylvia Plath)

I

Er is een enig geloof dat nu over ons waait:

Dat wat voor de eerste rook,
ijl en grijs boven een of ander dak,
zelfs voor de eerste muur bedekt met schimmel
en de eerste avondschemering
onder regens van keitjes,
was nam,
ons gezicht boetseerde
naar het beeld en de gelijkenis van de trossen
die hangen of schommelen over de aarde
gestreeld door de wind
en na om onze neusvleugels te waaien
ons zegt:
Het is al laat

o


13





II

Hubo una vez una grieta en la argamasa del mundo

En ese breve interminable mar,
o fluir de densidades sin vida ni muerte,
o secreta mordedura que no podía doler
por ausencia de dientes, de uñas,
una mujer nadaba desnuda, ignorándolo todo.











II

Er was eens een barst in het cement van de wereld.

In deze kortstondige oneindige zee,
of dat vloeien van dichtheden zonder leven of dood,
of die geheime beet die geen pijn kan doen
bij ontstentenis van tanden of klauwen,
zwom een naakte vrouw, die van dit alles niets afweet.

o



14





(Me acuerdo: todavía en madre y ya
sin ella, sucio de tiempo, de sangre,
piernas y brazos estirados
como en potro de tormento)
y desde entonces nunca del todo vivo,
nunca del todo muerto,
en Dios y en Nada
como entre trapos, lastimado,
y punzones, y dientes, y alcoholes.
Me acuerdo: tabla rasa ante el balanceo de una soga,
te dolerá mucho
un poco antes de la lluvia
-dijeron:






(Ik herinner me: nog in de moeder en al
zonder haar, vuil van de tijd, van het bloed,
de armen en de benen gestrekt
als op een folterrek)
en sedertdien nooit meer helemaal levend,
nooit meer helemaal dood,
in God en in het Niets,
als tussen windsels, gewond,
en priemen, en tanden, en alcohol.
Ik herinner me: tabula rasa voor het balanceren van een touw,
je zult veel pijn hebben
een beetje voor de regen
- zegden ze:

o


15






Por sogas, por nudos de sal,
por golpes de soga en las plantas de los pies,
por lo que ensucia, por lo que no limpia,
rueda dentro de rueda,
rueda que gira dentro de rueda que gira,
y por qué, para qué, para quién;
el mundo oscurece y mata los caballos
no para comer su carne

para abandonarla a los buitres;








Met touwen, met zoutklonters,
met slagen van touw op de zolen van de voet,
met wat vuilmaakt, met wat niet schoonmaakt,
wiel binnenin wiel,
wiel dat draait binnenin wiel dat draait,
en waarom, waarvoor, voor wie?
de wereld wordt duister en doodt de paarden
niet om hun vlees te eten

maar om het aan de gieren te laten;

o


16





y la vida que no surge de su propia lastimadura,
y yo sin rodillas sobre las que caer,
casi loco, emocionado, para adorarla.






en het leven dat niet herrijst uit zijn eigen wonde,
en ik zonder knieën om op neer te vallen,
haast gek, ontroerd, om haar te aanbidden.

o


17





Esta noche, una mano helada, de gigante, le toca
la frente y lo despierta. Se incorpora de la cama y
en su angustia olvida ponerse la camisa (¡ y hace
tanto frío!). Nada a ciegas por el interminable río
flanqueado de retratos y siente que las furiosas y
sin embargo inmóviles corrientes en vez de acercarlo
lo alejan cada vez más del único paraíso que su mente
atina a concebir ahora: el interruptor de la luz.









Deze nacht raakt de bevroren hand van een reus
zijn voorhoofd aan en wekt hem. Hij staat op van zijn bed
en vergeet uit angst zijn hemd aan te trekken (en het is
zo koud!). Hij zwemt blindelings door de oneindige rivier,
geflankeerd door portretten en voelt dat de woeste
en toch onbeweeglijke stromingen, in plaats van hem nader te brengen
hem steeds verder verwijderen van het enige paradijs
dat zijn geest zich nu kan voorstellen: de schakelaar van het licht.

o


18






Sueña que camina hacia la luz.
Cuando parece que la luz y él
van a fundirse en un único y definitivo abrazo,
lo despierta el tenue resplandor de un fósforo
que su mujer ha encendido
asustada al sentirlo aferrado a su cintura
como un niño a la cintura de su madre,
temblando.







Hij droomt dat hij naar het licht wandelt.
Als het lijkt alsof het licht en hij
op het punt staan te versmelten in een enige en laatste omhelzing,
wekt hem het ijle schijnsel van de lucifer
die zijn vrouw heeft aangestoken
geschrokken hem zo vastgeklampt te voelen aan haar heupen
als een kind aan de heupen van zijn moeder,
bevend.

o



19






(En viaje)

I

Es un animal pequeño y desalado
Yace al borde del camino
Un animal muerto, sólo eso, pero de algún modo el
final de otro resplandor en el mundo, de otra
esperanza de un dios que ya no cree en la geometría

Un animal de dientes blancos, blanquísimos.














(Op reis)

I

Het is een dier, klein en zonder vleugels.
Het ligt aan de rand van de weg.
Een dood dier, niet meer dan dat, maar op een of andere manier het
einde van een andere schittering in de wereld, een andere
hoop van een god die niet meer in de geometrie gelooft.

Een dier met witte tanden, allerwitst.

o



20





II

Atado a una quilla,
oye tan sólo el golpe del agua contra el hierro.
Nada de Anunciación, de cortinas desgarradas,
Nada de máscaras encendidas, de perfumes purpúreos,
De corazones y hermanas...









II

Vastgebonden aan de kiel
hoort hij alleen de slag van het water tegen het ijzer.
Niets van Verkondiging, van gescheurde gordijnen.
Niets van brandende maskers, purperen parfums,
Van harten en zussen...

o



21






III

Sólo formas heladas, opacas, diseminadas








III

Alleen bevroren vormen, ondoordringbaar, verspreid.

o


22






IV

Vuelvo

-dijo;
el camino estaba desierto
y nadie le besada los dedos

Vuelvo al armario
donde los hombres son abrigos vacíos.







IV

Ik keer terug

- hij zei:
de weg was verlaten
en niemand kuste hem de voeten

Ik keer terug naar de kast
waar de mannen lege mantels zijn*

o

*
Groucho Marx.


23






Ese que se abandona
bajo un cielo de rotas arboladuras,
¿tendrá el favor del ángel? Bajo un cielo
nunca de viaje espera
la tormenta que tarda, la calma que tarda,
el beso que tarda, la muerte que tarda,
algo que ya no sea el interminable diálogo
de los huesos con los propios huesos.









Hij die zich overgeeft
onder een hemel van gebroken masten,
zal hij de gunst genieten van de engel? Onder een hemel
nooit op reis wacht hij
op de storm die uitblijft, de stilte die uitblijft,
de kus die uitblijft, de dood die uitblijft,
op iets wat niet meer de onophoudelijke dialoog is
van het gebeente met het eigen gebeente.

o



24





(Anotaciones en un cuaderno olvidado)

...una carne blanda y blanca, de recién nacido... lobos...
(5 de setiembre, 1977)

A lo lejos, en una selva espesa, un animal devora los
restos de otro animal que ha matado, de su misma
especie, con sus mismos ojos.
(20 horas, jueves)

Hacia el amor o hacia el crimen, eterno extranjero.
(...)









(Aantekeningen in een vergeten notaboek)

__ een zacht en blank vlees, pas geboren....wolven..
(15 september, 1977)

In de verte, in een dicht woud, verorbert een dier de
resten van een ander dier dat het heeft gedood, van zijn
eigen soort, met zijn eigen ogen.
(20 uur, donderdag)

Aan de liefde en aan de misdaad eeuwig vreemd.(...)

o




25





Un potro gris.

Lo arrojaron por la borda,
en desesperado intento para aliviar el peso del barco.

Un potro grita,
desde el agua, entre los sargazos.

Uno de esos gritos será el último.










Een grijs veulen.

Ze gooien het overboord
in een wanhopige poging het gewicht van de boot te verminderen.

Een veulen schreeuwt,
vanuit het water, tussen de wieren.

Een van die kreten zal de laatste zijn.

o


26





Ame aux pesantes mains pleines d´avirons.
Valéry.

Por último abrió los ojos. Miró
bocas de mujer entreabiertas, innumerables.
Morir. Pero luche. Sí,
luché. Como el mercurio contra el azufre.
En lo profundo de su memoria
un alma pesada de remos
se convertía en yesca y ardía;
dijo:
Ya es la hora. Que los reptiles acudan,
que el dragón de los sueños y terrores acuda,
mientras se apagaban para sus ojos las estrellas
y en su agonía la tierra y el agua y el aire y el fuego
se mezclaban
y regresaban al caos del principio.










Ziel met de wegende handen vol riemen.
Valéry.

Onlangs opende hij de ogen. Hij zag
halfopen vrouwenmonden, ontelbaar.
Sterven. Maar vecht! Ja,
hij vocht! Als mercuur tegen solfer.
In het diepst van zijn geheugen
veranderde een ziel beladen met riemen
in een tondel en brandde op;
hij zei:
Het uur is gekomen. Dat de reptielen komen,
dat de draak van de dromen en de angsten komen,
terwijl onder zijn ogen de sterren uitdoofden
en in zijn doodsstrijd de aarde en het water en de lucht en het vuur
zich vermengden
en weerkeerden naar de chaos van de aanvang

o


27





(Kierkegaard)

Hasta la muerte
le habló sin descanso
a una alta sombra
sin oídos.







(Kierkegaard)

Tot aan zijn dood
sprak hij zonder ophouden
met een lange schaduw
zonder oren.

o



28





Mariposas sedientas sobre la arena mojada.








Dorstige vlinders op het vochtige zand.

o


29





I

Le habla en un idioma
que ella no logra reconocer,
y vencido se sumerge, como un témpano se sumerge,
y desde todas partes sopla
ni vida ni muerte ni padre ni hijo.
La abraza con más uñas que dedos
pero ella se desprende y se aleja
y antes de perderse en la luz
lo mira, quema sus ojos mirándolo,
a él, a ese perfil recortado en lo oscuro,
a esa campana que tañe
pero ya no por el metal sino por el hueco, la forma.







I

Hij spreekt haar aan in een taal
die ze maar niet kan herkennen,
en overwonnen gaat ze onder, zoals een ijsberg ondergaat,
en van alle kanten fluistert
noch leven noch dood noch vader noch zoon.
Hij omhelst haar meer met de nagels dan met de vingers,
maar zij maakt zich los en verwijdert zich
en vooraleer zich te verliezen in het licht
bekijkt ze hem, verblindt haar ogen terwijl ze hem bekijkt,
hem, dat silhouet afgetekend tegen het duister,
deze klokt die luidt,
maar niet meer door het metaal, maar door de leegte, de vorm.

o


30





II

Tengo tanta sed
-dijo.

Sólo le trajeron agua.






II

Ik heb zo'n dorst
- zei hij.

Ze brachten hem slechts water.

o


31





Cuando era niño me negaba a probar bocado.
Era una figura de mica al paso de las comidas.
Después crecí y me volví más débil.
Cedí, sí, pero en parte:
A veces escupo el pan porque me sabe a arena entre los dientes.







Als ik kind was weigerde ik hapjes te proeven.
Ik was een beeld van mica bij het opdienen van de gerechten.
Daarna groeide ik en werd erg zwak.
Ik gaf toe, ja, maar slechts ten dele:
Soms spuwde ik het brood uit omdat ik zand voelde tussen mijn tanden.

o

32





Sabe que toda luz
está destinada a acabar en la oscuridad.
Lo sabe y sin embargo
Se detiene en algún lugar en la noche,
frota una piedra contra otra,
hace la luz, y le dice:
serás eterna.









Hij weet dat elk licht
is voorbestemd om te eindigen in de duisternis.
Hij weet het, maar toch
stopt hij op een of andere plaats in de nacht,
slaat een steen tegen een andere,
maakt licht, en zegt het:
jij zult eeuwig zijn.

o


33





(Byron)

Holles Street Aberdeen Harrow Cambridge
Lisboa, Sevilla, Gibraltar Patrás Atenas
El Helesponto otra vez Londres Bruselas
Colonia Lausana Milán Venecia Roma
la Villa Foscanini en La Mira Ravena
Génova Cefalonia Missolonghi.

Sólo quien cojea
es capaz de llegar a tiempo
para morir entre relámpagos.







(Byron)

Holles Street Aberdeen Harrow Cambridge
Lissabon, Sevilla, Gibraltar Patrás Athene
Weer de Hellespont Londen, Brussel
Keulen Lausanne Milaan Venetië Rome
Villa Foscanini in La Mira Ravena
Genua Cefalonia Missolonghi.

Alleen wie lam is
is in staat op tijd aan te komen
om te sterven temidden van bliksems.

o




Buenos Aires, Ediciones del Dock, 1992, Colección El mono hablador (director: Joaquín Giannuzzi).


.
Copyright © Carlos Barbarito 1992
Copyright vertalingen © Stefan Beyst 2004


Heb je genoten van de gedichten?
Stuur dan het adres van deze pagina door naar je vriend(inn)en!

Wil je worden verwittigd als er nieuwe gedichten verschijnen?
Stuur dan een mail met de vermelding: 'barbarito'

Laat een boodschap aan de dichter achter in het gastenboek !
Wij vertalen het voor hem in het Spaans.




zoek op deze site


powered by FreeFind