CARLOS BARBARITO

steen gevat in steen
© Carlos Barbarito 2004




best bekeken op volledig scherm (F11)

klik telkens op o om het volgende gedicht te zien






Ediciones Hespérides,
La Plata, Argentina 2005

o






Y que ahora la noche se me haga del todo negra.
Que la noche me resulte demasiado oscura para ver del futuro.
Que lo que haya de ser, así sea.

Robert Frost






Y que ahora la noche se me haga del todo negra.
Que la noche me resulte demasiado oscura para ver del futuro.
Que lo que haya de ser, así sea.

Robert Frost

o


1






(Luego de leer una biografía de Anne Sexton)

No sé –¿nadie sabe?- qué cosa
es la locura, de qué color es,
con qué está hecha (fieltro,
alumbre, melaza). Sólo sé
que puede acostarse con todos,
incluso, aunque se crean a salvo, con los amantes.
Tal vez -¿quién me dará una respuesta?-
sólo sea posible cerrar los ojos,
pensar en un niño con un globo,
ser, por un instante y hasta que se acabe el aire, el globo,
volar, libres, allá arriba,
lejos del niño que, abajo,
solo en un patio grande como un mundo,
mira hacia el cielo y llora.






(Na het lezen van een biografie van Anne Sexton)

Ik weet niet - niemand weet? - wat
de waanzin is, welke kleur hij heeft,
waaruit hij is gemaakt (vilt,
aluin, melasse). Ik weet alleen
dat hij zich naast allen te slapen kan leggen,
ook, al wanen ze zich veilig, naast minnaars.
Misschien - wie zal me een antwoord geven? -
is het alleen mogelijk de ogen te sluiten,
te denken aan een kind met een ballon,
voor één ogenblik, en tot waar de lucht ophoudt, de ballon te zijn,
te vliegen, vrij, naar boven,
ver van het kind dat, beneden,
alleen op een binnenplein groot als een wereld,
opkijkt de hemel in en weent.

o






2





Dije amor, única instancia
cuyo fermento al aire no horroriza.
Dirán momentáneo reflejo
en el agua quieta,
en la pared que el musgo no protege.
Pero, de todos modos, ¿dónde?
¿Arrollado
bajo la tierra,
caído en el pliegue
de ningún sueño,
apenas baba de las cosas,
escena de arte de belleza
que se representó una vez,
pasó y ahora es sólo pez que desgarra
el frágil mar de la memoria?





Ik zei liefde, enige instantie
waarvan het ferment de lucht geen angst aanjaagt.
Zij zullen zeggen voorbijgaande weerspiegeling
in het rustige water
op de muur die het mos niet beschermt.
Maar, hoe dan ook, waar?
Bedolven
onder de aarde,
gevallen in de plooi
van geen enkele droom,
nauwelijks kwijl van de dingen,
schouwtoneel van de kunst van de schoonheid
die ooit verscheen,
voorbijging, en vandaag nog slechts een vis is
die door de fragiele zee van het geheugen klieft?

o


3





Camina, el viento sopla en contra
y, desde lejos, una risa lejana, de niño o mujer.
No hay nombre
para ese árbol que se inclina,
para ese espejo donde poca cosa se refleja,
para ese grupo de cañas requemadas
que constituye, al cabo de las horas,
el único paisaje. Más tarde, en la casa,
echará, como cada día, una leña a las llamas,
que creerá, como siempre, la última;
antes, a mitad de camino,
trazará sobre el pavimento
una línea de tiza
que tal vez no sea digna
de emular el rastro del caracol
hace mucho borrado por la lluvia.
Mientras, las nubes adoptarán muchas formas,
pero ninguna la de su propia cara.





Hij wandelt, de wind waait tegen hem op,
en, uit de verte, een verre lach, van een kind of een vrouw.
Er is geen naam
voor deze boom die zich neigt,
voor deze spiegel waarin weinig wordt weerkaatst,
voor dit bosje verbrand riet,
dat, na de werkuren,
het enige landschap vormt. Veel later, in het huis,
zal hij, zoals elke dag, een houtblok in de vlammen gooien,
dat hij, als altijd, het laatste zal wanen;
daarvoor, halverwege,
zal hij over de plaveien
een lijn trekken van krijt
die het misschien niet waardig is
te wedijveren met het spoor van de slak
al lang door de regen uitgewist.
Intussen zullen de wolken vele gedaantes aannemen,
maar geen enkele die van zijn eigen gezicht.

o


4





Una y otra vez procuré,
sin fortuna, obtener descendencia:
de una sílaba perdida,
de un tallo enroscado en otro tallo,
de una pluma llevada por la brisa.
Poco hubo, apenas esto,
una casi inaudible respiración
al otro lado del muro,
un nido pequeño, desarreglado y vacío
entre raíces desparramadas sobre la tierra.







Keer op keer probeerde hij,
zonder succes, nakomelingen te verkrijgen
van een verloren lettergreep
van een stam omwikkeld door een andere stam,
van een pluim die opwaait in de bries.
Het leverde weinig op, nauwelijks dit:
een schier hoorbare ademhaling
aan de andere kant van de muur
een klein nest, wanordelijk en leeg
tussen de wortels verspreid over de aarde.

o


5





Garabatea vida
sobre una pared despintada;
abajo, el agua inmóvil
que nunca desgastará la piedra.
Invierno, a cada golpe de viento
se repite la imagen de una casa que se derrumba.
Se arropa y no deja de estar desnudo.
Se desnuda y no deja de estar cubierto.
En la madera, una costra.
En el suelo reseco, restos de fuego, astillas.
Y en cada cosa vista o tocada,
el eterno e invencible misterio
que une la palabra cristal con la palabra hija,
se quiebra, los fragmentos se dispersan.






Hij kribbelt leven
op een afschilferende muur;
beneden, het onbeweeglijke water
dat nooit de steen zal uitslijten.
Winter, bij elke stoot van de wind
herhaalt zich het beeld van een huis dat instort.
Hij wikkelt zich in en houdt niet op met naakt zijn
Hij kleedt zich uit en houdt niet op met bedekt te zijn.
Op het hout, een korst.
Op de uitgedroogde grond, resten van vuur, spaanders
En in elk ding bekeken of aangeraakt
breekt het eeuwige en onoverwinnelijke mysterie
dat het woord kristal verbindt met het woord dochter,
de brokstukken verspreiden zich.

o


6





Hubo, se hizo, se dijo.
Oyeron, respiraron,
sintieron, durmieron, despertaron.
Hubo gravidez, frutos,
silencio, bordes, alimento.
Y fluir, corteza, danza.
Estuvo la inocencia y pasó.
Se oyó un gran ruido
de estrella rota en el centro.
Luego sal, ramas afiladas,
charcos, arena, sombras.
¿Qué envejeció sino el mundo?
¿Qué mundo surgió
sino una tenaz sucesión de residuos?
Entonces, ¿volver a escribir el libro
con lo que quedó, éter
o niebla, oquedad,
figuras sin nada que las lubrifique?





Er was, men deed, men zei.
Ze hoorden, ze ademden,
ze voelden, ze sliepen, ze werden wakker.
Er was zwangerschap, vruchten,
stilte, randen, voedsel.
En vloeien, schors, dans.
Er was onschuld en ze ging teloor.
Er was een groot lawaai te horen
van een ster gevallen in het centrum.
Verder: zout, scherpe takken,
poelen, zand, schaduwen.
Wat verouderde zoniet de wereld?
Welke wereld doemde op
zoniet een niet aflatende opeenvolging van overblijfsels?
Dan maar weer het boek schrijven
met wat overbleef, eter
of nevel, holte
figuren zonder iets dat hen oliet?

o

7





(A Stefan Beyst)

Ambarina, sustancia de miedo y pena.
Fluye, lenta por lo espesa,
desde el fondo más oscuro y secreto.
Mojará el suelo, el asiento fugaz
que llamamos la vida
y en el que nadie está nunca sentado.
Huele acre, olor de un animal
que huye de otro
bajo finas y filosas ramas
o huye de si, de su propia sombra.
Hay un espejo pero queda del otro lado.
¿Hay un espejo, un poco de agua,
un cometa nuevo y sin nombre todavía,
el perfil de una palabra,
una cópula entre la voz y su eco?
Nada reposa. Ni el reposo.
Todo gira, vibra, tiembla,
sufre de periódicos estertores,
todo se oxida, se ensucia,
padece dolor en el costado,
desea y no se sacia,
se sacia y duerme y sueña que desea.
¿Quién beberá ese líquido,
cómo será su sed,
tendrá otro rostro que no sea éste,
el mío, el tuyo, el de todos?






(Aan Stefan Beyst)

Amber, stof van angst en verdriet
Hij vloeit, langzaam vanwege zijn dikte
vanuit de diepte, donker en geheim.
Hij zal de bodem bevochtigen, het vluchtige verblijf
dat we leven noemen
en waarin niets ooit vast staat.
Hij ruikt zuur, naar de geur van een dier
dat vlucht voor een ander
onder dunne en scherpe takken
of dat vlucht voor zichzelf, voor zijn eigen schaduw.
Er is een spiegel maar hij blijft aan de andere kant.
Is er een spiegel, een beetje water,
een nieuwe komeet die nog geen naam heeft,
het profiel van een woord,
de paring tussen een stem en haar echo?
Niets rust. Zelfs de rust niet.
Alles draait, trilt, beeft,
lijdt aan periodiek doodsgereutel,
alles verroest, wordt vuil,
voelt pijn in zijn zij,
verlangt en vindt geen bevrediging,
vindt bevrediging en slaapt in en droomt dat het verlangt.
Wie zal deze drank drinken,
hoe zal aanvoelen zijn dorst,
zal hij een ander gezicht krijgen dan dit,
het mijne, het jouwe, dat van iedereen?

o


8





Cierro los ojos y el mundo muere.
Sylvia Plath.


Cantan los sapos en el jardín del vecino.
Se aproximan nubes negras, pesadas, muy lentas.
Lloverá y el mundo entero
quedará sepultado bajo el agua.
Los sapos lo saben - con su saber de sapos -
y cantan de un modo distinto, grave.
El resto, las demás bestias, los hombres,
lo ignoran, unos comen lo que encuentran
en la hierba, en las grietas de los muros,
otros se sientan a mesas con manteles a cuadros
y tragan cada bocado casi sin masticarlo.





Sluit de ogen en de wereld sterft

Sylvia Plath.


De padden kwaken in de tuin hiernaast
Er komen zwarte wolken aan, zware, heel traag.
Het zal regenen en de hele wereld
zal achterblijven begraven onder het water.
De padden weten het- met hun paddenverstand -
en zingen anders dan anders, ernstig.
De rest, de overige dieren, de mensen,
weten het niet, de enen eten wat ze tegenkomen
in het gras, in de spleten van de muren,
de anderen gaan zitten aan tafels met geruite tafelkleden
en slikken elke hap haast zonder kauwen in.

o

9





(A Hilda Paz)

Está en la sangre, en la piedra
que resbala por la sangre, en
lo que se supone libre,
en lo que se cree a salvo.
Agua que contiene la cabeza
del cordero, todavía
sangrante. Ancha,
insomne, se tiñe de rojo,
rojo casi negro.
En el centro de lo dado,
en un extremo de lo negado:
clavo en la madera,
aguijón con culpa por su punta
y, sin embargo, muy profundo
en el hueso, en la carne.





(Aan Hilda Paz)

Het zit in het bloed, in de steen
die glimt van het bloed, in
wat zich vrij acht,
in wat zich veilig waant.
Water dat de kop bevat
van het lam, nog
bloedend. Breed,
slapeloos, kleurt het rood,
een rood dat bijna zwart is.
In het middelpunt van het gegevene,
in een uithoek van het ontkende:
een nagel in het hout,
een doorn schuldig vanwege zijn steek
en, ongetwijfeld, veel dieper nog
in het bot, in het vlees.

o


10





Muerte, te traigo regalo.
Te ofrezco pulpa, jugo, racimo.
Te doy belleza, bálsamo, primicia.
Tiene que haber algo allí adentro,
inmóvil o en tránsito,
y algo para alcanzarlo,
una plomada, una sonda.
Cáscara o tesoro,
pasión o almohada;
lo que cae lleva ansia,
lo que sube no encuentra
relámpago, consistencia.
Vida, ahora veo ramajes,
algodones, ácidos, nubes.
¿Quién te habita,
quién supera tu cifra,
tu límite, el breve y flaco dios
que te habita, solo,
a mitad de camino
entre la consunción y el fracaso?







Dood, ik breng je een geschenk.
Ik schenk je vruchtvlees, sap, een ruiker.
Ik schenk je schoonheid, balsem, eersteling.
Er moet iets zijn daar binnen,
onbeweeglijk of in overgang,
en iets om het te bereiken,
een peillood, een sonde.
Schaal of schat,
passie of kussen;
wat valt stuit op begeerte
wat opstijgt komt geen
bliksem tegen, consistentie.
Leven, nu zie ik takken,
katoen, zuren, wolken
Wie bewoont jou,
wie overstijgt je getal
je grens, de kortstondige en zwakke god
die jou bewoont, alleen,
halverwege
tussen het wegkwijnen en de mislukking?

o


11





(Cecilia Gallerani)

Un sólo fósforo podría alumbrarla,
pero ¿qué luz? En sus brazos,
animal de magia y caverna
(deseo y temor.)
Un solo fósforo
podría revelar el secreto
del matrimonio
entre lo que está arriba
y está abajo,
primer paso hacia el oro,
último paso hacia el sueño
más puro.
Sí,
pero ¿qué luz?





(Cecilia Galleran)

Een enkel lucifertje zou haar kunnen verlichten,
maar: welk licht? In haar armen,
dier van magie en grot
(verlangen en angst.)
Een enkel lucifertje
zou het geheim kunnen ontsluieren
van het huwelijk
tussen wat boven is
en wat beneden,
de eerste stap naar het goud,
de laatste stap naar de meest zuivere
droom.
Ja,
maar welk licht?

o


12





¿ De quién la pulpa de la fruta
cuando pende sin testigos de la rama más alta?
¿ De quién el día perfecto, la noche exacta,
el círculo, la piedra sin falla,
lo inexpresable, lo último y más secreto?
¿ Quién es señor del agua,
patrón del fuego, capitán del aire
cuando es viento contra los árboles?
¿ Y este perro que ladra a la belleza,
que muerde su espesor y su sustancia,
este hombre que siembra en el barro,
descalzo y solo bajo un sol indiferente?
¿ Qué somos cuando sólo hay sal y sangre,
sombras de bromo en largo cortejo,
luces submarinas, frágil paraíso que se disipa?





Van wie is het vlees van de vrucht
als ze zonder getuigen hangt aan de hoogste tak?
Van wie is de volmaakte dag, de juiste nacht
de cirkel, de steen zonder fout,
dat wat niet is uit te drukken, het laatste en grootste geheim?
Wie is de heer van het water,
de patroon van het vuur, de kapitein van de lucht
als er wind is in de bomen?
En die hond daar die blaft tegen de schoonheid,
die bijt in haar uitgebreidheid en haar substantie,
die man daar die zaait in de modder,
blootsvoets en alleen onder een onverschillige zon?
Wat zijn we als er alleen zout is en bloed,
schaduwen van broom in lange stoeten,
onderzeese lichten, een breekbaar paradijs dat vervluchtigt?

o



13



¿Qué fuerza ejerce sobre ellos su influjo
mientras soplan desde abajo cierto incienso
hacia un cielo remoto, inmutable? ¿A qué
perdido sol veneran, casi desnudos?
Sienten miedo, a sus pies la tierra gira caótica,
ante sus ojos la muerte adquiere forma de llama
y el fuego toma arbustos hacia Orión,
el núcleo, Pennsylvania.
(¿Cuánto mide y pesa ahora el mundo,
ahora que ninguna pregunta es pertinente,
ninguna respuesta, satisfactoria?).







Welke kracht oefent op hen zijn invloed uit
als ze van beneden een zekere wierook blazen
naar een verre, onbeweeglijke hemel? Welke
verloren zon vereren ze, bijna naakt?
Ze voelen de angst, onder hun voeten draait de chaotische aarde,
voor hun ogen neemt de dood de vorm aan van een vlam
en voert het vuur struiken naar Orion,
de kern, Pennsylvania.
(Hoeveel meet en weegt de wereld vandaag,
nu geen enkele vraag nog pertinent is,
geen enkel antwoord bevredigend?)

o


14





(A José Basile, in memoriam)

Ahora es sólo tiempo,
la torpeza de la carne
abatida sobre su propio,
incongruente, irreflexivo deseo.
Si pudiera girar la llave
encontraría del otro lado
piedra encerrada en piedra.
¿Sostiene la tierra su pie,
la ladera cortada a pique
contiene su silencio,
la mancha en su costado ciego?
Ahora, lejos, el carnaval de lo ficticio,
el pacto de la rama con el musgo,
la monodia de los vivos
ante una esfera descarnada.
¿Qué ve, qué se imagina,
más allá de si, azares, destinos?







(A José Basile, in memoriam)

Nu is er alleen tijd,
de dwaasheid van het vlees
vertwijfeld om zijn eigen,
ongerijmde, onbeheerste verlangen.
Als hij de sleutel kon omdraaien
zou hij tegenkomen aan de andere kant
steen gevat in steen.
Steunt de aarde zijn voet,
bevat de steil afgegraven heuvel
zijn stilte,
de vlek in zijn blinde zijde?
Vandaag, ver weg, het carnaval van het ingebeelde,
het verbond van de tak met het mos,
de monodie van de levenden
bij de aanblik van een ontvleesde sfeer.
Wat ziet hij, wat stelt hij zich voor,
daar ver van zichzelf, het toeval, het noodlot?

o


.



.
Copyright © Carlos Barbarito 1998
Copyright vertalingen © Stefan Beyst 2004


Laat een boodschap aan de dichter achter in het gastenboek !
Wij vertalen ze voor hem in het Spaans.

Wil je worden verwittigd als er nieuwe gedichten verschijnen?
Stuur dan een mail met de vermelding: 'barbarito'






Aanbevolen:

Het oog van de roos: internationaal poëzine



zoek op deze site


powered by FreeFind