CARLOS BARBARITO


het licht en een ding
© Carlos Barbarito 1998




best bekeken op volledig scherm (F11)

klik op o om het volgende gedicht te zien








Hay que ser bilingües incluso en una sola lengua,
hay que tener una lengua menor
en el interior de nuestra propia lengua,
hay que hacer un uso menor de nuestra propia lengua.


Gilles Deleuze.























We moeten tweetalig zijn, zelfs binnen één enkele taal,
we moeten beschikken over een mindere taal
binnen in onze taal,
we moeten een minder gebruik maken van onze eigen taal.


Gilles Deleuze

o

1






Entre los dos -uno
que no nadó nunca y esperó en la orilla,
y una que nadó entre campos de ahogados
y naciones de algas para abrazarlo-
hay ahora
algo a lo que no atinan a darle un nombre
(cubre de polvo el camino de piedras blancas
e inclina con su peso las ramas
hasta obligarlas a tocar el suelo).
Ayer
tenían la mirada puesta en un sol remoto
y sus pies pugnaban por abandonar el suelo;
la carne se les volvió vidrio, se hizo trizas,
un niño recoge los pedazos, se lastima.
Este lugar que fuera de ellos
es el actual desierto en el que se extravían;
lo que los separa desde hace un momento
dura ya siglos.
El niño
se mira la mano,
grita.






Tussen de twee - hij
die nog nooit gezwommen had en wachtte op de oever
,
en zij die zwom tussen velden van verdronkenen
en naties van wieren om hem te omhelzen -
is er nu
iets wat ze maar niet bij naam kunnen noemen
(het bedekt met stof de weg met de witte stenen
en buigt met zijn gewicht de takken
tot ze noodgedwongen de grond raken).
Gisteren
hielden ze de blik gericht op een ver verwijderde zon
en hun voeten worstelden om van de grond te komen,
tot glas werd hun het vlees en brak in stukken,
een kind raapt de scherven op en doet zich pijn.
De plaats die de hunne was
is thans de woestijn waarin ze verloren lopen,
wat één ogenblik geleden hen scheidde
duurt eeuwen intussen.
Het kind
kijkt naar zijn hand,
schreeuwt het uit.

o


2






Afuera la noche respira,
parece una ballena cansada.
En el cuarto,
el Juicio se abre:
No mataste pájaro alguno,
de tus labios no salió jamás
maldición alguna contra la lluvia;
no es suficiente,
te faltó arribar, por ejemplo,
una tarde a Estambul,
no encontrar a quien debía esperarte en el puerto,
andar por un laberinto de calles
repitiendo a gritos un nombre,
acabar en una cama de pensión y tener sueños
de tejas rotas, de cigarras muertas,
de mercados en llamas.
Y también
descender por una ladera escarpada
hasta el estrecho valle
donde las aguas se juntan
y, entre olas de amor, de odio, de pena,
de duda. de desesperación,
de angustia, encontrar por fin una llave
o un nuevo nudo de sogas.
Afuera
cada cosa se abandona a un ciego azar,
cada ser entra descarnado al olvido.
Adentro, una aguja fina
penetra la débil defensa de quien escucha,
interesa su centro,
lo perfora.






Buiten ademt de nacht,
hij lijkt een vermoeide walvis.
In de kamer
vangt de Rechtszitting aan:
Je doodde geen enkele vogel,
je lippen spraken nooit
een vervloeking van de regen uit;
dat volstaat niet,
je slaagde er, bijvoorbeeld, niet in om aan te komen
op een avond in Istanbul,
te vinden wie op je moest wachten in de haven,
door een labyrint van straten te gaan
al schreeuwend een naam herhalend,
te eindigen in het bed van een pension en er te dromen
van kapotte daken, van dode krekels,
van markten in vlammen.
En al evenmin
om af te dalen langs een steile helling
tot in de nauwe vallei
waar de wateren samenvloeien
en, temidden van golven van liefde, van haat, van pijn,
van twijfel, van wanhoop,
van angst, uiteindelijk een sleutel te vinden
of een nieuwe warboel van draden.
Buiten
geeft elk ding zich over aan het blinde toeval,
gaat elk wezen ontvleesd op in de vergetelheid.
Binnen, doorbreekt een fijne naald
de zwakke verdediging van wie luistert,
dringt door tot in de kern,
en doorboort hem.

o


3





¿Quién me librará de este cuerpo de muerte?
Pablo, Romanos VII.

Golpea la puerta cerrada de una casa
a oscuras.
Llueve.
Su cabeza sabe
que va a morir y que, antes,
un poco antes, se topará cara a cara
con eso que funde los pasos de un hombre
con el efímero y errático
vuelo de un insecto.
El agua lo moja:
para que esta lluvia caiga
como cae, y lo moje del modo en que lo moja,
debió suceder algo vasto y terrible
en otra parte:
la extinción de una especie,
muerta de sed a orillas de un río seco,
las nubes huyendo grávidas
de toda el agua, sin sentir culpa alguna.
A sus golpes nadie responde.
O sí,
una voz remota, casi inaudible,
que le advierte
lo que su razón ya aceptó
y su corazón rechaza:
Hasta
el fuego un día reposa,
frío.






¿Wie zal me bevrijden van dat lichaam van een dode?
Paulus, Romeinen VII.

Hij klopt op de gesloten deur van een huis
in het donker.
Het regent.
Zijn hoofd weet
dat hij gaat sterven en dat hij daarvóór
kort daarvóór, oog in oog zal komen te staan
met wat de stappen van een man doet lijken op
de kortstondige en erratische
vlucht van een insect.
Het water maakt hem nat:
opdat deze regen valt
zoals hij valt, en hem nat maakt zoals hij hem nat maakt,
moest er iets geweldigs en verschrikkelijks gebeuren
elders:
het uitsterven van een soort,
een sterven van dorst aan de oevers van een droge rivier,
terwijl de wolken, zwanger
van al het water, wegdrijven zonder enige schuld te voelen.
Niemand beantwoordt zijn kloppen.
Of toch,
een verre, bijna onhoorbare stem,
die hem waarschuwt
voor wat zijn rede al had aanvaard
en wat zijn hart afwijst:
tot
de brand is er één dag rust,
kou.

o

4





(Jackson Pollock, Océano gris)

Un golpe seco en mitad de la espalda.
En ese golpe y en la magulladura
levanta una casa, y en ella
madura para el arte y para la muerte
(The running water and the standing stone...)(*)
Aún está el árbol flaco
al borde del abismo, el río
cuyo cauce seco pare las preguntas
(¿Es esto todo, el corazón
y a un paso el viento que devasta?
¿Hay un único camino, éste,
abierto a pedregales, a desmoronamientos?)
Mira:
camiones detenidos junto al camino,
conductores que duermen
o pulsan el siempre pesado cuerpo de las meretrices,
y sudan, después tienen visiones
de hierros oxidados, de densos aceites
que chorrean de máquinas abandonadas
y se mezclan con las pinturas que cubren el rostro
de quien augura, sin estremecimiento alguno,
el final de lo visto y medido.






(Jackson Pollock, Ocean Greyness, 1953)

Een droge slag midden op de rug.
In deze klap en in de kwetsuur
trekt hij een huis op, en rijpt erin
voor de kunst en voor de dood
(The running water and the standing stone...)(*)
Nog is de boom dun
aan de rand van de afgrond, de rivier
wier droge bedding vragen baart.
(Is dat alles, het hart
en een stap verder de wind die verwoest?
Is er een enige weg, deze,
die leidt naar met stenen bezaaide vlaktes, het verval?)
Hij ziet:
vrachtwagens gestopt langs de weg,
vrachtvoerders die slapen
of het altijd wellustige lijf van de hoeren betasten,
en zweten, waarna ze visioenen krijgen
van verroest ijzer, van dikke oliën,
die druppelen uit verlaten machines
en zich mengen met de beschildering die het gelaat bedekt
van wie zonder enige huivering
het einde van het geziene en gemetene voorspelt

o


5





Sepultado bajo capas de tiempo.
En el fondo una lámpara parpadea,
un insecto baja por el cable.
Una casa perdida
en un mundo perdido,
amplios y oscuros corredores
(amores secretos, proyectos de crímenes)
echados abajo por la tormenta.
Aquél,
no digo el nombre, con la respiración
tomada por el asma;
aquel otro, no recuerdo su nombre,
abrasado por una pasión
más fuerte que su cerebro.
Lo veo escrito:...un niño no debe...
Y sin embargo, miré.
La imagen fue terrible, persiste.







Begraven onder lagen van tijd.
Op de achtergrond flikkert een lamp,
een insect daalt af langs een kabel.
Een verloren huis
in een verloren wereld,
brede en duistere gangen
(geheime liefdes, plannen voor misdaden)
omvergeblazen door de storm.
Iemand,
ik zal zijn naam niet noemen, de ademhaling
hees van het astma;
iemand anders, ik herinner me zijn naam niet,
meegesleurd door een passie
veel sterker dan zijn verstand.
Ik zie het geschreven staan: een jongen mag niet ...
En toch, ik heb gekeken.
Het beeld was verschrikkelijk, beklijft.

o


6





Sorprendidos en el acto de mirar un paisaje
que no es el mar ni arderá nunca; negro y ocre,
se imprime en la piel del alma:
en la parte blanda,
hasta vaciarla de soplo; en la parte dura,
a la que erosiona un viento en cuyo dorso
no se cumple la Ley del Mundo.
Allí,
ante sus ojos, ninguna feria
(ni hierbas, ni polvos, ni ungüentos,
ni fetiches, ni corderos, ni raíces),
sí algo terrible y secreto que se les revela,
los obliga a regresar convertidos en otra cosa,
una edad clara y virginal que se extingue.








Betrapt bij de daad van het bekijken van een landschap
dat niet de zee is noch ooit zal branden; zwart en oker,
het prent zich in de huid van de ziel:
in het weke deel,
tot het bijna de adem kwijt raakt; in het harde deel,
uitgevreten door een wind op wiens rug
de Wet van de Wereld niet wordt vervuld.
Daar,
voor zijn ogen, geen feest
(geen gras, geen stof, geen zalvingen,
geen fetisjen, geen lammeren, geen wortels),
wel iets verschrikkelijks en geheims dat zich aan hen openbaart,
hen dwingt terug te keren veranderd in iets anders,
een klaar en maagdelijk tijdperk dat ten einde loopt

o


7





Sobre los despojos, las bocas abiertas,
los ojos abiertos
(distante,
un dios dibuja círculos, triángulos,
geómetra, no padre).









Op de stoffelijke resten, de open monden,
de open ogen
(afstandelijk,
tekent een god cirkels, driehoeken,
een meetkundige, geen vader).

o

8





Cuarenta siglos hacia la piedra de amor
la piedra de muerte
(¿Preguntarle al fuego que quema todo ayer
e impide el paso hacia el mañana?)
En el sonido no hay alivio.
En el silencio hay un alivio momentáneo.
En la locura, apenas un pliegue en una sábana
y una vena que lleva grito de animal
ante su hembra rota.
¿En la cordura?
Vestirse, desnudarse: el deseo sube
y baja del mismo modo, siempre una boca espera
para morder falsa luz o verdadera sombra

(El viento, lejos, sopla contra muros de lluvia,
el agua se oscurece, no dura en los huecos)







Veertig eeuwen tot de steen van de liefde
de steen van de dood.
(Het vuur bevragen dat elk gisteren verbrandt
en de overgang naar morgen verhindert?)
In het geluid is er geen soelaas.
In de stille is er soelaas, tijdelijk.
In de waanzin, nauwelijks een kreuk in een laken
en een ader die een dierlijke kreet slaakt
bij de aanblik van zijn gevloerde wijfje.
In het gezond verstand?
Zich kleden, zich ontkleden: het verlangen stijgt
en daalt op dezelfde wijze, altijd hoopt een mond
in vals licht te bijten of waarachtige schaduw

(Ver weg waait de wind tegen muren van regen,
het water wordt donker, en blijft niet lang in de holten).

o

9





Pugna, uñas y dientes contra la ventana,
el vidrio no se rompe;
de sí cuelga
un racimo de hijos ciegos,
las piernas blancas, los brazos blancos.
Rueda con la rueda que muele
y disemina lo molido,
cercado de sus propias y sucesivas sombras,
nacidas del insomnio.






Het vecht met nagels en tanden tegen het raam,
het glas breekt niet,
vanzelf trekt het
een groepje blinde kinderen aan
hun benen bleek, hun armen bleek.
Het draait met het wiel dat vermaalt
en verstrooit het vermaalde,
temidden van zijn eigen achtereenvolgende schaduwen,
geboren uit de slapeloosheid.

o


10





Abandonado en el aire libre, al cansancio, al frío...
Juan Carlos Onetti.

Junto a la espuma de un mar extranjero.
Pero no ser el pez, ni siquiera el alga, o
la escoria:
inmóvil,
inútilmente cubierto de espinas.
No contar con una mano para hacer visera
y con otra mano para arrancarse las espinas,
no tener piernas, y pies,
no poder andar hasta el centro de lo conocido, y, allí,
besar la bolsa cálida donde estuve alojado,
o internarme en lo desconocido, y trocar,
entre sacudimientos, temblores.
¿cómo?, el destino en su reverso.







Blootgesteld aan de open lucht, de honger, de kou...
Juan Carlos Onetti.

Dicht bij de branding van een vreemde zee.
Maar niet de vis zijn, niet eens een wier,
geen wrakhout:
onbeweeglijk,
onnodig bedekt met stekels.
Niet over een hand beschikken om een vizier te maken
en een andere hand om de naalden uit te trekken,
geen benen hebben, geen voeten,
niet kunnen stappen naar het midden van het bekende, en daar,
de warme vliezen kussen waarin ik verbleef
of doorstoten tot het onbekende, en van gedaante veranderen, .
tussen schokken en beven.
Hoe? het lot achterstevoren.

o

11





Del cuerpo queda poca cosa,
algún eco, una huella casi borrada,
una sombra, ni siquiera la más definida,
nada en él entero y lleno
para obtener cierta gracia del fuego,
una mínima absolución del aire,
un remedo de salvación
soplado desde las bocas del agua.








Van het lichaam blijft niet veel over,
een echo, een bijna uitgewist spoor,
een schaduw, niet eens de meest omlijnde,
niets erin van het hele en volle
om een zekere genade te vinden bij het vuur,
enige vergiffenis van de wind,
een zweem van verlossing,
gefluisterd uit de monden van het water.

o


12





(Paul Klee, La luz y alguna cosa)

Bajo la luz aguarda el momento de revelarse,
de saltar desde el fondo hasta nosotros.
Por ahora sólo se extiende,
invisible en lo profundo, sumergido
en lo luminoso, espera
sin desesperar su día:
cuando sea púa
en la carne de quienes vivimos
sin saber que estamos durmiendo,
sin saber si despertamos.







Paul Klee, Licht en een ding.

Beneden wacht het licht het moment af om zich te openbaren,
om uit de diepte naar ons op te springen.
Nu breidt het zich alleen maar uit,
onzichtbaar in de diepte, ondergedompeld
in het lichtende, wacht het
zonder wanhopen zijn dag af:
wanneer het de naald zal zijn
in het vlees van wij die leven
zonder te weten dat we slapen,
zonder te weten of we zullen ontwaken

o

13





(A Pierre Jean Jouve)

Desnudo, careciente, frágil a punto de romperse,
reciente y por ello inmaduro para la vida
y ya maduro para la muerte.
Salido recién
de una boca de misterio, dentro
de la que oyó, voz, aullido,
y desde la que preguntó,
en otra lengua, sin encontrar respuesta:
¿qué es este presenimiento
de agujas, de ojos, de éteres?











(Aan Pierre Jean Jouve)

Naakt, behoeftig, broos op het punt te breken,
pas nieuw en daardoor niet rijp voor het leven
en al rijp voor de dood.
Pas tevoorschijn gekomen
uit een mond vol mysterie, van waarin
hij hoorde stem en gehuil,
en van waaruit hij vroeg,
in een andere taal, zonder antwoord te krijgen:
wat is toch dit voorgevoel
van naalden, van ogen, van ethers?

o


14





Ruidos
(aguas
en rápida cascada hacia el centro
abierto entre rocas; voces
extrañas, extranjeras
venida por una infinidad de conductos;
golpes de helados meteoros
contra las paredes de los días.)
Y bajo esos ruidos otros ruidos,
que los oídos casi no identifican
(¿ el derrumbe
de la casa del verbo,
el choque del amor contra un seno,
oscuro?)












Geluiden,
(wateren
in snel verval naar het middelpunt
geopend tussen rotsen, stemmen
vreemd en onbekend
afkomstig uit een eindeloosheid van buizen,
inslagen van ijzige meteoren
tegen de muren van de dagen.)
En achter deze geluiden andere geluiden,
die de oren nog nauwelijks herkennen,
(de instorting
van het huis van het woord,
het botsen van de liefde tegen een borst,
donker?)

o

15





Si bajé al pozo negro donde caen los sueños
fue por amor, no por otra cosa. Remé
con remos de esponja por el agua más dura:
alrededor de mí
se ahogaba lo necesario, lo querido,
el grito de la virgen desflorada por un lagarto
desde una cama plantada entre opuestas corrientes,
el peso del aire en una ampolleta,
cierta sombra que aún hoy
no puedo memorar sin que se lastime
el triste animal que cuido.
Si bajé
fue por amor a lo que todavía
(¿hasta cuándo?)
incendia la lluvia cuando todo es tiempo,
culpa.






Als ik afdaalde in de zwarte bron waarin de dromen vallen
was het uit liefde, niet om iets anders. Ik roeide
met riemen van spons door het hardste water:
om mij heen
verdronk het noodzakelijke, het gewenste,
de kreet van de maagd geschonden door een hagedis
vanop een bed opgesteld tussen tegengestelde stromingen,
het gewicht van de lucht in een gloeilamp,
een zekere schaduw die ik me zelfs vandaag
niet voor de geest kan halen zonder
het arme dier te kwetsen dat ik koester.
Als ik afdaalde
was het uitliefde voor wat nog steeds
(voor hoelang?)
de regen in brand steekt als alles tijd is,
schuld.

o


16





(New York, 9 de noviembre de 1953)

Lo golpean en el pecho
y en la espalda y no despierta. Es un sueño
profundo, largo, un sueño-
chimenea.
Los relámpagos lo acuchillan,
perros rabiosos le saltan a la cara
desde los muslos, su padre y el padre de su padre
le entran al pecho con palas y lámparas
y cavan la tierra de las horas
hasta la infancia, pero
no abre los ojos, no despierta.
Duerme en un mar vasto y quieto,
en un cálido exilio viejo como el carbón
y nuevo como un recién nacido.
No regresará, no puede regresar, ni quiere.








(New York, 9 november 1953)*

Ze slaan hem op de borst
en op de rug en hij wordt niet wakker. Het is een droom
diep en lang, een droom-
schoorsteen.
De bliksems slaan op hem in,
dolle honden bespringen zijn gezicht
vanuit de lendenen, zijn vader en de vader van zijn vader
dringen zijn borst binnen met schoppen en lampen
en graven in de aarde van de uren
tot aan de kinderjaren, maar
hij opent zijn ogen niet en wordt niet wakker.
Hij slaapt in een diepe en rustige zee,
in een warme schuilplaats oud als steenkool
en nieuw als een pasgeborene.
Hij zal niet terugkeren, hij kan niet terugkeren, hij wil het niet.

o

* toen stierf Dylan Thomas


17





Este deseo, ¿es macho o hembra?
Desnudo en el pabellón de las sombras,
con otro catecismo en las manos (posesos,
ellos, desnudos entre sábanas revueltas,
los sexos húmedos, las manos crispadas
hacia un remoto dios que adelgaza)
¿Es macho?
¿cuchillo que interesa la carne viviente,
boca que sopla sobre un breviario
de páginas de cobre?
¿Es hembra?
¿carne prensada por el peso
de tanto amor o de tanta muerte,
pez de aliento abierto o sellado
enterrado en lava, arcilla frías?

De puro milagro, no por ciencia,
se sostiene.






Dit verlangen, is het mannelijk of vrouwelijk?
Naakt in het paviljoen van de schaduwen,
met een andere catechismus in de handen (bezeten
als ze zijn, naakt onder de verfrommelde lakens,
met vochtige geslachtsorganen, de handen grijpend
naar een verre god die mager wordt).
Is het mannelijk?
mes dat het levende vlees verwondt,
mond die fluistert over een brevier
met koperen bladen?
Is het vrouwelijk?
vlees gebukt onder het gewicht
van zoveel liefde of zoveel dood,
vis met open of gesloten ademhaling,
begraven in koude lava en klei?

Door puur wonder, niet door wetenschap
houdt het zich in stand.

o


18






Aún
el viento no tiene lengua,
el fuego no tiene casa,
el agua no encuentra fuente,
ni vaso.
Aún
todo está roto y disperso,
roto y disperso.









Nog
heeft de wind geen taal,
bewoont het vuur geen huis,
vindt het water geen bron,
geen kruik.
Nog
is alles gebroken en verstrooid,
gebroken en verspreid.

o


19





Leve ala de fe
sobre el incendio del mundo.







Lichte vleugel van geloof
over de brand van de wereld.

o


20





Sube por las raíces de los árboles,
espesa y constante sustancia de pena.
Fuimos niños ante los huecos,
las lluvias de ceniza, la palabra nunca,
las espaldas sucias, la luz
contra los espejos.
Sube.
No se detiene. Todo
lo anega, el corazón,
los andenes, el agujero
donde hubo Filosofía.
¿Qué,
ahora mismo, en esta mañana,
en este instante?
¿Qué de Mondrian,
de Beckett, de Bacon, de esa mujer
que ayer tocaba
Bartok en el piano,
de los que esperan,
de los que ya no esperan?














Ze stijgt op in de wortels van de bomen,
de dikke, standvastige stof van het leed.
We waren kinderen vóór de leegten,
de regens van as, het woord nooit,
de vuile ruggen, het licht
tegen de spiegels.
Ze stijgt op.
Ze stopt niet. Alles
overspoelt ze, het hart,
de voetpaden, het gat
waar Filosofie was.
Wat,
op dit eigenste moment, deze morgen,
in dit ogenblik?
Wat gewerd er van Mondriaan,
van Becket, van Bacon, van de vrouw
die gisteren Bartok
speelde op de piano,
van wat ze hopen,
van wat ze niet meer hopen?

o


21





Estamos desnudos, ¿para el amor?
¿para la muerte?
La mano hasta el fondo
de un agujero, allí,
de todos modos, siempre,
un idioma sin subjuntivos,
que no entendemos.









Zijn we naakt voor de liefde?
voor de dood?
De hand tot op de bodem
van een gat, daar,
in elk geval, altijd,
een taal zonder subjunctief,
die we niet begrijpen.

o


22





Y es por dentro densa y triste.
Susana Thénon

Saber, no saber, todo
se confunde, y extravía edentro de una sustancia
triste y densa.
La imagen
que cifra estos días:
una boca partida.
¿Qué mitiga el dolor?
¿Qué cura la visión
encajada en un monótono repique de campanas?
Velar, no velar, todo
retrocede, se deshace,
cada golpe de palo
contra el parche del deseo,
cada beso en el madero de lo efímero.

(Una gran ola, viva y brillante, se aleja)








En het is van binnen dicht en droevig
Susana Thénon

Weten, niet weten, alles
raakt verward en loopt verloren binnen in een substantie
triest en dicht.
Het beeld
dat deze dagen berekent:
een open mond.
Wat verzacht de pijn?
Wat geneest het visioen
besloten in het eentonige luiden van klokken?
Waken, niet waken, alles
trekt zich terug, ontbindt,
elke slag van de stok
tegen het pleister van het verlangen,
elke kus op het hout van het vergankelijke.

(Een grote golf, levendig en schitterend, trekt zich terug.)

o


23





Oú finit le voyage?
J.P.P.

Parte:

Un ojo para el que la dicha se hace borrosa, y más atrás,
un lento desfile de formas desde el sueño hasta el sueño.
Un remoto amor, un rasgón en un pedazo de franela, un
torpe idioma de silencios y anzuelos
Un día que el deseo creyó eterno y que ya se diluye,
montón de arena que sucesivas olas penetran hasta el centro
Una tierra amplia que no se llena, un breve mar que nunca
será, lo sabe, unánime
Otro amor, golpes de alas contra puertas cerradas y
tabiques, en el fondo de la tierra
Un agujero por el que huye la infancia
Un papel que la angustia volvió puro, un poema que
este otro poema justifica o convierte en materia
inútilmente densa
Un niño con sus mismos ojos que llora por un juguete
perdido entre truenos y motores.

Todo cuanto deja.










Oú finit le voyage?
J.P.P.

Het verdwijnt:

Een oog dat het geluk ziet wazig worden, en daarachter
een trage stoet van vormen van droom naar droom.
Een verre liefde, een traan op een stuk flanel, een
domme taal van stilten en haken.
Een dag die het verlangen eeuwig waande maar al is opgelost,
een hoop zand waar opeenvolgende golven in dringen tot de kern.
Een weidse aarde die niet vol wordt, een kortstondige zee die - ze weet het - nooit unaniem zal worden.
Een andere liefde, slagen van vleugels tegen gesloten deuren en
scheidingswanden, in de diepte van de aarde.
Een gat waardoor de kindsheid ontsnapt.
Een papier dat de angst onbeschreven teruggeeft, een gedicht
dat een ander gedicht rechtvaardigt of omzet in materie
onnodig dicht.
Een kind met zijn eigen ogen dat weent om zijn speelgoed
verloren tussen donderslagen en motoren.

Dat alles houdt op.

o



24





¿Hay alguna señal en el agua,
un signo en el fuego,
otra comida de que alimentarme,
un día que no sea un préstamo,
carne que no resulte combustible,
un despertar sin frío en los pies
y un polvo gris en la frente,
un niño, el que fui, que no me pida
lo único que no puedo darle?









Is er een aanwijzing in het water,
een teken in het vuur,
ander voedsel om mij te voeden,
een dag die geen lening is,
vlees dat niet brandbaar blijkt,
een wakker worden zonder kou in de voeten
en grijs stof op het voorhoofd,
een kind, het kind dat ik was, dat mij niet vraagt
het enige wat ik het niet kan geven?

o


25





I

Miran:
un animal despierta, un nube brilla
encima de los árboles, el viento
agita apenas la hierba, un niño se aventura
en un agua poco profunda,
la luz del sol se desmaya contra un muro
desnudo y blanco.
Se miran.
Se desean y se abrazan,
olas que avanzan, retroceden, avanzan y retroceden.
Cuando se separen se sentrián ligeros,
delicados.
Dirán:
El mundo es nuevo.

II

No pueden verme a mí
que estoy en lo oscuro, porque
sólo tienen ojos para lo que está iluminado
y, entre vigilia y sueño,
da siempre el mismo y puro rostro.
Lejos, me seco
sin que ellos ni siquiera lo sospechen
y es mi culpa.









I

Ze kijken:
een dier ontwaakt, een wolk schittert
boven de bomen, de wind
beroert nauwelijks het gras, een kind waagt zich
in het ondiepe water,
het licht van de zon verbleekt tegen een muur
die naakt is en wit.
Ze bekijken elkaar.
Ze verlangen naar elkaar en omhelzen elkaar,
golven die aanrollen, wijken, aanrollen en wijken.
Als ze uit elkaar gaan voelen ze zich licht,
gevoelig.
Ze zullen zeggen:
de wereld is nieuw.

II

Ze kunnen me niet zien,
omdat ik in het donker ben, omdat
ze slechts oog hebben voor wat zich in het licht bevindt,
en, tussen waken en slapen,
geeft dat altijd dezelfde aanblik te zien.
Ver van hen droog ik me af
terwijl zij het niets eens vermoeden
en het is mijn schuld.

o

26





(A Anne Sexton)


Rueda sin descanso por lo que,
dado a vivir, se retuerce sin fruto. Y
la gracia no le llega, sólo su propio perfil,
reflejado en un espejo, extraviado entre postales
de un mar inmenso y encrespado.
(Golpe
de punzón contra una madera blanda,
del tajo fluye una materia densa y blanca,
que lleva grabada la marca de la culpa.)
Rueda por ciudades que andan lentas
empujadas por una brisa mínima,
no pueden llegar, ni llegarán,
a las bodas del cordero y la cordera.
Sangra sin cesar y no acaba de desangrarse,
deja un reguero y sobre él, manchándose,
los niños, los hombres
-juegan, se aman
o se matan-, la ortiga expía quién sabe qué pecado,
sola, lejos, contra una alambrada.










(Aan Anne Sexton)


Hij dwaalt zonder rust rond wat,
gedoemd te leven, zich kronkelt zonder vrucht. En
de genade komt hem niet toe, alleen zijn eigen profiel,
weerspiegeld in een spiegel, verloren tussen postkaarten
van een immense en woelige zee.
(De slag
van een pin in zacht hout,
uit de keep vloeit een dichte en witte stof,
waarin het merkteken van de schuld is gegrifd)
Hij dwaalt rond steden die langzaam voortgaan
gedreven door een onmerkbare bries,
ze kunnen niet aankomen, ze zullen niet aankomen,
bij het huwelijk van de ram met het ooi.
Hij bloedt zonder ophouden en bloedt maar niet leeg,
laat een spoor van bloed achter en daarop, zich bevlekkend,
de kinderen, de mannen
- ze spelen, hebben elkaar lief of
doden elkaar -, de netel boet voor wie weet welke zonde,
alleen, veraf, tegen de prikkeldraad

o

27





¿Quién grita? (El mar,
desde sus bocas y las bocas de los peces).
¿Quién llora? (Entra
en un túnel, no dice adiós,
tiene los labios sellados, antes
de perderse en lo oscuro levanta una mano).
¿Quién pide? (Lueve
y ya no es temprano, se moja
hasta la sombra, el eco, la memoria).
¿Quién ama? ¿Quién odia? (Se
abrazan o se lastiman, y es como una misma cosa,
ruedan hasta el fondo
y allí caen, con los ojos abiertos).










Wie schreeuwt? (De zee
uit haar monden en de monden van de vissen).
Wie weent? (Hij gaat binnen
in een tunnel, zegt geen tot ziens,
houdt de lippen op elkaar geknepen, alvorens
te verdwijnen in het duister met opgeheven hand).
Wie vraagt? (Het regent
en het is niet vroeg meer, het wordt vochtig
tot de schaduw, de echo, de herinnering).
Wie bemint? Wie haat? (Ze
omarmen of kwetsen elkaar, en het is alsof dat eender is,
ze rollen tot op de bodem
waar ze sterven, met de ogen open).

o




28




(A Jorge Boccanera)

¿Cómo mirar al centro de las llamas
donde se retuercen los húmedos en pura alabanza?
¿Cómo soportar la gritería de los que no entienden,
se preguntan el uno al otro
y le preguntan a lo invisible, y no entienden?
¿Cómo explicar esos ruidos
detrás de las paredes,
como si azotaran la espalda de un niño
y sólo se oyese el golpe del látigo
y no los lamentos? ¿Cómo
decir aquella boca sin que se presente
en el acto esta otra boca, rota
y caída entre los cardos? ¿Cómo nacer
si todo empuja a morir?






(Aan Jorge Boccanera)

Hoe in de kern van de vlammen kijken
waar het vochtige kronkelt in pure lofzang?
Hoe het geschreeuw verdragen van zij die niet verstaan,
die elkaar bevragen,
en bevragen het onzichtbare, en niet verstaan?
Hoe die geluiden verklaren
achter de muren,
als geselden ze de rug van een kind
en was alleen het striemen van de zweep te horen
en niet het kermen? Hoe
deze mond benoemen zonder dat in deze daad
die andere mond verschijnt, gebroken en
gevallen tussen de distels? Hoe geboren worden,
als alles afstevent op de dood?

o




29





(A Alejandro Kuropatwa)


No, no más el gesto del hada tras la puerta:
consumido el niño en el vértigo
de un mal sueño -el último-
se abre la noche, una viga incierta,
un rayo silente contra el espejo de la sangre.
Otro es lo que espera en el umbral,
no el perro bueno, manso, sus ojos
sino el viento que despoja de ropas
y lanza a los desnudos contra sus propias, inmóviles sombras.

No más la curva del muslo
visto en el instante del estallido de magnesio:
entonces el mar retrocedía,
se mezclaba con la tierra;
otra es la vasija que a todo lo contiene,
es débil, se rompe al menor soplo,
a las más pequeña vibración:
¿qué palabra, o rito, sobre estos pedazos?
¿dónde el ángel en escorzo,
libre de huir o de internarse entre quillas y llamas?

Y sin embargo no muere.








(Aan Alejandro Kuropatwa)


Nee, geen gebaar meer van de fee achter de deur:
opgeslokt het kind in de duizeling
van een kwade droom - de laatste -
de nacht gaat open, een onzekere bundel licht,
een stille straal tegen de spiegel van het bloed.
Anders is wat wacht op de drempel,
niet de goede, tamme hond, zijn ogen,
maar de wind die van de kleren berooft
en de naakten tegen hun eigen onbeweeglijke schaduwen drukt.

Niet langer de curve van de dijen
gezien op het ogenblik van het ontploffing van het magnesium:
dan trok de zee zich terug
en vermengde zich met de aarde;
anders is het vat dat alles bevat,
het is zwak, het breekt bij de minste zucht,
de minste trilling:
welk woord, of rite, over deze brokstukken?
Waar is de engel in verkorting,
vrij om te vluchten of zich te nestelen tussen kielen en vlammen?

En toch sterft hij niet

o


30





Lo prometido gira dando la espalda.
No adquiere forma ni peso lo esperado.
¿Atrás y abajo, lejos,
la blanda pulpa, el eje sobre el que se monta
lo bueno, raros
y altos helechos bajo la lluvia?
-cierra
el cuaderno donde cada día
escribe las mismas, desesperadas preguntas;
mira afuera a través de una ventana:
minúsculas gotas de rocío
en las hojas de los árboles,
reflejan el cielo, las nubes.
Se queda mirándolas, sin pensar en nada,
siente que en ese mínimo gesto
encuentra un poco de alivio.
Una tras otra las gotas caen,
se deshacen contra el suelo.







Het beloofde keert ons de rug toe.
Vorm noch gewicht verkrijgt het verhoopte.
Achter en onder, ver,
het zachte vruchtvlees, de as waar het goede
op klimt, zeldzame
en hoge varens in de regen?
- hij sluit
het schriftje waarin hij elke dag
dezelfde wanhopige vragen schrijft;
hij kijkt naar buiten door het raam:
minuscule druppels dauw
op de bladeren van de bomen,
ze weerkaatsen de hemel, de wolken.
Hij blijft ernaar kijken, zonder aan iets te denken,
voelt dat hij in dit kleine, onbeduidende doen
enige verlichting vindt.
De ene na de andere vallen de druppels
en spatten uiteen tegen de grond.

o


31





(En memoria de Enrique Molina y Jorge García Sabal)


El agua horada todo espesor
y la tierra se abre bajo los pies,
y alguien escribe frío de pez, de ojo de pez.
No hay sueño que se refleje
en la superficie del agua que cava.
Y la tierra se abre.
Fueron péndulos, fermentos, trópicos,
gritos puros, largas espaldas sobre inquieto reposo,
chispas en fuga.
¿Y ahora?
¿Despojos de frutos, polvo de alas,
figuras pálidas que menguan hasta desaparecer?

¿Hasta desaparecer?







(In memoriam Enrique Molina en Jorge García Sabal)


Het water boort zich door elke dikte heen
en de aarde opent zich onder de voeten,
en iemand schrijft koude van de vis, van het vissenoog.
Er is geen droom die zich weerkaatst
op het oppervlak van het water dat graaft.
En de aarde opent zich.
Er waren pendels, gisten, tropen,
pure kreten, brede schouders op onrustige rust,
vonken op de vlucht.
En nu?
Resten van vruchten, stof van vleugels,
bleke figuren die wegkwijnen tot ze verdwijnen?

Tot ze verdwijnen?

o


32




Oh Marchito,
breve ha sido el jardín.
Amelia Biagioni

I
Una vez llovió sobre un pájaro muerto
El viento abre y cierra una puerta
Una fotografía: un hombre con lodo hasta la cintura
La palabra alga y la palabra perro en una página de infancia
Una voz efímera y otra voz aún más efímera y una tercera,
casi inaudible entre los ruidos de la tormenta
Humo de algo que se quema, olvidado y remoto.

II
(Me dijo: suena música de sílabas y pulsos, ya el fuego
avanza y la juzga)

III
¿Cómo desnudarse del todo, cómo librar de escarcha a los
huecos, cómo ir más allá del umbral, cómo respirar en
ausencia de llaves?
Sopla el huracán sobre los panes, el silencio levanta una
casa y adentro se consume un inocente
Sólo el miedo obtiene perfección
Sólo el miedo mide con su vara la distancia que separa
al heroísmo del suicidio
Oscuro cráneo de poema, órbitas expuestas a la más acre
profecía

IV
(Me dijo: no habrá piedad, no habrá piedad)

V
Hoy no sé qué es cierto, ni siquiera si es dolor lo que me
produce la aguja en la carne
Sombra de amor, errante vulva de amor sin sosiego, ojo
de oscuro caballo que otros llaman aire y otros, niño
La tierra se aparta, el mar encuentra una soga, el rayo
su pulpa
Ya no hay regreso, ya no hay regreso, ya no hay regreso

Frío, hace frío, un frío ancho y espeso, sin reverso ni grietas






Oh Marchito
van korte duur was de tuin.
Amelia Bigioni

I.
Eens regende het op een dode vogel.
De wind opent en sluit de deur.
Een foto: een man met modder tot aan het middel.
Het woord wier en het woord hond op een bladzijde van de jeugd.
Een vluchtige stem en een andere stem, nog vluchtiger, en een derde,
bijna onhoorbaar tussen de geluiden van de storm.
De geur van iets dat verbrandt, vergeten en ver weg.

II
(Hij zei me: er klinkt muziek van lettergrepen en pulsen, reeds rukt het vuur
op en beoordeelt ze).

III
Hoe zich van alles ontdoen, hoe de holen vrijwaren
van vorst, hoe verder gaan dan de drempel, hoe ademen in
afwezigheid van sleutels?
De orkaan raast over de broden, de stilte richt een
huis op en daarbinnen kwijnt een onschuldige weg.
Slechts de angst bereikt de volmaaktheid.
Slechts de angst meet met zijn maatstaf de afstand die
heldendom scheidt van zelfmoord.
Duistere schedel van het gedicht, de oogkassen blootgesteld aan de meest
bittere profetie.

IV.
(Hij zei me: er zal geen mededogen zijn, er zal geen mededogen zijn)

V
Vandaag weet ik niet wat zeker is, zelfs niet of het pijn is wat
de naald teweegbrengt in mijn vlees.
Schaduw van liefde, dolende vulva van liefde zonder rust, oog
van een duister paard dat anderen lucht noemen en nog anderen kind.
De aarde gaat opzij, de zee komt een touw tegen, de bliksem
zijn vruchtvlees.
Er is geen terugkeer meer, er is geen terugkeer meer, er is geen terugkeer meer.

Koud, het is koud, een brede en dichte kou, zonder keerzijde noch spleten.

o

33





Cae y no sabe por qué. Sin final
aparente, por un largo, estrecho y oscuro pozo.
Debió acontecer algo grave,
muy grave, en el principio
cuando todo era, todavía,
mansos potros bajo la lluvia.
Algo capaz de alterar
lo que era órbita alrededor de un eje,
sutil equilibrio de balanza
entre alas,
péndulos
(¿un estallido de relámpago
justo encima donde las aguas se reúnen?
¿la voz de la muerta en el sueño de los tallos?)







Hij valt en weet niet waarom. Zonder klaarblijkelijk
doel, in een diepe, nauwe en duistere bron.
Er moest iets ernstigs gebeuren,
heel ernstigs, bij de aanvang
als alles nog was
tamme hengsten in de regen.
Iets in staat om te wijzigen
wat een baan was rond een as,
het subtiele evenwicht van de balans
tussen vleugels,
pendels
(het flitsen van een bliksemschicht
vlak boven waar de wateren samenvloeien?
De stem van de dood in de slaap van de stammen?

o

34





¿Adónde iría si no existiese
el lento derramarse de la leche,
el gotear de la saliva
sobre cierto papel sagrado por lo leve,
el olor acre que, desprendido
de la madera, trae vigilia
al sueño y sueño a la vigilia?
¿En qué creería si no fuese
por aquel fósforo que alguien
que no conozco enciende
acaso tan sólo para encender un cigarrillo,
allá lejos, cuando está oscuro?






Waar zou ik heengaan ware er niet
het langzaam uitschenken van de melk,
het druppelen van het speeksel
op een zeker papier door het lichte geheiligd,
de zure geur die, uitgewasemd
door het hout, het waken brengt
na de slaap en de slaap na het waken?
Waarin zou ik geloven, ware het niet
omwille van die lucifer die iemand
die ik niet ken aansteekt
misschien alleen maar om een sigaret aan te steken,
daar in de verte, als het donker is?

o


35





Noche:
insecto
con un ala perforada, música silente
apenas bailada por un desnudo y su sombra:
oscura
la mano, la mano en oscuro,
oscuro el fondo, y húmedo,
y húmeda la pared donde nadie,
o alguien se apoya, se masturba
hasta caer exhausto.
Hora
de prosar el dolor, de animalizar
la respiración, de succionar
el clítoris de la muerte.
¿Qué
teoría ante eso que fluye y no coagula?







Nacht:
insect
met een doorboorde vleugel, stille muziek
nauwelijks gedanst door een naakt en zijn schaduw:
duister
de hand, de hand in het duister;
duister de achtergrond, en vochtig,
en vochtig de muur waar niemand,
of iemand zich tegen drukt, masturbeert
tot hij uitgeput neervalt.
Het uur
om de pijn in proza te schrijven, de ademhaling
te verdierlijken, te zuigen
aan de clitoris van de dood
Welke
theorie voor wat vloeit en niet stolt?

o










36





Aúlla, resopla, se retuerce.
Tiene una pared enfrente,
una pared blanca. En otra parte,
hieren por herir
y el mar se traga un fémur de pájaro
y después una ciudad.
¿Tiene ojos?
¿Qué era cuando cachorro
y yo también lo era, y llovía,
llovía de modo azul, lento, oblicuo?









Het huilt, hijgt, kronkelt.
Er is een muur aan de overkant,
een witte muur. Elders
kwetsen ze om te kwetsen
en de zee verzwelgt een dijbeen van een vogel
en daarna een stad.
Heeft het ogen?
Wat was het als het een welpje was
en ik was er ook een, en het regende,
het regende blauw, langzaam, schuin?

o







37





La cabeza afuera,
el resto del cuerpo bajo el agua.
Ya no mueve los brazos
ni las piernas.
No
recuerda quién lo empujó,
ni por qué, ni cuándo.
Eso no es la más terrible.
Lo más terrible para él es que,
por alguna razón ajena a su deseo,
no se ahoga, no lucha
pero vive, respira todavía.







Het hoofd eruit,
de rest van het lichaam onder het water.
Hij beweegt niet langer de armen
en de benen.
Nee,
hij herinnert zich niet wie hem duwde,
noch waarom, noch wanneer.
Dat is niet het ergste.
Het ergste voor hem is dat,
om een of andere reden vreemd aan zijn verlangen
hij niet stikt, niet vecht
maar leeft, nog ademt.

o

38


(A Roberto Aguirre Molina)

Un clavo en la boca. El viento
silba, golpea puertas,
trae un nombre, nombres.
El mundo es un largo camino,
un campo vasto, cielo,
nubes, cosas, soplo, seres.
Pero ese clavo, ese clavo
en la boca. Y
la tierra tiene fuentes,
profundas, secretas, y
a veces los ojos oyen,
y los oídos tocan, y
las hélices giran, y el éter,
espuma, brasas, telas,
sombras y soles. Pero
ese clavo, ese clavo en la boca.
Lluvia y rueda son la misma cosa.
El carbón ante los ojos.
Una gran rama rompe el vidrio
y cae en medio del cuarto,
a los pies de un niño.
El niño no se asusta,
le pregunta de dónde viene.
Una ciudad surge y se desvanece.
Un relámpago exhibe su doble vientre.
El tiempo se mueve, no reposa.
Hay balidos, aullidos, mugidos,
luces rasantes, resplandores.
Pero ese clavo, ese clavo en la boca,
en el corazón,
en las manos.




Aan Roberto Aguirre Molina

Een nagel in de mond. De wind
fluit, beukt op de deuren,
noemt een naam, namen.
De wereld is een lange weg,
een uitgestrekt veld, hemel,
wolken, dingen, wind, wezens.
Maar die nagel, die nagel
in de mond. En
er zijn bronnen in de aarde,
diepe, geheime, en
soms horen de ogen
en voelen de oren, en
draaien de schroeven, en de eter,
branding, houtskool, doeken,
schaduwen en zonnen. Maar
die nagel, die nagel.in de mond.
Regen en wiel zijn hetzelfde.
Kolen voor de ogen.
Een grote tak breekt de ruit
en valt midden in de kamer
voor de voeten van een kind.
Het kind is niet bang,
het vraagt hem waar hij vandaan komt.
Een stad doemt op en verdwijnt.
een bliksem toont zijn dubbele buik.
De tijd gaat voort, rust niet.
Er is geblaat, gehuil, geloei,
scheerlicht, schitteringen,
anden.
Maar die nagel, die nagel in de mond,
in het hart,
in de handen.
o

39


No hay gloria aquí. El polvo
se acumula, los papeles se juntan
en los armarios.
No hay gloria;
ni vivo azul, ni astilla luminosa.
Quien quiere mirarse adentro
mira sólo afuera y quien quiere
mirar afuera mira su iremediable oscuro,
su silencio.
Es un fruto
sin olor, sin peso,
un camino sin transeúnte,
un verbo sin galope, un caracol sin baba.
Aquí labro mi giba,
respiro en espejo, engaño con hambre
al hambre, ando
a la sombra de un dios óseo,
pienso en arañas, en ángulos,
en quillas.
Sí,
pero aquí no hay gloria,
rebaño, espiga o moldura de gloria:
las hojas caen y forman un colchón
que se hundeal ser pisado:
cada sol esconde pliegue frío sobre pliegue frío
debajo de eternas y sucesivas llamas.
Detrás de la luz, larva.
Un insecto horada la madera del piso.
La lluvia erosiona todo espesor
y un meteoro trae en su estela
sueños de desiertos con piedras blancas.
Aquí olvido y recuerdo mi nombre,
pasan carbones, el relámpago
despierta, se extiende y vela.
No hay gloria,
no hay volumen, densidad,
libro de amado y amante,
nido o hiedra, delante y perfil,
oportunidad ante el diente, la escarcha.
Sopla sobre el tendón y no es música.
Sobre el cansancio del mundo,
el dolor y su prosodia,
las calles húmedas que se pierden en la niebla.
No es música, es
humor espeso que penetra los huesos,
mientras a tierra
se precipitan hechos pedazos motores y esferas.
Es lo que agita las leves páginas
de los libros de tapas de cobre,
se torna aguijón en la carne de los desnudos,
modifica el deseo de los amantes
hasta volverlo erróneo, impuro,
libre arsénico desde los cometas
para matar de a miles a los gatos.
Sopla sobre mí y no es amor,
no es puente sobre el hervor de las aguas.
No deja que me desnude y ande
hacia aquella claridad
que entreví un día de aquellos días
en que todavía podía despertar
y recordar sin esfuerzo mi nombre.




Hier valt geen roem te rapen. Het stof
hoopt zich op, de papieren stapelen zich op
in de kasten.
Er valt geen roem te rapen;
geen levendig blauw, geen lichtende splinter.
Wie zich wil bekijken van binnen
kijkt alleen naar buiten en wie
naar buiten wil kijken ziet alleen zijn onvermijdelijke duister,
zijn stilte.
Het is een vrucht
zonder geur, zonder gewicht,
een weg zonder voorbijganger,
een woord zonder galop, een slak zonder slijm.
Hier kweek ik me een bult,
adem ik in de spiegel, misleid ik met honger
de honger, stap ik
in de schaduw van een benige god,
denk ik aan spinnen, aan hoeken,
aan kielen.
Ja,
maar hier valt geen roem te rapen,
kudde, aar, mal van roem:
de blaren vallen en vormen een kussen
dat doorzakt als je erop trapt:
elke zon verbergt koude plooi over koude plooi
achter eeuwige en weerkerende vlammen.
Achter het licht, een larve.
Een insect boort in het hout van de vloer.
De regen vreet elke dikte aan
en een komeet sleurt in zijn staart
dromen mee van woestijnen met witte stenen.
Hier vergeet en herinner ik mij mijn naam,
gaan kolen voorbij, wordt de bliksem
wakker, rekt hij zich en waakt.
Er valt geen roem te rapen,
er is geen volume, dichtheid,
geen boek van minnaar en beminde,
nest of klimop, voorkant en zijkant
kansen voor de tand, de vorst.
Het waait over de pees en het is geen muziek.
Over de moeheid van de wereld,
de pijn en zijn prosodie,
de vochtige straten die verdwijnen in de mist.
Het is geen muziek, het is
een dikke vloeistof die in de beenderen dringt,
terwijl op aarde
daden brokstukken motoren en sferen zich voorthaasten.
Het is wat de lichte bladzijden
van de boeken met koperen dekbladen beweegt,
wat tot doorn wordt in het vlees van de naakten,
wat de begeerte verandert van de minnaars
tot ze dwaling wordt, onzuiver,
wat arsenicum vrijmaakt uit de kometen
om met duizenden de katten te doden.
Het waait over mij en er is geen liefde,
er is geen brug over het koken van de wateren.
Ik kan niet anders dan me te ontbloten en op weg te gaan
naar de klaarheid
die ik ontwaarde een dag van die dagen
toen ik nog kon wakker worden
en mij zonder moeite mijn naam kon herinneren.

o

40





Luego del relámpago, el trueno
y después la lluvia, el lento
y duro avance en busca de refugio.
Llueve un agua gris y espesa
y también llueven niños pálidos
con un polvo azul en la frente.
Y entre relámpago y trueno,
el silencio,
pero un silencio
con ceniza, monedas oxidadas,
astillas, papeles ennegrecidos.
No hay sosiego, graniza
contra abrigos, asilos.







Na de bliksem, de donder
en daarna de regen, het trage
en moeizame voortgaan op zoek naar een schuilplaats.
Het regent een grijs en dik water
en het regent ook bleke kinderen
met een blauw stof op hun voorhoofd.
En tussen bliksem en donder,
de stilte
maar een stilte
met as, verroeste munten,
splinters, zwartgeworden papieren.
Er is geen rust, hagel
tegen de schuilplaatsen, de asielen.

o



41





El sol fundirá la helada?
¿Volverá la hierba?
¿En este mismo sitio
donde ahora mismo
un solitario avanza
con frío en los pies y las manos,
se tumbarán y abrazarán los amantes,
los niños jugarán
y, entre rosas y corridas,
harán olvidar al mundo
que hubo invierno?







Zal de zon de regen smelten?.
Zal het gras terugkeren?
Zullen op deze zelfde plaats
waar op dit eigenste moment
een eenzaat stapt
met koude voeten en handen,
de geliefden zich neervleien en elkaar omhelzen,
de kinderen spelen,
en zullen ze tussen rozen en liedjes
de wereld doen vergeten
dat het winter was?

o


42





(Nathalie Sarraute)

Cuando escribe,
dice,
no sabe si es hombre, mujer,
o serpiente. O
lo que es lo mismo, digo,
ella y todos quienes escribimos
somos ninguna y todas esas cosas
al mismo tiempo.
Y aun otras,
las que la razón, o la locura,
es capaz de nombrar:
anguila
en el agua oscura, pedazo de carbón,
amuleto en el pecho del condenado...
Y también esa paleta o ese remo
que golpea el agua hasta volverla espuma,
esa misma espuma que persiste en el agua
o en el agua se diluye.







(Nathalie Sarraute)

Als ik schrijf,
zegt ze,
weet ik niet of het een man is, een vrouw,
of een slang. Of
wat hetzelfde is, zeg ik,
zij en allen die schrijven,
zijn geen van deze dingen en alle
tegelijk.
En nog vele andere,
die de rede, of de waanzin,
in staat is op te noemen:
aal
in het donkere water, brok steenkool,
amulet op de borst van de veroordeelde....
En ook deze peddel of deze riem,
die in het water roert tot het schuim wordt,
datzelfde schuim dat blijft bestaan in het water
of in het water oplost.

o

43


(Africa)

1
No hay viento, ni rumor de agua, y está oscuro.
Quien se extraviara allí jamás saldría o saldría desnudo
y loco. Es una selva silenciosa, pero no una selva de
plantas y frutos, de enormes y pequeños animales. No.
nada de eso. Allí, en perfecta metamorfosis con la
oscuridad y el silencio, habitan erráticas sombras,
inmóviles furores, una angustia sin medida ni centro,
un espasmo que arde con llama fría. Nunca estuve en
ese lugar, pero con frecuencia lo veo en sueños...

2
Habla y de su boca no sale palabra alguna. Pasa
la yema de los dedos y nada siente. Intenta oír y es
en vano. Procura avanzar, permanece fijado al suelo.
¿Puede ver? Sí, pero sólo astillas de hueso, uñas,
pellejos. Está inmóvil, reducido a una condición de
estatua expuesta a la lluvia, al sol, al picoteo de los
pájaros. Solo en un lugar remoto, lucha para no
olvidar su nombre, lo repite una y otra vez en su mente,
último recurso antes de la nulidad, del vacío.

3
Adelante, sobre el horizonte, el humo de los mundos
incendiados. Por una cavidad se llega al infierno. La
noche no tiene ojos, tiene bocas y por esas bocas la
carne se entera que no existe reposo. Comen su propio
dolor como comen fuego mientras las hormigas entran
de a miles por los agujeros de los sueños. Los árboles
sangran, se agitan, sufren el peso de una voluntad
invisible que los aplasta. En una pared, blanqueada con
cal, cabezas de peces,de perros, valvas, llaves oxidadas,
máscaras. Y una inscripción, apenas visible, acaso hecha
con un trozo de carbón: Muerte, fruto podrido, ¿cómo
vencer el asco y tragarte?




(Afrika)

1
Er is geen wind, geen geluid van water en het is donker.
Wie hier verdwaalt komt er nooit meer uit of komt er naakt uit
en gek. Het is een stil woud, maar geen woud van
planten en vruchten, maar van grote en kleine dieren. Nee,
niets van dat. Hier, in de volmaakte metamorfose
met de duisternis en de stilte, wonen dolende schaduwen,
onbeweeglijke woedes, een angst zonder maat en kern,
een spasma dat brandt met een koude vlam. Nooit was ik
op deze plaats, maar ik zie ze regelmatig in mijn dromen...

2
Hij spreekt en uit zijn mond komt geen woord. De dooier
loopt van zijn vingers maar hij voelt niets. Hij probeert te horen, maar
het is vergeefs. Hij tracht vooruit te gaan, maar blijft plakken aan de grond.
Kan hij zien? Ja, maar alleen splinters van beenderen, nagels,
huiden.Hij is onbeweeglijk, herleid tot de toestand van een
standbeeld blootgesteld aan de regen, aan de zon, aan het pikken van de vogels. Alleen op een afgelegen plaats, vecht hij om
zijn naam niet te vergeten, hij herhaalt hem almaar in zijn geest,
zijn laatste toevlucht voor de nietigheid, de leegte.

3
Voor ons, boven de horizon, de rook van de brandende
werelden. Door een holte kom je in de hel. De
nacht heeft geen ogen, hij heeft monden en door deze monden
komt het vlees te weten dat er geen rust is. Ze eten hun
eigen pijn op zoals ze vuur eten, terwijl mieren binnenkomen
met duizenden door de gaten van de dromen. De bomen
bloeden, bewegen, torsen het gewicht van een onzichtbare
wil die op hen weegt. Op een muur, gewit met
kalk, koppen van vissen, van honden, kleppen, roestige sleutels,
maskers. En een inscriptie, nauwelijks leesbaar, misschien
gemaakt met de stuk kool: Dood, rotte vrucht, hoe
de weerzin overwinnen en je verzwelgen?

o

44




(A Hugo Mujica)

Tañe cuerdas frente al abismo
y escucha los ecos de su propia música.
¿Es azul el lado secreto del corazón,
en aquella caja que, cuando niños,
no nos animamos a abrir
estaría guardada la respuesta,
se cumplirá en alguna parte
el sueño de Nietszche, el aire más puro,
las narices henchidas como copas,
sin porvenir, sin recuerdo?

Tañe cuerdas ante el abismo,
abajo la nieve, la ceniza, la escarcha.





Aan Hugo Mujica

Hij tokkelt op de snaren aan de rand van de afgrond
en luistert naar de echo's van zijn eigen muziek.
Is blauw de geheime kant van het hart,
in die kist die we, als we kinderen waren,
niet durfden open te doen,
zou het antwoord worden bewaard,
zal op een of andere plaats
de droom van Nietzsche in vervulling gaan, de zuiverste lucht,
de neusgaten gezwollen als kommen,
zonder toekomst, zonder herinnering?

Hij tokkelt op de snaren bij de aanblik van de afgrond,
beneden de sneeuw, de as, de vorst.

o



45





¿Cuál es la naturaleza de esa piedra
sepultada? ¿sólo pómez,
bornera?
¿persistencia de un secreto dolor
que el tiempo volvió sólido?
¿otra cosa?
De todos modos, ninguna victoria
de la vida sobre la muerte, ningún recurso
para el metal vivo ante la química de lo oscuro.
¿Cómo ir hacia la luz con tanto peso
en las espaldas?
dice
y dice también: ¿cómo
alcanzar ahora
los ojos puros, la luz en esos ojos,
el nido de golondrinas que aleja a los malos espíritus,
el consuelo de cierto olor, de cierta música?







Wat is de natuur van deze begraven
steen? slechts puimsteen,
arduin?
voortduren van een geheim verdriet
dat de tijd deed stollen?
iets anders?
In elk geval, geen overwinning
van het leven over de dood, geen beroep
op het levende metaal tegen de chemie van het duister.
Hoe naar het licht gaan met zoveel gewicht
op de schouders?
zegt hij
en hij zegt ook: 'hoe
nu de pure ogen
bereiken, het licht in die ogen,
het zwaluwnest dat kwade geesten verdrijft,
de troost van een zekere geur, een zekere muziek?

o

46





(A Francisco Madariaga)

Bajo la lluvia, que no limpia,
los muertos con sus muros,
los vivos con sus linternas y sus brújulas.
Lo de siempre:
fuimos niños,
el viento sopla, oscuro corazón
de la piedra, arena y tristeza, palabras.
Aquí como mi sal y la vida huye,
hay un relámpago que persiste,
la madera se pudre, y grito,
grito palabras que una vez salidas de la boca
dejan de ser palabras,
acaso rabia,
y sangre, y abismo.






Aan Fransico Madariaga

In de regen, die niet reinigt,
de doden met hun muren,
de levenden met hun lantaarns en hun kompassen.
Hetzelfde als altijd:
we waren kinderen,
de wind waait, donker hart
van de steen, zand en droefheid, woorden.
Hier eet ik mijn zout en het leven vlucht,
er is een bliksem die blijft hangen,
het hout rot, en schreeuwt het uit,
het schreeuwt woorden die, eens de mond uit,
ophouden woorden te zijn,
misschien woede,
en bloed, en afgrond.

o

47





Todos cavamos con las manos
hacia donde viene un llanto.
Hoy
nada sabemos del mar,
de las olas, de la luz de los barcos lejanos,
nada sabemos del cielo,
de las nubes y las bandadas,
de las babas del diablo llevadas por el viento.
Sólo sabemos cavar,
Del resto
(las uñas rotas,
los dedos ensangrentados,
las respiraciones entrecortadas,
urgidos y angustiados monosílabos),
del resto hoy nada sabemos,
nada.

Marzo 17, noche






We graven allen met de handen
tot vanwaar een wenen komt.
Nu
weten we niets van de zee,
van de golven, van het licht van de verre schepen,
niets weten we van de hemel,
van de wolken en de zwermen,
van het kwijl van de duivel meegesleurd door de wind.
We weten alleen te graven.
Van de rest
(de nagels gebroken,
de vingers bloedend,
de ademhaling afgesneden,
dringende en angstige monosyllaben),
van de rest weten we heden niets,
niets.

Maart 17, nacht.

o

48





Una palabra derrotada, un amor vencido.
La noche crece por todos lados
Alguien se extravía entre hileras de juncos
La ciudad retorna a su origen de piedra sobre piedra
El hombre, un hombre entra desnudo en el agua roja

Y era una palabra dardo de obsidiana
Y era un amor profundo, húmedo






Een overboddig woord, een overwonnen liefde.
De nacht wast langs alle kanten.
Iemand verdwaalt tussen rijen van riet.
De stad keert terug naar zijn oorsprong van steen op steen.
De man, een man stapt naakt in het rode water.

Er was een woord pijlpunt van obsidiaan
En er was een liefde, diep en vochtig.

o


49





La verdad es fría y el agua no ocupa los huecos:
¿quién ahora
pesa las horas y oye su propio respirar?
El amor, todo amor, polvo impalpable.
Sólo una luz fosfórica en la pupila del silencio.
Al revés el árbol
(la copa abajo,
las raíces arriba),
el animal, ya vacío de genio,
se abandona a un juego de fútiles imágenes,
de estrériles correspondencias.
¿Dónde, cómo
la aparición súbita,
luminosa?






De waarheid is koud en het water vult de holtes niet:
wie weegt nu
de uren en hoort zijn eigen ademen?
De liefde, alle liefde, ongrijpbaar stof.
Alleen een fosforescerend licht in de pupil van de stilte.
Omgekeerd de boom
(de kruin beneden
de wortels boven),
het dier, al verlaten door de geest,
geeft zich over aan een spel van futiele beelden,
van steriele overeenkomsten.
Waar, hoe,
de plotse lichtende
verschijning?

o


50





(A Arturo Carrera)

I

Adelante espera un sol oscuro
y un niño inmóvil, tendido de espaldas.
¿Mi
dialecto, el suyo,
podrán encender, resucitar?

II

Frases en una página
de un libro abierto al azar:
He aquí que van a pasar los grandes carros
negros y sordos de la Meditación.
Luego vendrá un espanto como un verterse
del agua primordial.
Y
todo esto sucederá en silencio. (*)

(*) Milosz, Ars magna.







(A Arturo Carrera)

I

Voor ons wacht een duistere zon
en een onbeweeglijk kind, liggend op de rug.
Zal
mijn dialect, het zijne,
het doen opflakkeren, tot nieuw leven wekken?

II

Zinnen op een blad
van een boek per toeval geopend:
Hier is het dat zullen voorbijgaan
zwart en doof, de grote wagens van de Meditatie.
Dan zal komen een angst als het vloeien
van oerwater.
En
dat alles zal zich voltrekken in stilte(*)

(*) Milosz, Ars magna.

o



51





¿Qué
me pregunto, de mí no es frágil,
no resulta quebradizo,
partible, rompible?
¿Hay
algún recuerdo, obsesión,
sueño, deseo, temblor,
algo que pueda contra esto que percute,
barrena, rota, silba,
empuja?
Entonces,
reúno mis últimas fuerzas
y me lanzo adelante,
hacia donde la tormenta se adensa,
con los ojos cerrados,
para obtener respuesta.






Wat,
zo vraag ik me af, is niet teer aan mij,
blijkt niet broos
deelbaar, breekbaar?
Is er
een herinnering, een bezetenheid,
droom, verlangen, beven
iets dat wat vermag tegen wat slaat,
drilt, draait, fluit,
duwt?
Dan
bundel ik mijn laatste krachten
en stort me vooruit,
tot waar de storm zich verdicht,
met gesloten ogen,
om een antwoord te krijgen.

o






La luz y alguna cosa

Buenos Aires,
Ediciones Ultimo Reino, 1998.

Prólogo de Cristina Piña.
.

Copyright gedichten © Carlos Barbarito 1998
Copyright vertalingen © Stefan Beyst 2004


Laat een boodschap aan de dichter achter in het gastenboek !
Wij vertalen ze voor hem in het Spaans.

Wil je worden verwittigd als er nieuwe gedichten verschijnen?
Stuur dan een mail met de vermelding: 'barbarito'


Aanbevolen links:

Het oog van de roos: internationaal poëzine
Meander: een site vol van literatuur



zoek op deze site

powered by FreeFind